Familie-album-003-Bezoek van de Roodzants

Familie-album-003-Bezoek van de Roodzants

Vanwege technische problemen kunnen illustraties niet worden ge-uploaded naar deze post. Het probleem zal zo spoedig mogelijk verholpen worden.

Herinneringen aan mijn zus Bepke

In oktober 2004 kwam mijn zus Bepke (1946-2004) om bij een verkeersongeluk in Tibet—een ramp voor haar familie en vrienden. In 2014, tien jaar na haar dood, schreef ik een verhaaltje over de herinnering aan de warme band die er doorgaans tussen mijn zus en mij bestond en stuurde dat als PDF op aan enkele familieleden die kort daarop in Nederland bijeen zouden komen om de tiende verjaardag van Bepkes dood te herdenken.(1) Bij deze het verhaal, Bezoek van de Roodzants, een beetje omgewerkt en gepost in de serie Familie-album. SJON HAUSER, mei 2020

LEUKE FOTO’s ZEG !!!
Zes foto’s waarop mijn zus Bepke staat, ze dateren van de periode 1955-1962 toen Bepke 9 –16 jaar oud was en we in het gehucht Bakkum aan de rand van ‘duin en bos’ woonden. Op de foto’s lijkt het of er altijd de zon scheen, maar dat is schijn. Hoewel het rustieke kustdorpje Bakkum toch garant lijkt te staan voor een paradijselijke locatie om als kind op te groeien, hebben Bepke en ik er zeker geen bijzonder gelukkige jeugd gehad. Met name Bepke heeft het verschillende perioden van haar jeugd erg moeilijk gehad. Hoewel ik, het enig ander kind in huis, en ruim vijf jaar jonger dan Bepke, een gemene pestkop kon zijn en mijn gevoelige zus soms aardig ‘op stang kon jagen’, denk ik niet dat dit in hoge mate heeft bijgedragen tot haar moeilijke jeugd (en een nogal “moeilijk” leven dat erop zou volgen). Wat dan wel? Daarover zal ik graag in volgende ‘familie-albums’ terugkomen.
Maar nu eerst hier iets over de bovenstaande kiekjes:

Figuur 1. A. Bepke (rechts) en ik (Johnny) in een auto, ca. 1956 of 1957 (Bepke was toen, denk ik, tien of elf jaar oud.) Achter Bepke zie je vaag een vrouw met opvallende oorbellen: ik denk dat zij onze moeder, Hedwig, is. Op de achtergrond zie je ook de bogen van een hek─dat moet het tuinhek geweest zijn van onze woning op “Duin en Bos 15” (later: Van Duurenlaan 6) en de auto stond dus waarschijnlijk bij ons voor de deur. Misschien was het een “Kever” (VW). “Oom” Willy (2) uit Düsseldorf had zo’n auto en hij kwam regelmatig, samen met “tante Thea”, naar Bakkum. B. Bepke en Johnny op een zomerse dag in de tuin van ons huis, Duin en Bos 15, misschien tijdens de zomer van 1955 of 1956. C. Schoolfoto van Bepke, ca. twaalf jaar oud, waarschijnlijk laatste klas van de Lagere School (COL) in Bakkum (ca. 1958). D. Bepke (rechts) ca. 16 en Johnny, 10-11 jaar oud, op het strand van Bakkum. E. Bepke ca. 16-17 jaar oud, zomer 1962 of 1963, op het strand van Bakkum. F. Bepke waarschijnlijk dezelfde zomer (1962 of 1963), in een strandstoel op het strand van Bakkum. De vrouw naast Bepke is “tante” Luzi uit Duitsland. De “tante” was een keer met haar pleeg-kleinzoontje Peter een week bij ons te gast in Bakkum (3).

Behalve deze (en nog veel meer) foto’s heb ik vele herinneringen aan mijn zus, vooral goede herinneringen. Tot mijn mooiste herinneringen behoren ons gebabbel wanneer we vroeg naar bed gestuuurd werden en nog geen slaap hadden en dus vanuit ons bed door de open staande deur van onze slaapkamers met elkaar lagen te keuvelen. De details daarvan ben ik vrijwel allemaal vergeten, maar één zo’n avond, terwijl in de woonkamer onze ouders bezoek hadden van de Roodzants, is me nog goed bijgebleven.

Hier het verhaal:

Figuur 2-Roodzants.

