Orang-oetan, symbool voor de miljoenen slachtoffers van de destructieve mensheid

[gepost: mei 2020]

Illustrations cannot be uploaded to this post. This problem will be solved as soon as possible.

Michael Moores en Jeff Gibbs’ documentaire Planet of the Humans [link] komt aan het eind tot een dramatische apotheose met beelden van de niet te stuiten vernietiging van het tropisch regenwoud. Je ziet  een orang-oetan die zijn heil heeft gezocht in een kale, maar nog overeind staande boom temidden van een knekelhof van gevelde woudreuzen zo ver het oog reikt – niet zo verschillend van Hiroshima na de atoombom. Evenlater beelden van een jonge orang, die door de rigoreuze kaalslag naar de bodem van zo’n platgezaagd tropisch regenwoud werd gedwongen en in een door zware regenval ontstane moerasachtige poel wegzakt. Het dier is er even hulpeloos als een gestrande walvis. Het wordt uit de blubber getrokken, maar sterft evenlater op het ‘droge’ … terwijl een camera alles vastlegt.
Door de indrukwekkende beelden moest ik denken aan een verhaal dat ik aan het begin van mijn journalistieke ‘carrière’ ooit had geschreven over de orang oetan. Het verscheen augustus 1984 in Avenue en was prachtig geïllustreerd door Mariet Numan (1). Op een pagina-grote tekening zie je een orang-oetan zich vastgrijpen aan een liaan. Boven het dier is een inzet die een veld van boomstobbes laat zien. Op de voorste stobbe rust een kettingzaag en vanaf de bovenrand van de inzet druipt bloed omlaag.
Hieronder het bijna veertig jaar oude verhaal, uitgebreid met vele geleerde eindnoten:

Figuur 01-orang-oetan:

ORANG OETAN−SYMBOOL VAN EEN STIL VERLANGEN.
door Sjon Hauser

In de straat woonde een jongen met knalrood haar. “Rooie Wout” noemde mijn vader hem altijd. Als kind vond ik zo’n betiteling al even onvriendelijk als “brillejood” of “roetmop”. Niet dat roodharigen tot een gediscrimineerde of vervolgde groep behoorden; ikzelf was het die rood haar als iets onaantrekkelijks ervoer en daarom vond ik het wat ongepast wanneer dit attribuut werd benadrukt.
Dat ik rood haar zo lelijk vond kwam vooral door de associatie met een melkwitte huid. De meeste jongens in het dorp hadden een bleke huid, maar de tint van Wouter Mens, zoals “Rooie Wout” heette, was bijna onnatuurlijk wit. Hoewel Wout me nooit kwaadgezind was, had ik toch wel wat angst voor hem. In mijn ogen was zijn uiterlijk onlosmakelijk verbonden met bloedneuzen en snotbellen. Hij was het prototype dorpsjongen met schreeuwen en vechten als lifestyle en droeg builen en schaafwonden als vast attributen daarvan op zijn bleke huid. Wouter verenigde fysieke onaantrekkelijkheid en een brutaal, bedreigend gedrag. Terwijl ik bedeesd de Latijnse namen van vogeltjes leerde uit Dr. Dobbens Wat vliegt daar? (2), schoot hij alles wat vloog met zijn katapult aan flarden. Wout was oerhollands; met zijn vader als voorzitter van de lokale voetbalvereniging kon hij een figurant in een Vestdijk-roman (3) zijn geweest.
De bleekheid van de mensen in mijn dorp had iets triests, net als het kratje met flesjes schoolmelk dat ‘s ochtends voor de klas stond: extra kalk voor het poldergebroed. Wanneer rond tien uur een leerling werd opgedragen de doppen van de flesjes met een schaar te perforeren om er rietjes in te kunnen steken, moest ik steeds van mijn staartdeling opkijken. Ik verlangde dan intens naar een mooiere wereld. Ergens moest die toch bestaan?
Die wereld zou pas jaren later een gezicht krijgen. De wereld van zwart, sluik, halflang haar; de schuchtere glimlach vanuit een nipahut; een slank bruin jongenslichaam, half verscholen achter een karbouw; het mysterieuze Verre Oosten.

