Koning Taksin

Taksin-01-870Figuur 1: De verering van Koning taksin bij het Taksin de grote Heiligdom in Tak. De foto is gemaakt in 2007.

KONING TAKSIN DE GROTE (bewind: 1767-1782)

De half-Chinese gouverneur Taksin slaagde erin een nieuw Siam uit de as van het in 1767 verwoeste Ayutthaya te doen herrijzen en kroonde zich tot de nieuwe koning. Maar vijftien jaar na het begin van zijn heldhaftig optreden werd hij afgezet en doodgeknuppeld ─ waarmee de huidige Chakri Dynastie werd gesticht. Vandaag de dag behoort Taksin tot de meest vereerde koningen uit de Thaise geschiedenis en in 1981, twee eeuwen na zijn dood, werd hem officieel de eretitel ‘de Grote’ (Maharat) verleend. Niettemin bleef Taksin in menig opzicht een omstreden figuur.
©Sjon Hauser: tekst en (meeste) foto’s.

Binnen het moderne ‘syncretistische boeddhisme’ van Thailand geniet een aantal vorsten uit het verleden een opmerkelijke verering. Sommigen zijn een soort heiligen geworden. Met Naresuan de Grote (1590-1605) en koning Chulalongkorn (Rama V: 1868-1910) spant koning Taksin de Grote (1767-1782) beslist de kroon waar het gaat om populariteit en de mate van aanbidding door de bevolking. Overal in het land staan standbeelden van Taksin waar (de geest van) deze koning wordt vereerd. Kleine Taksin-beeldjes vindt men vaak als offerandes bij allerlei heiligdommen. De Taksin-verering manifesteert zich het sterkst in de regio’s waar de koning tijdens zijn leven actief was: de provincie Tak, het zuidoosten van het land (zoals in Rayong en Chanthaburi) en in Thonburi, de ‘zusterstad’ van Bangkok.

Bijzonder is dat Taksin van Chinese komaf is en toch de Siamese troon wist te veroveren. Dat gebeurde nog geen jaar nadat het land reddeloos verloren leek. Op 7 April 1767 trokken de Birmese legers de hoofdstad Ayutthaya binnen en maakten de stad met de grond gelijk. In korte tijd wist Taksin echter een strijdkracht op de been te brengen en de Birmezen uit Siam te verdrijven. En binnen enkele jaren had hij van het ontredderde land weer een relatief solide staat gemaakt en zijn machtspositie geconsolideerd.
Op den duur wierp zijn ‘charismatische stijl’ ook veel tegenstand op onder de Siamezen. Na een kort bewind van vijftien jaar werd Taksin, 47 jaar oud, geliquideerd en besteeg een van zijn voormalige legercommandanten de troon. De generaal stichtte daarmee de Chakri Dynastie. Als koning werd hij Phra Phutthayotfa genoemd. Later werden de vorsten van de nieuwe dynastie genummerd en werd Phra Phutthayotfa vooral bekend als Rama I. Deze koning is eveneens in het pantheon van Thaise heiligen opgenomen, al is zijn populariteit beduidend geringer dan die van Taksin. In hoeverre de faam van de in 2016 overleden koning Bhumibil Adulyadej (Rama IX) zal worden getransformeerd tot een vorm van heiligenverering valt nog te bezien. Er is lange tijd door miljoenen Thais de vrees uitgesproken dat met de dood van Rama IX een eind zou komen aan de Chakri Dynastie. Maar de ‘soepele’ wijze waarop Bhumibols zoon Vajiralongkorn de troon besteeg en Thailands Rama X werd, heeft dit weerlegd.
Het was evenwel Taksin die het baanbrekende werk voor de vestiging van deze dynastie had verricht.

Taksin-02-870Figuur 2: 1. De afbeelding van Koning Taksin op een verkeersbord bij Mae Sot in de provincie Tak. 2.Taksin te paard tijdens de belegering van de stad Kamphaeng Phet. Een schildering in het Taksin de Grote Heiligdom van de stad Tak. De foto’s dateren van ca. 2012 en 2007.

Taksin en de val van Ayutthaya
Taksin werd in 1734 geboren in de Siamese hoofdstad Ayutthaya. Zijn vader Zhong Yong was een Teochiu-Chinese immigrant getrouwd met een Siamese vrouw genaamd Nok-iang – zij noemden hun zoon Sin. [1] Zhong werkte als ‘tax-farmer’ en had als taak de belastinggelden te innen bij de gokhuizen. Toen Taksin nog een kind was, werd hij geadopteerd door de samuhanaiyok (‘prime minister’) tijdens het bewind van koning Borommakots ( 1733-1758). Taksin groeide volledig tweetalig op en sprak vloeiend Chinees (Teochiu) en Thais (‘Siamees’). Daarnaast studeerde hij Annamees (‘Vietnamees’) en een Indiase taal. Nadat koning Ekathat (ookwel bekend als Suriyamarin, 1758-1767) de troon had bestegen, werd Taksin benoemd tot gouverneur van Tak, een plaats aan de belangrijke handelsroute naar Moulmein in Birma. Taksin kreeg de rang van phraya. Zijn volledige titel was Phraya Tak, en hij voegde er ter onderscheid zijn roepnaam Sin aan toe. Taksin is een verbastering van die naam waarmee hij geschiedenis zou gaan maken. [2]
Koning Ekathat was buiten de Siamese grenzen beter bekend als de ‘Leproos-Koning’ omdat hij aan een huidziekte leed. In de meeste geschiedenisboeken wordt zijn bewind afgedaan als bijzonder zwak, gedurende welke tijd Siam steeds verder in verval geraakte. Hij werd door velen zelfs als stom beschouwd en de edelen waren ontevreden over de manier waarop ze door hem werd behandeld. Zelfs Ekathats vader, koning Borommakot, had openlijk gesteld dat het een ramp voor Siam zou worden mocht Ekathat ooit op de troon komen. En in één versie van een oude kroniek wordt Ekathat, inmiddels op de troon, een dwaas genoemd waar het gaat om zijn krijgskundige strategieën. [3]
Siams ‘verval’ zal mogelijk een rol hebben gespeeld dat Birma de tijd rijp achtte een grote aanval op Ayutthaya te lanceren, maar de grote rijkdom in de Siamese hoofdstad, vergaard dankzij florerende handel, was een andere factor. De situatie in het Lan Na Rijk (‘Noord-Thailand’) had mogelijk de oorlog getriggerd. Lan Na was decennia door de Birmezen bestuurd, maar kwam ─ tot misnoegen van de Birmezen ─ steeds meer onder de invloed van Ayutthaya te staan.
In 1763 trok een enorme Birmese troepenmacht dan ook eerst Noord-Thailand binnen om de belangrijkste centra, Chiang Rai, Chiang Mai, Lamphun en Nan, te veroveren. Vervolgens werd Luang Prabang in het Lan Chang Rijk ingenomen. En in 1765 trokken de Birmese troepen, aangevuld met troepen uit Lan Na en Lan Chang, in de richting van Ayutthaya. Februari 1766 had dit enorme leger voor Ayutthaya positie genomen. Een ander Birmees leger was ondertussen via Tenasserim en de Drie Pagoden Pas langs zuidelijke routes Siam binnengetrokken.
Koning Ekathat kreeg er later vaak de schuld van dat hij Ayutthaya niet tijdig op een Birmese invasie had voorbereid. De Birmezen hadden inderdaad weinig te vrezen. De troepen van Siamese gouverneurs boden soms enige tegenstand. ‘Hier en daar wist een leider troepen bijeen te brengen en de Birmezen enkele dagen te bestoken,’ schrijft David Wyatt, ‘maar deze pogingen waren vergeefs en spoedig was de strijd beperkt tot de belegering rond Ayutthaya.’ Het meest effectieve verzet zou volgens de historicus van het dorpje Bang Rachan ten noordwesten van Ayutthaya zijn uitgegaan. [4]
Bij een uitval van de in Ayutthaya geconcentreerde Siamese legermacht, werden de Siamezen verslagen door het ‘zuidelijke’ leger van de Birmezen en moesten zich weer terugtrekken in de hoofdstad. Ekathat zou erop hebben gerekend dat met het overstromen van de Centrale Vlakte in het najaar van 1766 de Birmezen gedwongen waren zich terug te trekken. Maar het vijandelijke leger had zich geconcentreerd op hoger gelegen delen die ze inmiddels gefortificeerd hadden, en ze gebruikten scheepjes om de troepen in actie te houden. Het leek erop dat de tactiek van de Birmese overmacht er vooral uit bestond Ayutthaya uit te hongeren.
In deze fase verscheen Taksin in de schijnwerpers van de geschiedschrijving. Aan het eind van dat jaar werden Taksin en de gouverneur van Phetburi, die zich beiden in het ommuurde Ayutthaya bevonden, over het water uitgestuurd om de Birmezen aan te vallen. Maar de gouverneur van Phetburi werd gedood waardoor deze tegenaanval op niets uitliep. [5] ‘De gouverneur van Tak,’ (Taksin), schrijft Wyatt, ‘was een kundig en ambitieus commandant, maar kreeg onterecht de schuld van het mislukken van de expeditie en Taksin werd ervan weerhouden een effectieve tegenaanval te lanceren. Terwijl het lot van Ayutthaya er steeds somberder begon uit te zien, wist Taksin daarna met enkele honderden volgelingen uit de stad te ontsnappen en naar het oosten te trekken.’ [6]