In 1953 streek het gezin Hauser neer in Bakkum, op nummer 15 van ‘Duin en Bos’—nu is dat de Van Duurenlaan 6. Bepke was toen zeven of acht jaar oud en heette nog Beppie. Ik was twee, bijna drie. De bovenverdieping van het huis had drie slaapkamers. Al vroeg kregen Beppie en ik hun eigen kamer: Beppie de kamer die uitkeek op de schuur en het erachter liggende zandduintje, ik de kamer met uitzicht op het verlengde van de straat. In de andere bovenkamer, met het raam aan de straatkant, sliepen onze ouders.
Mijn scherpste herinneringen aan die kamers dateren van rond 1960 of iets later. Ik was toen acht, Beppie dertien.
Beppie had veel plaatjes van filmsterren en ‘popsterren’ op de deur van een klerenkast en de muren van haar kamer geplakt: Romy Schneider, Karl-Heinz Böhm, Tony Curtis, Elvis Presley, Cliff Richard, de Blue Diamonds – de idolen van de pubermeisjes in die dagen.
Haar kamer was uitgerust met een stapelbed en ze sliep in het benedenbed ervan. Wanneer er familie kwam logeren, werd Beppies kamer logeerkamer.
We hadden als een van de eersten van de buurt televisie. Op woensdagmiddag kwamen de kinderen uit de straat bij ons naar het kinderprogramma kijken.
‘s Avonds keken mijn ouders ‘fanatiek’ televisie. De kinderen, Beppie en ik dus, moesten doorgaans na het journaal van acht uur naar bed.
Vaak hadden we nog niet veel slaap en terwijl we in bed lagen, het licht uit, bleven we soms nog een hele tijd met elkaar praten. De slaapkamerdeuren stonden open en we konden elkaar goed verstaan. We keuvelden over van alles en nog wat; ik geloof dat we vaak over onze ouders en het gezinsleven roddelden. We waren immers verbannen naar de bovenkamers en lagen op onze rug in het donker—dat schiep een broederlijke en zusterlijke band. Wij waren de tot duisternis en slaap verdoemde kinderen — versus de Grote Mensenwereld die daar beneden in het licht gewoon vrolijk verder ging.
Wanneer mijn ouders ‘s avonds bezoek kregen, werden Beppie en ik naar bed gestuurd en werd het geluid van de TV wat zachter gezet. In bed konden we de stemmen van mijn ouders en het bezoek duidelijk horen, maar we konden meestal niet verstaan wat die grote mensen toch zo opgewonden met elkaar zaten te bespreken.

Op een avond kregen mijn ouders bezoek van de heer en mevrouw Roodzant, overburen. De heer Roodzant was hoofdbroeder op Duin en Bosch, de psychiatrische inrichting waar ook mijn vader werkte. Hij was een vrij lange, rustige, bijna stille man met een lang gezicht en een hoog, kalend voorhoofd. Mevrouw Roodzant was bijna zijn tegenpool, een temperamentvol, klein vrouwtje dat graag, veel en gejaagd kwebbelde en zich al snel om iets druk maakte. Ze werkte vaak met grote toewijding in haar tuin. Haar perken met veelkleurige viooltjes waren zonder meer de mooiste van de straat. Wanneer onze plastic voetbal per ongeluk in haar tuin belandde, kon je erop rekenen dat mevrouw Roodzant dat loerend vanachter een gordijn had waargenomen en dat ze scheldend naar buiten stormde om een tirade tegen het straatvoetbal ten beste te geven. Die tirades waren niet mis, maar ze waren ook nogal lachwekkend.
De Roodzants behoorden tot de oudere bewoners in de straat. Mevrouw Roodzant had flink wat markante kwabbels in haar gezicht die heftig meebewogen met haar gesticuleer. Bovendien had ze, in mijn herinneringen althans, nogal kort maar slonzig, grijzend haar. Kortom, ze was niet bepaald een indrukwekkende verschijning. Maar het meest bijzondere van haar woede-uitbarstingen was dat ze nauwelijks te verstaan waren. Mevrouw Roodzant was van Duitse komaf en haar beheersing van de Nederlandse taal was ondermaats. Ze had een zwaar Duits accent en vermengde haar Nederlandse woordenschat met veel Duitse woorden en germanismen. Haar half-Duits gebrabbel was echter in een hoog tempo en werd begeleid met een overdaad aan mimiek en gebaren.
Eén keer belandde de voetbal middenin een perk viooltjes en stormde mevrouw Roodzant naar buiten met een keukenmes in haar hand. Ze zei geen woord. Haar rood aangelopen lellen en kwabbels waren een orkest op zich. Ze dreigde de bal lek steken en in stukken snijden.
Hoe dat is afgelopen weet ik mij “vreemd genoeg” niet meer te herinneren (waarschijnlijk was het bij een waarschuwing gebleven, maar dreigde ze een volgende keer dat de bal tussen haar bloemen belandde de daad bij het woord te voegen. Maar een feit was dat de recreatieve activiteiten van de straatjeugd regelmatig in conflict kwamen met de horticulturele ambities van mevrouw Roodzant. O ja, nu herinner ik me ook weer dat ze prachtige lupines kweekte, iets verder achterin haar tuin. Wanneer je haar daar als een schim zag staan, half verscholen achter de lupines, haar armen gestoken in enorme rubberen handschoenen om het onkruid uit te trekken, dan durfde je bij het ‘boompie trappen’ (er stonden toen nog enkele forse kastanjes en eiken in de straat) niet lekker uit te halen, uit angst dat de bal over het hek in de tuin van die ‘violenheks’ zou belanden.

