Van Stein Callenfels, giant archaeologist of the East Indies

Stein-00
Archaeologist Van Stein Callenfels—demonic appearance and a clown like Bagong

‘Since your departure, Resident, no more monkeys have been seen here.’ He pretended to descend from Teutonic knights who drank beer from the skulls of their defeated enemies. As an administrator the churlish Pieter Vincent van Stein Callenfels was a complete failure. However, as an archaeologist and expert of Javanese culture the obstinate giant was a pioneer.

Archeoloog Van Stein Callenfels: het uiterlijk van een demoon, de grollen van Bagong
‘Sinds uw vertrek, Resident, hebben wij hier geen aap meer gezien.’ Hij zei af te stammen van Germaanse ridders die bier dronken uit de schedels van hun verslagen tegenstanders. Als ambtenaar mislukte de onbehouwen Pieter Vincent van Stein Callenfels volledig. Maar als archeoloog en kenner van de Javaanse cultuur verrichtte deze eigenzinnige reus baanbrekend werk.

The greatest natural catastrophe in history occurred on 26 and 27 August 1883: the explosive eruption of the Krakatau, a volcanic island west of Java. Never before, the destructive powers of the underworld had been manifested to the Javanese to such an extent. The harbor town of Anjer was swept away in a giant tsunami and the sky was darkened for days by immense clouds of ashes and debris.  This all seemed to be the rage of Shiva, the God of Destruction in Hinduism, which is still important in the popular beliefs of the officially Muslim Javanese. One week later, on 4 September, Pieter Vincent van Stein Callenfels was born in Maastricht, the Netherlands, as the son of infantry officer Jan Marius van Stein Callenfels and Susanna Geertruida Rookmaker. As an adult Pieter Vincent had the proportions of a giant, while with his large beard he resembled a demon. In the Netherlands East-Indies, this Dutchman developed an unrivaled passion for the world of gods , demons and spirits of the Javanese, as they are documented and expressed in the many lakon—the playwrights of the wayang shadow play—and the bas reliefs of the ruined Hindu temples scattered over the islands of Java and Bali.

De grootste natuurramp uit de geschiedenis was op 26 en 27 augustus 1883: de eruptie van de Krakatau, een vulkaaneiland ten westen van Java. Reusachtige rookkolommen verduisteren de hemel twee dagen tot ver in de omgeving. Nooit duidelijker dan op die augustusdagen is de onderwereld, dood en verderf zaaiend, zo groots geopenbaard aan de Javaan. De havenplaats Anjer werd met een reusachtige vloedgolf weggevaagd en de hemel was dagenlang verduisterd door rook en as, alsof het het werk van Shiva was, de God van de vernietiging van de hindoes die een grote rol speelt in het volksgeloof van de officieel islamitische Javaan. Een week later, op 4 september, wordt in Maastricht Pieter Vincent van Stein Callenfels geboren als zoon van de infanterie-officier Jan Marius van Stein Callenfels en Susanna Geertruida Rookmaker. Van Stein Callenfels groeide uit tot een Hollander met reusachtige afmetingen en een demonisch voorkomen. Hij zal een ongekende liefde voor de goden- en geestenwereld van de Javaan aan de dag leggen, zoals die zijn vastgelegd in de vele lakons (toneelteksten van wayangspelen) en de basreliëfs van de ruïnes van de hindoetempels die over Java en Bali verspreid liggen.

In 1904, at the age of twenty-one, Van Stein Callenfels embarks the steamer Vondel in Genua with destination the Netherlands East Indies. When, 34 years later in a hotel in Colombo, Sri Lanka, he dies from a heart attack, he already is a legend. Then, he is considered the founder of prehistory in the East Indian Archipelago and an expert of the archaeology of Java and Bali. Ivan the Terrible, is the title of his biography published in 1951. Breszezinsky Jansen is his name in the novel Gods Geuzen of Dutch writer Jan de Hartog. In the writings of Conan Doyle he appears as Professor Challenger, while in the travel stories of German writer Richard Katz, a certain Dr Bart is no one else but Van Stein Callenfels. When the giant, bearded Dutchman entered a Javanese village during his many inspection trips—often in search of a suited place to satisfy his craving for copious meals—the villagers whispered that ‘tuan gemuk’ (fat gentleman) is coming.