XENOFIELE GEVOELENS
Eenzaam voelde ik mij verheven boven de geestgronden, het land van ‘hiero en daarzo’ (dat zeeên hunnie tenminste). Dit gevoel van verhevenheid had ik vooral in de top van een reusachtige eik achter in onze tuin. ‘Boompieklimmen’ was het enige gevaarlijke spelletje dat mij bekoorde. Vanuit de kruin van de boom had ik een prachtig uitzicht over de daken van de dorpswoningen en de paviljoens van het krankzinnigengesticht dat in het bos achter ons huis verscholen lag. Wouters hoofd op straat was hier slechts een rode stip. Dit was mijn uitkijkpost naar een mooiere wereld. Hoog tussen de rijpende eikeltjes groeide mijn Stil Verlangen – maar het was aan de voet van de eik dat het even een duidelijke vorm aannam.(4)
Op een zomerse dag zag ik vanuit mijn uitkijkpost twee onbekende jongens aan het touw slingeren dat aan een zware tak van de eik was bevestigd. Behoedzaam klom ik naar beneden. De jongens groetten me vriendelijk en boden me zelfs een sigaret aan. Ze kwamen uit Amsterdam en hun ouders huurden in de vakantie een zomerhuisje.(5) Deze jongens waren zo heel anders dan de jongens uit het dorp… ze hadden mooie, gebruinde gezichten. Ondanks hun vriendelijkheid vond ik ze veel stoerder dan de Bakkumse herriemakers en vechtersbazen. Toen ze naar hun zomerhuisje terugkeerden lieten ze een verliefde elfjarige jongen achter.
Sindsdien is mijn Stil Verlangen steeds uitgegaan naar het andere, het verre, het vreemde, het verborgene – noem het xenofilie. Het voerde me later naat het Verre Oosten. Zo stil, introvert of verlegen bleken de jongens van Java, Mindanao of Noord-Thailand echter niet te zijn, wel prachtig. Het Stil Verlangen laat zich minder eenvoudig bevredigen dan het jeukend DNA. Zelfs de verlegen vissersjongen uit Catanduanes, die in zijn pumpboat, drie kilometer uit de kust zijn hoofd op mijn schouder legde, kon uiteindelijk niet beantwoorden aan de meedogenloze eisen van mijn xenofilie. Sinds de ontmoeting onder de eik, twintig jaar geleden, is het ideaalbeeld van mijn liefde uitgekristalliseerd tot iets abstracts, onbereikbaars, gedissocieerd van seksualiteit. Zoals masturbatiefantasieën tijdens een uitputtende zelfbevlekkingssessie op een druilerige zondagmiddag gestileerde, onwerkelijke vormen aannemen – onmogelijk smalle heupen, gigantische bicepsen – zo zijn mijn diepste xenofiele gevoelens ten slotte gericht op zaken buiten het menselijk bestaan.