Soms namen we wraak op mevrouw Roodzant, bijvoorbeeld als ze net de straat was uitgefietst om boodschappen te doen. Dan gingen we gehurkt aan haar tuinhek zitten en staken onze handen door de spijlen uit naar de viooltjes. Dan namen we koesterend het bloemsteeltje van zo’n prachtig, roodbruin kunstwerkje met geel hartje tussen wijs- en middelvinger. ‘Oh wat een schitterend mooi viooltje is dit,’ spraken we dan bewonderend en schoven onze vingers omhoog tot aan de bloem en verder tot .. . ‘knak’ … het bloempje van zijn steeltje brak. “Oh wat een prachtig viooltje was dit en wat jammer nou toch dat zo’n perfect bloempje aan zo’n zwak en dun steeltje zit…,” spraken we vervolgens in koor om daarna de hele voorste rij viooltjes aan het tuinhek te onthoofden….Beppie keek vooral toe, maar moedigde ons lachend aan bij onze liefkozingen van de viooltjes.

Het was alweer maanden geleden of jaren geleden dat ik me aan de zonde van het viooltjesknakken had overgegeven, dat mevrouw Roodzant en haar man door mijn ouders waren uitgenodigd op een avond op bezoek te komen.
Beppie en ik lagen in bed, en wij vermoedden dat het samenzijn van onze moeder en mevrouw Roodzant wel eens een enerverend gebeuren zou kunnen opleveren. Ons vermoeden werd bewaarheid: in de woonkamer beneden brak een ware titanenstrijd los, de titelstrijd om wie de grootste kletskous van Bakkum, van Kennermerland, van misschien wel de hele wereld zou zijn.
Mijn moeder was, om zo te zeggen, een kwebbelgrage vrouw. Bovendien was zij net als mevrouw Roodzant van Duitse komaf. Na tien jaar in Nederland gewoond te hebben sprak ze vrij goed Nederlands. Haar Duits accent was veel zwakker dan dat van mevrouw Roodzant—zelfs beduidend zwakker dan dat van prins Bernard. Wanneer er bezoek uit Duitsland over de vloer was, kwam haar praatzucht duidelijk aan het licht, alsof het iets typisch Duits in haar was dat dan werd aangewakkerd.
Deze avond leek het erop dat de twee vrouwen van Duitse komaf elkaar wederzijds stimuleerden; hun betogen klommen weldra tot grote hoogte. Beppie en ik lagen onder de dekens en luisterden met aandacht naar de geluiden uit de woonkamer.
Nogal dominerend waren de snel opeenvolgende tonen van mevrouw Roodzant. Ze waren wel snel, maar vaak moeilijk te onderscheiden (laat staan te verstaan), alsof een orkaan van klanken gedeeltelijk werd gesmoord in een labyrinth van kwabben en lellen. Soms werd dit doffe gekakel onderbroken door een serie lagere, maar helderder klinkende geluiden die niettemin ook onverstaanbaar bleven: mijn moeder aan het woord. Een aanzienlijk deel van de tijd klonken die verschillende ‘akkoorden’ (of hoe je ze ook wil noemen) door elkaar heen en dan leek in beide zowel tempo als volume zelfs toe te nemen. Daarop volgend viel soms een korte stilte waarin het sonore gebrom van mijn vader was te horen dat kennelijk al die tijd niet boven het wijvengeklets was uitgekomen. Of de heer Roodzant ook iets had te vertellen konden we niet uitmaken.
Wel ging af en toe de woonkamerdeur open – en dan klonken de stemmen veel helderder en werd ook duidelijk dat beide vrouwen Duits met elkaar spraken. Een seconde later hoorden we de deur van de WC opengaan: vermoedelijk meneer Roodzant. Nadat er was doorgetrokken spitsten we onze oren opnieuw om iets op te vangen van de kamergesprekken wanneer de woonkamerdeur weer even open was. Sigarenrook. Koffiearoma. En: ‘haben sie doch alles…unbedingt…oder sollte es so sein dann wäre es…..” Veel was het niet: de heer Roodzant was beslist sneller in het open- en dichtdoen van een deur, dan van zijn gulp.