Taksin-03-870Figuur 3: 1. Een bronzen beeld van Taksin in het Taksin de Grote Heiligdom van Tak. 2. Uitvergroting. De foto’s zijn gemaakt in 2007.

Toen Ayutthaya in april 1767 werd ingenomen had Taksin al Chonburi en Rayong onder zijn controle en in juni breidde hij zijn invloed uit naar Chanthaburi en Trat. Nog geen half jaar na de val van Ayutthaya heerstte Taksin over een groot gebied (het ‘zuidoosten’) dat geheel buiten de controle van de Birmezen viel. Daar wist hij een leger op de been te brengen waarmee hij de Birmezen uit Centraal-Thailand verdreef. In oktober 1767 werd de havenplaats Thonburi op de westoever van de Chao Phraya ingenomen.
Taksins opmerkelijk militair succes was onder meer te danken aan zijn Teochiu-Chinese afkomst en zijn charismatische persoonlijkheid. Toen hij zich januari 1767 uit Ayutthaya terugtrok, had hij slechts 500 honderd soldaten en volgelingen, maar veel van zijn aanhang waren mannen van Teochiu-origine. De Teochiu’s waren een belangrijke groep van Chinezen die zich in Thailand hadden gevestigd. Zij waren vooral handelaren en ze domineerden de rijsthandel. In de jaren twintig van de achttiende eeuw floreerde de rijsthandel met China en vele Teochiu’s in Thailand hadden goede zakelijke contacten met hun moederland. Het was geen toeval dat Taksin naar Chanthaburi trok. De stad was een belangrijk, strategisch gelegen entrepot met goede handelsfaciliteiten en had nauwe banden met China. [7] Taksin hoopte er de noodzakelijke steun van de Chinezen te krijgen, zowel financieel als wat manschappen betreft. En dat gebeurde: de Chinese handelaren uit Ayutthaya en Chanthaburi hielpen hem aan duiten, levensmiddelen en andere goederen, en ook aan de vereiste vloot om de troepen en goederen te verplaatsen.
Taksins verovering van de regio Chonburi-Rayong-Chanthaburi-Trat om vandaaruit de controle over Centraal-Thailand te verkrijgen, was een beslissende fase in de geschiedenis van Siam. Er waren op dat moment vele andere scenario’s mogelijk geweest waarin de toekomst van Siam er heel anders zou hebben uitgezien.
Overigens vertoont de geschiedenisschrijving over deze periode veel lacunes. Historische bronnen spreken elkaar vaak tegen. De locale en internationale machtsverhoudingen waren vaak zeer gecompliceerd en onderhevig aan snelle veranderingen. En veel van de latere geschiedschrijving lijkt niet op historische feiten te berusten.

Taksin-04-870Figuur 4: Taksin te paard tijdens de belegering van een stad. Een schildering in het Taksin de Grote Heiligdom van de stad Tak. De foto dateert van 2007.

De Chinese handelsstaat (‘port polity’) Ha Tien aan de westzijde van de Mekong-delta toonde in die tijd hegemonische ambities en was een geducht tegenstander van Taksin bij diens pogingen een nieuw Siamees rijk te formeren. Ha Tien was voormalig Cambodjaans territorium maar was vooral gelieerd met China en Vietnam. Twee zonen van de Siamese koning Ekathat wisten bij de val van Ayutthaya naar Ha Tien te vluchten. Taksin zou het niet alleen aan de stok krijgen met Ha Tien (en wist een door Ha Tien op de been gebracht leger te verslaan), maar ook met Vietnam dat bij de geschillen werd betrokken. [8]
Wat er beslist toe had bijgedragen dat de verovering van de kern van het oude Siamese rijk voorspoedig verliep, was dat Birma in haar noordelijk territorium in oorlog was geraakt met China. Birma trok daarom de meeste troepen uit Siam terug om daar de strijd tegen China te ondersteunen.
Grote delen van Siam werden in dit machtsvacuüm geplaagd door roversbendes. Een aantal lokale machthebbers deed er alles aan hun macht te vergroten op de puinhopen die de Birmezen hadden achtergelaten, maar geen van allen waren een serieuze rivaal voor Taksin.

Nadat Taksin oktober de haven Thonburi op de westoever van de Chao Phraya-rivier had veroverd, vestigde hij er zijn hoofdkwartier. Vandaaruit werden de resterende delen van de Birmese invasiemacht in het westen van Siam aangevallen en verslagen (november 1767). Taksin was een charismatisch figuur en blonk uit in militaire strategie. Na zijn militaire successen wist hij velen ervan te overtuigen dat hij als ‘man van verdienste’ zoveel karma had opgebouwd dat hij de Siamezen leiding kon geven. Met de steun van zijn Teochiu-aanhangers en zijn officieren en soldaten riep hij zichzelf in december 1767 uit tot de nieuwe koning van Siam met Thonburi als hoofdstad. Hij liet er zijn paleis, het Phra Ratchawong Doem, iets ten zuiden van de huidige Tempel van de Dageraad (Wat Arun) bouwen en begon de stad uit te breiden naar de oostoever van de rivier. [9]
Taksin slaagde erin de hongersnood in de jaren 1767-1768 gedeeltelijk te bestrijden en de ‘orde’ in Centraal-Thailand te herstellen. Maar er zouden nog vele oorlogen volgen.

De meeste oorlogen hadden een succesvol verloop. De bedreigingen aan de ‘grenzen’ werden daarmee geleidelijk verminderd en het Siamese territorium werd zelfs uitgebreid.
In 1768 trok Taksin ten strijde tegen Phitsanulok, maar faalde. Aan het eind van het jaar veroverde hij echter Phimai in het noordoosten (dat aanspraak maakte als ‘erfgenaam’ van het oude Ayutthaya-rijk), en daarna stuurde hij een leger Cambodja in en werden Battambang en Siem Reap geannexeerd. Later dat jaar werd ook Nakhon Si Thammarat in het zuiden onderworpen en midden 1770 veroverde Taksin tenslotte Phitsanulok en Fang (Uttaradit).