GELIEFDE MENSAAP
Het is het teruggetrokken bestaan van de orang-oetan, die schuwe Aziatische mensaap, dat het sterkt aan mijn kinderlijke verlangens appeleert. De orang is het prototype van het slachtoffer van menselijke agressie. Het toeval wil dat deze schuchtere aap bedekt is met lang rood haar. Klinkt orang-oetan niet veel warmer dan het kille, agressieve Wout Mens? Wetenschappers hebben de orang Pongo pygmaeus gedoopt en met de twee Afrikaanse mensapen, de chimpansee en gorilla (6), is mijn geliefde mensaap ondergebracht in de familie der Pongidae, hoog op de ladder der evolutie, maar nog altijd een sport lager dan de Hominidae, de mensachtigen.
Lange tijd was de kennis omtrent de orang rommelig. De vroege beschrijvingen ervan waren bizarre mengsels van verzinsels en gebrekkige observaties. Niet zelden werden de mensapen onderling verward of op één lijn gesteld met de ‘primitieve’ volkeren.
Lange tijd was de kennis omtrent de orang rommelig. de vroege beschrijvingen ervan waren bizarre mengsels van verzinsels en gebrekkige observaties. Niet zelden werden de mensapen onderling verward of op één lijn gesteld met de ‘primitieve’ volkeren. In 1699 verscheen een boek met de titel ‘Orang-outan, sive homo sylvestris’; het was een beschrijving van een chimpansee. Een observatie van een ‘orang-oetan’ uit de zeventiende eeuw had betrekking op een Indische vrouw die leed aan hypertrichosis, abnormaal sterke haargroei. Met een diep geworteld superioriteitsgevoel beschouwden de blanke avonturiers de mensen en dieren in de tropen als rariteiten die ze met geweld tegemoet traden – een attitude jegens het vreemde die zo totaal anders is dan mijn Stil Verlangen.
De teruggetrokken leefwijze van de orang mocht niet verhinderen dat er ijverig op onze achterneef werd gejaagd. In de negentiende eeuw gebeurde dit vooral ten dienste van de wetenschap. Niemand minder dan de grote natuurvorser Alfred Russel Wallace (7), die met Darwin als pionier van een evolutietheorie het westers wereldbeeld diepgaand zou wijzigen, maakte een begin aan deze orangcide. Enerzijds dicht hij de orangs in bloemrijke taal menselijke gedragingen toe, anderzijds worden de dieren met Victoriaanse precisie uit de bomen geschoten. Voor Wallace was vooral zaak om goede specimen te verkrijgen: ‘Op 18 juni had ik weer een hroot succes (…) en verwierf ik een prachtige orang (…) op 21 juni schoot ik opnieuw een volwassen vrouwtje,’ schrijft hij in The Malay Archipelago.(8)
Wallace voerde een groot vat medicinale arak met zich mee waarin de huiden van de orangs werden bewaard. In het vat had hij hagedissen, slangen en ander ongedierte gestopt om zijn inlandse begeleiders de consumptie van het destillaat te ontmoedigen. Voorts kookte Wallace de geraamten van zijn trofeeën uit, want die waren van waarde voor het Derby Museum. ‘Aan het eind van de week, toen ik geen orangs meer vond, keerde ik naar huis terug.’(9)
Het zou tot 1960 duren voordat men de orang-oetan zonder hulp van wapens in het oerwoud ging bestuderen. In die tijd begon ook een Engels echtpaar in Sarawak jonge orangs op een zo natuurlijk mogelijke wijze groot te brengen. Hun baby-orangs waren dieren waarvan de moeder was gestorven of die door inlanders illegaal als huisdier werden gehouden. Hoewel de meeste van hun orangs uiteindelijk in een dierentuin belandden, moet het werk van de Harrissons worden beschouwd als een mijlpaal in de emancipatie van de roodharige mensaap.(10)
In de twintigste eeuw stond de jacht op de orang vooral ten dienste van dierentuinen en circussen. Zelden overleefden de orangs er langer dan enkele jaren. Ze werden er net zo behandeld als de chimpansee en gorilla. Men negeerde volkomen dat orangs, in tegenstelling tot hun Afrikaanse familie, echte boomapen zijn. In een hok met een betonnen vloer, een klimrek en een autoband was het vlechten van een nest uit takken en allerlei ander natuurlijk gedrag niet mogelijk – de orang was er gedoemd weg te kwijnen. Wanneer hij samen met chimpansees in een hok geplaatst werd, delfde hij steeds het onderspit tegen zijn brutalere neefjes. Terwijl de chimpansees een echte imitator is en in dierentuinen steeds de lachers op de hand heeft, is de orang van nature een onderzoeker. Maar in een kaal hok valt er niet veel te exploreren.

