Boeddha-voetafdrukken in Thailand

Enkele Boeddha-voetafdrukken in Thailand
boeddha-voetafdruk-thailand
http://www.sjonhauser.nl/boeddha-voetafdruk-thailand.html
key words: phra phutthabat, si pada, Siddhartha, Gautama, Saraburi, Prachinburi, Si Roi, Tak Pha, dhammachakra, Adam’s Peak, Munier, Dvaravati, Song Tham, bodhi, Boeddha’s voetafdrukken bij Wat Doi Saket, district Doi Saket, provincie Chiang Mai, Thailand.

tekst en foto’s: SJON HAUSER


Samenvatting.- Een Boeddha-voetafdruk (Thais: phra phutthabat) is een belangrijk symbool in het boeddhisme. In de boeddhistische kunst wordt deze veel afgebeeld en behoort tot de meest vereerde objecten. De Boeddha-voetafdruk symboliseert vooral de fase in de ontwikkeling van het boeddhisme waarin de historische Boeddha, prins Siddhartha, in de zesde eeuw voor Christus predikend door Noord-India trok en zijn leer verkondigde. Na een algemene inleiding over de historische ontwikkeling van de Boeddha-voetafdruk worden aspecten van vier in Thailand zeer vereerde Boeddha-voetafdrukken in detail besproken: 1. de Boeddha-voetafdruk in het district Sa Morakot in de provincie Prachinburi, 2. de Boeddha-voetafdruk in het district Phra Phutthabat in de provincie Saraburi, 3. de Phra Phutthabat Tak Ba in het district Pa Sang van de provincie Lamphun, en 4. de Phra Phutthabat Si Roi in het district Mae Taeng/Mae Rim van de provincie Chiang Mai.

INLEIDING

Wat is een Boeddha-voetafdruk?
Een Boeddha-voetafdruk is een belangrijk symbool in het boeddhisme. In het Pali / Sanskriet wordt het doorgaans si pada (Heilige Voet) of sri padacetiya (Heilige Voet relikwie) genoemd en in het Thais heet het phraphutthabat. In de boeddhistische kunst behoort het tot de meest afgebeelde en meest vereerde objecten. Een Boeddha-voetafdruk symboliseert vooral de voetstappen waarmee de historische Boeddha (prins Siddhartha Gautama) zich in de vijfde of zesde eeuw voor Christus (1) verplaatste om over delen van Noord-India zijn leer te verkondigen en de mensen te bekeren.
De Boeddha was ongeveer veertig jaar oud toen hij mediterend onder een bodhi-boom de verlichting bereikte. Niet lang daarna gaf hij in het hertenpark van Benares zijn eerste preek. Daarna trok hij tot zijn dood, circa veertig jaar later, predikend door India. De Boeddha-voetafdruk symboliseert dus niet zo zeer een sleutelgebeurtenis in het leven van de Boeddha, als wel een essentiële fase in de ontwikkeling van het boeddhisme.

De Boeddha-voetafdruk is vaak een soort teken dat aangeeft dat de Boeddha ergens geweest is om zijn leer (de dhamma) te verkondigen. Of in de ruimste zin geeft het symbool aan dat men op een plaats is waar boeddhisten de dhamma volgen.
Dat laatste geldt eveneens voor andere belangrijke symbolen van het boeddhisme, zoals de dhammacakkra (het “wiel” van het boeddhisme dat in beweging kwam bij Boeddha’s eerste preek), de heilige bodhi-boom waaronder de Boeddha mediterend de verlichting bereikte, of de chedi (ook wel phrathat, stoepa of pagode genoemd), een monumentaal bouwwerk dat zijn oorsprong vindt bij de grafmonumenten die verspreid in India werden opgericht om na de dood van de Boeddha zijn stoffelijke overblijfselen (relikwieën) onder te brengen. Deze symbolen representeren dus zowel de Boeddha als zijn leer, als wel daarnaast een meer specifieke, voor het boeddhisme belangrijke gebeurtenis. Ze wijzen de bezoeker erop dat de Boeddha op aarde is geweest en daar een spiritueel pad heeft gevolgd dat navolging verdient.
Ze zijn wel te vergekijken met de speciale betekenis die het kruis voor het christendom heeft (Bidyalankarana, 1935; Munier, 1998; Sailer, 2002).

Twee essentieel verschillende soorten Boeddha-voetafdrukken worden doorgaans onderscheiden.
De eerste groep bestaat uit de Paribhoha Boeddha-voetafdrukken, die als heuse, zij het miraculeuze manifestaties van de Boeddha worden beschouwd op plaatsen waar de verlichte zelf ooit is geweest en er in eigen persoon zijn voetafdruk in de rotsen of ander natuurlijk gesteente heeft geplant. Munier (1998) schrijft in zijn Sacred Rocks and Buddhist Caves in Thailand dat rond 2000 in India slechts twaalf van die miraculeuze Boeddha-voetafdrukken bekend waren.

De andere groep bestaat uit de voetafdrukken van het Udessika-type, die net als boeddhabeelden, gefabriceerd zijn ter nagedachtenis van de Boeddha of om de verlichte te vereren. Ze kunnen zijn vervaardigd uit allerlei mogelijke materialen zoals hout, steen, gips, brons, zilver, goud of parelmoer. Het is bijna vanzelfsprekend dat deze vervaardigde voetafdrukken minder aanzien genieten dan de “echte” Paribhoga Boeddha-voetafdrukken.

De Voetafdruk op de top van Adam’s Peak in Sri Lanka
In een oude (Indiase) Pali-tekst wordt gesteld dat er slechts vijf plaatsen zijn waar zich een echte Paribhoga Boeddha-voetafdruk bevindt (Bidyalankarana, 1935; Munier, 1998).
Daarvan is een voetafdruk in Sri Lanka sinds de oudheid het beroemdst en meest vereerd. Deze “echte” voetafdruk van de Boeddha bevindt zich op de top van de Adam’s Peak, een 2243 m hoge, tamelijk alleen staande berg op het eiland. De berg werd beschouwd als de woonplaats van de god Sumana (Sumanakuta). Volgens een Ceylonese Pali-kroniek uit de vierde eeuw na Christus bezocht de Boeddha de berg drie keer. De eerste keer was acht maanden na het bereiken van de verlichting om er yakkha (kwaadaardige reuzen) te verdrijven en om de deva (hemelse wezens), van wie Sumana de leider was, te onderrichten in de boeddhistische leer. Boeddha’s laatste bezoek aan het eiland was bijna acht jaar later en het was toen dat hij zijn voetafdruk achterliet op de top van de “woonplaats van Sumana” (Sumanakuta). Nu staat de voetafdruk ook bekend als de voetafdruk van Sumanakuta.

De voetafdruk wordt genoemd door de Chinese boeddhistische monnik Fa Hsien die het eiland in de 5e eeuw na Christus had bezocht. Eind 7e eeuw bezocht Vajrabodhi (die later het Mahayana-boeddhisme in China introduceerde) deze Boeddha-voetafdruk van Sumanakuta. Van de 11e-13e eeuw dateren talloze bronnen waaruit blijkt dat vorsten in Sri Lanka in die tijd pelgrimstochten naar de voetafdruk maakten en de plaats hebben gepromoot en lieten uitbouwen tot een aantrekkelijk pelgrimsoord. In China was deze voetafdruk eeuwenlang goed bekend en Chinese keizers hebben er missies heengestuurd om er offerandes te brengen.
In de 16e eeuw werd de plaats veranderd in een hindoe-heiligdom en werd de voetafdruk er vereerd als de voetafdruk van de god Shiva. Maar in de 18e eeuw werd het opnieuw een overwegend boeddhistisch heiligdom (Munier, 1998), hoewel het ook nu nog drommen hindoes, moslims en christenen aantrekt.

Als beeldhouwwerk en kunstwerk zijn de oudste Boeddha-voetafdrukken van het Udessika-type bekend uit India. De Boeddha-voetafdrukken die boeddhistische heiligdommen in Sanchi en Bharut decoreren, dateren van de eerste en tweede eeuw voor Christus. Ze zijn tamelijk eenvoudig maar in het midden van de voetzool bevindt zich vaak een dhammacakkra (wiel).

Figuur 2. A. De rijkelijk met symbolen van perfecties geornamenteerde (linker) voetafdruk van de Boeddha in de oude bot van Wat Phra Sing in Mueang, Chiang Mai. B. Details van het centrale deel van de voetzool met de Dhammachakkra—dit teken symboliseert misschien zowel het Wiel van de Dhamma dat de Boeddha met zijn eerste preek in Benares aan het draaien brengt, als de “zon” die de Boeddha is en waarvan de veelheid aan wonderschone radiaties licht brengt in de duisternis waarin de mensheid verkeert. Er gaat inderdaad een bijzondere uitstraling van dit ‘wiel’ uit, het is geen gewoon karrewiel met spaken. C. Een reproductie van een vergulde Boeddha-voetafdruk vol symbolische tekens.