Een van de eerste diplomatieke acties van koning Taksin was dat hij een Teochiu-handelaar met veel ervaring in de Sino-Siamese handel naar Kanton (Guangzhou) stuurde in de hoop door de Chinese keizer erkend te zullen worden. De gezant kreeg brieven van Taksin mee die waren gericht tot keizer Qiang-long en de gouverneur-generaals van Guangdong en Gangxi. Daarin legde Taksin uit dat Ayutthaya en de oude Siamese dynastie waren genihilleerd door een Birmese overmacht en hoe hij daarna de Birmezen uit Siam had weten te verdrijven. Het volk van Siam zou hem vervolgens de troon hebben aangeboden. Ook beklaagde hij zich dat sommige gouverneurs zijn heerschappij in Siam nog trotseerden. Hij vroeg het Hemelse Hof om hem als de rechtmatige vorst van Siam te erkennen. Taksin werd zodoende in september 1768 voor het eerst vermeld in de annalen van het keizerlijke hof – weliswaar onder een heel andere naam. Erkenning werd Taksin niet gegund, de brieven werden zelfs teruggestuurd en in een lang antwoord werd Taksin op betuttelende wijze beschuldigd van het onrechtmatig veroveren van de troon en hij zou zich daarmee ernstig misdragen hebben jegens de oude koning–die net als eerdere koningen van de dynastie van Ayutthaya zich immers altijd trouwe vazallen van China hadden getoond. Pas veel later, in augustus 1769, besefte het Qing Hof dat Taksin Siam stevig onder controle had en na 1771 nam China geleidelijk een wat toeschietelijker houding aan. Taksin besefte goed dat China, dat ook in oorlog was met Birma, hem op den duur als koning van Siam zou erkennen om samen een vuist tegen de gemeenschappelijke vijand te kunnen maken. Taksin zond daarom schepen met tributen naar China (inclusief Birmese krijgsgevangen) in de hoop om uiteindelijk het recht te krijgen met China handel te drijven. Taksin had een grote behoefte aan in China geproduceerde ‘strategische materialen’, zoals salpeter, ijzer en koper, en materialen voor de bouw van een nieuwe hoofdstad in Thonburi. Op den duur verbeterden de betrekkingen met China aanzienlijk. [10]

In de jaren 1771-1776 had Taksin zijn handen vol aan de gebieden ten noorden van Siam die opnieuw tot oorlogen met Birma zouden leiden. Uiteindelijk zou Lan Na onder de controle van Siam worden gebracht, maar het kwam ontredderd uit de serie conflicten tevoorschijn. Die jaren van oorlogvoering komen vrij uitvoerig aan de orde in Rong Syamananda’s A History of Thailand (1973) ─ een vaak nogal verwarrende aaneenschakeling van troepenbewegingen en belegeringen. Ik zal niet proberen dit samen te vatten, maar kies er slechts een enkele gebeurtenis uit.
Phitsanulok was al verschillende jaren in Siamese handen, toen het in 1775 werd aangevallen door een Birmees leger onder aanvoering van de bejaarde commandant Maha Thihathura (bij de Thais beter bekend als Azaewunky). Chao Phraya Surasi was toen gouverneur van Phitsanulok, terwijl de verdediging van de stad onder leiding stond van Surasi’s broer Chao Phraya Chakri (de latere Rama I). Najaar 1775 drong de Birmese commandant aan op een onderhoud met zijn Siamese tegenhanger, Chakri. Tijdens hun samenkomst zou de oude Birmees (die zich o.a. verdienstelijk gemaakt had tijdens de oorlogen tussen Birma en China) Chakri geprezen hebben vanwege zijn militaire vaardigheden, maar hij adviseerde zijn Siamese collega ook om voorzichtig te zijn. Azaewunky zou vervolgens voorspeld hebben dat Chakri op zekere dag beslist koning zou worden. Interessant is dat Rong daarop het volgende koddige commentaar laat volgen: ‘Was Azaewunky werkelijk oprecht met zijn voorspelling? Geen definitief antwoord is daarop gevonden. Hoe het ook zij, in elk geval was hij toen 72 jaar oud, terwijl zijn tegenstander slechts 39 was. Elke twijfel aan Azaewunky’s strategie om onenigheid te zaaien tussen koning Taksin en Chao Phraya Chakri kan worden uitgesloten, want de twee zouden bij de volgende militaire expedities nauw samenwerken.’ Interessant is dat over de vermeende voorspelling (die later bleek uit te komen) na tweehonderd jaar in de geschiedschrijving nog wordt uitgeweid. [11]

In de tien jaren na de stichting van de Thonburi-dynastie werd het Siamese rijk geconsolideerd. Er volgden nog vele veldtochten en veldslagen, die zich vooral richtten op de landstreken ten oosten van Siam, waardoor het Siamese territorium groter werd dan lange tijd geweest was.
Ondertussen had Taksin niet nagelaten in Thonburi de Siamese cultuur en het boeddhisme nieuw leven in te blazen. Het opnieuw bijeenbrengen van religieuze teksten wordt vaak gezien als het begin van een restauratie ─ als gevolg van Ayutthaya’s (bijna volledige) vernietiging was er veel verloren gegaan.[12] Een aspect daarvan is dat het leven van de Boeddha, dat in de religieuze teksten in de Ayutthaya-tijd voornamelijk in dhammografische vorm bestond, geleidelijk biografisch werd. In het geïllustreerde Boek van de Drie Werelden uit de tijd van Taksin wordt de Boeddha (als prins Siddhattha) als een mens van vlees en bloed afgebeeld, net als de koningen en helden in de literatuur. [13]
Verder werd er in Taksins dagen alles aan gedaan om “schaamteloze” monniken (alajji) uit de monnikenorde te verbannen en orde op zaken te stellen binnen de Sangha, een streven dat voortkwam uit de vastberadenheid om de Sangha zuiver te houden. [14]
Het lakhon-drama kwam tijdens Taksins bewind tot bloei. De koning zelf paste een versie van de Ramakian uit Ayutthaya aan, met als resultaat dat deze nieuwe versie niet meer veel verschilde van de stukken die in de Ayutthaya-periode opgevoerd werden buiten het hof. Nidhi wees erop dat Taksin en de koningen na hem zelf drama componeerden en dat dit een belangrijke verandering betekende. Het symboliseerde de grotere bereidheid van het hof om tradities van de volksliteratuur (en -cultuur) over te nemen en aan te adapteren. [15]

Taksins militaire avonturen na 1776 stonden veelal onder het commando van twee broers, Chao Phraya Chakri en Chao Phraya Surasi, die uit een oude, invloedrijke adellijke familie kwamen.
Taksin bleef in Thonburi achter toen generaal Chakri zich in 1778 met een leger van 20 000 man naar Vientiane begaf, terwijl zijn broer Surasi met 10 000 man via Cambodja naar Champassak (Zuid-Laos) trok om dit bij Siam in te lijven. Vervolgens onderwiep Surasi het veel noorderlijker, aan de Mekong gelegen Nakhon Phanom en sloot zich daarna met zijn leger aan bij Chakri om samen Vientiane te onderwerpen. [16] De veldtocht werd een groot succes en de broers keerden naar Thonburi terug met o.a. de buitgemaakte ‘Smaragden Boeddha’, een zeer vereerd beeld dat een palladium van het Lan Chang Rijk was. Het werd later ondergebracht in de koninklijke tempel Wat Phra Kaeo van de in 1782 gestichte nieuwe hoofdstad Bangkok, waar het zich nog steeds bevindt.

