Hedwig Hauser-Corneth (1920-2007)

HEDWIG-HAUSER CORNETH (1920-2007) – Een biografische schets met foto’s

door Sjon Hauser      Deel 1: Hedwigs jeugd in Düsseldorf (1920-1945)

Hedwig-Figuur 01. Hedwig door de jaren heen. Erboven: Hedwigs handtekening in een schoolrapport van haar zoontje Johnny (ca. 1961).

Niet lang nadat mijn vader Theo Hauser overleed (begin maart 2011) schreef ik een tamelijk uitvoerige schets over zijn leven en publiceerde die als post op mijn website, klik hier: https://www.sjonhauser.nl/theo-hauser.html. Ik beloofde enkele familieleden dat er weldra een soortgelijk verhaal zou verschijnen over mijn moeder, die vier jaar eerder, oktober 2007, was gestorven.
Maar van dat verhaal over Hedwig Hauser-Corneth kwam het maar niet. Misschien gewoon door laksheid of had ik het steeds druk met andere verhalen, over het boeddhisme, over slangen in Thailand en nog veel meer, die ik voorrang gaf boven mijn lieve moeder. Zeker speelde ook mee dat ik de jeugd van mijn moeder als een intens triest en ellendig stukje geschiedenis zag dat pijnlijk contrasteert met de vrolijke vrouw van later (zoals de meesten mijn moeder kennen). Misschien zou dat afbreuk doen aan een “leuk verhaal” …. Nu, acht jaar later, wil ik mijn moeder haar “biografietje” niet meer ontzeggen, al had ze waarschijnlijk liever niet gehad dat ik de ellende uit haar jeugd zou opgraven.

Hedwig-Figuur 02. 1. De oudste jeugdfoto van Hedwig die ik ken: bij de kinderwagen met haar kleine broertje Heinz. Hedwig was toen ongeveer vijf jaar oud. 2. Hedwig in 1934, 13 of 14 jaar oud. 3. Detail van 2.

Een van de oudste foto’s die ik van mijn moeder heb dateert van 1934. Hedwig was toen 13 of 14 jaar oud. Ze draagt een lang, zwart gewaad. Ze heeft fijne gelaatstrekken en kijkt zelfverzekerd maar toch ook wat schuchter in de camera. Op foto’s die enkele jaren later van haar zijn gemaakt, poseert ze meer als een een filmster van weleer en is er weinig van verlegenheid te bespeuren. Een vrolijke bende is het niet op de foto uit 1934: het gewaad dat ze draagt en haar zorgvuldig gemodelleerd kapsel stralen een ouderwetse ordentelijkheid uit.
Wat de studiofoto beslist niet verraadt is dat Hedwig met haar ouders en jongere broer Heinz toen een armoedig bestaan leidden. Dat is geen schokkend nieuws. Het is welbekend dat de jaren na de Eerste Wereldoorlog niet een hoogtepunt in de Duitse geschiedenis waren. Midden jaren dertig was er weer wat ‘Schwung’ en de erop volgende ‘roes’ zou het land waar de ‘kanonnen brullen’ zich weer in een nieuwe oorlog storten en daarin de halve wereld meesleuren.
In 1934 was Hitler net een jaar aan de macht. In het midden van dat jaar rekende Hitlers keurcorps, de SS, op bloedige wijze af met de geduchtste concurrent, de door Ernst Röhm geleide SA. Röhm was iemand voor wie Hitler een zekere affectie koesterde en behoorde tot de weinigen die door de Führer met het intieme du werd aangesproken. Maar dat mocht hem uiteindelijk niet baten. In de vroege morgen van 30 juni werd Röhm door SS-mannen in gezelschap van Hitler zelf van zijn bed gelicht en later door zijn hoofd geschoten. Gedurende de twee dagen werd voorgoed met de SA afgerekend. SA-leiders werden over het gehele land opgepakt of ter plaatse geëxecuteerd, een bloedbad dat Hitler voor de komende jaren vrij spel zou geven in de strijd om de macht in Duitsland. Ook in Düsseldorf moeten er de nodige koppen gerold hebben.
Het was rond die tijd dat het jeugdige, maagdelijke pubermeisje Hedwig, gedrapeerd in een lang, zwart gewaad en getooid met een parelsnoer, kortom gekleed als een oma van tachtig, in een foto-atelier in Düsseldorf, quasi-zelfverzekerd, in de camera kijkt. Wat ging er toen schuil achter haar Mona Lisa-glimlach? Ik durf u te verzekeren: we zullen dat nooit achterhalen.

Hedwig-Figuur 03. 1. Max Corneth, Hedwigs vader, in 1914, tijdens de mobilisatie bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog. Max was toen 28 jaar oud. 2: Max Corneth op 69-jarige leeftijd (1955). 3. Aaltje, Hedwigs moeder, ca. 1953 (ca. 63 jaar oud) [Foto’s van Max uit de periode 1914 – ca. 1950 zijn mij niet bekend: een enorme blinde vlek in het beeldmateriaal. En van Aaltje heb ik zelfs geen foto van vóór het einde van de oorlog; de oudste foto van haar dateert van ca. 1950; daarop is ze in Volendammer kostuum.]