Later verspreidde de productie van Boeddha-voetafdrukken zich met het boeddhisme over andere delen van Azië, zoals Sri Lanka, Myanmar en Thailand. De productie van Boeddha-voetafdrukken kende een aantal hoogtepunten in Sri Lanka, Myanmar, Thailand, China en Japan.

Sri Lanka
Keizer Ashoka de Grote (r. 271-237 BCE/vóór Christus) was de eerste die diverse koninkrijken van Afganistan tot Bengalen verenigde binnen het rijk van Maurya. Ashoka zou tot het boeddhisme bekeerd zijn en sindsdien de leer naar andere delen van Azië geëxporteerd hebben. De Indiase Maurya dynastie duurde van 322 tot 185 vóór Christus. In de beroemde kroniek Mahavamsa staat geschreven dat het boeddhisme formeel in Sri Lanka werd geïntroduceerd door Mahinda Tera, een zoon van Ashoka. Minder duidelijk is wanneer het vervaardigen van boeddhistische sculpturen (inclusief de Boeddha-voetafdruk) in Sri Lanka begon. In elk geval meent Kusumoto (c. 2014), in navolging van Motoji Niwa (1992), dat Boeddha-voetafdrukken met regelmaat werden geproduceerd gedurende de Anuradhapura periode (3e eeuw vóór Christus tot 10e eeuw na Christus) en er minstens duizend platte stenen uit die periode bekend zijn waarin een of twee Boeddha-voetafdrukken zijn gehakt. Ze zijn tamelijk eenvoudig, maar hebben vaak een wiel-teken of enkele andere tekens, maar dit soort tekens kunnen ook helemaal afwezig zijn. De variatie aan tekens is groot.

Myanmar
In de 11e en 12e eeuw na Christus was Pagan (Bagan), 100 km ten zuiden van het huidige Mandalay in Myanmar, het centrum van een Birmees boeddhistisch rijk waar een enorm aantal Boeddha-voetafdrukken werd geproduceerd. Het was de Gouden Eeuw van de Boeddha-voetafdruk. Voor een groot deel betreft het schilderingen van Boeddha-voetafrukken op de plafonds van tempels. De meeste zijn gedetailleerde schilderingen van voetafdrukken met 108 “voorspoedige tekens”. Bekende voorbeelden van deze plafondschilderingen zijn te vinden in de Winido en de Hlan-Kya tempel van Pagan. De oudste (en misschien wel beroemdste) voetafdruk met 108 tekens van Pagan is evenwel de Lokananda Boeddha-voetafdruk die in steen is gehakt.
Bij het vervaardigen van deze complexe voetafdrukken met de 108 “voorspoedige symbolen” (in het Engels spreekt men over “auspicious symbols”, in het Pali worden de 108 symbolen de Buddhapadamangala genoemd) baseerde men zich op oude teksten uit Sri Lanka met lijsten van deze 108 tekens: de Samantabhaddika (in de 5e eeuw na Christus geschreven door de monnik Upatissa) en de Jinalankaratika (in de 11e eeuw na Christus geschreven dor de monnik Buddharakkhita). Hoewel men in Sri Lanka wel Boeddha-voetafdrukken met acht voorspoedige tekens maakte, lijkt de productie van Boeddha-voetafdrukken met die 108 tekens een vernieuwing die in Pagan plaatsvond in de 10e en 11e eeuw toen het vervaardigen ervan in
Sri Lanka nog onbekend was (Win, 2017)
Het vervaardigen van schilderingen van Boeddha-voetafdrukken op plafonds van tempels was uniek voor Pagan en deze kunstvorm heeft zich nauwelijks of niet verspreid naar andere delen van Zuidoost-Azië. Volgens een aantal kenners, zoals U Aung Kyaing en Jacques de Guerny, had zo’n geschilderde voetafdruk aan het plafond bij de ingang van een tempel overigens een sterk beschermende functie: het was een symbool dat de bezoekers (die nederig onder de voetafdrukschildering liepen) bescherming bood tegen gevaar en dat demonen verdreef (naar Win, 2017: 7)

De voorspoedige tekens van de voet en voetafdruk
Boeddha-voetafdrukken zijn vaak “versierd” met een enkel “symbolisch teken”, met meerdere tekens, of met acht, 32 of 108 “voorspoedige tekens die de Boeddha kenmerken”. De ontwikkeling van deze tekens en de betekenis ervan is een ingewikkeld verhaal, en wat betreft talloze details zijn de kenners het lang niet steeds met elkaar eens.

Dat juist de voet(zool) (ooit) gekozen is voor het uitbeelden van zo’n “wereldsysteem” van tekens is misschien niet al te verwonderlijk. De voet speelde mogelijk al voor de komst van het boeddhisme een belangrijke rol in het oude India. Mensen wierpen zich voor de voeten van hun meesters en het kussen of met het hoofd beroeren van de voeten van goeroes was een algemene vorm van verering in het Oosten. Het is duidelijk dat men daarmee aangeeft dat het hoofd van de leerling (hun meest verheven lichaamsdeel) lager is dan het laagste lichaasmsdeel (de voetzool) van hun meester. Het is letterlijk “zich onderwerpen”.

De voetafdrukken op pilaar aan de basis van de stoepa van Sanchi behoren tot de oudst bekende voetafdrukken uit het oude India. Ze bevinden zich heel laag bij de bodem zodat de vromen zich ervoor op de grond moeten werpen om ze te vereren. Deze verering is ook uitgebeeld op basreliëfs uit die tijd (zie figuur xxx, naar Ayalana, 2017).
De voet en voetafdruk komt veel voor in boeddhistische teksten. Een van de bekendste episodes uit het leven van prins Siddhartha Gautama betreft zijn prille jeugd, kort na zijn geboorte. Toen de jonge prins zijn eerste zeven voetstappen maakte, ontsprongen er meteen lotusbloemen op de plaatsen waar de kleine jongen zijn voeten had neergezet.
Gedurende de eerste eeuwen van het boeddhisme bestond er een sterk taboe op het afbeelden van de mens/de persoon die de historische Boeddha was. De Boeddha (die als mens niet meer bestond) werd in die tijd voorgesteld of opgeroepen door een aantal symbolen, zoals de troon, de bodhiboom, de stoepa, het wiel en de Boeddha-voetafdruk. Dat Boeddha-voetafdruk weldra getooid werd met een wiel is niet verwonderlijk. Behalve dat de voetafdruk een aniconisch symbool van de Boeddha was, was het in nauwere zin vooral symbool voor de fase van zijn leven waarin hij zich van plaats tot plaats bewoog om zijn leer te verkondigen. Die fase is nauw verbonden met zijn allereerste preek in het hertenpark van Benares (Migadayavana) waarmee het wiel van het boeddhisme aan het draaien werd gebracht, een gebeurtenis waarvan de Dhammacakkra (wiel met spaken) het symbool bij uitstek was. In de oude Boeddha-voetafdrukken met ‘wiel’ uit de tijd dat er nog geen boeddhabeelden gemaakt werden, ziet dat wiel er uit als een eenvoudig karrenwiel met spaken.
De eerste productie van boeddhabeelden begon in Gandhara, een koninkrijk in het huiddige noorden van Pakistan en oosten van Afghanistan. Als een centrum van boeddhistische cultuur bereikte zijn hoogtepunt tussen de 1e en 5e eeuw na Christus. Cultureel en artistiek is Gandhara in enige mate beïnvloed door het hellenisme maar of dit Gandhara rijp maakte voor de eerste afbeeldingen van de (historische) Boeddha is niet duidelijk. Maar het was hier dat de Boeddha voor het eerst zijn menselijke vorm kreeg als boeddhabeeld.
‘Dit nieuw soort beeldende kunst, was gemakkelijker te begrijpen en beter aan te passen aan lokale geloven, en werd de grootste “uitdaging” van de Boeddha-voetafdrukken in geheel Oost-Azië,’ schrijft De Guerny (2014), ‘en met zijn meer realistische en flamboyante beelden concurreerde het met de abstracte aniconische Boeddha-voetafdrukken.’

De voetzolen van beelden van de “Liggende Boeddha”, die de verlichte op zijn sterfbed voorstellen, zijn vaak ook met deze voorspoedige tekens versierd.