Taksin afgezet en geëxecuteerd
Toen de twee commandanten in Thonburi terugkeerden, werd hun duidelijk, dat er in de hoofdstad het een en ander aan de hand was. Taksin gedroeg zich merkwaardig. Eerder, bij het veroveren van de Siamese troon, had Taksin zijn militaire successen in verband gebracht met zijn barami. [17] Keyes schrijft hierover: ‘Veel mensen voelden zich aangetrokken tot would-be koningen die pretendeerden buitengewone barami, deugdzaamheid in een boeddhistische zin, te bezitten, of zelfs beweerden een bodhisattva, een toekomstige Boeddha, te zijn. (…) Taksin was in staat om munt te slaan uit zijn charisma en zijn militaire bekwaamheid en successen, om zijn aanspraak op de troon te rechtvaardigen en het koninkrijk te herenigen.’ [18] Maar, aldus Keyes, in 1776 was Taksin gaan beweren dat hij een bodhisattva was [19], en dat ging velen wel te ver.
Franse missionarissen rapporteerden vervolgens dat Taksin zich bovenmatig met religieuze zaken bezighield: ‘Hij brengt al zijn tijd biddend door, vastend en mediterend, om met deze middelen in staat te zijn door de lucht te vliegen.’
Taksins claim op weg te zijn naar de verlichting bracht een schisma teweeg binnen het Siamese boeddhisme. Hij eiste van de boeddhistische clerus dat hij als ‘stream winner’ erkend werd. Monniken die weigerden voor Taksin te buigen en hem als een godheid te vereren, werden verlaagd in rang en honderden kregen zweepslagen of moesten dwangarbeid verrichten. Taksins afwijkend gedrag werd door veel Siamezen als bedreigend ervaren. Ze geloofden dat het tragische lot van Ayutthaya in 1767 te wijten was aan het vaak weinig vrome gedrag van koning Ekathat en het moreel verval van de maatschappij. Nu was het Taksin die getuigde van wreedheid en paranoia. In 1782 werd het gedrag van de koning als volgt door missionarissen beschreven:
‘Al enige jaren heeft de koning van Siam zijn onderdanen en de buitenlanders die er woonden of die er handel dreven, enorm veel last bezorgd. Vorig jaar waren de Chinezen bijna genoodzaakt hun handel op te geven. Het afgelopen jaar zijn zulke kwellingen frequenter geworden. De koning is meer dan ‘half gek’, en wreder dan voorheen. Hij heeft, al naar de mate waarin hij ontstemd was, zijn vrouw en zonen gevangen gezet, gemarteld en zweepslagen gegeven. Zelfs de gedoodverfde troonopvolger en de hoge ambtenaren ondergingen dit lot. Hij wilde dat ze misdaden opbiechtten waaraan ze zich helemaal niet schuldig gemaakt hadden.’ [20]

Taksin-05-870Figuur 5: Het ontwerp van Taksins ruiterstandbeeld in Thonburi door Silpa Bhirasri (uit: Thonburi, 1999: 31). 2-4. Onderdelen van het monument gefotografeerd in 2002.

Dat het tij zich op een dag tegen Taksin zou keren was niet zo verwonderlijk. Uiteindelijk bleef hij als half-Chinees een soort vreemde eend in de bijt. Aristocratische families waren allemaal aan het vechten om hun eigen positie te verbeteren. In de jaren na de val van Ayutthaya bestond de aanhang van Taksin uit slechts een van de vele groepen van ‘middelhoge adel’. ‘Wat deze groep onderscheidde,’ schrijft Nidhi Eoseewong, ‘was dat ze groter was dan de andere en het meest baat zou hebben bij een staat die in de stijl van Ayutthaya zou herrijzen. Andere groepen bestonden uit invloedrijke lieden in de provincies, waaronder de gouverneurs van provinciesteden, die daar juist weinig belang bij hadden en zodoende ook weinig bijdroegen bij het verdrijven van de Birmese invloed uit de centrale regio. Toen koning Taksin de troon besteeg, was hij niet het middelpunt van de middelhoge adel van Ayutthaya. In het netwerk dat de adel door verwantschap en allianties over vele generaties met elkaar verbond, vormde de familie van Chao Phraya Chakri daarentegen een soort centraal knooppunt.’ [21] Nadat Taksin zich uiterst controversieel begon te gedragen, werd het begrijpelijk dat men een oplossing voor dit probleem bij de familie van Chakri hoopte te vinden. Eind 1781 moet er onder de elite van Thonburi een soort consensus zijn ontstaan dat Taksin moest worden vervangen in bestwil voor iedereen, het boeddhisme en de toekomst van Siam.
Nog datzelfde jaar stuurde Taksin zijn commandanten Chakri en Surasi met een troepenmacht van 20 000 man naar Cambodja om er orde op zaken te stellen toen er een opstand was uitgebroken. Terwijl dit leger onderweg was, braken in de provincies Ayutthaya en Saraburi rellen uit die gericht waren tegen een door Taksin benoemde tax-farmer die berucht was om zijn roofzucht. Er werd een officier naartoe gestuurd om met de rebellen af te rekenen. De missie verliep echter anders. De officier sloot zich aan bij de opstandelingen en riep ze op om Taksin af te zetten. Terwijl de opstandelingen naar Thonburi marcheerden, ondervonden ze weinig tegenstand. Een groep officials pleegde daarop een paleiscoup waarbij Taksin werd gearresteerd. Chao Phraya Chakri werd gevraagd de troon te accepteren. Nadat de laatste uit Cambodja was teruggekeerd, besteeg hij op 6 april 1782 de troon. [22]

Taksin-06-550Figuur 6: Taksins ruiterstandbeeld in Chanthaburi’s Memorial Park.

De executie van Taksin zou overeenkomstig een speciale wet uit de vijftiende eeuw (de Paladijn Wet van koning Trailok, over ongewone methodes waarmee vorsten geëxecuteerd kunnen worden) hebben plaatsgevonden. Naar zeggen zou Taksin in een fluwelen zak zijn vastgebonden en zijn doodgeknuppeld met een knots van sandelhout. Vervolgens zou hij in het geheim zijn begraven in een buitenwijk van Thonburi. In het openbaar zou niet in grote mate zijn gerouwd om zijn dood, maar na twee jaar, in 1784, werd er toch nog een koninklijke crematieceremonie door zijn opvolger gesponsord. Niettemin leden geruchten (in de traditie van de Siamese volkslegenden) een hardnekkig bestaan dat een plaatsvervanger voor Taksin het in de fluwelen zak heeft moeten ontgelden en dat de ware Taksin heimelijk was ontvoerd naar een asiel in de bergen bij Nakhon Si Thammarat. Daar zou een luxueus paleis voor hem zijn gebouwd en daar zou Taksin in 1825 op hoge leeftijd zijn overleden. [23]
In geschiedenisboeken bestaan nogal wat verschillende versies over het einde van Taksins bewind en de wijze waarop en wanneer Taksin stierf. In sommige wordt aan het belang van Taksins krankzinnigheid relatief weinig waarde gehecht als de sleutel tot zijn afzetting en wordt meer benadrukt dat het gezien moet worden als een gewelddadig veroveren van de troon en de macht–zoals vaak in de Siamese geschiedenis was gebeurd. Anderen achten de overleveringen van Franse missionarissen overtuigend. Daarin zou duidelijk blijken dat Taksin zichzelf ‘onmogelijk’ maakte ─ een aanwijzing dat het afzetten van de koning een uiterste noodzakelijkheid was. [24]
Hoe het ook zij, Taksins dood is voor de officiële geschiedschrijving een precaire zaak gebleven. In officiële bronnen wordt het onderwerp daarom vermeden. In een uitgave van de National Identity Board of the Office of the Prime Minister wordt er aldus omheen gedraaid:
‘[Taksin] was ook geïnteresseerd in culturele revival, in literatuur en kunst. Hij was diep religieus en studeerde meditatie op een geavanceerd niveau. De spanningen van zoveel gewapende strijd en de verantwoordelijkheid voor het herbouwen van een gecentraliseerde Thaise staat luidde de doodsklok voor de koning. Na een intern politiek conflict in 1782 werd koning Taksins mede-generaal Chao Phraya Chakri als koning gekozen.’ [25]