Het gezin Corneth woonde toen op de Dieselstraẞe 82 in de wijk Flingern van Düsseldorf. In de halve woning waarin mijn grootouders in de jaren vijftig en zestig nog steeds woonden, had ik als kind samen met mijn moeder en soms ook met mijn zus Bepke talloze keren gelogeerd. Waarschijnlijk hebben de Corneths daar vanaf 1931 gewoond, maar ervóór zouden ze in Flurstraẞe hebben gewoond, een andere straat in de wijk Flingern.
Ik herinner me van die woning in de naoorlogse jaren vooral de benauwende somberheid. Door het dichte lover van een grote kastanje pal voor het raam aan de straatkant was de voorkamer (woonkamer) van voorjaar tot herfst in het duister gehuld. Het interieur bestond uit een eettafel met stoelen, een versleten sofa, een provisiekast en een gasfornuis. De achterkamer (slaapkamer) was kleiner en werd voor een groot deel in beslag genomen door een bed en een grote klerenkast die de lucht van mottenballen uitwasemde. Het achterraam keek uit op een groot kaal “plein” aan twee zijden omringd door gelijksoortige huizenblokken van drie verdiepingen als die aan de Dieselstraẞe. Op de plaats van dat kale terrein hadden ooit ook ‘blokken’ gestaan, maar die waren er in de Tweede Wereldoorlog uit gebombardeerd. Hier en daar zag je er nog fundamenten en op sommige plaatsen was het puin nog niet helemaal opgeruimd.
Je zag er nooit kinderen spelen of voetballen. Wel waren er voortdurend vrouwen in de weer: natte was ophangen aan lijnen gespannen tussen wiebelende stutten. Van het uitzicht vanuit de achterkamer werd je niet vrolijk, maar ik heb er vaak aan het raam gestaan. De overdaad aan daglicht was een verademing wanneer je uit het schemerduister van de voorkamer kwam.

Hedwig-Figuur 04. 1. Hedwig met haar dochter Beppie en zoontje Johnny (in mandje) in de kleine slaapkamer bij de Corneths in de Dieselstraẞe (zomer 1953). 2. Max Corneth aan het fornuis in de voorkamer, waarschijnlijk ongeveer dezelfde tijd (1953). 3. Een foto van Max Corneth ca. 1950 lezend aan tafel. Eettafel, fornuis en provisiekast stonden dicht opeengepakt in de voorkamer, wat laat zien hoe klein behuisd de Corneths hebben geleefd en hoe somber het binnen was.

De jaren dat Hedwig er haar kinderjaren doorbracht, verschilde de woning waarschijnlijk niet veel van dagen dat ik er als kleine jongen op bezoek was. Mijn moeder klaagde later zelden of nooit over haar armoedige jeugd. Wanneer ze, als dame op leeftijd, erover vertelde, herhaalde ze vooral dat ze graag naar school ging en goed kon leren. Ze kon het niet nalaten haar voortreffelijke rapportcijfers trots op te dreunen: zoveel keer gut, zoveel keer sehr gut−die rapportcijfers zaten er bij haar voor eeuwig ingeheid.
Hedwig had een goed geheugen. Ze kon als meisje en jonge vrouw een lange boodschappenlijst uit haar hoofd leren en dan voor haar moeder boodschappen gaan doen en thuis komen zonder ook maar één enkele boodschap vergeten te zijn.
Dat goede geheugen en haar vaardigheid met hoofdrekenen kwamen ook van pas toen ze na het voltooien van de lagere school als winkelmeisje ging werken bij de delicatessezaak Stebs. Bijna tien jaar heeft ze in de zaak gewerkt, en vaak deed ze de inkopen voor de winkel. Dat bracht haar regelmatig op de Groẞmarkt van Düsseldorf waar ze groente inkocht. In 1943 leerde ze daar een Hollander kennen: Theo.

In het leven van de jeugdige Hedwig waren er zaken die zwaar op haar gemoed drukten. De ontberingen die het gezin door de armoede moest verduren waren het ergste niet; het stigma om als armelui door te moeten gaan, dat was veel erger. Ze schaamde zich enorm voor hun armoede, dat bleek bijvoorbeeld steeds wanneer de leerlingen op de lagere school gecontroleerd werden op hoofdluis. Omdat luizen en neten vooral als een bewijs van armoede en gebrekkige hygiëne werden gezien en de Corneths er juist alles aan deden niet als arm door te gaan, was die luizeninspectie iets verschrikkelijks. Hedwig stond doodsangsten uit wanneer de juf met twee breinaalden door haar haarbos woelde op zoek naar sporen van ongedierte. Ik geloof niet dat er ooit hoofdluis bij haar was gevonden maar de angst en schaamte om bij het ritueel als ‘door armoede getekend’ door de mand te vallen moet bijna traumatisch zijn geweest.
Ook schaamde Hedwig zich vaak voor haar vader, Max Corneth.

Mei 1995 logeerde ik enkele weken bij mijn bejaarde ouders in Bakkum (in Nederland). Hedwig was toen 75 jaar oud en vertoonde nog geen duidelijke tekenen van de dementering (Alzheimer)−die werden pas een paar jaar later manifest. Theo zat in die tijd op de praatstoel en kon uren vertellen over de oorlog (Tweede Wereldoorlog). Zijn behoefte zijn herinneringen uit de oorlogstijd te herkauwen waren waarschijnlijk getriggerd door de vele documentaires op de televisie ter gelegenheid van de vijftigjarige herdenking van de bevrijding op 5 mei van dat jaar. Tijdens het ontbijt en de lunch werd er over de oorlog gesproken. Regelmatig werd mijn moeder in de conversatie betrokken, bijvoorbeeld om de details van een bepaalde gebeurtenis te bevestigen. Ik probeerde het gesprek wel eens van de oorlog om te buigen naar moeders vooroorlogse jaren en soms bracht ze naast haar mooie rapportcijfers ook wel andere zaken te berde:

‘Op Pasen kregen mijn broer Heinz en ik een grote paashaas van chocola. Wat waren we met zo’n prachtig kado verrast! En wat waren we blij met die heerlijke chocola, zo’n prijzig kado!’
De vreugde was van korte duur.
‘De eerstvolgende schooldag kwamen we thuis van school en had mijn vader geprobeerd zich van het leven te beroven. Met de gasslang van het fornuis. Vader werd weer meteen opgenomen in “Grafenberg”.’ (Grafenberg was een grote psychiatrische inrichting aan de rand van Düsseldorf, misschien nog geen half uur wandelen vanaf de Dieselstraẞe.)
Dat Max Corneth zich vrijwel voortdurend wat merkwaardig gedroeg en regelmatig door heftige episodes van gekte werd getroffen, was een pijnlijk familiegeheim van de Corneths. Talloze keren werd Max opgenomen in het ‘gekkenhuis’ (Irrenanstalt) Grafenberg. Een geestelijk gestoorde in de familie was een zwaar taboe in het kleinburgerlijke Duitse milieu. Adolf Hitler begon later zelfs te experimenteren met meer radikale maatregelen om deze zwakke, krankzinnige individuen uit de Duitse heilstaat te elimineren.
Hedwig in 1995: ‘Eén keer liep ik met een schoolvriendin langs Grafenberg, Helga heette dat meisje. Ze herkende in een van de mannen die in de gestichtskleding achter het hek liepen mijn vader. “Dat is toch jouw vader?” riep ze verbaasd. Oh wat schaamde ik me toen!

Ook veel later was de krankzinnigheid van Hedwigs vader nog taboe. Ik heb het onderwerp enkele keren aan de orde gebracht, maar het werd door mijn moeder vaak afgedaan als malaria. Malaria had hij in Zuid-Amerika opgelopen. Die malaria-aanvallen kwamen zo nu en dan terug, daar kon Max ook niets aan doen. Als bijkomstug trauma werd soms genoemd dat Max na jaren hard werk aan een spoorlijn in Argentinië op de boot terug naar Duitsland (Hamburg) van al zijn spaarcenten was beroofd. De droom met dat geld een nieuwe toekomst in zijn vaderland op te bouwen was voorbij. Spaarcenten of niet, terug in Duitsland werd Max bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog opgeroepen en naar het front gestuurd. Ergens in “Joegoslavië” stortte een loopgraaf bij een vijandelijke aanval in. Een stut drong zijn lichaam binnen en Max raakte bekneld en gedeeltelijk begraven. Zo heeft hij een week half onder de grond gezeten. Toen de loopgraaf werd heroverd werd hij, op sterven na dood, uitgegraven. De artsen van het lazaret wisten zijn leven te redden door een ‘wegrottende’ nier te amputeren. Ook deze ervaringen van Max Corneth, zo meenden zijn naasten, rechtvaardigden dat de man zich af en toe vreemd gedroeg en in Grafenberg weer moest worden opgelapt.
Ik herinner me nog de avond dat mijn zwaar behaarde opa in zijn onderbroek en nachthemd in de kamer stond en me schaterlachend het kratervormige litteken in zijn zij toonde: daar waar de rottende nier uit zijn lichaam was verwijderd.
Aaltje, Hedwig en Heinz hadden er alle begrip voor dat hun lieve echtgenoot en vader periodiek in razernij uitbrak, maar het was een verschrikking te zien hoe hij met geweld moest worden afgevoerd.

Ook niet leuk in die dagen was dat er een seriemoordenaar actief was in Flingern. Een meisje dat bij Hedwig in de klas zat was één van zijn slachtoffers. Nadat hij al zo’n twintig mensen, meest kinderen, had vermoord, kreeg de echtgenote van deze man, Peter Kurten, lucht van zijn gruweldaden en is naar de politie gestapt. Peter werd weldra gearresteerd. Hij woonde in de Mettmannerstraẞe, middenin Flingern. Er is later een boek over hem geschreven, maar Kurten viel toch een beetje in het niet bij een andere Duitse seriemoordenaar die rond die tijd in Hamburg ‘opereerde’ en bekendheid kreeg als Blauwbaard. Blauwbaard was slager van beroep en ontleedde zijn slachtoffers en ‘blikte ze in’. Het aantal van zijn slachtoffers liep in de tientallen. De gruweldaden van Kurten en Blauwbaard waren slechts voorboden van wat Duitsland in het Duizendjarige Rijk stond te wachten.
Hedwig speelde graag met knikkers op straat. Een keer wist een meisje dat heel goed was in knikkeren al haar knikkers afhandig te maken. ‘Ik was toen heel verdrietig,’ vertelde Hedwig als oude vrouw. Ik kon het me goed vooorstellen. Ook zag ik haar toen knikkerend voor me: een wat vreemd ogende man komt aangelopen en blijft staan en kijkt naar de knikkerende meisjes. Hedwig kijkt op en denkt: ‘Dat zal hem zijn, de kindermoordenaar!’ terwijl het zuur van de angst door haar lichaam trekt. Dan loopt de man verder.

Die zogenaamd gelukkige jeugd van Hedweg met al haar goede rapportcijfers die ze zich een halve eeuw later herinnerde, werd dus ook gekenmerkt door voortdurende angst: de angst dat er luizen werden ontdekt en de armoede van de Corneths werd ‘ontmaskerd’, de angst op straat een seriemoordenaar tegen het lijf te lopen, de frustratie opeens al je mooie knikkers kwijt te zijn (en je had al zo weinig) en de angst dat Hedwigs vader in razernij uitbrak en zich door vergassing of met messteken om het leven wilde brengen.