Skilling (199x) schrijft dat hij in het licht van de eeuwige (perennial) cultus van de voetafdruk van de Boeddha, en de (zo hoopt hij) evenzeer perennial interesse van wetenschappers voor het onderwerp een aantal lijsten zal presenteren uit Tibetaanse en Centraal-Aziatische bronnen van symbolen op het lichaam of de voeten en handen van een Boeddha. ‘Lijsten van symbolen op de voeten van de Boeddha worden gegeven in bronnen die behoren tot de Theravadin traditie en die in het Pali of locale talen zijn geschreven.De oudste lange lijst (van ongeveer 40 items)is die welke gegeven wordt door Budhhaghosa (5e eeuw na Christus) in zijn commentaar op de Digha en Majjhima Nikayas. Later verschijnen lijst met 108 symbolen. De oorsprong van de lijst met 108 symbolen blijft in het duister, maar het is duidelijk dat de lijst in Ceylon in de mode/zwang was in ten minste de twaalfde en dertiende eeuw.’ (Skilling, 199x, p.67)

In vele van zijn 550 eerdere existenties had de Boeddha al talloze deugden geperfectioneerd. Dat uitte zich bij zijn laatste geboorte ook in uiterlijke perfecties waaraan de Boeddha te herkennen is—bovennatuurlijke kenmerken die de Boeddha met zijn voorbeeldig gedrag gedurende eerdere existenties als het ware had “verdiend”. Voorbeelden zijn z’n perfecte huid waarop geen pezen of aders te zien zijn, de rechte “adelaarsneus” en de lange, sierlijke vingers en de gelijke lengte van de tenen. Maar het waren vooral de 32 perfecties van zijn voetzolen die als een soort keurmerk voor zijn verheven staat golden. Sailer (2002) laat zien hoe de 108 perfecties op de voetzool gelezen moeten worden. Bij de linkervoet bevindt de eerste zich aan de binnenzijde achter de grote teen en de hele reeks zet zich vandaar als een soort spiraal tegen de wijzers van de klok in voort en eindigt met nummer 108 achter de Dhammacakkra. Deze kenmerken die op de perfectie van de Boeddha duiden, worden op de voetafdruk of voetzool als een diagram weergegeven en doen denken aan hiëroglyfen of een letterbox of ganzebordspel met voorstellingen van die perfecte eigenschappen. Tonginjan (2017) wijdt een hele dissertatie aan deze 108 voorspoedige tekens en de betekenis ervan. Ook na het ontraadselen van het hoogst belabberde Engels van de Thaise academica en doctor in de filosofie, blijven voor mij vele zaken onduidelijk en komen de 108 tekens me als een nogal wonderbaarlijke (ogenschijnlijk?) willekeurige selectie van symbolische verwijzingen van zaken waaruit zo blijken dat de Boeddha perfect was. Bidyalanharana (1935) oppert de theorie dat dit toeschrijven van allerlei kenmerken van Boeddha’s perfectie aan bepaalde plaatsen of eigenschappen van de voetzool zich in het verre verleden heeft ontwikkeld uit een soort van “voet lezen”, zoals ooit ook het “hand lezen” van karaktereigenschappen en voor het voorspellen van de toekomst zich baseerde op talloze futiele details van de handpalm (2) —misschien vergelijkbaar met de tegenwoordig populaire voetreflexologie.
Bidyalanharana’s theorie komt niet ter sprake in de lijvige studie van Analayo (2017) die gebaseerd is op een minitieuze analyse van oude boeddhistische teksten en die wel meer duidelijkheid schept over de herkomst van de latere tekens. Vooral wat betreft het opmerkelijkste teken, het wiel, wordt aannemelijk gemaakt dat het als een teken voor de zon symbool was voor de Boeddha. De Boeddha wist immers met zijn inzichten als een zon te schijnen in de wereld der duisterheid (onwetendheid) waarin het ‘klootjesvolk’ der mensheid zich bevindt. De voor velen denigrerend klinkende term ‘klootjesvolk’ werd noch door de Boeddha noch door Analayo gebezigd, maar door mij in dit verband opgerakeld (in navolging van de provo’s in de jaren zestig van de 20e eeuw) omdat ze mijns inziens een mooie associatie legt met die duisterheid waarin mensen verkeren, namelijk het beeld oproept dat die duisterheid gevoed wordt door hun drang hun (materiële) begeerten te bevredigen oftewel van wie spreekwoordelijk “de kloten sterker zijn dan het verstand” of die slechts hun “pik achterna lopen”.

Figuur 3. Twee verschillende muurschilderingen van het beroemde tafereel volgend op de geboorte van “de Boeddha” (prins Siddhartha Gautama). Als de baby-prins zeven stappen heeft gezet ontspringen er lotusbloemen op de plaatsen waar zijn voeten de grond hebben beroerd. Behalve Boeddha’s moeder en locale mensen, zijn er ook goden aanwezig om de kleine hun eer te betonen. A. Een muurschildering van Wat Phra That Chom Chaeng in Pai, Mae Hong Son. B. Een schildering in Wat Waribanpot in het Mueang district, Ranong.

Figuur 4. A. Oude Indiase basreliëfs te xxxxxxx die laten zien dat mensen in die dagen al gedurende de vroege eeuwen van het boeddhisme een Boeddha-voetafdruk vereerden door zich ervoor te werpen of te knielen. De foto is overgenomen uit Ayalana (2017), p. xx). B-C. Kinderen klauteren over de voeten van een enorm (liggend) boeddhabeeld op het terrein van een tempel in Mae Sot.

Enkele beroemde Boeddha-voetafdrukken in Thailand

1. DE DVARAVATI BOEDDHA-VOETAFRUK VAN SI MOHOSOT, PRACHINBURI

Er zijn talloze aanwijzingen dat het boeddhisme zich gedurende het eerste millennium na Christus (misschien al in de zesde eeuw) heeft verspreid naar het huidige Thailand. Aan het Thaise (Maleise) schiereiland lagen havenplaatsen die door schepen uit Zuid-India en Sri Lanka werden aangedaan. Mogelijk voeren zulke schepen ook rond het schiereiland en bezochten ze havens aan de Golf van Siam (Thailand) die zich toen veel verder noordwaarts strekte dan tegenwoordig het geval is. Zo’n haven lag toen kennelijk in de buurt van de huidige districtsplaats Khok Pip (nu: Si Mohosot) in de provincie Prachinburi—in het dal van de Bang Pakong rivier die voorbij Chachoengsao in de golf van Thailand uitstroomt.
Opgravingen in en rond de overwoekerde, oude ruïnestad Si Mohosot (1000 meter lang en 500 meter breed) leverden een rijkdom op aan artefacten, zoals de laterietbasis van tempels, een oude stadsgracht met wallen (de Ku Mueang), en vijvers, zoals de Sa Kaeo of “Smaragden Vijver”, waarvan de wanden met dierenfiguren (leeuwen, tijgers, olifanten) waren getooid. Deze ruïnes vertonen vaak duidelijke kenmerken van de boeddhistische Dvaravati cultuur die van pakweg de 6e tot 11e eeuw op een groot deel van Centraal- en Noordoost- Thailand zijn stempel gedrukt heeft. Jongere overblijfselen wijzen erop dat het gebied daarna binnen de invloedssfeer van het Khmer Rijk viel. Trevor Ling, hoogleraar vergelijkende godsdienstkunde aan de Universiteit van Manchester schrijft over dit Dvaravati:

‘De wijdse, groene vlakte van wat nu centraal en westelijk Thailand en zuidelijk Birma [Myanmar] is, kon eens ‘Mon land’ genoemd worden. Want dit was van ongeveer de zesde tot elfde eeuw na Christus het land van de Mons, een volk dat klaarblijkelijk boeddhisten waren. Zij benoemden hun koninkrijken met Indiase namen zoals Dvaravati, want het was uit India dat zij hun boeddhistische religie en cultuur hadden ontvangen. De Mons waren ergens vóót de zesde eeuw vanuit de binnenlanden van Azië zuidwaarts getrokken door het dal van de Salween en vandaar westwaarts naar wat nu Birma is en oostwaarts naar het laagland van Thailand. Ze hadden boeddhistische religie en cultuur overgenomen van Indiers die zich in de regio hadden gevestigd en die bekend stonden als “Telinganas”, een naam die te kennen geeft dat deze settlersafkomstig waren uit de kustgebieden van Zuid-India, ergens uit de omgevingvan Madras…De naam Davaravati had vooral toepassing op de vlakte van Centraal Thailand en de aangrenzende gebieden van Beneden Birma rond het huidige Pegu en Thaton…Het was in deze Mon staatjes dat het Pali boeddhisme voor het eerst in Zuidoost-Azië werd geplant en vanwaar het zich verspreidde over andere volkeren van de landstreek’ (Ling, 1979, 4-5).

Figuur 5. A. Een bord bij de oudheden van Amphoe (district) Khok Pip waarop te zien het grote kruispunt in het district (links) en de ernaast gelegen 1 km lange ‘mueang boran’ oude stad met stadsgracht en wallen. De foto is gemaakt tijdens een bezoek in 1990. B. Het paar voetafdrukken dat bij de Dong Si Maha Sot is gevonden (foto: Sjon Hauser, 1997). Waarschijnlijk dateren ze van de achtste eeuw en zijn ze de oudste tot nu toe bekende Boeddha-voetafdrukken. De foto is door mij gemaakt in 1997.