DE MEEST BIZARRE THEORIEËN
In de Aziatische wouden voedt de orang zich vooral met vruchten en noten. Zijn uitgesproken lievelingsgerecht is de doerian, een grote met scherpe stekels gewapende vrucht, waarvan de pulp bijzonder aromatisch is.(11) Ook de dajaks op Borneo zijn dol op de doerian; ze maken zelfs lofzangen op de smaak ervan. Wallace’ jacht op de orang werd door deze koppensnellers als een weldaad gezien, want de orang kon grote schade aanrichten in hun doerianboomgaarden. In een doerianboom kan een orang zich evenwel nog het beste tegen de mens verdedigen. Men heeft meegemaakt dat een belaagd dier zo’n boom krachtig heen en weer begon te schudden en met het erop volgende bombardement van doerians zijn achtervolgers wist af te schrikken.
Het is niet zijn fructivore leefwijze waarmee de orang zich onderscheidt van chimpansee en gorilla, maar zijn totale afhankelijkheid van bomen. Wallace schrijft dat een orang zich in het oerwoud met even groot gemak voortbeweegt als een Indiaan op de prairie of een Arabier in de woestijn. Terwijl Afrikaanse mensapen de meeste tijd op de grond doorbrengen, verlaten orangs de bomen zelden. Alleen als er weinig vruchten in de bomen hangen komen ze omlaag en gaan op zoek naar jonge uitlopers. Een ander groot verschil met de chimpansee is dat de orang geen groepsdier is, maar een solitair bestaan voert. Is het zijn teruggetrokken, solitaire leefwijze die de orang tot het symbool van mijn diepste gevoelens heeft gemaakt?
De orang wordt dan wel met chimpansees en gorilla’s in een familie geplaatst, in feite is hij minder verwant aan de mens dan de Afrikaanse mens apen. De analyse ban DNA en proteïnen wijst erop dat de orang-oetan-lijn zich al tamelijk vroeg heeft afgetakt van de lijn die op het zwarte continent tot de chimpansee, gorilla en mens zou leiden. De orang is van de mensapen het meest ‘alien’ en in feite staande chimp en gorilla dichter bij ons dan bij de orang. (12) Huxley, Darwins spreekbuis op het gladde ijs van onze afstamming, has er in 1863 al op gewezen dat de orang anatomisch het minst op de mens lijkt.
Toen rond 1900 de evolutieleer algemeen was geaccepteerd, werden er de meest bizarre theorieën over onze afstamming ontwikkeld. De Italiaan Sergi meende zelfs dat de huidige mensapen de directe voorouders van de verschillende rassen van de mens waren.; het blanke ras zou afstammen van de chimpanse, de negers van de gorilla en het gele ras van de orang-oetan. Dat laatste werd ondersteund met de notitie dat orangs net zo kunnen zitten als de mediterende Boeddha.
Voordat Oost-Afrika zijn rijkdom aan mensachtige fossielen had prijsgegeven veronderstelden vele onderzoekers dat  de mens in Azië was geëvolueerd. De reconstructie van een hypothetische oermens door de Duitse kunstenaar Gabriël Max zag er dan ook uit als de kruising  tussen een mens en een orang-oetan. De Piltdown Mens, die in het begin van deze eeuw weliswaar in Engeland was opgegraven en lange tijd voor een echte missing link werd gehouden, was ook zo’n orientaalse bastaard, want in de jaren vijftig van de 20e eeuw bleek het een vervalsing te zijn: de schedel was van een modern mens, maar de onderkaak met bijgevijlde hoektanden had aan een orang-oetan toebehoord. Waarschijnlijk heeft de orang al een lange onafhankelijke ontwikkelingsgeschiedenis achter de rug, die zo’n 25 miljoen jaar geleden, lang voordat in Afruka het hominiseringsproces op gang kwam, moet zijn begonnen. Dat de orang een hoge intelligentie heeft  is daarom in zekere zin verwonderlijk. De evolutie van de intelligentie van de mens wordt doorgaans toegeschreven aan het complexe groepsleven in de Afrikaanse savanne. De ontwikkeling van een slimme orang moet dus onder invloed van andere factoren hebben plaatsgevonden. Volgens onderzoekers van de Universiteit van Californië hebben orangs hun hoge intelligentie vooral te danken aan hun bijzondere voortbeweging in de boomtoppen. Orangs zijn de zwaarste boomdieren; volwassen exemplaren kunnen tachtig kilo wegen en met zo’n gewicht kunnen ze niet, zoals kleine apen, van de ene boom naar de andere springen. Toch zijn ze in staat gaten van vele meters tussen twee bomen te overbruggen. Maar daarvoor zijn intelligente strategieën vereist. Smalle twijgen van een aangrenzende boom worden beetgegrepen om daarmee een zwaardere tak naar zich toe te trekken. Soms worden zelfs lianen gebruikt om als een Tarzan van boom tot boom te slingeren. Het vasthouden aan een boomleven, ondanks hun gewicht, zou orangs in slimme apen hebben veranderd.
Ik denk niet dat mijn honderden beklimmingen van de eik in de tuin mijn intelligentie hebben gevoed; maar voor de ontwikkeling van mijn Stil Verlangen zijn ze onmisbaar geweest.