Hedwig-Figuur 05. 1. Düsseldorf aan de Rijn. Gezicht op de oostoever gelegen Altstatt. Links de Sint-Lambertuskerk, het oudste bouwwerk in de stad met een ‘gedraaide spits’. Rechts de Burchttoren. Dit stadsbeeld stond op een ansichtkaart die, denk ik, van de jaren vijftig dateerde. Ondanks de zware bombardementen van Düsseldorf in de Tweede Wereldoorlog was het stadsbeeld in de dagen dat Hedwig er woonde (1920-1946) waarschijnlijk niet erg verschillend. 2. Plattegrond van Düsseldorf.

 

INTERMEZZO 1: DÜSSELDORF: VAN LAAT-ROMANTIEK TOT NATIONAAL-SOCIALISME
Düsseldorf was de hoofdstad van Rheinland-Westfalen en een belangrijk cultureel centrum in Duitsland. De (joodse) dichter Heinrich Heine en de componist Robert Schumann hebben er lange tijd gewoond en gewerkt. Beide grootheden van de Duitse negentiende eeuwse kunst en cultuur was het echter niet gegund er van een rustige oude dag te genieten. Heine die aan syfilis leed stierf “in ballingschap” in Parijs een pijnlijke, langzame dood. Schumann wierp zich tijdens een burn out en depressie in 1854 in het water van de Rijn. Hij werd gered maar afgevoerd naar een inrichting voor geesteszieken, waar hij twee jaar later stierf. De jonge pianist en componist Johannes Brahms was goed bevriend met Schumann en diens vrouw Klara. De zelfmoordpoging en het lot van Schumann lagen Brahms zeer aan het hart en zouden hem sterk beïnvloed hebben toen hij rond die tijd aan een symfonie begon te werken, die uiteindelijk, twee jaar na Schumanns dood, in 1858, zijn voltooiing bereikte in de vorm van het ‘Eerste Pianoconcert van Brahms’ − een somber werk geladen met doodsdrift en noodlot. Het werk werd aanvankelijk zeer negatief ontvangen door het Duitse publiek, maar wordt nu gerekend tot een van de meesterwerken uit de Duitse Late Romantiek.
De kunst uit deze periode (midden-eind 19e eeuw) laat sterk doorschemeren dat het Duitsland van toen niet alleen het terrein was van grote vooruitgang in de wetenschap en zeer snelle industrialisering en urbanisatie (en militarisering), maar ook dat er grote tegenstellingen heersten en dat onder het vernis van de vooruitgang veel somberheid en agressie verscholen ging − uiteindelijk kwam die met de Eerste Wereldoorlog tot ontlading. Tegenstellingen en geweld domineerden in Duitsland ook het interbellum – gewelddadigheden tussen linkse en extreem rechtse knokploegen waren schering en inslag totdat midden jaren dertig het nationaalsocialisme van Hitler als de grote overwinnaar uit de bus kwam. Vrede en rust zou dit niet brengen. Het werden ‘krankzinnige’ jaren−waarin Hedwig zich ontwikkelde van klein meisje tot jonge vrouw.

Hedwig-Figuur6: Nummer 82 van het huizenblok aan de Dieselstraẞe op Google Maps. De woning van de Corneths bevond zich waarschijnlijk bij het rode kruisje en links ervan buiten beeld op de ‘tweede verdieping’; misschien zit ik een etage mis en was het op de eerste verdieping bij het blauwe kruisje. De kleine ramen zijn van de gemeenschappelijke toiletten en de grotere, enkelvoudige ramen van het trapportaal. De dubbele ramen zijn van de voorkamers van de woningen. Het inzetje rechtsboven op het loof van de oude kastanjebomen bevat Hedwigs naam en adres geschreven door Hedwig zelf in het zwierige oud-Duitse schrift : “Hedwig Corneth, Diesel str. 82, Düsseldorf.”