De Dvaravati cultuur heeft een rijkdom aan schitterende boeddhistische kunst in Centraal Thailand achtergelaten, zoals een groot aantal , vaak reusachtige dhammacakkra (dharmacakra) vervaardigd uit steen (vaak van blauwgrijs kalksteen afkomstig van rotsgebergte in de provincie Ratchaburi). Het duurde tot februari dat bij de Sa Morokot tempel bij de Sa Morokot (vijver), twee kilometer ten zuidoosten van de ruïnestad Mueang Boran Si Mahosot in de provincie Prachinburi een paar enorme voetafdrukken (Roi Phra Phutthabat) werd opgegraven. Het was de eerste keer dat voetafdrukken in associatie met deze Dvaravati cultuur werden gevonden en het zag ernaar uit dat het ook de oudste en grootste waren die ooit in Thailand aan het licht kwamen (Barnes, 1987; Brown, 1996; Pornpitagpan, 1992). Ze zijn 3,5 meter lang en 1,3 meter breed. Opmerkelijk aan deze voetafdrukken in zandsteen is dat ze uit een paar bestaan (zie figuur xx); latere in Thailand geproduceerde Boeddha-voetafdrukken betreffen vijwel altijd de afdruk van een enkele (rechter)voet. Beide voetafdrukken hebben een dhammachakra (wielsymbool) in het midden, maar zijn verder niet versierd. Opmerkelijk is het grote kruisvormige gat in het midden tussen de beide voetafdrukken. Mogelijk heeft dit ooit gediend als basis voor een gelaagde parasol boven het heiligdom, zoals voor het eerste door prins Diskul werd geopperd (naar Brown, 20xx), maar het blijft wat wonderlijk dat de voetafdruk voor dat doel zo ernstig is toegetakeld.

Een paar kilometer ten noordwesten van dit heiligdom bevindt zich een enorme bodhiboom (Ficus religiosa), mogelijk de oudste bodhi die op Thaise bodem geplant is. Deze bodhi zou een stekje zijn van een beroemde bodhiboom in Anaradhapura op Sri Lanka, die weer een stekje heet te zijn van de bodhiboom in Bodhgaya (Noord-India) waaronder de Boeddha de verlichting zou hebben bereikt. De reis van dat stekje wijst er weer op dat er intensieve (handels) contatcten bestonden tussen “Dvaravati” en Sri Lanka/Zuid-India. Het is begrijpelijk dat deze bodhi van Si Mahosot een bijzondere verering geniet.
De exacte ouderdom van deze vroge boeddhistische monumenten in Thailand blijft gissen. De nabij gevonden Noen Sa Bua inscriptie geeft ene Bhikkhu Buddhasiri als de auteur ervan en 761 na Christus als het jaar waarin de inscriptie is vervaardigd. In regel 26 van de inscriptie is de frase “Phra Pada Pratistha” wat betekent “vestigde de voetafdruk”. Niet duidelijk is of bedoeld werd dat de auteur de voetafdruk zelf had gevestigd, maar als dit zo is dan wijst het erop dat zowel de voetafdruk en de inscriptie (en het planten van de bodhi) in hetzelfde jaar 761 heeft plaatsgevonden (Rohanadeera, 1988). Het lijkt erop dat de Noen Sa Bua inscriptie, de bodhiboom en de voetafdrukken bij Wat Sa Morakot als concreten bewijsstukken beschouwd kunnen worden voor de nauwe culturele contacten tussen Sri Lanka en het Dvaravati Koninkrijk die teruggaan tot de achtste eeuw na Christus.

Figuur 06. A. Een schildering in de wihan van Wat Phan Waen in Chiang Mai, die laats zien hoe het boeddhisme zich vanuit India verspreidde naar andere delen van Azië. Monniken zetten na een bootreis ergens voet aan wal en worden eerbiedig ontvangen door de locale bevolking. Foto gemaakt in 2018. B. De oude bodhiboom van Wat Ton Pho Si Mohosot. Foto gemaakt in 2013.

2. DE PHRA PHUTTHABAT VAN SARABURI

In het district Phra Phutthabat van de Centraal-Thaise provincie Saraburi bevindt zich Thailands beroemdste Boeddha-voetafdruk. Deze werd in de 17e eeuw ontdekt en werd sindsdien een van de belangrijkste pelgrimsoorden van het boeddhistische land. In de (late) Ayutthaya-periode groeide het jaarlijkse bezoek van de koning en zijn gevolg aan de voetafdruk uit tot een belangrijke staatsceremonie (Bidyalankarana, 1935).Vele buitenlanders die in de 19e eeuw in Thailand neerstreken, zowel missionarissen, diplomaten als ontdekkingsreizigers, bezochten deze voetafdruk en brachten verslag uit van hun excursies (Terwiel, 1989).

In oude Pali-literatuur wordt de Suvannapabbate (“Gouden Heuvel”) genoemd als een plaats (in Siam) waar zich een heuse Boeddha-voetafdruk bevindt. Toen Thaise monniken in de 17e eeuw vanuit Ayutthaya een pelgrimstocht maakten naar de Boeddha-voetafdruk op de Adam’s Peak in Sri Lanka, kwamen ze in contact met Sri Lankese monniken. Die laatsten vroegen zich af waarom de Thais naar de Adam’s Peak kwamen, terwijl er in Siam, volgens de Heilige Teksten die hun bekend waren, ook een ware Boeddha-voetafdruk op de Gouden Heuvel is. Terug in Ayutthaya brachten de Thaise monniken koning Song Tham op de hoogte van wat ze in Sri Lanka hadden vernomen.
Daarop gaf de koning bevel tot een speurtocht, die weldra resulteerde in de ontdekking van de Boeddha-voetafdruk op de “Gouden Heuvel” (naar Bidyalankarana, 1935). Alvorens hierover meer te vertellen wil ik evenwel eerst schetsen hoe deze Boeddha-voetafdruk in een Commentaar op de Heilige Schriften ter sprake komt.

In het (Indiase) district Sunaparanta zouden twee gebroeders Pun geleefd hebben die karavaanhandel op verre landen dreven. Een zo’n tocht bracht de oudere Pun in Savatthi, in de buurt waarvan zich ook de Boeddha op dat moment bevond. De ochtend na zijn aankomst zag Pun een massa mensen de stadspoorten verlaten, op weg naar de Boeddha, die tot de mensen zou prediken. Pun volgde de massa en werd zo gegrepen door de preek van de Boeddha dat hij besloot monnik te worden en afstand te doen van al zijn aardse bezittingen—die hij aan zijn jongere broer schonk. Na verder door de Boeddha instructies gekregen te hebben, trok de oudere Pun naar een ver en afgelegen kluizenaarsoord, dat de jongere Pun voor zijn broer had laten klaargemaakt.
Gedurende het erop volgende regenseizoen maakte de jongere Pun een handelsreis overzee met 500 schepen. Het convooi kwam aan bij een eiland waar de kooplieden een weelde aan sandelhout aantroffen. Aangezien het sandelhout kostbaarder was dan de waren die ze aan boord hadden, besloten ze daarvan afstand te doen en die te vervangen door sandelhout. De bomen op het eiland werden gekapt en de schepen vertrokken met slecht sandelhout aan boord. De geesten die op het eiland leefden waren ontstemd geraakt door het kappen van al die bomen ne besloten zich te wreken door de schepen op open zee te laten kapseizen. Het convooi werd geteisterd door een heftige storm en de geesten verschenen in hun meest verschrikkelijke vorm aan de bemanning. In gebed verzonken riep de jongere Pun toen zijn vrome, oudere broer te hulp. De laatste kwam spoedig door de lucht aangevlogen eb verschrikt sloegen de boze geesten op de vlucht. De schepen keerden veilig thuiswaarts en elke koopman gaf uit dank de oudere Pun een deelvan zijn lading sandelhout. Daarop werd hun verteld dat wanneer ze de Boeddha in eigen persoon wilden ontmoeten, ze van het geofferde hout een paviljoen moesten bouwen. Aldus gebeurde, waarop de oudere Pun naar de Boeddha vloog om de Grote Meester uit te nodigen de kooplieden te bezoeken en voor hen te prediken. In gezelschap van honderden discipelen vloog de Boeddha daarop naar de kooplieden. Onderweg onderbrak de Boeddha zijn reis met het bezoek aan een kluizenaar. Vervolgens bracht de Boeddha enkele dagen door bij de bouwers van het sandelhouten paviljoen en keerde weer terug naar Savatthi. Maar op die terugweg passeerde hij de heuvel waar de kluizenaar vertoefde en stopte er opnieuw. De Boeddha haalde de kluizenaar over in zijn oude hermitage te blijven om verkeerde gezichtspunten te corrigeren die de kluizenaar eerder aan bewoners van de omgeving had gepredikt. De kluizenaar stemde toe, maar verzocht de Boeddha zijn voetafdruk achter te laten als een herinnering aan diens bezoek aan zijn land. De Boeddha stemde daarmee in. Gedurende diezelfde terugreis bezocht de Boeddha ook de Koning van de Serpenten op de oever van de Narmada rivier (in Centraal India), en ook daar liet hij zijn voetafdruk achter. Aldus zouden de Suvannapabbate- en Nammadaya-voetafdruk zijn gecreëerd (naar Bidyalankarana, 1935)

Volgens de overlevering/een legende werd de Suvannapabbate-voetafdruk als volgt ontdekt.
Nadat koning Song Tham (r. 1610/1611-1628) van Ayutthaya (3) het bevel had gegeven tot een zoektocht naar de voetafdruk. Niet lang daarna rapporteerde de gouverneur van Saraburi dat een jager (Pun geheten, net als de twee kooplieden in de legende in de Commentaren op de Heilige Boeken) een voetafdruk in een rots had gevonden. De jager had opgemerkt dat een hert dat hij had geschoten gewond op een heuvel in de struiken verdween en vervolgens klaarblijkelijk ongedeerd weer uit het struikgewas tevoorschijn kwam. Verbaasd ontdekte hij op de plaats een soort kuil/verdieping in de rotsen die met helder water was gevuld. Hij dronk van het water en meteen verdween de huidziekte waaraan hij leed. Vervolgens ledigde hij de inkeping om deze beter te kunnen bekijken en werd toen de afdruk van een menselijke voet gewaar.

