Xenopeltis unicolor, de primitieve Sunbeam Snake

sunbeam snake

Een Sunbeam Snake uit het district Tha Song Yang, Tak.

De familie van de sunbeam snakes (Xenopeltidae) bestaat uit slechts twee soorten. Xenopeltis hainanensis komt alleen voor in het zuiden van China en het noorden van Vietnam (1), maar  Xenopeltis unicolor is wijd verspreid en algemeen in het grootste deel van Zuidoost-Azië. De fylogenetische betrekkingen van deze twee soorten tot de andere slangen zijn nogal controversieel, maar ze worden als ‘primitief’ beschouwd vanwege de afwezigheid van een aantal  specialisaties karakteristiek voor de meer ‘moderne’ slangen, zoals de soorten van de familie der Colubridae.
Bij die laatste is de linkerlong gereduceerd tot een minuskuul kluitje weefsel, maar bij de sunbeam snakes is het (nog) een groot, langwerpig orgaan, ongeveer half zo groot als de rechterlong. Ook bepaalde kenmerken van de schedel ziet men als primitief. Daarentegen zijn de ventrale schubben goed ontwikkeld, in tegenstelling tot die van andere  primitieve slangen, zoals de red-tailed pipe-snake. De microstructuur van de dorsale schubben is van het papillate patroon wat de sunbeam snake gemeen heeft met bijvoorbeeld de pythons en boa’ (2). Sunbeam Snakes zijn slangen van een middelbare grootte met een rond lichaam en een platte kop. Ze zijn het bekendst vanwege de fraaie irisering van de dorsale schubben, die door geen enkele andere slang op de wereld wordt geëvenaard. Aan die eigenschap hebben ze hun Engelse en Thaise naam te danken.

Sunbeam Snake (Xenopeltis unicolor)

Thaise naam: ngu saeng athit – งูแสงอาทิตย์

een sunbeam snake uit het district Sop Moei, Mae Hong Son

Een Sunbeam Snake uit het district Sop Moei, Mae Hong Son.

Deze prachtige en interessante slang is in Thailand erg algemeen en wijd verspreid. In het noorden komt hij vooral veel voor in waterrijke gebieden in het laagland, maar is daarnaast te vinden in de buurt van water hogerop in de bergen. Hij leeft ook in steden en in Chiang Mai wordt hij wel eens waargenomen  in tuinen, bij vijvers en waterafvoeren en op braakliggende terreinen.

De tweede helft van zijn latijnse naam, unicolor, verwijst naar de uniforme purperbruine kleur van de rug. Maar in het zonlicht of in sterk kunstlicht hebben de schubben een metaalachtige weerschijn en wordt het licht als door een prisma gebroken, wat bekoorlijke regenboogkleuren oplevert. Ook de Thaise naam ngu saeng athit (‘zonnestralen slang’) is afgeleid van die opmerkelijke irisering van de gepolijst aandoende rugschubben. De buik is uniform crèmekleurig. Het lichaam is cilindervormig en relatief kort en dik en de staart is kort, minder dan 10 procent van de totale lichaamslengte. De slang kan 120 cm lang worden.

De kop is plat en spadevormig en er is nauwelijks een overgang met de nek te onderscheiden. De zwarte ogen zijn klein en kraalvormig. Door de schilden op hun kop onderscheiden ze zich van alle andere slangen: de pariëtale schilden worden namelijk gescheiden door een groot occipitaal schild dat in het midden achter de frontale schilden ligt. Het dier heeft tientallen kleine tanden in de boven- en onderkaak en gespecialiseerde giftanden ontbreken.

een exemplaar uit het district Santisuk in Nan

Een Sunbaem Snake uit het district Santisuk in Nan.

A Sunbeam Snake from Mae Rim district, Chiang Mai, strangling and swallowing a Striped Keelback.wollo

Een Sunbeam Snake uit het district Mae Rim, Chiang Mai, verorbert een Striped Keelback.

De Sunbeam Snake is overwegend fossoriaal (graaft tunnels in de aarde) en brengt de meeste tijd ondergronds door. Hij is vrijwel uitsluitend ‘s nachts actief (3) en pronkt dus zelden of nooit met zijn prachtige irisering. Meestal zit hij verborgen onder bladeren of in de aarde of modder. De platte kop is een aanpassing aan het wroetend bestaan.

