Yaowarat, Bangkoks bruisende Chinatown

Yaowarat: Bangkoks wervelende Chinatown

Yaowarat Road

Yaowarat Road

Wanneer het Thaise meisje in de trein naar Bangkok merkt dat haar moeder het luide gekwebbel van twee Chinese dames volgt, vraagt ze: ‘Mam, je bent een Chinees, hè?’

‘Nee,’ antwoordt de moeder, ‘mams is honderd procent Thais, maar je oma en opa komen uit China.’

Het illustreert hoe nadrukkelijk de Sino-Thais wensen te assimileren. Waar de Chinees ophoudt en de Thai begint, is meestal onduidelijk. Een ‘Chinezenprobleem’ bestaat in Thailand niet. Dit succes wordt toegeschreven aan de Thaise tolerantie, maar pressie van de overheid speelde beslist ook een rol.

Toch heeft Bangkoks Yaowarat, ‘s werelds grootste Chinatown, zijn karakter goed weten te bewaren.
‘Nergens vind je een completer Chinatown,’ stelt Lynn Pan zelfs in haar geschiedenis van de overzeese Chinezen.

Vanaf Bangkoks Hua Lamphong-spoorwegstation hoef je slechts een plein en een hoofdstraat over te seken en je belandt slenterend in het bruisende hart van de wijk. Nergens is meer activiteit op een vierkante meter.

Een man leest op een krukje voor zijn deur ongestoord een Chinese krant, terwijl een onafgebroken stoet sjouwers schreeuwend voorbijtrekt.

Steeg in Chinatown

Een steeg in Bangkoks Chinatown.

Zijn huis is in een houdgreep genomen door de grillige wortels van een enorme ficus. Boven de deur hangt een trigram, een octagonaal spinnenweb van spiegelglas met yin yang-symbool, om kwaad af te schrikken en harmonie te bevorderen.

In het kleine restaurant ernaast kijken de klanten over hun Hainan Chicken Rice uit op een stinkende gracht. In een rood betonnen tempeltje vol vooroudertabletten doet een kolonnen mieren zich te goed aan de zoete offerandes.

Ik sla een ogenschijnlijk rustige steeg in, maar loop weldra tussen getik, gehamer, gezaag, gesnarp en vlagen mierzoeten Thaise smartlappen.

Tienduizenden Chinezen die in Yaowarat neerstreken, waren arbeiders en ambachtslieden.
Daaraan herinneren nog de vele werkplaatsen waar alles wat denkbaar is op eenvoudige wijze wordt vervaardigd. Een apparaat dat een ijzerzaag heen en weer trekt op een pijp door te zagen lijkt een levend industrieel fossiel.Van de betonhaken, kettingen en takels beland ik bij tweedehands auto-onderdelen. Mr. Lim is gespecialiseerd in van olie druipende schakelkasten die tot het plafond zijn opgestapeld.

auto-onderdelenVerkeersplein aan het begin van Yaowarat RoadAchter de berg schemeren nog net de lampjes van het Chinese huisaltaar. Lims knechten zijn gehurkt bezig uit versleten exemplaren een functionerende schakelkast samente stellen. Buurman Tan houdt het bij uitlaatpijpen en carburateurs. Ik schaats over een dikke laag aangekoekte olie richting specialisten in chassis.

Aan de Chao Phraya-rivier worden balen mie, plastic zakken vol gedroogde zwammen en vissenblazen en jutezakken met rijst en mungbeans naar een rij pakhuizen gesjouwd.
In 1928 was de rivier hier nog ‘omzoomd met Chinese godowns en een vloot van jonken afkomstig uit Cathay (Zuid-China)’.
De jonken zijn nu vervangen door bontgeschilderde vrachtauto’s aan de straat. Een Chinese tao ke inspecteert  met ontroerende ernst zijn aankoop door met een holle priem een monster te nemen. De handel berust vooral op efficiëntie en een grote omzet met kleine winstmarges. De zilverkleurige Mercedes die in een kantoor naast twee enorme Chinese vazen staat geparkeerd, getuigt van het succes van de formule.

Al in de zeventiende en achttiende eeuw hadden zich, vijftig kilometer stroomafwaarts van de oude hoofdstad Ayutthaya, vooral op de westoever, Chinezen gevestigd. Nadat Ayutthaya in 1767 door Birmese legers was vernietigd werd daar een nieuwe hoofdstad gesticht. Tijdens het bewind van koning Taksin (1770-1882), zoon van een Teochiu-handelaar, stroomden de Teochiu-Chinezen vanuit Swatow (Shantou) naar Siam.