In 1904, op 21-jarige leeftijd, scheept Van Stein Callenfels zich te Genua in op de Vondel met bestemming Nederlands-Indië.  Als hij 34 jaar later in een hotel in Colombo (Sri Lanka) aan een hartinfarct sterft is hij een legende geworden. Daarnaast wordt hij beschouwd als de grondlegger van de prehistorie van de Indische Archipel en een expert op het terrein van de archeologie van Java en Bali. Iwan de Verschrikkelijke heet de biografie die in 1951 over hem verschijnt. Breszezinsky Jansen heet hij in Jan de Hartogs Gods Geuzen, in het werk van Conan Doyle duikt hij op in de gedaante van Professor Challenger, in de reisverhalen van de Duitse schrijver Richard Katz als Dr Bart. ‘Tuan gemuk’ (dikke mijnheer) lispelden de Javanen wanneer de reusachtige, bebaarde gestalte hun dorp betrad tijdens zijn archeologische inspectietochten, niet zelden op zoek naar een geschikt eethuis.

Stein-01Van Stein Callenfels was still a legend forty years after his demise, as is shown in a letter published in the 9 October 1981 issue of the weekly Far Eastern Economic Review in which the author reflects upon aspects of the (good old) colonial days that were elaborated upon in an earlier article. Conrad, Kipling and even Raffles—the founder of Singapore—are mentioned, but the end of the letter is as follows. ‘And then there is the notorious Dutchman who was supposed to consume vast quantities of gin for breakfast. He was a real person with an even more gargantuan personality than legend credits him with: Prof. Pieter van Stein Callenfels, an archeologist based in Indonesia in the 1920s and 1930s, 6 ft 4 inches tall and weighing 336 lb.’ One fable about the bearded Dutchman is that he was a professor. He wasn’t, although many persons who knew him, admitted they had never met someone as learned and erudite as Van Stein Callenfels.  Two weeks later the editor of the Far Eastern Economic Review repeats another fable about the archaeologist: ‘His daily consumption of alcohol was about 72 bottles of beer and three bottles of Bels gin.’ Van Stein Callenfels was certainly one of the greatest boozers in the East Indies, but these numbers are much exaggerated. To win a bet, he once drank 48 large Indian bottles of beer in one evening. When he emptied the last bottle, he ordered—apparently unmoved—another bottle, as at last he wanted to drink a beer for his own pleasure. During such occasions he used to extol the virtues of boozing and gambling, calling himself the ‘last true Teuton’. The Old Teutons, as he tried to convince his company, drank beer from the skulls of their defeated enemies.  When German writer Richard Katz visited him, and in the opinion of the Dutchman drank the beer offered to him too slowly, Van Stein Callenfels uttered: ‘You are still with your first bottle? These days, everything degenerates.’

Legendarisch is Van Stein Callenfels gebleven. Daarvan getuigt een ingezonden brief in het Oost-Aziatische weekblad Far Eastern Economic Review van 9 oktober 1981 waarin wat aanvullende informatie wordt gegeven over de goede oude (koloniale) tijd die in een eerder artikel aan de orde was gekomen. Joseph Conrad, Kipling en zelfs Raffles (de stichter van Singapore) passeren de revu, maar de brief eindigt als volgt: ‘And then there is the notorious Dutchman who was supposed to consume vast quantities of gin for breakfast. He was a real person with an even more gargantuan personality than legend credits him with: Prof. Pieter van Stein Callenfels, an archaeologist based in Indonesia in the 1920s and 1930s, 6 ft 4 inches tall and weighing 336 lb.’ Fabel één: professor is Van Stein Callenfels nooit geweest, ofschoon velen die met hem geconfronteerd werden, moesten toegeven nooit eerder zo’n erudiet mens ontmoet te hebben. Twee weken presenteert de redacteur van het weekblad de lezers een tweede fabel over de Hollandse archeoloog.: ‘His daily consumption of alcohol was about 72 bottles of beer and three bottles of Bels gin.’ Van Stein Callenfels was mogelijk de grootste zuiplap van Indië, maar deze getallen zijn beslist aan de hoge kant. Om een weddenschap te winnen heeft hij wel eens 48 grote Indische flessen bier op één avond leeggedronken. Toen hij het 48ste flesje leeg had bestelde hij schijnbaar onbewogen nog een flesje bier met de mededeling dat hij nu eindelijk wel eens een biertje voor zijn eigen plezier wilde drinken. Bij dit soort gelegenheden had hij de gewoonte zuipen en gokken te verheerlijken en zichzelf de laatste echte Germaan te noemen. De Oude Germanen zouden bier gedronken hebben uit de schedels van hun verslagen vijanden. Toen de Duitse schrijver Richard Katz hem eens bezocht en naar de mening van de Nederlander het hem aangeboden bier te langzaam dronk, kreeg hij te horen: ‘U zit nog met uw eerste fles? Alles degenereert tegenwoordig.’