INTERMEZZO 2: DIESELSTRAẞE 82−SWEET MEMORIES, herinneringen aan Duitse oma en opa – Waar Hedwig van 1931 tot 1946 woonde en Theo in 1944-45 vele maanden was ondergedoken.
Het blok aan de Dieselstraẞe staat er nog, anno 2019 of omtrent. Rond de deur en het raam van het trapportaal op de eerste verdieping zijn de stenen nog van dezelfde grauwheid als in de jaren vijftig en begin zestig toen ik er als kind vaak vertoefde. De overige muren zijn om het geheel wat vrolijker te doen ogen nu wit geverfd. De kastanjes staan er nog, en zijn nog net zo groot als in mijn herinneringen. Ze namen ‘s zomers al het licht weg in de toch al sombere woningen. Van de plantenbakken kan ik me niets herinneren, die zijn waarschijnlijk later aangelegd – ze zijn niet bepaald een floriade. De kleine raampjes zijn van het gemeenschappelijk toilet, dat grensde aan het trapportaal. De WC van de Corneths was waarschijnlijk bij het raampje waar ik een kruisje gezet heb. Het raam van de voorkamer staat dus net niet op de foto. Die WC deelden ze met de buren, Frau Klein en haar zoon. Frau Klein was een kleine, slonzig ogende vrouw met slordig, lang grijzend haar en nog weinig tanden in haar mond waardoor ze een ingevallen gezicht had en smakkend praatte. Het was een zogenaamd ‘asociale’ vrouw, maar volgens Aaltje, mijn grootmoeder een ‘goed mens’ die het ook niet kon helpen dat haar leven zo was gelopen. De zoon van Frau Klein was niet goed bij zijn hoofd, je zag hem niet vaak. Maar ging je naar het toilet, dan zag je de sporen die hij soms naliet. De muren van het toilet waren behangen en op het behang zat stront gesmeerd, dat was van die zoon, wiens naam ik ben vergeten.
Het sombere, benauwde interieur van de woonverblijven had ik hierboven al kort genoemd. Een meubelstuk zal ik niet gauw vergeten: de sofa. Er stond een oude, donkere en al flink versleten sofa tegen de muur. Als er logés waren werd deze ‘s nachts als bed gebruikt. Op de rugleuning lag altijd een slangetje, een ‘souvenir’ van Opa Max uit Zuid-Amerika. Het was de huid van een echt slangetje dat was opgevuld met houtwol en dichtgenaaid met garen. Hier en daar stak wat houtwol uit de naden. En van de twee ‘diamantjes’ op de plaatsen waar de ogen hadden gezeten was er één losgeraakt en bengelde aan een draadje naast het hoofd. Hoe droefgeestig dit opgezette beestje ook mocht ogen, het stond voor Exotiek, verre tropische landen waar jaguars in de bomen zaten verscholen en je elk moment konden bespringen en waar Opa Max ook geleefd had. Maar het meest bijzondere meubelstuk op nr. 82 was toch Max Corneth zelf. Wanneer hij niet bij iets sociaals (een maaltijd, een “gesprek”, enzovoort) was betrokken, neigde hij ertoe door het huis te ijsberen. Hij legde dan met het hoofd ietwat gebogen grillige circuits af door de twee vertrekken. Zijn handen hield hij meestal achter zijn rug en met de duim en middelvinger van een hand maakte hij met de regelmaat van een klok een knippende beweging wat een dof klakkend geluid veroorzaakte. Vaak was opa dan op rauwe teentjes knoflook aan het kauwen alsof hij zich een kwaadaardig demoon van het lijf wilde houden. De walm van knooflook in de voorkamer vermengde zich in de achterkamer met de sterke geur van mottenballen. Meestal mompelde opa wat in zichzelf, en vaak zwol dat aan tot geklaag en gejammer (iets wat de Duitse volksaard overigens eigen is). Soms werd dit gelardeerd met hard lachen of brullende kreten, en dan hoorde je Oma Aaltje sussende geluiden maken of kalmerende woorden spreken: ‘Max, bitte, sei doch mal ruhig….’ Dat gesus van oma had weinig effect en was al even geritualiseerd als het ‘baantjes trekken’ van opa − die daarmee zijn behoefte aan Lebensraum op kennelijk bevredigende wijze wist uit te leven. Nooit heb ik meegemaakt dat opa’s gemor ‘ontaardde’. In het sociale verkeer werd opa’s gedrag vaak gedomineerd door lachen. Of door stereotype uitdrukkingen die iets sterk wereldbeschouwends hadden. Wanneer opa thee inschonk en de pot was leeg, dan bleef hij meestal nog geruime tijd staan met in zijn handen de theepot en zijn harige armen zo lang gebogen boven een kopje op de eettafel totdat er ook na seconden geen druppel meer verscheen – waarbij iedereen zijn adem leek in te houden. Dan sprak Max de wijze woorden: “Jeder Trüpfel ist wert” en wanneer hij daarop de theepot lachend op tafel terugzette konden wij weer adem halen. Ondanks het sombere interieur kwam ik als kind graag bij mijn grootouders. Alles was er zo Duits, zo ‘exotisch’, zo anders dan in het saaie Nederland. Maar Hedwig is er vijftien jaar in opgegroeid, misschien iets te veel exotiek.

Aan de tafelgesprekken bij mijn ouders in 1995 (en ook al eerder, maar toen zonder notulen) blijkt dat het voltooien van de lagere lagere school voor Hedwig een grote verandering betekende en een keerpunt in haar leven inluidde. Maar wat er zich toen precies voltrokken heeft is nooit gedetailleerd tot mij doorgedrongen
Ca. 1933 of 1934 moet Hedwig zijn ‘uitgestudeerd’. Voor verder onderwijs ontbrak waarschijnlijk het geld. Of juister: de Corneths konden de extra inkomsten wel gebruiken wanneer Hedwig ging werken. Maar eerst brak daarop voor Hedwig het “Landjahr” aan. Of dat Landjahr georganiseerd werd vanuit haar voormalige lagere school, of vanuit een andere organisatie (misschien de Hitlerjeugd) werd me nooit duidelijk. In elk geval is Hedwig met een groep leeftijdgenoten naar een van de Duitse eilanden in de Oostzee vertrokken (ik meen: Rügen). De lange treinreis vanaf Düsseldorf naar de kust van Mecklenburg-Vorpommern was vermoeiend, net als de bootreis. Of Hedwig dat jaar op het eiland helemaal heeft uitgezeten is me onduidelijk. “Op de boot” zou ze geelzucht hebben opgelopen, maar dat kon natuurlijk ook op de terugreis zijn geweest. In gesprekken die ik thuis opving, werd ook wel gesuggereerd dat Hedwig Führerin bij de Hitlerjeugd is geweest. Was dat tijdens het Landjahr? − ik weet het niet. Er is sprake geweest van een foto waarop Hedwig staat met een speldje of ensigne van de Hitlerjeugd, maar ik kan me niet herinneren ooit zo’n foto gezien te hebben. Later, in 2007, toen Hedwig al zwaar dement was, sprak Theo tegen dat ze ooit bij de Hitlerjeugd is geweest. Volgens hem zou haar vader Max dat niet gewild hebben. Maar ik herinner me ook van langer geleden dat Theo zijn naoorlogse bezoeken aan Duitsland verafschuwde en dat hij wel kon ontploffen wanneer Hedwig tijdens wandelingen door de bossen van Grafenberg of Neanderthal marcheerliederen begon te zingen die in de jaren dertig populair waren bij de Duitse nazi-beweging. Theo legde toen een duidelijk verband met Hitler-Duitsland, maar of dit impliceerde dat mijn moeder als kind ooit Führerin bij de Hitlerjeugd was? − ik weet het niet. Ik kreeg het gevoel dat Theo veel later deze ‘smet’ helemaal wilde wissen. Want inmiddels had hij zijn zwaar demente vrouw tot heilige uitgeroepen en daarbij paste niet het schoonheidsfoutje van een jaartje “verkeerd” geweest te zijn. En kan je dat een eenvoudig meisje van veertien kwalijk nemen?
In de jaren voor en na Hedwigs dood brak Theo vaak in huilen uit wanneer Hedwig het onderwerp was: ‘Ze is zo lief / ze was zo lief, ’ zei hij dan diep geroerd mit bibberende stem terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden. En wie gaat er dan zijken over de Hitler-jeugd?