Taksin-monumenten en -verering
Fabelachtige verhalen over koninklijke krijgsheren hadden de Thaise elite al lang gefascineerd, maar het was koning Rama VI (1910-1925) die deze verhalen of legendes ging gebruiken om Siamees nationalisme te kweken bij zijn onderdanen. Het is begrijpelijk dat de heldhaftigheid van koning Taksin daarvan werd uitgesloten.
Maar tijdens het naoorlogse bewind van Plaek Phibun Songkhram (1947-1957) veranderde die situatie en werd koning Taksin juist uitgekozen om als nationale held vereerd te worden. De meeste nationalistische decreten die Phibun had uitgevaardigd in de jaren 1938-1944 om een soort culturele revolutie teweeg te brengen, waren na de oorlog weer nietig verklaard. Maar Phibun had zijn geloof in culturele en sociale hervorming niet opgegeven en zijn afkeer van de royalisten, inclusief de negende Chakri-koning (Bhumibol), was levendig gebleven. Phibun vestigde daarom een Ministerie van Cultuur, en plaatste zichzelf aan het hoofd daarvan. De ‘essentie van Thaise cultuur’ en verfijnd sociaal gedrag werd groots gepromoot maar het (Chakri) koningshuis werd buitengesloten daarbij ook een rol te spelen. Door van Taksin een nationale held te maken, kleineerde Phibun zelfs het koningshuis. Phibun zag zichzelf vooral als een vaderfiguur (pho khun) die het beste met het volk voor had, terwijl hij koning Bhumibol als een soort ongewenste rivaal beschouwde. Koning Bhumibol werd daarom low profile gehouden. Het ministerie propageerde trouw en vroomheid, familiezin en boeddhisme bij de opvoeding van het volk als belangrijke culturele waarden. Vanwege de traditionele achting voor een koningsfiguur zag Phibun in Koning Taksin een krachtig ‘non-Chakri ikoon’. [26]

Sinds de naoorlogse jaren van het Phibun-bewind begon koning Taksin een vertrouwd aspect van Thailands culturele landschap te worden. Hij wordt vrijwel altijd afgebeeld met een zwaard in zijn hand of rustend op zijn schoot. Verder draagt hij steeds een hoed met een brede rand en een piek. Ook is een markante snor kenmerkend voor de koning en niet zelden meen ik een wat bezeten blik in de ogen van Taksin te bespeuren. Forse beelden van de voormalige krijger-koning zijn op talloze plaatsen in het land te vinden en kleine beeldjes zie je vaak op altaren in tempels en bij geestenhuizen. Daarnaast zijn er miljoenen amuletten vervaardigd met de Taksins afbeelding.
De promotie van Taksin als nationale held kreeg tijdens Phibuns bewind vorm in de bouw van een enorm standbeeld dat nog steeds de Wong Wian Yai-rotonde in Thonburi tooit. Het plan voor zo’n standbeeld bestond al in 1937, hetzelfde jaar dat Luang Wichit het toneelstuk Phra Chao Krung Thon (De Koning van Thonburi) over Taksins heldendaden schreef.
In 1950 begon de Italiaanse beeldhouwer Silpa Bhirasri [27] aan het anderhalf keer levensgrote beeld te werken. De Italiaan was gespecialiseerd in heroïsch realisme en Taksin werd afgebeeld als ruiter te paard. Het beeld is nogal statisch: Taksin heeft weliswaar zijn zwaard geheven, maar zijn paard heeft alle vier poten aan de grond. Merkwaardig is dat de staart van het dier horizontaal staat alsof het op volle vaart ligt. De totale kosten voor het beeld bedroegen vijf miljoen baht. [28]

Een ander groot beeld van Taksin staat in het King Taksin Memorial Park van Chanthaburi. Het is in 1972 door Suphorn Sirasongkroh afgeleverd. Het is veel dynamischer dan het beeld in Thonburi. Taksin zit op een steigerend paard en lijkt geheel klaar voor de strijd. De koning te paard wordt omgeven door een viertal strijders met geheven zwaarden. De stijl van de beeldenpartij doet denken aan het Europese classicisme. [29]

Het Taksin de Grote Heiligdom (San Somdet Phra Chao Taksin Maharat) in de stad Tak dateert van 1971. Het is minder monumentaal dan de ruiterstandbeelden in Thonburi en Chanthaburi. Een aan vier zijden open kapel herbergt een fors bronzen beeld van koning Taksin gezeten op een troon, met een zwaard op zijn schoot en de bekende hoed met brede rand en een punt op zijn hoofd. De wanden van de kapel zijn beschilderd met episodes uit het leven van de koning, overwegend krijgstaferelen. Het beeld (en een kleiner beeld buiten de kapel) is vaak bedolven onder de bloemslingers (vooral Afrikaantjes). Rond de kapel staan duizenden beeldjes van paarden en olifanten en ook andere dieren opgesteld als offerandes aan Taksins geest. Varkenskoppen en fruit worden veel op een altaar buiten de kapel geofferd.

Taksin-07-870Figuur 7: Wandschilderingen met taferelen uit het leveb van koning Taksin in het Taksin de Grote Heiligdom in Tak.

In Tak is jaarlijks een festival gewijd aan koning Taksin. Het evenement, de Ngan Taksin Maharat Anuson, duurt een week en vindt doorgaans plaats gedurende de laatste dagen van december en de eerste dagen van januari. Het centrum van de activiteiten is dan bij het genoemde Taksin de Grote Heiligdom aan de noordkant van de stad.

Taksin-08-870Figuur 8: Wat Doi Khoi Khao Kaeo in Tak. 1. De oude, geruineerde bot. 2. Een beeldje van Taksin voor het beeld van zijn moeder in een van de kapellen. 3. Een beeldje van Taksin te paard in een van de kapellen op het tempelterrein.

Wat Doi Khoi Khao Kaeo (in Tambon Mae Tho, Mueang district, Tak) is een oude, gedeeltelijk geruïneerde tempel op een heuvel op de rechteroever (westoever) van de Ping. Deze tempel wordt ook ‘Koning Taksin Tempel’ genoemd. Men meent dat Taksin hier vertoefde op weg naar Chiang Mai in 1774 (tijdens zijn tweede veldtocht naar het noorden). De koning geniet er een speciale verering. De oude bot is vervallen, maar vanwege de magische krachten (saksit) is het vrouwen niet toegestaan dit bouwwerk te betreden. Op het tempelterrein vind je ook heiligdommen gewijd aan de moeder en de vader van Taksin.

Taksin-09-870Figuur 9: 1.Het altaar in een wihan van Wat Don Chan in Chiang Mai. Het centrale, gouden beeld stelt koning Chulalongkorn voor. Naast hem staan teakhouten beelden van koning Naresuan (links) en koning Taksin (rechts). 2. De afbeelding van Taksin op de cover van een historische roman over diens leven.

Na de financiële crisis van 1997 die de economie zeer zwaar trof, was er een opmerkelijke revival van Thais nationalisme dat onder meer zijn uitlaatklep vond in de productie van speelfilms waarin de heldendaden van voormalige vorsten of nationalistische volksstrijders groots en theatraal werden uitgemeten. De bekendste van die speelfilms zijn zoals Suryothai, Bang Rachan en Naresuan, en werden alle grote kassuccessen. Het leven van Taksin is echter, voor zo ver ik weet, nooit succesvol verfilmd. In deze en de erop volgende jaren valt er wat de standbeelden-cultuur betreft een verdere groei van de Naresuan-cultus te constateren. Vaak is de bouw van de nieuwe beelden die door het leger gesponsord. Naresuan-beelden zijn niet weg te denken bij militaire kazernes. Momenteel (februari 2017) bereikt zo’n groot monument zijn voltooiing op militair terrein enkele kilometers ten noorden van Chiang Mai. Op talloze plaatsen ziet men een beeld van Naresuan echter zij aan zij met een beeld van koning Taksin, en beide grote krijgshaftige koningen lijken dan min of meer verenigd vereerd te worden. Bijvoorbeeld, aan de voet van een grote Memorial Chedi in Khao Kho, Phetchabun, de plaats die in de jaren zeventig en begin jaren tachtig van de twintigste eeuw het strijdtoneel was van zware gevechten tussen het Thaise leger en de strijders van de Communistische Partij van Thailand. Iets buiten de stad Chiang Mai bevindt zich een kostbaar verguld beeld van koning Chulalongkorn in een wihan van Wat Don Chan. Op het altaar wordt het beeld geflankeerd door grote teakhouten beelden van zowel koning Naresuan als koning Taksin. Nadat Taksin in 1981 officieel (postuum) de eretitel Maharat (‘de Grote’) was verleend leek niets de verering van deze koning meer in de weg te staan, ondanks eerdere associaties met anti-Chakri sentimenten.