De wijfjes van deze  soort leggen in april meestal een stuk of tien eieren. De slangetjes die uit het ei komen hebben een roze of crèmekleurig bandje over de nek en de achterkant van de kop, maar dat verdwijnt zodra ze ouder worden.

‘s Nachts jaagt hij op andere slangen, hagedissen, kikkers en kleine zoogdieren, zoals muizen. In feite lust hij elk klein dier dat hij te pakken kan krijgen, inclusief soortgenoten. Maar hij heeft een zekere voorkeur voor langwerpig prooi. In een buitenwijk van Chiang Mai stuitte ik eens op een circa 80 cm lang exemplaar dat bezig was een andere Sunbeam Snake van ongeveer 50 cm lang te verslinden. Vaak neemt hij de prooi in een wurggreep. Het is een opmerkelijk gulzig dier dat een prooi in korte tijd naar binnen werkt. De Russische herpetoloog Nikolai Orlov heeft in Vietnam een Sunbeam Snake waargenomen die bezig was een verslonden slang die anderhalf keer groter dan het dier zelf was weer uit te kotsen (4).

De Sunbeam Snake valt vaak ten prooi aan de Banded Krait (Bungarus fasciatus), want beide soorten hebben een voorliefde voor dezelfde waterrijke habitats in het laagland. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw wist de Franse slangenverzamelaar dr A. Morice in zuidelijk Vietnam een twee meter lange Banded Krait te bemachtigen, samen met het dode lichaam van een ‘onschuldige, tamelijk lange slang met een lichaam dat gelakt leek te zijn’ dat de krait had verslonden (5).

Sunbeam snakes zijn erg dociel en zullen zelden bijten, zoals hier wordt getoond door een medewerker van Bangkoks Snake Farm.

Sunbeam Snakes zijn erg dociel en zullen zelden bijten, zoals hier wordt getoond door een medewerker van Bangkoks Snake Farm.

De Sunbeam Snake beweegt zich ‘s nachts nogal sloom voort. Als hij opgepakt wordt gedraagt hij zich wonderbaarlijk dociel en zal zelden bijten. Daarentegen laat hij soms zijn staart snel vibreren of schijt in het rond. In de natuur zal hij bij gevaar zijn kop onder de windingen van zijn lichaam verbergen terwijl de staart omhoog wordt gestoken. Dit gedrag gaat gepaard met een vieze stank afkomstig van een uitscheidingsproduct van de cloaca (6).

De Sunbeam Snake heeft een groot verspreidingsgebied dat zich uitstrekt van India (de Andamaanse eilanden) en Myanmar tot het grootste deel van Indonesië en sommige eilanden van de Filipijnen. In noordelijk Vietnam en de zuidelijke Chinese provincies Guangxi and Guangdong is de gewone Sunbeam Snake sympatrisch met de Hainan Sunbeam Snake (Xenopeltis hainanensis).

©Sjon Hauser: tekst, foto’s en kaartwerk

Voetnoten:

1. Voor het eerst beschreven  in 1972 (Chris Mattison, 1998 . The Encyclopedia of Snakes. Blanford, London: 206). Recent onderzoek laat zien dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de beide soorten (Orlov, Nikolai L., 2000. Distribution, biology and comparative morphology of the snakes of Xenopeltis genus (Serpentes: Macrostomata: Xenopeltidae) in Vietnam. Russian Journal of Herpetology, 7 (2): 103-114.)

2. Pauwels, Olivier S. G., Patrick David, Paul F. A. Maderson, Walter Dereck and Christian Kumps, 2000. Dorsal scale microstructure of Xenopeltis unicolor (Serpentes, Xenopeltidae): description and position among the ophidian microdermatoglyphic patterns. Dumerilia, 4 (2): 99-111.

3.  Maar er zijn waarnemingen dat het dier op het midden van de dag lag te zonnen (Orlov, 2000, ibid.: 112).

4. De prooi bestond uit een Many-banded Green Snake, Cyclophiops multicinctus (Orlov, 2000, ibid.: 112).

5. Morice, A., 1997. People and wildlife in and around Saigon (1872-1873). White Lotus Press, Bangkok: 101.

6. Orlov, 2000, ibid.: 109.