OP HET SPOOR VAN DE ORANG
Mijn speurtocht naar de Sumatraanse orang was gedoemd te mislukken. Avontuuurlijke jungletochten zijn voor mij niet weggelegd. Ik ben meer een onhandige boekenbioloog: het kost mij al de grootste moeite een blikje proviand te openen. Zelfs  veilig achter mijn bureau weet ik mij geen raad als mijn balpen begint te lekken. Eigenlijk heb ik ook een hekel aan veldbiologen, een soort veredelde padvinders die een vieze lucht vanuit hun geitenwollen sokken verspreiden. Niettemin heb ik mij voorgenomen op Sumatra de orang in het wild te observeren. Tijdens mijn verblijf op het eiland gaan mijn gedachten voortdurend uit naar de roodharige bosmens. Slechts een geliefde is in staat het brein zo bezig te houden.
Terwijl de bus de weg van Bireuen naar Takengon beklimt – dezelfde route die Van Heutz  ooit volgde om de opstandige Atjeeers met kogel en bajonet op te voeden — meen ik vanuit de donkere wouden orangmannetjes te horen ‘zingen’Het gezang roept die fascinerende zin in mijn geheugen op die ik enkele dagen eerder had gelezen in een oud artikel: ‘Am 14. November d.J. (1928) vernahm ich zum letzten Maleden eigentuemlichen Gesabg unseres “Goliath” ‘ Het is de beginzin van een van de eerste teksten  waaruit oprechte liefde voor de orang spreekt. Gustav Brandes, direkteur van de dierentuin van Dresden, schrijft daarin in huiveringwekkend biologisch proza de dood van een oude orang-oetanman, wiens lijden hij door middel van euthanasie verkortte: ‘Da es sich zweifellos (..) um den unvermeidlichen Alterstod handelte, beschloB ich den Ausgang abzukürzen und lieb den Riesen am 14. Dezember, morgens 8 Uhr durch vorhalten einer Spritze Morphium einzuschlummern,’ Goliath, waarvan als herinnering een testikel na het ‘einschlummern’ in ‘Zenkerscher Flussigkeit’ werd geconserveerd, was een van de eerste orangs in gevangenschap waarbij/bij wie het ‘zingen’ werd gehoord. Voorheen veronderstelde men dat orang-oetans tot de weinige dieren behoren die geen bijzondere geluiden produceren. Het gezang dat volgens Brandes lijkt op het geronk van een motorfiets, is later ook bij andere mannetjes waargenomen. Toen in de dierentuin van Boedapest het zingen van een orang het eerst werd geconstateerd nadat deze zijn vrouwtje en kind had verloren, nam men aan dat het dier daarmee verdriet uitdrukt. Waarschijnlijk heeft het gezang een competitieve functie tussen de mannetjes; ook in de Aziatische wouden is het vaak gehoord.
Het gezang dat ik op weg naar het Bovenland van Takengon hoor, moet echter een illusie zijn, wanr volgens het dikke proefschrift van de Nederlandse dierenarts Herman Rijksen is er in dit gebied in vele jaren geen orang oetan gesignaleerd. Rijksen heeft jaren gewerkt aan een rehabilitatieproject in het Gunung Leuser-reservaat in Atjeh, het grootste natuurreservaat in Zuidoost-Azië. Orangs die in gevangenschap hadden geleefd werden door hem begeleid bij hun terugkeer naar een junglebestaan.
Tijdens de ‘orang boom’ in de jaren twintig van de 20e eeuw werd in Atjeh de vangst en handel van orang-oetans gemonopoliseerd dooor de heer Van Goens. Hij wist er een aardig kapitaaltje mee te vergaren. Het levend in handen krijgen van de orangs is beslist lastiger dan het neerschieten uit de boomtoppen. Van Goens had daarvoor een hele ploeg inlanders tot zijn beschikking. Zodra een orang-oetan in een boom werd ontdekt, moesten die in razend tempo alle aangrenzende bomen omkappen, zodat het dier niet meer via de bomen kon ontsnappen. Vervolgens werd het uitgehongerd en gedwongen omlaag te komen. Daar werd het ten slotte met grote netten overmeesterd. De inlanders noemens de orang-oetan ‘mawas’ en zijn van mening dat er in de jungle geen dier zo sterk is; met zijn handen en voeten zou de mawas een krokodil kunnen doden. Maar tegen de mens is hij niet opgewassen.