Taksin en Thaksin

In Thailands recente politieke en sociale strijd hebben anti-Chakri sentimenten binnen de roodhemdbeweging op bescheiden schaal uiting gekregen in de verering van koning Taksin.
Die verering berust grotendeels op al niet vermeende overeenkomsten tussen koning Taksin van de Thonburi Dynastie en de charismatische en populistische Thaise premier Thaksin Shinawatra (2001-2006). Er zijn beslist meer overeenkomsten te vinden dan de op elkaar lijkende namen van deze beide ‘helden’. [30]
Thaksins bewind werd beëindigd met een veel omstreden staatsgreep in 2006, wat leidde tot de ballingschap van de premier naar het buitenland. De groeiende spanningen en politieke strijd cumuleerden in 2010 met massademonstraties van de ‘roodhemden’ (de strijdvaardige provinciale aanhang van de verbannen premier) in de Thaise hoofdstad.
Op 12 maart 2010 kwamen demonstranten van de United Front for Democracy against Dictatorship (UDD) op twee plaatsen in de hoofdstad bijeen om gezegend te worden: bij de Laksi Circle in het noorden van de stad en bij het Koning Taksin Monument (ruiterstandbeeld) bij de Wong Wian Yai in Thonburi.
Voor veel insiders was de Laksi Circle van grote symbolische betekenis, omdat op die plaats de royalistische Borawet Rebellie in 1933 werd afgeslagen door de ‘revolutionairen’ van de Siamese Revolutie van 1932 die een eind hadden gemaakt aan de absolute monarchie. Op 12 maart werd op die plaats een klein beeldje van koning Taksin geplaatst op een tafel met offerandes ter voorbereiding van een Brahmaans ritueel.
Een paar weken eerder was in een publicatie van de roodhemden een hoofdartikel verschenen onder de kop ‘De cirkel van historisch karma? Taksin keert terug!’ Nadat de auteur had uiteengezet dat het altijd de winnaar is die de geschiedenis schrijft, volgde een pleidooi voor de deugden van koning Taksin, terwijl de aantijgingen dat Taksin geestesziek was door hem werden tegengesproken. ‘De goedheid die de koning zijn land en volk had getoond, werd beantwoord met detentie en executie’ stelde de auteur, en voegde eraan toe dat dit gebeurde onder aanvoering van de stichter van de Chakri-dynastie. [31]

Taksin-10-870Figuur 10: 1. Koning Taksin (1767-1782), beeld bij de Memorial Stupa in Khao Kho, provincie Phetchabun. Het beeld heeft daar gezelschap van een beeld van Naresuan de Grote. 2. Taksin Shinawatra (premier van 2001-2006) tijdens een verkiezingscampagne van de Phalang Tham Partij in 1996 in Chiang Mai. 3. Het beeld van Koning Rama I (1782-1809) nabij de Phra Pok Klao-brug over de Chao Phraya, Ket Phra Nakhon, Bangkok. 4. De afbeelding van Koning Bhumibol Adulyadej (1946-2016) op een enorme billboard in Chiang Mai op zijn verjaardag op 5 december 2005.

Het is gemakkelijk in het levensverhaal van koning Taksin ook het verhaal van premier Thaksin zien. Wat hadden beiden gemeen? Er werd op gewezen dat het beiden ontbrak aan goede banden met de oude aristocratie. Hun rivalen zouden in beider geval zo dom zijn geweest zijn de verdiensten (bunya barami) die Taksin en Thaksin geaccumuleerd hadden te negeren en te proberen hun glorieuze bewind uit de herinnering te wissen. Beiden waren van Chinese afkomst, en beiden hadden het land gered van dominatie door een ‘vreemde mogendheid’: Birma, respectievelijk het Internationaal Monetair Fonds. De auteur legde zelfs het wat vergezochte verband tussen Khuang Abhaiwongse (de eerste leider van de in 1946 opgerichte Democratische Partij, jaren later de voornaamste politieke tegenhanger van Thaksins Thai Rak Thai Partij) en Phraya Aphayaphubet, een medeplichtige van generaal Chakri bij het afzetten en ter dood brengen van Taksin.
De auteur merkte ook op dat bankbiljetten met het portret van Taksin uit de circulatie waren genomen na de coup van 2006 ─ vanwege ‘geruchten’ dat de punt van het zwaard van een van Taksins militaire bewakers naar het watermerk met het portret van koning Bhumibol wees. [32] Met de coup van 2006 waren dus zowel Thaksin als Taksin in zekere zin uitgeschakeld. [33]
Sommige aanhangers van Thaksin menen dat de ex-premier een reïncarnatie is van Koning Taksin. Als vrijheidsstrijder en held is de koning van Thonburi uit de achttiende eeuw te vergelijken met premier Thaksin en diens ‘heroïsche strijd’ voor het volk in de 21ste eeuw. Zodoende kreeg koning Taksin een zekere cultus-status binnen de roodhemdbeweging. In 2010 lagen er vlaggen met het portret van koning Taksin te koop bij bijeenkomsten van de roodhemden. Bovendien werd de Taksin-cultus aangemoedigd door de leiding van het UDD ─ wat bleek bij het gebruik van afbeeldingen van de koning bij rituelen. Op 4 mei 2010 bezocht de Duitse sociaalwetenschapper Serhat Ünaldi een UDD-rally in Bangkok en hij constateerde dat er achter het podium een geïmproviseerd altaar was waarop een beeldje van de Boeddha in de houding van het Onderwerpen van het Kwaad werd geflankeerd door een rode doek met een portret van koning Taksin (en een beeldje van Thao Suranari). [34]
Na de coup van 2014 werd elke vorm van verzet van de Thaksin-aanhang, inclusief het meer symbolische verzet, door de nieuwe militaire machthebbers bestreden. Een van de eerste repressieve daden van het nieuwe bewind was alle monumentale herinneringen aan de popularaiteit van Thaksin en de roodhemden te ‘neutraliseren’. Bij de toegang tot het district Chun in de provincie Phayao hadden roodhemden een gedenkzuil rood geschilderd om aan te geven dat Chun een ‘rode gemeente’ was. Toen ik er een paar dagen na de coup was, was deze zuil inmiddels wit geschilderd. Koning Taksin lijkt echter buiten schot van de junta gebleven te zijn.

Eindnoten

1. Naar Chin, 1993: 2. In verschillende andere (vaak oude) bronnen wordt daarover afwijkende informatie gegeven. In de Gia Dinh Gazetteer, een geografie van de Mekong Delta samengesteld in de periode 1820-1840 en geschreven in Sino-Vietnamese karakters, wordt gesteld dat Trinh Quoc Anh, ofwel Phi Nha Tan (Taksin) oorspronkelijk uit Quang Dong Tinh (in China) kwam en dat hij zijn vader, Yen, vanuit China vergezelde naar Xiem (Siam) en later zijn vader opvolgde als gouverneur van Vong Sat (Mueang Tak) (naar Sakurai and Kitagawa, 1999: 213).
2. Deze biografische schets is grotendeels gebaseerd op Chen (1993: 2-3), Wyatt (1984: 139-140) en Keyes (1989: 39-40).
3. Eoseewong, 2005: 309.