At last, the readers of the Far Eastern Economic Review are treated to the most famous legend about the archaeologist. Once, the authorities in Batavia (now Jakarta) asked Van Stein Callenfels to reopen a recently discovered prehistoric burial site in the presence of a goodwill party from the United States. That party, expected to visit Java soon, included the Governor General of the Philippines, Dwight Davis (founder of the Davis Cup). As Van Stein Callenfels had an intense dislike of officialdom and ostentation, the request infuriated him. ‘When the tomb was finally opened in the presence of the visitors,’ the editor wrote, ‘ the corpse inside was finally seen to be holding a little Dutch tricolor in one hand and the Stars and Stripes in the other.’ This is just another fable, as Van Stein Callenfels never played that trick upon the visitors. Yet, there is a long list of jokes he really had played, often at the expense of the high authorities in the Netherlands East Indies—many pages in Swanenburg’s biography of the archaeologist deal with them.     There is also a legend about the death of Van Stein Callenfels. He had died on the balcony of his hotel room in Colombo and beside the chair in which he was sitting a glass of milk was found. As he was suffering from a heart ailment for many years, and used to drink merely beer and gin, it was believed that the taste of the alcohol free white liquor was too much for his heart.

Tenslotte dist de redacteur van de Far Eastern Economic Review de lezers de beroemdste legende over de archeoloog op. Na correct opgemerkt te hebben dat Van Stein Callenfels een hekel had aan ambtenarij en uiterlijk vertoon, en woedend werd toen de autoriteiten in Batavia hem verzochten een pas ontdekt prehistorisch graf te openen bij het op handen zijnde bezoek van een good-will-party uit de Verenigde Staten (onder wie de Gouverneur-Generaal van de Filipijnen, Dwight Davis – ook stichter van de Davis Cup), wordt gesteld: ‘when the tomb was finally opened in the presence of the visitors, the corpse inside was seen to be holding a little Dutch tricolor in one hand and the Stars and Stripes in the other.’ Fabel drie: deze streek heeft Van Stein Callenfels nooit uitgevoerd. De lijst ware grappen die hij heeft gemaakt, vaak ten koste van hoge Indische autoriteiten, is evenwel aanzienlijk en ze beslaat een groot deel van zijn biografie geschreven door B. D. Swanenburg.     Ook over de dood van de archeoloog is een legende ontstaan. Naast de stoel op de veranda van het hotel in Colombo, waarin hij dood werd aangetroffen, zou een glas melk hebben gestaan. Aangezien hij vooral met alcohol werd geassocieerd, zocht men de doodsoorzaak bij de melk: hij zou zo geschrokken zijn van de smaak van de witte drank dat dit te veel werd voor zijn hart, waarmee hij al jaren sukkelde.

In 1904, after arriving in Java, he got a position as an official at the General Secretary in Buitenzorg (now Bogor). Within a few weeks he was fired because of ‘unacceptable ways of acting’. His disdain of etiquette, his wearing of ‘dusty or filthy clothes’, his enormous beard and long hair were a nightmare for the residents  and their assistants to whom he was entrusted. His superiors often became the subject of his jokes. Once he was summoned to receive another of so many reprimands by his superiors—he appeared in pajamas, riding an elephant. His last job was aid of the Assistant-Resident of Police in Semarang. The large number of monkeys had become a nuisance in the region, so the Resident had endorsed him to make an end to the plague. When, later, the Resident informed about the situation, Van Stein Callenfels sent him a telegram: ‘Since your departure, Resident, no more monkeys have been seen here.’