Chinese god op tempeldeur

Chinese god op tempeldeur.

Taksin werd van de troongestoten door een ander generaal met Chinees bloed die Bangkok tot nieuwe hoofdstad maakte. Hij verplaatste de hoofdstad naar de oostoever. De Chinezen moesten er wijken voor de bouw van het paleis en vestigden zich zuidelijker tussen de sloten, moestuinen en boomgaarden, het huidige Chinatown.

Bangkok werkte als een magneet op gelukzoekers uit Zuid-China, voor wie er genoeg redenen (hongersnood, chaos door oorlogen en clanvetes) waren om het vaderland te verlaten. De Siamese kroon moedigde hun komst zelfs aan omdat ze de economie leven inbliezen. Chinezen brachten de ijzerindustrie en scheepsbouw tot bloei en legden groentetuinen en plantages voor suikerriet, indigo en katoen aan. Siamezen ambieerden slechts het bestaan als rijstboer of  een baantje in de bureaucratie. Goedkope Chinese arbeid, zoals voor het graven van kanalen, verving weldra de traditionele corvee.

In 1865 woonden er honderdduizenden Chinezen in Bangkok. Hun assimilatie was zo soepel verlopen dat een Westerse bezoeker zich er zelfs aan ergerde: ‘Ze kleden zich helemaal als de Siamezen (…) Ze knippen vaak hun staart af en worden voor een bepaalde tijd Siamese monnik. Binnen twee of drie generaties slinken alle onderscheidende kenmerken van het Chinese karakter helemaal en een natie die zo obsessief vasthoudt aan zijn tradities, verandert totaal in Siamezen.’

De Chinese geheime genootschappen brachten de nodige gangsters voort, maar clanoorlogen zoals in Maleisië bleven Bangkok bespaard. Toch werden Chinezen steevast geassocieerd met verderfelijke zaken als gokhuizen en bordelen. Bangkoks prostituees waren aanvankelijk van Kantonese herkomst, maar later steeds vaker Siamees. Brave burgers die zichzelf wijsmaken dat de beruchte seksindustrie recent door de verderfelijke westerling in het leven is geroepen, zullen in Chinatown hun mening moeten herzien. Wat Kanikaphon, een prachtige boeddhistische tempel in Thaise stijl, is er in de negentiende eeuw gebouwd door mevrouw Fang, een Chinese dame die schatrijk was geworden als bordeelhoudster. Met de goede daad hoopte ze haar karma alsnog op te krikken.

YaowaratDe tempel is nu een oase can rust temidden van Yaowarats koortsachtige bedrijvigheid. Chinezen die niet meer naar hun vaderland terugkeerden, kijken me vreedzaam aan vanaf de muur met hun ingemetselde as. Onder de kiekjes staan bijna alle namen in het Thais schrift, wat opnieuw van snelle assimilatie getuigt.

Of de bordeelhoudster overigens veel ‘verdienste’ met haar tempel verwierf, wordt betwijfeld. Toen zij er bij een beroemde monnik naar informeerde, noemde deze een laag bedrag, gelijk aan de prijs voor een short time in haar bordeel. Niettemin illustreert het relaas goed dat geslaagde Chinezen hun best deden compensatiepunten te scoren. Diverse genootschappen  die aanvankelijk ten dienste van de Chinese immigranten stonden, groeiden zelfs uit tot algemene liefdadigheidsorganisaties.

De bekendste is de Poh Teck Tueng met het hoofdkantoor achter Fangs tempel. Ze houdt zich vooral bezig met het bergen van lijken: in de steeg staat daarvoor een vloot van voertuigen paraat. Tijdens het journaal ziet men de jongens van de Poh Teck Tueng dagelijks in de weer met slachtoffers van schietpartijen en bij autowrakken en zo nu en dan een neergestort vliegtuig of ineengestort hotel. In een vitrine aan de straatkant van het kantoor laten foto’s van piramides van opgestapelde schedels zien dat de Poh Teck Tueng ook af en toe een massacrematie financiert. De Thais laten dit soort klussen graag aan de Chinezen over.

lekkernijen van deeg

Lekkernijen van deeg

Geroosterde eend.

Geroosterde eend.

In Botans roman Brieven uit Thailand stelt de ik-persoon, een Teochiu-immigrant in Bangkok, gedecideerd dat ‘de eenheid van ons volk in een vreemd land kostbaarder is dan goud’. Die saamhorigheid is in Yaowarat nog goed te voelen. In de Poh Teck Yueng-tempel zit een groep oude buurtvrouwen goudkleurig papier tot ‘goudstaven’ te vouwen (die later als offerande aan de doden worden verbrand). Naast een ander tempeltje staat een kleine buurtbrandweerauto gereed.