De koning was enthousiast over de ontdekking en vertrok meteen in een officiële missie naar Saraburi. Per boot ging de reis vanuit Ayutthaya een dag stroomopwaarts varen over de Pa Sak rivier . De plek waar men aan land ging heet nu nog steeds Tha Ruea (“haven”, “aanlegplaats voor schepen”). Vandaar ging de reis met Pun als gids verder over land. Dat de koning zeer ingenomen met het feit dat zijn koninkrijk (Siam) in het bezit was (gekomen) van een Boeddha-voetafdruk is vastgelegd in verschillende bronnen.

Figuur 07. A.

Toen koning Song Tham bij de voetafdruk arriveerde, werden er kaarsen en wierookstaafjes aangestoken, en vouwde de koning zijn handen tot een lotusknop en hief ze vele keren tot voor zijn gezicht. Vervolgens wees hij al het omliggende land binnen een straal van tien mijl toe aan de voetafdruk en gaf opdracht er grootschalig een tempel en klooster te bouwen. Ook gaf hij bevel tot het aanleggen van een twintig meter brede weg van de aanlegplaats aan de Pa Sak rivier naar de Gouden Heuvel, een afstand van 19 km.

Aan de rivier werd een koninklijke residentie gebouwd dat de naam Tha Chao Sanuk (“Aanlegplaats waar de Royalties plezier hebben”) kreeg. De bouw van de tempel en andere bouwwerken nam vier jaar in beslag. Toen dit voltooid was ging de koning opnieuw naar de voetafdruk. De festiviteiten ter gelegenheid van dit bezoek waren grootschalig.
‘Er wordt in de Siamese geschiedenis geen melding gemaakt van latere bezoeken van koning Song Tham,’ schrijft prins Bidyalankarana, ‘maar het is niet te geloven dat hij gedurende de volgende 17 jaar van zijn leven niet nog eens gegaan is. Hoogst waarschijnlijk ging hij er eens per jaar op bezoek.’ (Bidyalankarana, 1935: 6)

Prasat Thong
Na Song Thams dood regeerden twee van zijn zonen na elkaar, ieder voor slechts een korte tijd. De eerste werd vermoord, de tweede werd afgezet door een ambitieuze edelman die zichzelf uiteindelijk op de troon plaatste en grondlegger werd van een nieuwe dynastie. Deze Prasat Thong regeerde van 1629 tot 1656. De tocht vanuit Ayutthaya naar de Phra Phutthabat werd tijdens zijn bewind zo populair, dat de koning halverwege Tha Ruea (bij het huidige Nakhon Luang) een monument liet bouwen ter herdenking van de verovering van de (ooit machtige) Khmer-hoofdstad Angkor (jaarxxxx)— een imitatie van Angkor Wat.

Sinds het bewind van Prasat Thong bezocht elke koning van Ayutthaya de Phra Phutthabat, en voor sommigen van hen werd zo’n bezoek een jaarlijkse gebeurtenis. De tempel en omliggende bouwwerken werden regelmatig verbouwd of gerestaureerd en de plaats werd naast heiligdom ook een koninklijke pleasure–ground. Bestuurlijk was het sindsdien sterk verbonden met de troon in Ayutthaya. De hoofdbestuurder van de plaats werd benoemd in Ayutthaya en zijn taak was het om het heiligdom en de wijde omgeving—de paleizen, beken en grotten—in een goede staat te houden. Deze official diende uiteraard goed op de hoogte te zijn van de gewoonten aan het hof. Hij was ook een soort bemiddelaar bij gerechtelijke disputen die zich op het terrein voordeden. Omdat deze in Ayutthaya benoemde hoofdbestuurders doorgaans binnen één of twee jaar stierven, werden vanaf het midden van de 18e eeuw lokale mensen aangewezen als hoofdbestuurder (naar Bidyalankarana, 1935: 7). (4)

Een belangrijk aspect van hun taak was de Phra Phutthabat en omgeving goed voor te bereiden op de komst van zo’n (jaarlijks) koninklijk bezoek. Tijdens het bewind van koning Taksin (1768-1782) van de Thonburi-dynastie is een boek samengesteld over de vereiste voorbereidingen van zo’n koninklijke bedevaart en het verloop ervan. Bidyalankarana (1935: 8-11) geeft er een samenvatting van die ik hieronder fedeeltelijk weergeef.

Nadat bepaald was wanneer de koning de Phra Phutthabat zou bezoeken, was het de taak van de Minister van Oorlog (Kralahome) om manschappen van verschillende departementen vooruit te sturen om langs de rivier paviljoens (rest-houses) te bouwen voor de koning en de leden van zijn huishouding en voor de prinsen en hun familie die de monarch zouden begeleiden.
De boottocht duurde een dag en ongeveer op het midden van de dag werd halverwege bij Nakhon Luang een rustpauze ingelast.
De namen van de officials wiens taak het was de koninklijke barken en andere boten gereed te maken voor de reis werden in een lange lijst opgesomd. Daarnaast was er een lijst van officials die belast waren de boten te voorzien van bemanning, vuurwapens en munitie. Tijdens een bezoek van koning Borommakot (r. xxx) waren er ongeveer dertig koninklijke barken die elk bij hun naam vermeld werden. De prinsen die de koning vergezelden hadden hun eigen barken (die niet op de lijst stonden). Iedere prins en edelman had ook barken of andere boten voor het vervoer van hun familie, bedienden, bagage, keuken, etc. In zijn totaal moet het een erg grote vloot zijn geweest. In feite was het schouwspel als dat van een leger dat zich over het water bewoog. Natuurlijk kwamen de bewoners van het omliggende platteland naar de rivier om de koning en zijn processie te zien en voor het amusement dat vertoond werd, en daarnaast hadden ze de gelegenheid tot tham bun (‘verdiensten verwerven’). De rivier moet een levendig schouwspel geboden hebben.
De koning vertrok doorgaans ‘s ochtends vanuit de hoofdstad en kwam dan in de middag aan bij het paviljoen halverwege Tha Ruea. Daar ging de majesteit aan land voor een maaltijd en om een paar uur te rusten, vervolgens ging de reis verder naar Tha Ruea.
In Tha Ruea verbleef de koning minstens twee dagen. De locale officials en mensen kwamen dan onder bevel van de (leger) officials uit Ayutthaya te staan. Een aantal barken moest vóór de koninklijke paviljoens worden gemeerd om er als bewaking te dienen. Andere barken werden aan land getrokken zodat ze een barrière vormden tegen een mogelijke aanval van buitenaf, waarbij de peddelaars achter hun boot op wacht moesten staan. Deze ordonnantie geeft gedetailleerd ook andere vormen van verdediging. Bijvoorbeeld, het leggen van caltrops of spikes (xx en nagels) op de grond over een breedte van 2,5 m. De tien openingen moesten bewaakt worden door compagnieeën die elk met14 geweren, 5 bogen en 5 kruisbogen waren uitgerust. Daarnaast had elke compagnie een gong en 50 man om te patrouilleren. Er waren twee kanonnen bij elke poort die bemand waren door nader gespecificeerde departementen (van het Ministerie van Oorlog). De binnenste verdedigingslijn tegen verrassingen werd bemand door manschappen van eveneens nader genoemde departementen. Een belangrijk deel van het bewapende kamp bestond uit 62 oorlogsolifanten met een kanon, en de cavallerie. De details van de bewaking van het kamp aan de rivier beslaat 15 octavo pagina’s.