Taksin-11-Bang Rachan poster-2004. Naar Wyatt (1984): 136. Bij Bang Rachan zouden de troepen van de Birmese generaal Thihapatei gedurende vijf maanden zijn gestationeerd. Verzet van dorpelingen uit Bang Rachan komt beknopt (in 500 woorden) ter sprake in een kroniek uit de vroege Bangkok-periode. In een door prins Damrong gereviseerde Royal Autography-versie van de Ayutthaya-kronieken is het verhaal over de helden van Bang Rachan uitgebreid tot 4000 woorden en hebben de helden opeens een naam en een eigen persoonlijkheid gekregen en worden ze uitvoerig beschreven. In prins Damrongs Thai Rop Phama (Rajanubhab, 2001: 320-357), dat in 1917 werd gepubliceerd en daarna vele keren werd herdrukt, wordt het belang van de helden van Bang Krachan nog verder gedetailleerd en toegelicht (naar Baker, 2001: xxvii-xxviii). In de latere, meer populaire geschiedschrijving in de twintigste eeuw nam het verzet van de dorpelingen soms mythische vormen aan. Het hoogtepunt van deze verheerlijking van vermeende heldendaden is Tanit Jitnikuls film Bang Rachan die in 2001 het licht zag. Irene Stengs heeft erop gewezen dat de filmmaker er alles aan gedaan heeft om de helden in de film te doen gelijken op de helden van het beroemde Bang Rachan Monument in Singburi (dat uit 1976 dateert) zodat – daarbij Tanit citerend–‘alles zo echt mogelijk is (..) om het publiek gemakkelijker te overtuigen’ (Stengs, 2002: 5-6).
5. Deze fase in de belegering en tegenaanvallen van Ayutthaya komt ook ter sprake in een Birmese kroniek, maar hierin wordt de Siamese minister die de tegenaanval met 2500 bewapende scheepjes leidt ‘Byathan’ genoemd. ‘Hoewel alle manschappen aan boord omkwamen, legde de minister zijn wapens niet neer. De kapitein van de [Birmese] artillerie, San Tun, bracht zijn boot langzij om de minister levend gevangen te nemen. De minister, met een wapen in de hand, sprong op de boot om de Birmese kapitein te arresteren, maar werd geveld door een slag met een ramrod van San Tun. De minister werd levend gevangen genomen.’ (Myint, 2011: 11). In een redactionele voetnoot in de moderne vertaling van de kroniek wordt opgemerkt dat dit volgens Thaise bronnen Phraya Phetburi geweest moet zijn, die bij de slag om het leven zou zijn gekomen. Als ‘Byathan’ in de Burmese kroniek inderdaad deze gouverneur van Phetburi geweest is, wordt Phraya Tak in deze kroniek in het geheel niet genoemd. (Myint, 2011: 11).
6. Wyatt (1984): 136.
7. In de eerste helft van de 19e eeuw is de situatie waarschijnlijk niet zo verschillend.
Chanthaburi’s bevolking bestond toen overwegend uit Chinezen en Cochin-Chinezen. Elk jaar legden vier of vijf Chinese schepen aan om Chinese producten te verkopen, terwijl de belangrijkste exportproducten bestonden uit peper, cardamom, eaglewood, dierenhuiden, ivoor, suiker, tabak en zoute vis (naar Terwiel, 1989: 186-187).
8. Deze complexe, chaotische en slechts fragmentarisch opgetekende situatie wordt geschetst in Sakurai en Kitagowa (1999). Het gebruik van plaats- en persoonsnamen is vaak verwarrend. In Vietnamese bronnen, bij voorbeeld, wordt Taksin doorgaans Trinh Sinh genoemd, of Trinh Quoc Anh, maar zelden ‘Phyatac’ (zie o.a.Trinh, 1996: 268).

Taksin-12-mapBKK-450  9. De positie van “Thonburi” en “Bangkok” vis à vis de Chao Phraya is soms verwarrend omdat de koers van de hoofdrivier in de loop der eeuwen verschillende keren is veranderd door het graven van kanalen. Volgens de Phra Ratcha Pongsawadan Krung Si Ayutthaya (The Royal Historical Record of the Kingdom of Ayutthaya) was Bangkok (Bang Kok of Bang Cock) al een belangrijke handelspost gedurende het bewind van koning Ramathibodi (1350-1369). Vóór het midden van de zestiende eeuw zwaaide de vanuit Nonthaburi afdalende rivier westwaarts bij waar nu de Pinklao-brug ligt en volgde de koers van de huidige Khlong Bangkok Noi. Vervolgens boog het zuidwaarts naar Bang Ramat, en daarna naar het oosten bij Wat Naul Noradit en volgde de koers van de huidige Khlong Bangkok Yai (..) om vervolgens nabij (de huidige) Wat Arun (..) weer in zuidelijke richting te stromen naar de Golf van Thailand.’ (Wongthes, 1996). In die dagen moesten schepen een hele dag stroomopwaarts roeien om van Bangkok Yai in de zuidelijke bocht van de grote rivierlus Bangkok Noi in de noordelijke lus te bereiken. Om de reis naar Ayutthaya te verkorten gaf koning Chairachathirat in 1542 opdracht een kanaal te graven dat deze lus afsneed. Nadat de short-cut was voltooid, werd het kanaal in de loop van tijd in de breedte ‘uitgeslepen’ vanwege het grotere verval (en de grotere stroomsnelheid) dan in de wijde oospronkelijke rivierlus. Daardoor nam de waterstroom in de rivierlus sterk af waardoor deze reduceerde tot het formaat van een flink kanaal─en de oude lus wordt tegenwoordig dan ook gezien als een khlong. (Het afsnijden van de deze rivierlus en soortgelijke projecten tussen Atyutthaya en de mond van de Chao Phraya komt uitgebreid aan de orde in Tanabe, 1977, en in hoofdstuk 3 van Hauser, 1997.)
Wongthes (1996) stelt dat er enige tijd na het voltooien van het kanaal op de oostoever een vestiging opbloeide, want in een wet geproclameerd tijdens het bewind van Koning Maha Chakkraphat (1548-1568) wordt melding gemaakt van Thonburi Si Maha Samut (‘Thonburi Pride of the Ocean’). In documenten die een eeuw later zijn vervaardigd wordt Thonburi Si Maha Samut een belangrijke ‘grensstad’ in het koninkrijk Ayutthaya genoemd en een centrum voor buitenlandse handelaren en diplomaten. Toen Taksin Thonburi uitkoos om er een nieuwe hoofdstad te vestigen, waren de eerdere vestigingen er kennelijk in verval geraakt. Later werd de hele omgeving van de nieuwe hoofdstad officieel ‘Thonburi’ genoemd, maar bewoners begonnen het Mueang Ok Taek (‘Gebroken Borst Stad’) te noemen, want het stuk land dat uitstak in de grote bocht van de oorspronkelijke Chao Phraya doordat de nieuwe koers van de rivier (het kanaal) was afgesneden, leek op een tiet. Toen Rama I in 1782 de troon had veroverd, was een van de eerste dingen die hij deed de hoofdstad te verplaatsen naar de oostoever van de ‘doorsteek’, waarmee ‘Krung Thep’ was gesticht.
10. Chin, 1993.
11. Syamananda, 1973: 96. Zowel de populaire als de officiële geschiedschrijving in Thailand staan bol van dit soort slecht gedocumenteerde ‘fabeltjes’. Zie ook noot 4. Meer dan 200 jaar later zal een andere voorspelling als een zwaard van Damocles boven de toekomst van de Chakri Dynastie hangen: dat de dynastie na het negende bewind aan zijn eind zou komen. (Stengs, 1999: 50)
12. Eoseewong (2005): 279.
13. Eoseewong (2005): 276.
14. Eoseewong (2005): 283.
15. Eoseewong (2005): 46.
16. Wyatt (1984): 143.
17. Voor het omschrijven van het begrip barami citeer ik uit The Way Thais Lead. Face as Social Capital: ‘In het hoogste bereik van wat waarlijk eervol is, ligt iets dat de Thais barami (บารมี) noemen. Het is absoluut essentieel dat we deze vorm van sociale macht begrijpen want het is uiterst waardevol en uniek eigen in de Thaise visie op de wereld. Het is het summum van eer in de samenleving. (…) Geen enkel Engels woord dekt de genuanceerde betekenissen (…) We kunnen bij barami denken aan “geaccumuleerde goedheid”, iets dat rust op de “morele kracht” van een leider. De etymologie van barami pleit daarvoor. Tot ver terug in de oude Theravada boeddhistische teksten heeft het woord de betekenis van ‘hoogste positie’ of ‘complete volbrenging’. Vervolgens kreeg het ook de betekenis van uitmuntendheid of de volledige beheersing van de leerstellingen van de Boeddha. Bijvoorbeeld, de boeddhistische gelovigen werden aangespoord de tien barami oftewel de tien perfecties te practiceren. (Persons, 2016: 29-31.)
18. Keyes, 1989: 39.
19. Keyes, 1989: 39. Meer gepreciseerd: Taksin wilde als een sotapanna oftewel ‘stream-winner’ gezien worden, een soort godheid in de eerste van de vier fasen opweg naar de verlichting: stream-winner, once-returner, never-returner, arahat.
20. Naar Wyatt, 1984: 144.
21. Eoseewong, 2005: 65-66. Dat de Chakri-familie een soort centrale spil vormde binnen deze adel was eerder uitgewerkt door Wyatt in een studie uit 1980.
22. Naar Wyatt, 1984: 145. Zes april, de dag waarop in 1782 de nieuwe dynastie werd gevestigd, is in het huidige Thailand een nationale feestdag.
23. Wyatt, 1984, en Stengs, 1999: 49-51.
24. Zie bijvoorbeeld: Amranand, 2006.
25. Thailand in the 90s, 1995: 29.
26. Wong, 2006: 75-76.