In een doodlopend steegje komt een man kijken wat ik er zoek. Voortdurend is de Chinees waakzaam niet te verleizen wat met hard werken is vergaard. En bij onraad slaat hij alarm zoals alleen een Chinees dat kan. Voor ‘paniek’ kennen de Thais de uitdrukking ‘Chinees die voor brand waarschuwt’.

Bangkoks Chinatown lijkt een van de veiligste plekken op aarde, maar Sterling Seagrave denkt daar in zijn Lords of the Rim anders over: ‘Een overbevolkt getto (…) ‘s Nachts kan je het je leven kosten als je de weg niet weet te vinden in dit labyrint (…) In Bangkok kun je iemand nog laten vermoorden voor twee dollar.’ Ondanks (of juist dankzij) dit soort dwaasheden en de racistische angst voor het Gele Gevaar is het boek een bestseller.

Gedroogde zwemblazen en garnalen.

Gedroogde zwemblazen en garnalen.

In half Chinatown hangt een walm alsof de wijk in brand staat — een mengsel van uitlaatgassen, gepofte kastanjes, wierook en vleugen gedroogde garnalen. In twee hoofdstraten zit het verkeer steeds muurvast in de file. In tempels smeulen wierookstaven zo dik als een arm naast vele walmende oliekannen. Die kannen komen uit een pittoresk straatje waar blikslagers de hele dag met hamer, soldeerbout en puntlasapparaat temidden van kruiden, haaienvinnen, zwaluwnestjes, parafernalia, vette worstjes en pathetisch ogende geroosterde eeenden aan vleeshaken, ook al veel gesis en rook produceren. Om de hoek stik ik in de walm van gepofte kastanjes en dunne lapjes geroosterd varkensvlees. Op adem komen kun je door te vluchten in een van de vele goudwinkels.

In Mangkhon Road worden kippen op straat de strot doorgesneden. Het bloed wordt opgevangen in lege blikken die ooit pastilles tegen keelpijn bevatten. Doelmatig worden in angrenzende verwerkingsbedrijfjes veren van vel gescheiden en vlees van organen. In een zijsteeg leveren die laatste fijngemalen en vermengd met cassavemeel de beroemde luk chin (soepballen) op. Regelmatig heb ik hier Nederlandse toeristen rondgeleid, maar van de realiteit van kip tot soepbal had men weinig oog. Men vond het te akelig om naar te kijken. Een uur later had de liefde voor pluimvee echter plaatsgemaakt voor gezonde eetlust en kon ik in een Chinees steamboat-restaurant voortdurend kipfilet bijbestellen.

Nooit bracht ik deze wereldreizigers naar het stille stuk van Rama IV Road in Chinatown, dat ik in het bijzonder koester. Het was ooit mijn eerste kennismaking met Bangkok, misschien maakt het daarom nog zo’n indruk op me. De sobere zaken stralen er Chinese ijver en pionierszin uit. Naast donkere apotheken  zijn er winkels met groentezaden en — schemerig als grotten — zaken met manden vol kippen- en eendenkuikens.

Doodskisten

Handelaar in doodskisten.

Kuikens.

Handelaar in kuikens.

Zo’n soort bedrijfje runden de gebroeders Chearawanon toen ze in 1922 in Bangkok neerstreken. Nu is het de multinational Charoen Pokphan met 80 000 mensen in dienst; de Sino-Thaise versie van ‘van krantenjongen tot miljonair’. Tussen de zaden en kuikens liggen timmermanszaken met schitterende Chinese doodskisten. De oude tao ke die ik er twintig jaar geleden in zijn hemd en korte broek op een krukje zag zitten, werd voor mij het symbool van de overzeese Chinees. Zijn gezicht was bezaaid met pigmentvlekken, over zijn benen kronkelden spataderen. Vol overgave rekende hij op zijn abacus, alsof hij, zoals Augusta de Wit eens schreef, ‘met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn verstand het maken van bargains was toegewijd en eerder zou stoppen met ademhalen dan met kopen en verkopen.’

Nu zit er een jongere man op het krukje. Hij heeft een electronische rekenmachine in zijn hand, om zijn kisten nog competitiever te kunnen maken. Maar als ik passeer, zie ik dat het een compterspelletje is waarin hij verdiept is. En achterin de zaak staat een tv aan met een Thaise soap: de assimilatie kent in Bangkok geen grenzen.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s

(Een iets andere versie van dit verhaal verscheen in de Volkskrant van 11 november 2000)