Twee dagen later begon de reis overland. Het leger was nu aangevuld met manschappen, lastdieren, kanonnen, karren, etc., die voor de komst van de koning al bijeengebracht waren. Het geheel bewoog zich naar de Gouden Heuvel. De ordonnantie hierover beslaat tien pagina’s. Elk departement had zijn eigen plaats in de processie, de leiding gevende officieren werden bij naam in genoemd. Het aantal (officiële) olifanten bedroeg nu 144, maar er waren slechts 60 paarden. Het aantal rijtuigen wordt niet vermeld in de lijst, maar moet erg groot geweest zijn, want de dames en kinderen reisden daarin (en tenminste één, waarschijnlijk oude prins). Het aantal ossenkarren was ontelbaar want zij voorzagen in het transport van vrijwel alles dat vereist was. Deze karren, compleet met de dieren om ze te trekken, werden uit de wijde omgeving (zo ver als Chainat) opgeëist en een huishouding die geen kar kon leveren moest anderhalve tical betalen. Later gaf de koning bevel tot uitbreiding van het gebied waarin deze middelen verworven werden, maar de boete voor het niet kunnen leveren van een kar werd verlaagd tot eem kwart tical (en een achtste tical wanneer het de huishouding van een weduwe betrof). Deze jaarlijkse contributie ging naar de schatskist en werd gereserveerd voor het huren van karren voor de jaarlijkse processie naar de voetafdruk.

De afstand van de aanlegplaats naar de Gouden Heuvel wordt gegeven als 550 sens (bijna 14 mijl of ongeveer 19 km). Wanneer de koning in de middag bij de heuvel aankwam liet hij zijn olifant voor de tempel stoppen en zwaaide hij zijn wapen drie keer achter elkaar als begroeting. Dit ritueel wordt ram phra saeng kho ngam genoemd. Volgens prins Bidyalankarana was koning Chulalongkorn (Rama V, r. 1868-1910) de laatste monarch die de voetafdruk op deze traditionele wijze begroette (Bidyalankarana, 1935: 9)

Een koning uit de Ayutthaya-periode vertrok na deze begroeting naar zijn paviljoen (Phra Tanmak Than Kasem) dat aan een beek lag, ongeveer 2 km van de tempel. De volgende dag bezocht hij de tempel in gezelschap van zijn familie en bedienden. In de tempel stak hij kaarsen en wierook aan en plakte bladgoud op een deel van de voetafdruk. (5) Ook presenteerde hij zijn offerandes, waaronder een goud- en zilverboompje. Vervolgens verliet hij de tempel om onder de bodhi-boom aan de rand van een klif te gaan zitten. Hij strooide bloemen gemaakt van goud en zilver uit over zijn volgelingen, en daarna begon het amusement. Dit bestond uit boksen, schermen, zwaartgevechten, etc. Ook werden er toneelvoorstellingen opgevoerd en in de avond was er een vuurwerk. De monniken werden gul bedeeld met voedsel en cadeaus. De festiviteiten, in combinatie met excursies naar de grotten, bergbeekjes, het bos, etc., gingen de volgende dagen onafgebroken verder. Het was een plezierige week. Het hof keerde daarna langs dezelfde route terug naar Ayutthaya, en normaal gesproken werd het bezoek het volgende jaar herhaald als de oogst was binnengehaald (naar Bidyalankarana, 1935: 10)

Uit dit alles blijkt dat dat de voetafdruk van de Gouden Heuvel een kostbaar instituut was dat grote schatten huisvestte. Toen in 1747 de gouverneur van Kuiburi (Thais schiereiland) bij Bang Saphan goud had ontdekt, gaf de koning bevel aan een commissioner om met 2000 man daarheen te gaan om het kostbare edelmetaal te winnen. De expeditie keerde terug met 90 catties aan goud, dat de koning liet gebruiken om de de spits van de Tempel met de Voetafdruk te decoreren.
Onvermijdelijk nodigde deze kostbaarheden uit tot plundering. Waarschijnlijk onderging het heiligdom dit lot verschillende keren ten tijde van de belegering van Ayutthaya in 1766-1767 door de Birmese troepen. Kort daarop werd het heiligdom ook nog eens geplunderd door de bevolking van een nabijgelegen Chinees dorp en werd het platgebrand (naar Bidyalankarana, 1935: 10).

Tijdens het bewind van koning Phra Phuttha Yot Fa (1782-1809), de Rama I van de nieuwe Bangkok-dynastie, werd er onder supervisie van de Wang Na opnieuw een tempel gebouwd. Daarvoor kwam de Wang Na met zijn leger (onder wie kunstenaars en ambachtslieden). Deze Wang Na was een vroom mens en om zijn verering van de voetafdruk kracht bij te zetten legde hij de 19 km van Tha Ruea naar het heiligdom te voet af en droeg hij daarbij een paal/plank op zijn schouder die later bij de bouw gebruikt zou worden.
Deze tempel is daarna talloze keren veranderd en gerestaureerd, maar, aldus prins Bidyalankarana, het is niet echt een bouwwerk geworden waarop men trots kan zijn (Bidyalankarana, 1935).

Koninklijke processies en pelgrimstochten naar de voetafdruk bleven populair in de 19e eeuw.
Terwiel (1989) vermeldt de beschrijving van de tocht van Tha Ruea naar Phra Phutthabat die Thailands nationale dichter en hofdichter Sunthon Phu in 1808 maakte op de rug van een olifant. Later in de 19e eeuw bezochten ook vele buitenlanders, zowel missionarissen, diplomaten als ontdekkingsreizigers, deze voetafdruk en brachten verslag uit van hun excursies. Bijvoorbeeld, toen in februari 1834 de Franse apostolisch vicaris van Ayutthaya, Jean-Baptiste Pallegoix een nacht in Tha Ruea doorbracht, schatte hij dat er meer dan 500 boten gemeerd lagen. Het was er de hele avond en nacht een feestelijke herrie. Op de oever vond in een hal een comedy show plaats en er werd op muziekinstrumenten gespeeld en gezongen. Er werd gegeten en thee gedronken, gedobbeld en kaart gespeeld, gelachen en ruzie gemaakt; de herrie ging de hele nacht door (Terwiel, 1989: p. 132). En toen de Amerikaanse baptist en missionaris Rev. John Taylor Jones in februari 1839 Tha Ruea bezocht (ook gedurende de periode van de pelgrimstochten), meende hij dat er bijna duizend boten gemeerd lagen, de kleinere met plaats voor 5 passagiers, de grotere voor 30 (naar Terwiel, 1989: xx).

Mouhot
De Franse ontdekkingsreiziger en natuurvorser Henri Mouhot bracht in november 1858 een bezoek aan de beroemde voetafdruk. Op de 19e oktober vertrok hij per boot vanuit Bangkok. De stroom in de Menam was erg sterk en het kostte vijf dagen om de zeventig mijl naar Ayutthaya af te leggen. Het omliggende land stond voor een groot deel onder water. ‘s Nachts waren de muggen een plaag. De kleurrijke bootraces en –processies op het water gedurende deze tijd van het jaar gingen vaak met veel herrie gepaard. En in Ayutthaya was de hitte bijna ondraaglijk, wat door velen werd toegeschreven aan een komeet die men aan de hemel kon zien staan.
Mouhot bleef enkele weken in de oude hoofdstad, daarna ging de boottocht verder stroomopwaarts op de Pa Sak rivier. Op 13 november bereikte hij Arajik, een dorp dat op wat hoger terrein was gelegen. Vandaar vergezelde de mandarijn van het dorp hem naar ‘Mount Phrabat, bij de Siamezen een favotiete plek voor een pelgrimstocht; zij gaan er jaarlijks in grote getalen heen om de heilige voetafdruk van Boeddha te bewonderen.’ (Mouhot, 2000: 70)
De tocht van Arajik naar Mount Phrabat ging op de rug van een olifant en duurde de hele dag. De volgende dag bracht Mouhot een bezoek aan de prins die toezicht had over de berg. Ik citeer Mouhot uitvoerig omdat hij een van de weinige auteurs is die oog heeft voor het spectaculaire rotslandschap waar de Boeddha-voetafdruk is gelegen.
‘Daarna gingen we verder naar de westkant van de berg , waar zich de beroemde tempel bevindt met de voetafdruk van Samona-Kodom, de Boeddha van Indo-China. Op dit punt aangekomen was ik vervuld van verbazing en bewondering en ik voel me niet in staat het schouwspel te beschrijven dat mijn oog trof. Wat voor convulsies van de Natuur, welk een kracht kon die immense rotsen hebben opgeheven, op elkaar gestapeld tot zulke fantastische vormen? Beholding such a chaos, kon ik me goed voorstellen hoe de verbeeldingskracht van deze eenvoudige lieden, die de ware God niet kennen, hier tekenen van het wonderlijke en sporen van hun valse goden hebben ontdekt. Het was alsof een tweede, recente Zondvloed zich net had voltrokken; dit uitzicht alleen was genoeg om me al mijn vermoeidheid te doen vergeten.
Op de top van de berg, in de spelonken van de rotsen, in het dal, in de grotten en overal om ons heen zagen we voetafdrukken van dieren, die van olifanten en tijgers het duidelijkste gemarkeerd; maar ik ben ervan overtuigd dat vele ervan waren gevormd door nu onbekende dieren van voor de zondvloed. Al deze schepsels vormden volgens de Siamezen de begeleiding van de Boeddha toen deze over de berg trok.’ (Mouhot, 2000: 71-72) (6)