Toen hij in 1904 op Java aankwam, werd hij als ambtenaar aangesteld op de Algemene Secretarie te Buitenzorg. Na enkele weken werd hij er ontslagen wegens ‘ontoelaatbare handelswijze’. Met zijn minachting voor etiquette, het dragen van ‘versomberende kledingsstukken’, zijn enorme baard en het lange haar, werd hij een nachtmerrie voor de residenten en hun assistenten aan wie hij successievelijk als ambtenaar ter beschikking werd gesteld. Zijn superieuren werden doorgaans het middelpunt van zijn grappen. Eens, opgeroepen om zijn zoveelste reprimande te ontvangen, verscheen hij in pyama op een olifant. In zijn laatste baantje was hij hulp van de Assistent-Resident van Politie van Semarang. De resident had hem belast met het bestrijden van een apenplaag in die streek. Toen de resident later informeerde hoe het met de apen stond, telegrafeerde Stein naar hem: ‘Sinds uw vertrek, Resident, hebben wij hier geen aap meer gezien.’

Stein-02At last, in 1906, he was dismissed ‘honorably’ from the kingdom’s service. During the following period, his life was that of a vagabond. For his living he depended on the benevolence of his compatriots , who abhorred the idea of a man of the white race going down in front of the eyes of the local people. He even lodged for some time at the Salvation Army. But even during these miserable days, his greed for knowledge remained as great as his thirst for beer. By means of self-study he acquired an impressive knowledge of Sanskrit and Javanese. Later he started to work for the daily De Locomotief, followed by a job as employee at a coffee plantation near Mojokerto, in the center of the former Hindu-Javanese Empire of Majapahit. Beside culinary activities, he devoted much of his free time to archaeological field research in the surroundings. He was in particular intrigued by the bas reliefs of the ancient temples. Due to his vast knowledge of the wayang literature, he succeeded in interpreting many of them in new, insightful ways. Later he argued convincingly that the sculptures were based upon contemporary, popular versions of myths—handed down without drastic modifications to the present day wayang plays—rather than upon the classic Hindu myths. He sent his new archaeological findings to the Bataafsch Genootschap (Batavian Society) and often added his critical comments on the preservation of a number of temple complexes. A few years later, the authorities in Batavia started to take him serious, in particular after Dr. Krom, a study friend from Leyden, was appointed Head of the Prehistory Department. In 1913, Van Stein Callenfels was appointed administrator of a coffee plantation. His skills to be in charge of a local work force had certainly contributed to this promotion. The kampong villagers not only feared his roaring voice, they also respected him for his vast knowledge of Javanese beliefs and customs.  Exploiting the superstitions of the common man, he often succeeded in making his workers do the impossible for him. In general he treated the Javanese with justice, but he wasn’t a simpleton.  When incensed, he threatened to sell them as coolies to the ill-reputed plantations of Deli (on Sumatra), in order to incite them to greater activities. In his opinion, the Lord had created tuan (masters) and coolies, and as he was a tuan the locals had to serve him. This was not a matter of race, as Van Stein Callenfels acknowledged only two races, ‘a good race drinking beer and gin, and a bad race drinking whisky-soda’.

Tenslotte, in 1906, wordt hij eervol uit ‘s lands dienst ontslagen. Een zwerversbestaan volgt. Hij belandt zelfs bij het Leger des Heils. Meestal leeft hij op de kosten van goedwillende Hollanders die niet kunnen zien dat een man van het blanke ras voor de ogen van de inlanders naar de knoppen gaat. Even groot als zijn dorst naar bier is zijn dorst naar kennis.  Door zelfstudie leert hij Sanskrit en Javaans. Later doet hij klusjes voor het dagblad De Locomotief, maar hij krijgt weer vaste grond onder de voeten als hem een baantje als employé op een koffieplantage nabij Mojokerto wordt aangeboden. De plantage ligt midden in het hart van wat ooit het oude Hindoe-Javaanse rijk Majapahit was. Naast culinaire activiteiten verricht hij in zijn vrije tijd voornamelijk archeologisch veldwerk in de omgeving. Vooral de basreliëfs van tempels houden hem bezig. Door zijn grote kennis van de wayangliteratuur weet hij aan menig basreliëf een nieuwe interpretatie te geven. Hij weet later aannemelijk te maken dat de beeldhouwers van weleer zich niet zozeer gebaseerd hebben op de klassieke hindoemythen, maar eerder op de toen bestaande populaire versies, die nauwelijks gewijzigd zijn overgeleverd in de wayangspelen. Nieuwe archeologische vondsten en zijn visie op de toestand van sommige tempelcomplexen  stuurt hij naar het Bataafsch genootschap. In Batavia begint men enkele jaren later aandacht te schenken aan de geleerde koffieplanter, vooral wanneer Dr Krom, een studievriend uit Leiden (Van Stein Callenfels had daar in 1904 het Groot Ambtenaars-examen afgelegd), wordt aangenomen als chef van de Oudheidkundige Dienst in Batavia. Ondertussen, in 1913, wordt Van Stein Callenfels bevorderd tot administrateur van een koffieplantage. Zijn geschiktheid voor het leiding geven aan inheems personeel heeft daartoe zeker bijgedragen. De kampongbewoners vreesden niet alleen zijn bulderende stem, maar zij respecteerden hem vanwege zijn grote kennis van de Javaanse zeden en gebruiken. Inspelend op het volkse bijgeloof kreeg hij vrijwel alles bij hen gedaan. Ofschoon hij de Javanen in het algemeen rechtvaardig behandelde was hij beslist geen doetje voor hen. Vaak bulderde hij het dreigement hen naar Deli te zullen verkopen om de inlanders tot grotere activiteit aan te sporen. Onze Lieve Heer had nu eenmaal tuans en koelies geschapen en daar hij een tuan was moesten de inlanders hem dienen. Met ‘ras’ had dit weinig te maken want hij kende slechts twee rassen: ‘een goed ras, dat bier en jenever drinkt en een slecht ras dat whisky-soda drinkt.’