Hoe het ook zij, en hoe die jaren 1933-1934 ook verder verliepen, vanaf 1935 werkte Hedwig in de delicatessezaak van Stebs.
Waarschijnlijk waren die jaren tamelijk gelukkige voor haar, hoewel het nooit haar droom is geweest om in een winkel te werken. Waar Hedwig wel vaak van droomde was om uit te blinken in entertainment of sport. Ze had wel in het varieté of cirkus willen werken, met name om er als clown de mensen aan het lachen te maken. Dat laatste ging haar trouwens in latere jaren gemakkelijk af, gewild of ongewild. Wanneer ik bij mijn bejaarde ouders op bezoek was en Hedwigs jeugd ter sprake kwam, dan was het vaste prik dat ze de werkelijkheid van haar jeugd contrasteerde met haar ambities uit die tijd: de clown of komiek die ze had willen worden. Ze was haar roeping misgelopen en om dat kracht bij te zetten ging ze dan gekke gezichten te trekken.

Hedwig-Figuur 07. Foto’s van Hedwig in Düsseldorf gemaakt in de periode 1936-1944 (16-23 jaar oud). 1. 1937 (16 of 17 jaar oud), 2. 1940 (19 of 20 jaar oud); van de andere foto’s is niet zeker wanneer ze gemaakt zijn, maar de laatste foto (met plakband) dateert waarschijnlijk van 1944.

Dat werk voor de delicatessezaak was zwaar. Vaak moest Hedwig lange dagen achter de toonbank staan. (Later was ze ervan overtuigd dat ze van al dat staan spataderen in haar onderbenen heeft gekregen. Rond 1962 werd ze in Alkmaar daaraan geopereerd en kreeg ze weer de benen die bij een mooie vrouw van begin veertig passen.) Ze moest ook vaak boodschappen bij klanten bezorgen en later ook inkopen voor de zaak doen.

Sommige goede klanten waren Joden, vertelde Hedwig in 1995. Van een dame kreeg ze steeds een mooie fooi wanneer ze er boodschappen aan huis had bezorgd. Het was een heel aardige vrouw, en ze begreep ook niet waarom men haar het leven zo zuur maakte. Later zou ze zijn opgepakt. Misschien sloeg dat “zuur maken” gedeeltelijk op de Kristalnacht, november 1938. Hedwig was toen net 18 jaar oud en deed waarschijnlijk nog veel bestelwerk, want ze werkte pas drie jaar bij Stebs.

Hoewel Hedwig bij Stebs vaak lange dagen maakte, had ze wel een sociaal leven. Ze had talloze vriendinnen met wie ze omging en soms zelfs uitging. Ze was bij de mannen populair want ze was zich tot een aantrekkelijke vrouw aan het ontwikkelen en schonk veel aandacht aan haar uiterlijk. Aanvankelijk was ze nogal preuts. Eens ging ze bij een vriendin op bezoek die naar Frankfurt was verhuisd en er op kamers woonde. Hedwig kwam er toen achter dat die meid met mannen ging. Op sommige plaatsen op haar kamer slingerden “Pariser” (condooms). Hedwig vroeg zich wat beschaamd af: hoe kan dat nu, zo’n aardige meid, en met mannen gaan. Toen die vriendin Hedwig meenam naar een “Lokal” en een kerel wat handtastelijk werd bij Hedwig, gaf die vriendin hem een enorme uitbrander.

Later (maar wanneer precies is mij onbekend) leerde Hedwig een jongeman kennen met wie zij zich verloofde. Hij heette Hugo en werd nadat het Duitse leger Polen was binnengevallen (1939) naar het front gestuurd. Hedwigs broer Heinz was toen nog maar 17, maar in 1943 was hij uit huis en diende ergens aan het oostfront. Behalve de “vreemde Max” waren er toen geen mannen meer te vinden op Dieselstraẞe 82.

Hedwig-Figuur 08. Links: Thea (links) en Hedwig, ca. 1937. Rechts: Hedwig: ca.1944?

Thea was Hedwigs boezemvriendin en woonde ook in de Dieselstraẞe, niet ver van het pand op nr. 82 waar de Corneths woonden.

Hoe kwam het dat de 26-jarige Theo Hauser in 1942 in Amsterdam voor de Arbeitseinsatz werd opgeroepen en met een kaartje met eindbestemming een fabriek in Moers (ten westen van Duisburg) in Amsterdam op de trein stapte, maar uiteindelijk te werk werd gesteld in de Markthallen van Düsseldorf? Dit wordt ook uit de doeken gedaan in de eerder genoemde biografische schets van Theo Hauser: link  Een sleutelrol bij deze ontwikkelingen speelde Jeu, een oom van Theo en de oudste broer van Theo’s moeder Lies. Jeu  had een groot groentebedrijf in Venlo en leverde veel groente af bij de Markthallen van Düsseldorf. Jeu was bevriend met talloze nazi’s. Theo had zich op weg naar Moers te veel vrijheden gepermitteerd en was daardoor in een strafkamp in Keulen beland. Dankzij Jeu’s goede contacten bij de nazi’s wist Theo’s oom het voor elkaar te krijgen dat Theo zijn vrijheid herkreeg en voor hem kon werken op de Groẞmarkt van Düsseldorf. Die markt lag niet ver van de Rijn in de noordelijke wijk Unter Rath.