ONTMOEDIGD DOOR OPDRINGERIGHEID
In Takengon, in het Bovenland, ben ik dichter dan ooit bij de natuurlijke woonplaats van de orang-oetan. Ik voel er mijzelf een opgejaagd dier. Het plaatsje ligt aan het diepe, door bergen omzoomde Tawar Meer. Zelden is mijn verlangen naar rust en natuur sterker vergald dan hier. In de warungs gapen de mensen me aan, komen om me heen staan en observeren ademloos elke beweging waarmee ik een zoet cakeje of een slok koffie tot mij neem. Meestal hoef ik niet lang te wachten op de kardinale vraag: ‘Dari mana’ (waar kom je vandaan?). Aanvankelijk met enige schaamte, later geirriteerd en trots, antwoord ik een Hollander te zijn, een orang blanda – met deze naam wordt ook een op Borneo voorkomende aap met een forese vlezige hangneus aangeduid. Daarna volgft een serie standaardvragen: hoe ik heet, of ik getrouwd ben, wat ik hier kom doen. Dat ik op zoek ben naar de orang-oetan verraad ik niet, maar verder beantwoord ik de vragen beleefd. De voorstelling schijnt minder amusant te zijn dan men hoopte en de meesten keren mij weldra de rug toe; ik wordt nog slechts aangestaard door enkele tragere geesten. Andere nieuwsgierigen staan echter op het punt een nieuwe aanval te lanceren. ‘Dari mana?’ Het verhoor begint opnieuw. Ondertussen bedienen de mannen zich zonder te vragen van mijn kretek-sigaretten.
Op straat word ik achtervolgd door een cordon van jeugdig voetvolk dat om mij lacht en naar mij schreeuwt alsof ik een loslopende aap ben. Zijn dit de bedeesde Indische jongens uit mijn droomwereld? Godzijdank wordt er niet op me geschoten. Met hoofdpijn keer ik al vroeg in de avond terug naar mijn op een heuvel gelegen lodge. Tot daar word ik achtervolgd. Ik sluit de gordijnen in mijn kamer tegen het gegluur. Ten slotte houdt ook het gebonk op de deur op en kan ik ongestoord lezen in ‘In Search for the Red Ape’ waarin Engelsman John MacKinnon zijn avonturen in de jungle van Borneo beschrijft. ij wed geplaagd door bloedzuigersen aangevallen door cobra’s en beren – niets hield hem tegen bij zijn speurtocht naar de rode bosmens. k laat me al ontmoedigen door het gezeur van de mensen.
De volgende morgen hangt er een dichte nevel boven het meer. Een reiziger uit 1926 heeft over de ochtenden uit Tekengon eens opgemerkt: ‘Hoe zal ik ze beschrijven? Ze lijken op de lente. De koele lucht en de zonneschijn doen denken aan een noordelijke breedtegraad.’ Takengon ligt vredig beneden mij. Het uitzicht over het meer is subliem. Ik zet een stoel buiten en geniet van de doorbrekende zonnestralen.

[……]
Tropisch hardhout is een geliefd produkt waarmee de aap met het hoge voorhoofd zijn nestje pleegt te stofferen. de donkere wouden van onze verre achterneef worden daarvoor gekapt. Hoewel de orang-oetan thans beschermd heet te zijn, gaat de vernietiging van het tropisch regenwoud onverminderd voort. Volgens Herman Rijksen leven er op Sumatra nog 5000 tot 15.000 orang oetans en is het aantal Borneose orang-oetans misschien wel zes keer groter. Deze getallen lijken rooskleurig, ze zijn het niet. Illegaal wordt er zelfs tot diep in de reservaten gerooid.

[1984.] Het bos achter onze tuin is ook gekapt en heeft plaats gemaakt voor gezinswoningen. De hoge eik in wat vroeger onze tuin was, is verdwenen. In de tuin herinneren slechts de Keulse potten met Oostindische kers aan hoe het er vroeger echt was. Ik slenter met mijn vader door de tuin naar de straat. De kastanjes dier er stonden zijn gekapt, want ze namen het licht weg.
Een zilverkleurige sportwagen met donkere ramen scheurt voorbij. Mijn vader steekt een hand op. ‘Weet je wie dat is?’ zegt hij even later, ‘Rooie Wout met zijn twee kleine jongens.’
Mijn gedachten raken in een stroomversnelling. Het proces van natuurlijke selectie wordt in persoonlijk perspectief, als een versneld afgedraaide film, aan mij geopenbaard. Scènes, waarin een klein jongetje bedreigd wordt door katapults, worden gevolgd door beelden vn wilde gevechten tussen oermensen en orang-oetans: ten slotte vloeit de de rode vacht van de orang-oetan over in een plas bloed(x).
Net als na het verlaten van een bioscoop heeft de wereld om mij heen even iets onwerkelijks – de straat, de gezinswoningen, de verzorgde tuintjes. Het besef dat ik er niet thuis hoor en op mijn dertigste nog steeds geen nageslacht heb, versterkt de suggestie. Maar een gevoel ontbreekt erbij. Alsof er zojuist onder zware verdoving een kies is getrokken.
SJON HAUSER