‘Wie denk jij dat er gaat winnen,’ vroeg ik aan mijn zus.
‘Roodzant, daar kan toch niemand tegenop,’ antwoordde Beppie.
Johnny: ‘Maar je moet mama niet onderschatten, vind ik, en ze zijn nog maar net begonnen.’
Op dat moment maakte het wat gedempte, hoogtonige geratel van mevrouw Roodzant plaats voor een opmerkelijke lange periode dat de lagere, heldere stem van onze moeder aan het woord was, alsof mevrouw Roodzant zich in een hap van haar gebakje had verslikt en even op adem moest komen.
Johnny: ‘Ja nu gebeurt het dan… dat was te verwachten mensen, Hauser laat zich niet zo maar aan de kant zetten door een verdette … de achterstand is nu al teruggelopen tot luttele seconden … zal ze erin slagen nog voor de beklimming van de Col du Ouwehoer, een specialisme van Roodzant, in het wiel van de ex-kampioene te komen … terwijl het peleton nog steeds uren achterligt …’
Beppie nam het commentaar met een gespeeld ratelend stemmetje over toen mevrouw Roodzant weer aan het woord was.
‘Dat moet je niet te gauw zeggen, voorlopig ligt Roodzant nog duidelijk op kop en lijkt zelfs verder uit te lopen. Het wachten is op de tussentijden. Ja nee, ja nee… een verschil van ruim twintig seconden. Is het dan toch de ervaring en het uithoudingsvermogen van de veelvoudige kampioene dat de doorslag zal geven en het verschil tussen goud en zilver …..’
Johnny: ‘Twintig seconden, dat is niks. Hauser zal de laatste zijn die het hierbij laat. Zie haar verbeten en vastberaden de achtervolging inzetten … Mensen wat een spanning hier op het parcours in Bakkum bij de Grand Prix Superkletskous. Ja zeker is zeker, onze Heddy loopt in en duidelijk ook. Wat een sensatie! Als een locomotief in het spoor van de meervoudige kampioene.’
Even leek het helemaal stil te zijn in de woonkamer beneden.
Beppie: ‘Wat gebeurt er nu? De beelden die wij krijgen doorgegeven zijn niet duidelijk. Heeft Roodzant als eerste de top van de Col de Ouwehoer bereikt en is zij aan de afdaling begonnen…’
Johnny: ‘Ja nee, ja nee, wat? Mensenhemel, dat lijkt op een valpartij. Dat is toch niet mogelijk … Heeft de achtervolging van onze Heddy Hauser te veel van haar krachten vereist en heeft ze al slingerend het wiel van Roodzant geraakt?’
Beppie: ‘Het is nog volstrekt onduidelijk wat hier gebeurd is, maar….’
De deur van de woonkamer ging weer open (meneer Roodzant voor dopingcontrole) en we hoorden de stem van mevrouw Roodzand schreeuwend, krijsend, bijna triomfantelijk: ‘Hat er doch auch gesagt… allerdings….die Notwendigkeit..’
Beppie (vervolgend): ‘Een valpartij, we weten het niet, maar duidelijk is dat Roodzant daar niet bij betrokken is geweest en nog steeds vastberaden op kop ligt en deze etappe met een forse voorsprong gaat winnen. Er zijn kampioenen en KAMPIOENEN….’
Johnny: ‘Waar is onze Heddy Hauser gebleven? Zo dapper had ze de achtervolging ingezet. Heeft ze dan toch moeten afhaken…?’
Aan de kakofonie van mevrouw Roodzant en haar trillende lellen leek vervolgens geen eind te komen.
Maar in de slaapkamers werd het geleidelijk stiller.
Johnny: ‘Beppie, ik begin slaap te krijgen.’
Beppie: ‘Ja, ik ook, welterusten hoor.’
We waren in diepe slaap toen een dik uur later de Roodzants vertrokken. In onze slaap hoorden we misschien nog iets van de Duitse woordenstrijd die op de gang in alle heftigheid verder ging. Je hoorde het geratel van de ijzeren beugels van de knaapjes wanneer in de gang de jassen van de kapstok werden gehaald. Je hoorde het geklik van een schakelaar: de lamp boven de buitendeur werd aangedaan. En je zag het oudere echtpaar als het ware door de kille avondlucht de straat oversteken naar hun eigen woning. Tenslotte hoorde je dat mevrouw Roodzant zich lachend even half omdraaide om mijn moeder die in de deuropening stond nog iets toe te roepen: ‘Da werden die ja immer noch zur…..’
Ze had weer gewonnen.