Supervising temple restorations.   He also began a long series of photographs of the bas reliefs of little known temple complexes. Often the episodes depicted on the bas reliefs were mixed with scenes from Java’s past. His first scientific publication, in 1913 in the Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde (Journal of Indian Linguistics, Geography and Ethnology), is historical and deals with the family relationships of Hayam Wuruk, the most well-known ruler of Majapahit. In 1915, it is followed by publications about the bas reliefs of the Candi Tegawangi en de Candi Tumpang, which resulted to Van Stein Callenfels being attached as an unpaid official to the Prehistory Department, commissioned to supervise  the restorations at ancient sites. Temple restorations became one of his specialisms. He often disdained the way many temples had been restored in the recent past. About the Panataran he mockingly commented that ‘despite his desperate attempts, the Supervisor of the Public Works formerly supervising its restoration, did not succeed in erasing the meanings of the other reliefs completely…’  Despite his stern devotion to archaeology, he cannot suppress his inclination to give a strong personal touch to his scholarly articles. A citation from Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen (‘Travels and adventures of mister Prikkebeen’, a popular children’s book)—‘It may sound a little odd, but all things printed are the truth’— was struck out in his dissertation, but numerous other unusual words and expressions escaped the pen of the editor.    In 1916, he started restoring the Gedong Sangga, a rather scattered temple complex in Java. He is at the site many times during the following years. In 1917, in honor of this work, he is appointed Inspector of the Prehistory Department, and in the same year he started his study of the reliefs of the Prambanan, often considered the most beautiful Hindu sanctuary on Java. When he was seen at the nearby Borobudur, it was usually as a guide of the VIPs visiting this Wonder of the World, as no one was more skilled in popularizing archaeology than the bearded Dutchman. The many celebrities guided by Van Stein Callenfels included Dwight Davis (Governor-General of the Philippines), former French Prime-Minister Georges Clemenceau, the King and Queen of Siam (Thailand), writer and Nobel Laureate Rabindranath Tagore, Dutch statesman Van Limburg Stirum, and reknown experts in the field of archaeology, such as French Sanskritist Sylvain Lévi and Khmer historian G. Coedès.     In 1917, Van Stein Callenfels and co-author L. van Vuuren published a study about the topography of fourteenth century Surabaya, based upon ancient documents about the ferry sites along the Brantas and Solo River. Perhaps Van Stein Callenfels’ immense knowledge and common sense are best reflected this kind of studies in which the mastering of Javanese language, ethymology, history, geology and geography are intermingled.