Taksin-13-brilman-150  27. Silpa Bhirasri is de uit Florence afkomstige Italiaanse beeldhouwer Corrado Feroci (1892-1952). Feroci werd in 1924 door koning Vajiravudh (Rama VI) aangetrokken om als de officiële beeldhouwer voor zijn bewind te werken. In 1943 nam Feroci de Thaise naam Silpa Bhirasri aan. Hij speelde een grote rol bij de stiting van Thailands eerste Kunstacademie, de Silpakorn Universiteit in Bangkok.
28. Wong, 2006.
29. Wong, 2006.
30.Taksin = ตากสิน, Thaksin = ทักษิณ. Beide namen hebben niets met elkaar te maken. De naam van de koning is een samenvoeging van de Thaise plaatsnaam ‘Tak’ en de Chinese jongensnaam ‘Sin’. De naam van de premier komt van het Sanskriet woord daksingh dat ‘zuidelijk’, ‘ter rechterzijde’ of ‘vaardig’ betekent. Vooral in die laatste betekenis is het een populaire Thaise voornaam.
31. Naar Ünaldi, 2014: 396.
32. Dat betreft misschien bankbiljetten van 20 baht die op 28 december 1981 in de roulatie zijn gebracht met op de achterkant het Taksin de Grote-ruiterstandbeeld in Chanthaburi. Aan de andere kant zijn er ook bankbiljetten van 100 baht uitgebracht waarop Taksin staat afgebeeld met naast hem het ruiterstandbeeld in Thonburi.
33. Naar Ünaldi, 2014: 397.
34. Naar Ünaldi, 2014: 398. Thao Suranari is een volksheldin die vooral in de provincie Khorat, een bolwerk van de roodhemden, wordt vereerd. Over deze vermeende volksheldin bestaan nauwelijks of geen historische feiten, zij schijnt vooral een creatie te zijn van het paternalistisch-populistische regime van Phibun Songkhram.

Literatuur

Amranand, Amitha, 2006. Taksin’s Tale. Claire Keefe-Fox has brought King Taksin to life in the pages of her new book ‘Le Roi des Rizières. Bangkok Post (Outlook), 8 April, 2006.

Anonymous, 1992. Foundations of Thai modern art. Bangkok Post (Outlook), 14 September, 1992.

Baker, Chris, 2001. Editor’s introduction. In: Rajanubhab, 2001. The chronicle of Our Wars With The Burmese. Hostilities between Siamese and Burmese when Ayutthaya was the capital of Siam, x-xli. White Lotus, Bangkok.

Baker, Chris, 2005. Afterword. In: Eoseewong, 2005. Pen and Sail. Literature and History in Early Bangkok, p. 361-387. Silkworm Books, Chiang Mai.

Chin, James K., 1993. King Taksin and China: Siam-Chinese relations during the Thonburi period as seen from the Chinese sources. Paper presented at the 5th International Conference on Thai Studies, SOAS, London, 5-10 July 1993: 1-22 pp.

Eoseewong, Nidhi, 2005 [1982]. Pen and Sail. Literature and History in Early Bangkok. Silkworm Books, Chiang Mai. xii + 396 pp.

Hauser, Sjon, 1997. Spotlights op Thailand. Veertien onderwerpen uitvoerig belicht. Vieng travel, Bangkok.

Keyes, Charles F., 1989. Thailand. Buddhist Kingdom as Modern Nation-State. Editions Kamol, Bangkok. xv + 252 pp.

Myint, Soe Thuzar (transl.), 2011. The sack of Ayutthaya: a chronicle rediscovered. Journal of the Siam Society, 99: 1-24.

Persons, Larry S., 2016. The way Thais lead. Face as social capital. Silkworm Books, Chiang Mai. xv + 239 pp.

Rajanubhab, Prince Damrong, 2001. The chronicle of Our Wars With The Burmese. Hostilities between Siamese and Burmese when Ayutthaya was the capital of Siam. White Lotus, Bangkok. xlvii + 376 pp.

Sakurai, Yumio, and Takako Kitagawa, 1999. Ha Tien or Banteay Meas in the time of the fall of Ayutthaya. In: From Japan to Arabia: Ayutthaya’s maritime relations with Asia (Kennon Breazeale, ed.), p. 150-217. The Foundation for the Promotion of Social Sciences and Humanities Textbooks Project, Bangkok.

Stengs, Irene, 1999. A Kingly Cult. Thailand’s guiding lights in a dark era. Etnofoor, 12(2): 41-75.

Stengs, Irene, 2002. Celebrating the monarchy. Globalisation, nationalism and the increasing virtuality of Thai kingship. Paper presented to …, p. 1-16.

Syamananda, Rong, 1973 [1971]. A History of Thailand. Chulalongkorn University, Bangkok.

Tanabe, Shigeharu, 1977. Historical geography of the canal system in the Chao Phraya River Delta. From the Ayutthaya period to the fourth reign of the Ratanakosin Dynasty. Journal of the Siam Society, 65(2): 23-73.

Terwiel, B. J., 1989. Through Travellers’ Eyes. An approach to Early Nineteenth century Thai History. Editions Duang Kamol, Bangkok. xi + 288 pp.

Thailand in the 90s, 1995 [1991]. National Identity Board Office of the Prime Minister, Bangkok. 1(6) + 410 pp.

Thonburi, 1999. Sarakadee Press, Bangkok. 336 pp. (in Thai)

Trinh, Dieu Thin, 1996. Thailand-Vietnam relations in Vietnam’s ancient books. Proceedings of the 6th International Conference on Thai Studies, Theme 7, Chiang Mai, 14-17 October, 1996: 265-276.

Ünaldi, Serhat, 2014. Working towards the monarchy and its discontents: anti-royal graffiti in downtown Bangkok. Journal of Contemporary Asia, 44: 377-403.

Wong, Ka F. , 2006. Visions of a Nation. Public Movements in Twentieth-Century Thailand. White Lotus Press, Bangkok. xv + 351 pp.

Wongthes, Sujit, 1996. Thon Buri: The history of king Taksin’s glorious capital. The Nation, 4 May 1996

Wyatt, David K. , 1984. Thailand. A Short History. Yale University Press, London. xviii + 351 pp.