EINDNOTEN
1. Hauser, Sjon, 1984. Orang-oetan. Symbool van een stil verlangen. Avenue, augustus 1984: xx-xx
2. In mijn jeugd (jaren zestig 20e eeuw) een veel gebruikt, bondig, geïllustreerd gidsje voor het determineren van in Nederland voorkomende vogelsoorten.
3. Simon Vestdijk was in de jaren zestig een van de meest gelezen Nederlandse romanschrijvers, maar moest in die jaren al snel plaats maken voor de nieuwe generatie schrijvers, onder wie Jan Wolkers, Gerard (van het) Reve, Willem Frederik Hermans en Harry Mulish.
4. Onze woning bevond zich in de ‘broederwijk’ van het provinciale ziekenhuis Duin en Bosch (het ‘gekkenhuis’). Achter het huis strekte zich bos uit en lag een stuk afgegraven duin bekend als het ‘zandduintje’. Onze tuin werd daarvan gescheiden door een hek. De eik stond nog net binnen de afrastering, maar het touw dat bevestigd was aan een hoofdtak hing buiten het hekwerk op de plaats waar het zandduintje overging in een pad van kreupelhout door de rand van het bos – genoeg ruimte om veilig te slingeren.
5. Ongeveer anderhalve kilometer van de broederwijk, halverwege het strand, lag aan de Zeeweg temidden van bos het grote “tentenkamp”. Vooral gezinnen uit Amsterdamse volkswijken (zoals de Jordaan) huurden daar van het voorjaar tot het najaar een ‘zomerhuisje’. Meestal verbleef een deel van het gezin er tijdens de weekends en in de zomervakantie. In Bakkum waren de tentenkampers vaak te zien om er boodschappen te doen, of, in het geval van de jongens in het verhaal, wanneer het ‘kamperen’ bij papa en mama begon te vervelen en ze elders wat meer avontuur hoopten te beleven.
6. Tegenwoordig (2020) worden twee ‘chimpansee’-soorten, de bonobo en chimpansee, onderscheiden. De positie die de orang oetan binnen de stamboom van de mensapen en mensachtigen bekleedt is ‘omstreden’. In het algemeen wordt aangenomen dat de lijn die naar de orang leidt zich vele miljoenen jaren eerder van de lijn naar de mensachtigen heeft afgetakt dan die van de Afrikaanse mensapen (bonobo, chimpansee en gorilla). Maar er zijn ook degelijk onderbouwde theorieën waarin de orang gezien wordt als de mensaap die het meest verwant is aan de mensachtigen.
7. Een verhaal van mijn hand over Wallace verscheen in KIJK, 1989. Daarin wordt ook historisch onderzoek aangehaald dat erop wijst dat Darwin zich van plagiaat schuldig heeft gemaakt door het concept “natuurlijke selectie” uit een manuscript van Wallace over te nemen en te verwerken in zijn Origin of Species zonder Wallace te vermelden.
8. Wallace’s reisboek The Malay Archipelago (datum) werd een bestseller. Afbeelding op p. xxx dajak met speer …
9. The Malay Archipelago, p. xxx
10. Harrisons
11. Informatie over de doerian is op deze website te vinden op: https://www.sjonhauser.nl/doerians-vruchten-die-hemels-smaken-maar-hels-stinken.html
12. zie noot 6.
x. In de oorspronkelijke tekst stond: ‘… gaat de rode vacht van de orang meet een Grolsch-effect over in een plas bloed …’. In 1984 was het Grolsch-effect een begrip in Nederland als gevolg van de populaire reclamespots van de bierbrouwer: een ‘oer-hollands’ tafereel (bijvoorbeeld het vervaardigen van klompen eindigde ermee dat de camera sterk inzoemde op een detail (bijvoorbeeld het hout van een vers afgeschaafde klomp) en uit het vaag wittige beeld verscheen geleidelijk het schuim van een vers getapt pilsje, totdat, uitzoemdend, een glas Grolsch-bier op de buis stond.