Toezicht op restauraties.   Hij begint ook uitgebreide fotoseries te maken van de basreliëfs van nog weinig bestudeerde tempelcomplexen. Vaak zijn die taferelen op basreliëfs sterk vermengd met gegevens uit de Javaanse geschiedenis. Zijn eerste wetenschappelijke publicatie in 1913 in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde is dan ook historisch en behandelt de familieverhoudingen van Hayam Wuruk, de bekendste vorst van Majapahit. Uitvoerige publikaties over basreliëfs van de Candi Tegawangi en de Candi Tumpang in 1915 hadden tot gevolg dat hij als onbezoldigd ambtenaar aan de Oudheidkundige Dienst werd toegevoegd, in welke fuctie hij vooral toezicht zou houden op de restauratie van oudheden. Tempelrestauratie zou een van zijn specialismen worden. De manier waarop voorheen vaak tempels waren gerestaureerd wekte nogal eens zijn ergernis. Over de Panataran merkt hij op: ‘Het is den opziener der Burgerlijke Openbare Werken, die intertijd met de restauratie belast was, niettgestaande wanhopige pogingen zijnerzijds, niet gelukt, de betekenis der overige panelen geheel onverstaanbaar te maken.’ Hoewel archeologie hem heilig is, kan hij het niet nalaten zijn wetenschappelijke artikelen een persoonlijk stempel mee te geven. Een citaat van Prikkebeen is weliswaar uit zijn proefschrift geschrapt, maar we kunnen er nog wel wat ongebruikelijke uitdrukkingen in aantreffen, zoals ‘hutspot’, ‘naplapperen’ en ‘erop losphantaseren’. In 1916 begint hij met de restauratie van de Gedong Sangga, een verspreid liggend tempelcomplex in Centraal-Java. Hij zal er vier jaar regelmatig werkzaam zijn, maar in 1917 wordt het werk al beloond met zijn benoeming tot Inspecteur van de Oudheidkundige Dienst.  datzelfde jaar wordt een begin gemaakt met reliëfstudies van de Prambanan, die door velen wel als Java’s fraaiste hindoeheiligdom wordt beschouwd.   Hij was ook regelmatig bij de Borobudur te vinden, maar dan vooral als gids. Wanneer bij voorname bezoekers een bezichtiging van de Javaanse en Balinese kunstschatten op het programma stond, werd Van Stein Callenfels doorgaans als gids aangewezen, want het populariseren van de oudheidkundige kennis ging hem gemakkelijk af. Behalve de al genoemde gouverneur-generaal van de Flipijnen heeft hij vele andere beroemdheden rondgeleid: de Franse premier Georges Clemenceau, de koning en koningin van Thailand, de staatsman Van Limburg Stirum, schrijver and Nobelprijswinnar Rabindranath Tagore, en vaklieden zoals de Franse Sanskritist Sylvain Lévi en de Khmer-expert G. Coedès.   In 1917 verschijnt een studie van hem en L. van Vuuren over de topografie van Soerabaya in de veertiende eeuw aan de hand van oude oorkonden over de overzetplaatsen langs de Brantas en de Solo Rivier. Misschien dat in een dergelijke studie, waarin kennis van het Javaans, ethymologie, geschiedenis, geologie en geografie zijn verstrengeld, zijn enorme kennis en ‘gezonde verstand’ wel het duidelijkst naar voren komt.
Stein-03-870bNude swimming.     That year he also paid a visit to Bali—he almost “conquered” the island. Due to his diplomatic skills, the Balinese priests allowed him to study the holy, brass documents that had always been hidden away from laymen and foreigners. His stay on Bali would open to him a new entry to a better understanding of the antiquities of eastern Java. The majority of Bali’s population is still and the islanders still harbored customs and legends they once had shared with their neighbors on East Java, where
in the twentieth century these had  disappeared for long. Dr. Bosch, the later professor at Leyden University, had stressed the importance of the study of present day cultures for the interpretation of archaeological data. On Bali Van Stein Callenfels was acquainted with the lakon Sudamala—fallen into oblivion on Java— that later enabled him to explain many scenes depicted on the bas reliefs of the (Central) Javanese Candi Tegamandi, the subject of his dissertation.   On Bali Van Stein Callenfels had the habit of bathing nude in the sea or rivers, thus undermining the work of missionaries who tried to convince the local Balinese that demons do not exist. He also arranged that former French Prime Minister Georges Clemenceau was surrounded by charming  female temple dancers for a photo session.     Just before leaving for the Netherlands, he made an inspection tour to Sumatra, where, near Medan, he discovered shell deposits very similar to those of the Kjökkenmöddinger in Denmark which evoked a life long enthusiasm for the prehistory of the Indian Archipelago—in those days a terra incognita. His pioneer studies in that field would eventually become his major scientific contributions.     In the meantime he had created the legend that his dog Labbie was vegetarian. And one day, when enraged by the villagers, he had cursed a Javanese village. When his curse indeed made mischief, he inmediately sent a letter to undo the spell. His last work before his departure to the Netherlands was the drainage of the Diëng Highland in Central Java, where a temple complex was partly sunken away in a marsh.     At the age of 38, he arrived in Leyden, where he completed his study of Indology within three years, and wrote his dissertation about the lakon Sudamala in the Hindu-Javanese art. Before returning to the Indies in 1924, he made trips to Denmark, Belgium and France to get informed about the latest techniques employed during prehistoric excavations.