Op die markt leerden Hedwig Corneth en Theo Hauser elkaar kennen. Hedwig was in het wit gekleed en was groente aan het inkopen voor de winkel van Stebs. Zestig jaar later dichtte Theo daarover:

April 1943
Groẞmarkt Düsseldorf

Daar kwam ze langzaam aangelopen
‘t Geroezemoes in de hal raakte op slag verstild
Wie denkt op zo’n moment nog aan verkopen
Ik zeker niet zelfs had ik het gewild.

En veel te vlug was ze in lichte tred
M’n stand voorbij en voor ik ‘t wist verdwenen
Maar in ‘n honderdste seconde zag ik nog net
Dat lief gezicht, die volle boezem en die slanke benen.

Ik kreeg haar toch
En nu na 60 jaren heb ik haar nog.

Een andere keer liep Hedwig niet aan de groentestal van Theo voorbij. Het eerste wat ze vroeg was of hij ook prei te koop had – niet erg romantisch. Maar al gauw waren de transacties tussen het Duitse winkelmeisje en de Hollandse groenteboer niet tot groente beperkt en hadden ze verkering.
Theo woonde toen in bij de Bockemülls, een socialistisch echtpaar op leeftijd, niet zo ver van de Markthallen in Unter Rath. Toen Hedwig en Theo verkering hadden, kwam Theo regelmatig over de vloer bij de Corneths. Aaltje leerde hij kennen als een schat van een vrouw en Max als een brave burger die soms onbegrijpelijke verhalen kon vertellen en niet zelden in razernij kon uitbasten. Meestal kwam Theo op de fiets vanuit Unter Rath naar de Dieselstraẞe om zijn meisje te bezoeken.
Dat wordt ook nadrukkelijk vermeld in een liefdesgedicht dat Theo aan Hedwig had geschreven. Daarin staat dat hij na een lange fietstocht (door weer en wind) ‘mit kalten Fingern’ tenslotte aankwam in Flingern – het moest immers rijmen. Over wat hij met zijn koude vingers dan wel in de Dieselstraẞe kwam doen zijn later veel grapjes gemaakt. Hedwig had het gedicht aan haar boezemvriendin Thea laten lezen en die moest 25 jaar later, op bezoek bij de Hausers in Bakkum, nog hard om die koude vingers lachen toen het liefdesgedicht weer ter sprake kwam.

Hedwig-Figuur 09. Hedwig in 1944.

In hun vrije tijd trokken Hedwig en Theo er veel samen op uit. Ze hielden beiden van zwemmen en gingen samen vaak naar de Kettwiger Badeanstalt, meer in het centrum van de stad. Düsseldorf werd steeds vaker gebombardeerd (we schrijven inmiddels midden 1944) en het was al een paar keer gebeurd dat ze maar net in het water van het zwembad waren gedoken of ze moesten er vanwege luchtalarm weer razendsnel uit. Dan hadden ze nauwelijks de tijd om zich aan te kleden en de veiligheid van een schuilkelder te bereiken.

Daarom besloten ze voortaan in een afgelegen meertje in het Kalkumerwald buiten Düsseldorf te gaan zwemmen. Dat Baggerloch was er door afgravingen ontstaan, en Theo en Hedwig waren er bijna altijd met zijn tweeën, een stuk romantischer dan in zo’n zwembad, en voor een bombardement hoefden ze er niet bang te zijn.

Een keer maakten ze er de gevolgen van een bombardent op Krefeld mee. Krefeld lag tussen Venlo en Düsseldorf, zeker 20 kilometer van Düsseldorf vandaan. Op de hete luchtstroom van de in brand staande stad werd veel licht, soms nog brandend materiaal hoog de atmosfeer in gestuwd. Vanuit het Baggerloch zagen Theo en Hedwig dit in het omliggende bos neerstorten. De leuning van een rieten stoel zweefde zelfs boven hun hoofden voorbij. Gemeten naar de omstandigheden van de oorlog had het verliefde stel een tamelijk prettig en onbekommerd bestaan. Hedwigs ouders raakten gesteld op de Hollandse groentesjouwer.

Bij de Corneths maakte Theo verschillende keren mee dat Max in razernij uitbrak. Vaak moesten de Spartakisten, Trotskisten en Rosa Luxenburg (linkse activisten uit de jaren twintig) het dan ontgelden. Maar ook de Arschficker (‘flikkers’, ‘kontneukers’) van Grafenberg, waarmee Max kennelijk de vele homo’s bedoelde onder het verplegend personeel van de inrichting waar hij kind aan huis was. Tijdens de tafelgesprekken in de periode 1995-2010 liet mijn vader Theo regelmatig weten dat hij niets van wat Max Corneth in die oorlogsjaren uitkraamde serieus nam. Meer dan eens heeft hij dat geïllustreerd met Max’ verhaal in Zuid-Amerika door een tijger te zijn aangevallen – daar komen helemaal geen tijgers voor! Theo liet echter vaak doorschemeren ook weinig belangstelling te hebben voor het verleden van (zijn latere) schoonvader. De dramatiek van de Duitse pioniers in Amerika of Max’ lotgevallen in de Eerste Wereldoorlog leken voor hem onbeduidend te zijn vergeleken bij het drama van de Tweede Wereldoorlog waar hij zelf ook tot zijn nek in zat. Ik heb het gevoel dat mijn vader vaak te veel twijfels had over de belevenissen van mijn opa in Amerika. In Paraguay waar spoorlijnen met behulp van Duitse arbeiders werden aangelegd kwamen jaguars voor en waarom zouden die niet af en toe een mannetje ‘wegslepen’. In Thailand werden in de jaren twintig van de 20e eeuw dagelijks mannen die bij de aanleg van een spoorwegtunnel werkten door tijgers gedood.