Meneer Roodzant ging een paar jaar later met pensioen en het echtpaar verhuisde toen naar elders. Nooit hebben we weer iets van de Roodzants vernomen.

NOTEN:
1. Het verhaal werd niet onverdeeld positef ontvangen. Terwijl mijn nicht Femke, de dochter van Bepke, wild enthousiast reageerde, meende haar vader Klaas dat ik mijn zus tekort deed met zo’n verhaal dat bovendien zou getuigen van ‘mijn minachting van(voor) de medemens waar uiteindelijk elke oorlog uit voortkomt.’
2.Thea was een jeugdvriendin van mijn moeder Hedwig. Na de oorlog trouwde Thea met ene Willy die als directiechauffeur bij Krupp in Essen werkte. De directie van Krupp vergaderde graag in Egmond aan Zee, slechts acht kilometer van Bakkum. “Onkel Willy” reed de directie regelmatig naar Egmond en wanneer hij een paar uur vrij had bezocht hij ons in een dure auto van de zaak. Maar Willy, samen met tante Thea (en soms ook met hun dochter Doris) kwamen ook wel naar Bakkum om bij ons te logeren. Dan arriveerden zij in hun VW “Kever”. Over Thea en Willy zal ik beslist nog foto’s en een verhaaltje posten.
3. “Tante” Luzi was een zeer lieve en  vriendelijke dame. Ik denk dat ze de moeder was van Hugo, de verloofde van mijn moeder Hedwig. Tijdens de oorlog werd Hugo als soldaat opgeroepen en naar het (oost?)front gestuurd en hoorde men niets meer van Hugo. Maanden of jaren later raakte Hedwig in Düsseldorf gecharmeerd van een Hollandse jongeman, Theo (die via de Arbeitseinsatz in Düsseldorf was beland). Theo en Hedwig kregen verkering en uiteindelijk traden ze 15 mei 1945, kort na het einde van de oorlog, in Düsseldorf in het huwelijk. In de maanden daarop, terwijl de Duitse economie nog overhoop lag, zouden ze een keer samen ‘liftend in een goederentreinen’ naar Kassel gereisd zijn om er spullen op te halen die Hedwig er bij “Tante Luzi” in bewaring had gegeven. Ergens staat genoteerd dat Luzi familie van Hugo was. Waar Hugo toen uithing? Onbekend. Een paar maanden later, eind 1945, vertrokken Theo en Hedwig naar Nederland. Vele, vele jaren later “dook Hugo weer op”. Hugo zou zijn meisje van vroeger (mijn moeder Hedwig) graag in Nederland willen bezoeken, maar mijn vader liet toen weten dat hij dat niet op prijs zou stellen. Een keer, in 1962 of 1963, zou tante Luzi een paar dagen bij ons in Bakkum komen logeren, samen met een (pleeg?)kleinzoon (misschien een zoontje van Hugo). Hier had mijn vader geen enkel bezwaar tegen. Ik had die ‘kleinzoon’, Peter genaamd, een of twee jaar ouder dan ik, al een keer eerder in Dūsseldorf ontmoet en het leek me een aardige jongen en ik verheugde me op hun komst. Ook hierover heb ik een kort verhaal gepland.