De tempel zelf maakt weinig indruk op Mouhot:
‘Er is niet bezonders aan de tempel; deze is net als de meeste pagodes in Siam: voor een deel nog onvoltooid, voor een ander deel al in een staat van verval. Het is gebouwd van baksteen hoewel Phrabat rijk aan steen en marmer is. Je gaat er naartoe met een trap met grote treden; de muren zijn ingelegd met kleine stukjes gekleurd glas die een grote verscheidenheid aan arabesken vormen en met een striking effect in de zon glinsteren. Wat exquisite vakmanschap betreft zijn het de ebonieten dueren ingelegd met parelmoer van verschilklende kleuren en gearrangeerd in prachtige patronen die de aandacht trekken.
Het interieur van de templ komt weinig overeen met de buitenkant; de vloer is bedekt met gevlochten matten met zilverwerk erin en de muren dragen sporen van goudversiering, maar ze zijn door de tand des tijds en de rook helemaal zwart geworden. Een catafalk rijst op in het centrum, omgeven door srips van verguld xxx, en daar is dan de beroemde voetafdruk van Boeddha. Pekgrims brengen naar deze plek hun offerandes, cut paper, kopjes, poppen, en een
immense hoeveelheid speelgoed verpakt in goud en zilver.’ (Mouhout, 2000: 72-74).

Monniken bezochten de voetafdruk in grote getalen. De (later) beroemde monnik Achan Pan Sonantho (1875-1938) leefde jarenlang in een dorpstempel (Wat Bang Nom Kho) in de provincie Ayutthaya, maar maakte van daaruit graag zwerftochten. Soms ging hij met een groep monniken te voet naar de beroemde Boeddha-voefafdruk, een afstand van 60 km door overwegend jungle vol wilde beesten. Met name het doorkruisen open sanannah-achtig terrein met hoog gras (thung) en veel moeras kon verraderlijk zijnxxxxvervolgTiyavanich, 2003

In de twintigste eeuw heeft er zelfs lange tijd een treintje gereden tussen Tha Ruea (aan de hoofdlijn Bangkok – Phitsanulok – Chiang Mai) en Phra Phutthabat, een traject van 19 km.

3. DE PHRA PHUTTHABAT TAK PHA VAN LAMPHUN

Op het terrein van Wat Phra Phutthabat Tak Pha in het district Pa Sang van Lamphun zijn maar liefst zeven voetafdrukken te vinden. De twee, traditioneel meest vereerde ervan bevinden zich op het rotsachtige tempelterrein naast het voornaamste tempelgebouw. De grootste ervan (2,5 meter lang) is een Boeddha-voetafdruk, terwijl de kleinere (1,8 m lang) die er meteen achter is de voetafdruk van Boeddha’s bekendste en misschien ook meest geliefde discipel Ananda. Mogelijk waren de twee voetafdrukken heuse depressies in de zandstenen bodem. Maar deze oorspronkelijke “afdrukken” zijn bedekt met pleisterwerk en versierd met lotuspetalen, alles wijst erop dat de oorspronkelijk afdrukken in de rotsen flink zijn bijgewerkt. Over de voetafdrukken is een mondop gebouwd. Het geheel is nu bedekt met een laag plakgoud die er door devote bezoekers op geplakt is.
Volgens een legende was de Boeddha met zijn discipel Ananda ooit te voet naar de plek gekomen. Terwijl hij bij de rivier uitrustte waste Ananda zijn gewaad en legde het te drogen op een rots. Wonderbaarlijkerwijs liet het gewaad een afdruk achter op de rots waaraan de plaats zijn huidige naam te danken: ‘tak pha’ betekent kleren drogen in de zon (Munier, 1998: p.xx)

Figuur 08. A-B. Een groep monniken brengt een bezoek aan de voetafdruk van Boeddha en die van zijn geliefde leerling Ananda. De foto’s dateren van juni 2018.

Niet ver van de mondop is een kleine grot met de voetafdruk van de kluizenaar (43 cm lang) die er gewoond heeft. En er zijn voetafdrukken (13 cm van een zeven-jarig heilig kind.
De tempel kreeg veel bekendheid toen de charismatische monnik Khruba xxxx (1898-1984) (ookwel” Phra Subromyan Thera) de abt van de tempel was. Ook deze monnik liet er zijn realistische ogende voetafdruk achter op een plek waar hij aan wandel meditatie deed.

Andere bezienswaardigheden van Wat Phra Phutthabat Tak Pha
Phra That Si Khruba. Het was in de jaren tachtig van de twintigste eeuw dat de tempel en Khruba xxx op het toppunt van hun roem roem waren. December 1987 bracht “Rambo” Silvester Stallone een bezoek aan de tempel om er, omringd door een groep macho-ogende bodyguards, op zoek te gaan naar geschikte filmlocaties voor zijn film Rambo III. Als goodwill doneerde de filmploeg 55 000 baht aan de tempel (Thepthong, 1987). In die tijd was de Phra That Si Khruba nog niet voltooid en stond nog in de stijgers. Deze “Phrathat van de vier Leermeesters” is gebouwd op de top van een heuveltje op het tempelterrein. Het bouwwerk is klokvormige en in de Lanna-stijl en lijkt op de phra that (chedi) van beroemde Wat Phra That Hariphunchai in het hart van de stad Lamphun. Een trap van 469 treden geflankeerd door twee naga’s leidt naar de top van de heuvel.

De tempel is verder in het bezit van een uniek houten boeddhabeeld vervaardigd uit de stam van een ton takhian thong (zie: xxx) en er staat een groot bronzen beeld van de krijgshaftige koning Taksin de Grote (r. 1768-1782) te paard.

Figuur 09-Ook op het tempel complex van Wat Phra Phutthabat Tak Pha te vinden: A. Een schildering van de mediterende Khruba xxx . B. Een boeddhabeeld vervaardigd van een kostbaar houtsoort. C. Het bronzen standbeeld van koning Taksin.

4. DE PHRA PHUTTHABAT SI ROI IN MAE RIM/MAE TAENG, CHIANG MAI

Phra Phutthabat Si Roi betekent “Vier Boeddha-voetafdrukkken” en deze bevinden zich in afgelegen bos in het noordwesten van het district Mae Rim van Chiang Mai. Toen ik er in 1994 voor het eerst kwam trok het heiligdom nog weinig bezoekers en was slechts te bereiken via een hier en daar steile laterietweg door de beboste bergen. De weg is inmiddels verhard en de voetafdruk is een boeddhistische topattactie geworden.
Volgens een locale legende hebben alle vier Boeddha’s die in het verleden op aarde zijn geweest deze plaats bezocht en er hun voetafdruk achtergelaten, De eerste, Buddha Kakusandha, plantte een 6 meter lange voetafdruk in het gesteente. Vele duizenden jaren later zette de tweede Boedha, Konāgamana, zijn 4.5 meter lange voetafdruk in de voetafdruk van zijn voorganger. Weer vele jaren later plaatste de derde Boeddha, Kassapa, er zijn 3.5 meter lange voetafdruk bij. Tenslotte, ongeveer 25 eeuwen geleden bezocht de historische Boeddha, prins Siddharta Gotama. de plaats en verrijkte het wonder met zijn 2 meter lange voetafdruk.
Dit aggregaat van vier voetafdrukken heeft hier eeuwen verscholen in de bergen gelegen. Maar op zekere dag, zo luidt de legende verder, zou een hemels wezen zichzelf in ee adelaar veranderd hebben en naar een dicht bij de afdrukken gelegen dorpje zijn gevlogen. Daar maakte de adelaar zich meester van een kip van een van de dorpelingen en vloog ermee naar de voetafdrukken. Sommige dorpelingen waren achter de adelaar aangegaan in de hoop de kip terug te krijgen. Zo intdekten ze de voetafdrukken en later bouwden ze deze tempel op de plek. Deze legende wordt afgebeeld op de serie muurschilderingen van de galerij rond de kruisvormige bot (inwijdingshal).

ENKELE ANDERE BOEDDHA-VOETAFDRUKKEN IN NOORD-THAILAND

De Boeddha-voetafdruk van Wat Salaeng, Long district, Phrae. Deze voetafdruk is uit teakhout vervaardigd en ingelegd met stukjes glas die zijn beschilderd met de “voorspoedige tekens”. De voetafdruk is afkomstig uit een tempel in Keng Tung (Shan Staat, Myanmar).