Theo leidde in Duitsland een tamelijk onbekommerd bestaan. Daar kwam verandering in toen hij in Unter Rath, door de nazi’s werd gearresteerd. Hij werd afgevoerd naar een strafkamp aan de rand van de stad. Daar bleek bij het verhoor dat de men alles van hem wist, en ook op de hoogte was van zijn anti-nazi-uitlatingen in het huis van de Bockemülls. De Bockemülls hadden zelf ook geen goed woord voor het Hitler-bewind over en Theo vermoedde dat een dienstmeisje dat bij hen werkte hem ‘varraden’ heeft en naar Herr Posen is gestapt, het blokhoofd van de wijk die pal tegenover de Bockemülls woonde. Het zag er niet best voor Theo uit en hij kon er niet opnieuw op rekenen dat Oom Jeu hem uit de puree zou helpen. Een van de zwaarste bombardementen op Düsseldorf bracht uitkomst: het strafkamp werd ook door bommen geraakt en in de paniek wist Theo te ontsnappen. Weken van nachtelijke omzwervingen volgden. Hij probeerde naar het inmiddels gedeeltelijk bevrijde Nederland te ontkomen. Maar die kant op waren de controles bijzonder zwaar en hij keerde weer terug naar Düsseldorf. Buitenlanders waren daar niet meer te bekennen−die werden naar strafkampen overgebracht of naar het front gestuurd. Theo kon zich nog onmogelijk op straat laten zien en zo belandde hij tijdens een omzwerving bij zijn meisje in de Dieselstraẞe. Wat was Hedwig blij hem weer – in leven – terug te zien. En net zo blij was Aaltje, die zei: ‘Wij houden toch ook van jou!’ Theo was ontroerd. De Corneths stelden voor dat Theo bij hen zou onderduiken. In de gemeenschappelijke ‘kelderruimte’ (in feite begane grond) van het gebouw hadden ze een eigen opberghok dat als schuilplaats werd ingericht. Een aantal tien liter blikken soep diende als basis voor een planken bed. Het hok werd zo goed als het kon ‘geblindeerd’ want overdag kwamen er vaak mensen naar hun berghokken. Aaltje en Hedwig verzorgden de catering van de Hollander en brachten overdag eten. Even naar buiten was er voor Theo niet bij, het was veel te riskant om gezien te worden. Hoewel duidelijk was dat Duitsland de oorlog zou verliezen – een kwestie van misschien nog maanden – bleven velen Hitler tot het einde trouw. Alleen tijdens luchtbombardementen wanneer iedereen in de schuilkelders zat kon Theo eruit om een luchtje te scheppen – terwijl niet zelden bommen op nabijgelegen stadswijken vielen en half Düsseldorf in brand leek te staan. Het was duidelijk dat Hedwig, Aaltje en Max een groot risico namen door Theo bij hen te laten onderduiken.

Hedwig-Figuur 10. 1. De trouwfoto: in mei 1945 traden Hedwig en Theo in Düsseldorf in het huwelijk.

Na de capitulatie van Duitsland traden op 15 mei 1945 Hedwig en Theo in Düsseldorf in het huwelijk. Theo wilde zo snel mogelijk met zijn vrouw naar Nederland. Maar de grens was voorlopig nog gesloten, en het echtpaar zat dus nog even ‘gevangen’ in Duitsland . Theo was ‘s nachts vaak met een Duitse vent uit de buurt met wie hij goed kon opschieten op strooptocht: soms plunderden ze  appelgaarden buiten de stad om de honger in de Dieselstraße te bestrijden.

‘Ik ben zo mooi’
Eind 1945 (misschien begin 1946) waagden ze het erop en vertrokken naar Nederland. Ergens bij Nijmegen gingen ze de grens over, Theo kende de routes uitstekend. ‘s Nachts, in de buurt van een uitkijkpost moesten ze onder prikkeldraad door. Hier kon Hedwig niet langer wachten de door haar gebakken koekjes uit te pakken. Het geritsel van het perkamentpapier schalde als percussiewerk door de nacht. Theo kon wel vloeken en ontplofte bijna, maar ze werden niet opgemerkt.
De volgende dag, in de trein naar Amsterdam blunderde Hedwig opnieuw. Theo was doodsbang dat Hedwig gecontroleerd zou worden en teruggestuurd naar Duitsland. Hij had haar geïnstrueerd haar mond te houden en maar zo goed mogelijk proberen een Hollandse vrouw te spelen. In de voorafgaande maanden had Theo haar heel wat woordjes Nederlands geleerd. Maar tijdens de kaartjescontrole meende Hedwig alle verdenking dat ze Duitse was af te wenden door te geeuwen en te roepen: “Ik ben zo mooi” (ze bedoelde: “moe” in plaats van “mooi”). Theo ontplofte bijna opnieuw. De controleur haalde zijn wenkbrauwen op, maar liep verder.
In Amsterdam was een van de eerste dingen die ze samen deden een wandeling maken over de grachten. Het was een sprookje voor Hedwig, zo mooi al die lichtjes aan het water. En van het laatste geld dat ze hadden kocht Theo op het Rembrandtsplein een reep chocola voor haar. Het geluk kon niet op.
SJON HAUSER

vervolg Hedwig Hauser-Corneth, deel 2: Zeven jaren in Amsterdam (1946-1953) – link: xxxxxxx