EINDNOTEN

(1) In het Thaise boeddhisme wordt aangenomen dat de historische Boeddha, prins Siddhartha Gautama, leefde van 543 tot 463 voor Christus. De Thaise jaartelling begint bij het jaar dat verondersteld wordt dat de prins geboren werd. Het jaar 1 van de Thaise jaartelling (BE=Buddhist Era) begint dus 543 jaar voor Christus of wel in het jaar 1 BE, wat gelijk is aan het jaar 543 BCE (BCE=Before Christian Era). De meeste historici menen echter dat de historische Boeddha minstens een eeuw later leefde dan wat in het Thaise boeddhisme verondersteld wordt (zie ook: de Guerny, 2014)

(2) De Thaise prins brengt deze theorie naar voren na de volgende wat merkwaardige inleidende woorden: “Een Wiel kan worden opgevat als een lijn die een cirkel vormt, net zoals er in het handlezen (palmistry)lijnen zijn die driehoeken vormen, enzovoort. Ik weet niet of het zeldzaam is zulke cirkels op onze voetzolen te vinden—ik heb er niet naar gezocht op de mijne, want tot de daartoe vereiste acrobatische touren ben ik allerminst in staat—maar een vriend van me heeft me verteld dat hij twee cirkels op zijn voeten heeft. Hij beweert niet dat hij in verband daarmee ook een Boeddha is, en is daarom niet in een tehuis voor geesteszieken opgenomen’ (Bidyalankarana, 1935: 3).

(3) Wyatt (1984) geeft aan dat er over een drietal troonsopvolgingen (inclusief de moord op twee van de troonsopvolgers die net of nog niet aan het bewind waren) volgend op, of aan het eind van, het bewind van koning Ekathotsarot (1605-1610/1611) weinig met zekerheid bekend is. Maar vanaf ca. 1611 was koning Song Tham (de “Rechtvaardige Koning”, ook wel Koning Intharacha) aan de macht. De nieuwe zou een monnik (Phra Phimontham) geweest zijn die een zoon (Si Saowaphak) van Ekathotsarot zou hebben laten executeren om aan de macht te komen. Buitenlanders die zich in de tijd in Ayutthaya bevonden beweerden evenwel dat Song Tham de zoon van Ekathotsarot was bij een bijvrouw en zijn vader direct had opgevolgd en zij noemen (de moord op) Si Saowaphak niet (Wyatt, 1984: 106).

(4) Bidyalankarana (1935) geeft geen hint wat de oorzaak kon zijn geweest dat bestuurders uit Ayutthaya vaak binnen een paar jaar stierven. Het is mogelijk dat er in de bosrijke omgeving rond de Boeddha-voetafdruk veel malaria heerste en daty daaraan nieuwkomers uit de hoofdstad, in tegenstelling tot lokale mensen, snel konden bezwijken. In de 19e eeuw trok Mouhot op weg naar Khorat door de streek en noemde het een hoogst ongezonde jungle (Mouhot xxxx: xx). Het is zelfs denkbaar dat hij er de malaria had opgelopen die hem maanden later op zijn reis, nabij Luang Prabang, fataal werd.

(5) Dit bladgoud bestond hoogst waarschijnlijk uit puur goud. Het plakgoud waarmee heiligdommen tegenwoordig mee worden bedekt bestaat uit polymeer-verbinding die alluminium maar geen goud bevat.

(6) De kalksteenformaties van Saraburi zijn bekend om hun grote rijkdom aan fossielen (de formaties in de provincie Ratchaburi kunnen daar niet aan tippen). Ze dateren echter van het Perm (xx – xx miljoen jaar geleden), en olifanten en tijgers leefden toen niet om er afdrukken of fossielen in achter te laten. De meeste fossielen die er te vinden zijn betreffen xxxx en xxx. Mogelijk was de omgeving rijk aan wild dat wel pootafdrukken in de zachte bodem van grotten e.d. kon achterlaten. De “afdrukken” van tijger- en olifantpoten in de rotsen die door de bevolking gemarkeerd waren betroffen waarschijnlijk druipsteenformaties. Wanneer men vandaag de dag met een locale Thaise gids een grot betreedt, zal deze niet nalaten de bezoeker op een veelheid van wonderbaarlijke vormen van het druipsteen te wijzen: leeuwen- en nagakoppen, etc.

GECITEERDE BRONNEN

Analayo, Bhikkhu, 2012. Canonical Jataka Tales in Comparative Perspective—The Evolution of Tales of the Buddha’s Past Lives. Fuyan Buddhist Studies, No. 7: 75-100.

Analayo, Bhikkhu, 2017.

Barnes, Vincent, 1987. A mental voyage into the past. Bangkok Post, 31 May 1987: p. 12

Bidyalankarana, H.H. Prince, 1935. The Buddha’s footprints. Journal of the Siam Society, 28(1): 1-14.

Brown, Robert L., 1996. The Dvaravati Wheels of the Law and the Indianization of South East Asia. Brill, Leiden.

Chansrakaeo, Terdsak, 2000. The abridgement of the myth of Wat Phra Buddha Chai.

Chutiwongs, Nandana, 2000. Phu Phra Bat: A remarkable archaeological site in Northeast Thailand. Journal of the Siam Society, 88: 42–52.

Conze, Edward, 2008 [1980]. Buddhism. A short history. Oneworld Publications, Oxford. xii + 141 pp.

Davis, Bonnie, 1989

de Guerny, Jacques, 2014. Following Buddha’s Footprints (Buddhapada): A talk by Jacques de Guerny. https://www.chiangmaicitylife.com/news/following-buddhas-footprints-buddhapada-a-talk-by-jacques-de-guerny/

Kitiarsa, Pattana, 2012. Mediums, Monks, and Amulets. Thai Popular Buddhism Today. Silkworm Books, Chiang Mai.

Kusumoto, Kayoko, 20xx. Aspects of Sri Lanka’s footprints of the Buddha. Hoofdstuk 57 in: Kukatilaka Kumarasinghe – Critical Gaze (xxx), p.763-787.

Ling, Trevor, 1979. Buddhism, Imperialism and War. Burma and Thailand in Modern History. George Allen and Unwin, London. 163 pp.

Medhidhammaporn, Phra (Prayoon Merek), 1998 [1988]. Sartre’s existentialism and early Buddhism. Buddhadhamma Foundation, Bangkok.

Mouhot, Henri, 2000. [1862, 1863?] Travels in Siam, Cambodia, Laos, and Annam. White Lotus, Bangkok.

Munier, Christophe, 1998. Sacred Rocks and Buddhist Caves in Thailand. White Lotus, Bangkok. xiii + 266. (boek geheel gekopieerd)

Pornpitagpan, Nilubol, 1992. A wealth of culture in Prachin Buri. Bangkok Post (Outlook), 21 april 1992: p. 29, 48.

Powers, John, 2009. Why practicing virtue is better than working out: bodies and ethics in Indian Buddhism. Chung-Hwa Buddhist Journal, 22: 125-152.

Quaritch Wales, H. G., 1980. Recent Dvaravati discoveries and some Khmer comparisons. Journal of the Siam Society, 68(1): 43-54.

Rohanadeera, Mendis, 1988. The Noen Sa Bua inscription of Dong Si Maha Bo, Prachinbury. New evidence on cultural relations between Sri Lanka and Dvaravati kingdom. Journal of the Siam Society, 76: 89-99.

Sailer, Waldemar C., 2001. The world of the Buddha footprint. xxx. http://www.dralbani.com/buddhafootprint/introduction.html

Scott, Rachelle M., 2009. Buddhism, miraculous powers, and gender. Rethinking the stories of Theravada nuns. Journal of the International Association of Buddhist Studies, 33(1-2): 489-511.

Skilling, Peter, 199x, Symbols on the body, feet, and hands of a Buddha. Part I—Lists. Journal of the Siam Society, xxx: 67-79.

Swearer, Donald K., 1981. Buddhism and society in Southeast Asia. Anima Books, Chambersburg (Pennsylvania). x + 82 pp.

Swearer, Donald K., Sommai Premchit and Phaithoon Dokbuakaew, 2004. Sacred mountains of northern Thailand and their legends. Silkworm Books, Chiang Mai.

Terwiel, Barend J., 1989. Through Travellers’ Eyes. An approach to Early Nineteenth century Thai History. Editions Duang Kamol, Bangkok. xi + 288 pp.

Thepthong, Phitsanu, 1987. Stallone chooses Thailand as venue for Rambo sequel. Bangkok Post, 9 December, 1987: p. 40.

Tiyavanich, Kamala, 1997. Forest Recollections. Wandering Monks in Twentieth-century Thailand. Silkworm Books, Chiang Mai.

Tiyavanich, Kamala, 2003. The Buddha in the jungle. Silkworm Books, Chiang Mai.

Tonginjan, Jutarat, 2017. A Critical Study of Buddhist Principles from the Buddha’s Footprints. Mahachulalongkornrajavidyalaya University, Bangkok.

Win, Su Latt, 2017. The significance of the Buddha Footprint in the Bagan Metropolis. Bagan Metropolis July 9-15, 2017. SOAS, University of London. 1-15 pp.

Wyatt, David K., 1984. Thailand: A short history. Yale University Press, London. xviii+351 pp.

Yupho, Danit, 1974 [1965]. Dharmacakra or the Wheel of the Law. The Fine Arts Department, Bangkok. 28 pp.