Naakt de zee in.   Datzelfde jaar bezoekt hij ook nog Bali. Binnen de kortste tijd ligt het eiland aan zijn voeten. Door geraffineerde diplomatie met Balinese priesters krijgt hij inzage in koperen oorkonden die voor anderen steeds verborgen waren gehouden. Dat verblijf op Bali  zal hem een nieuwe opening geven tot een beter begrip van de Oost-Javaanse oudheden. Op Bali, dat nog steeds hindoeïstisch is, vindt men nog vele gebruiken en legenden die ooit op Oost-Java ook bestonden, maar in de twintigste eeuw al lang verdwenen waren. Dr Bosch, later hoogleraar te Leiden, had het belang van de studie van hedendaagse culturen voor het interpreteren van geschiedkundige gegevens al eens benadrukt. Van Stein Callenfels vernam op Bali voor het eerst iets over de lakon Sudamala — die op Java geheel in de vergetelheid was geraakt — en daarmee zou het hem later lukken een verklaring te geven aan de voorstellingen op de basreliëfs van de Candi Tegawandi, een werk waarop hij zou promoveren tot Doctor in de Letteren. Nog voor zijn vertrek naar Nederland maakt hij een inspectiereis op Sumatra. Schelpenheuvels die hij onrdekt bij Medan en die zeer verwant zijn aan die van de Kjökkenmöddinger, zullen een blijvende belangstelling wekken voor de in die tijd nog in nevels gehulde prehistorie van de Indische Archipel — een terrein waarop hij later pionierswerk zal verrichten en uiteindelijk zijn grootste wetenschappelijke verdiensten liggen. Ondertussen had hij missiewerk op Bali (‘Demonen bestaan niet’) teniet gedaan door zijn gewoonte naakt in zee of kali te baden. Clemenceau zo ver gekregen omringd door Balinese danseressen voor een foto te poseren, de legende laten ontstaan dat zijn hond Labbie vegetarisch was, vloeken op Javaanse dorpen gelegd en die per brief weer afgezworen, wanneer zijn vloek inderdaad rampspoed bleek te brengen. Na de drainage van het Diëng Plateau op Java, waar een tempelcomplex gedeeltelijk in een moeras verzonken lag, begaf hij zich op 38-jarige leeftijd naar Holland om binnen enkele jaren af te studeren in de indologie in Leiden en te promoveren op De Sudamala in de Hindu-Javaansche Kunst. Voordat hij in 1924 weer naar Indië terugkeert, maakt hij nog enkele reizen naar Denemarken, België en Frankrijk, vooral om goed op de hoogte te zijn van moderne prehistorische opgravingstechnieken. Mogelijk boeit hem de prehistorie van Indonesië zozeer omdat het nog grotendeels een terra incognita is.

Stein-04-870bInternational contacts.     Back in Sumatra he obtained a prehistoric stone hand axe 0f the Chelléen  type, the first prehistoric tool from the archipelago. Previous prehistoric research in East Asia had been largely restricted to China (e.g. by Teilhard de Chardin); there had only been the pioneering work of Eugène Dubois (also born in Maastricht) near Surakarta (now Solo) which resulted to the discovery of Pithecanthropus erectus (now considered a form of Homo erectus). Thanks to his immense popularity, Van Stein Callenfels got the attention of many laymen who could help finding prehistoric remains, and his lectures about prehistory even attracted many planters. He was the Public Relations of the archaeology and prehistory of the Netherlands East Indies, and in 1928 he became temporary Head of the Prehistory Department. In that function he made long inspection tours. On Sumatra he traveled long distances in a palanquin with eight bearers instead of the usual four, or on the back of a sagged horse. His weight had increased once more. In Medan he supplied himself with a dinner plate half a meter in section that  he took with him in restaurants, as he got tired of ordering ‘Ambil lagi!’ (One more service!). He also became more and more involved in establishing international contacts in regard to East Asian Prehistory, and for that purpose he traveled to Manchuria, the Philippines, Siam (Thailand), Hong Kong, Ceylon (Sri Lanka), Japan, French Indochina and Malacca. Extensive excavation were started in Java and Celebes (Sulawesi). In the ‘Ponorogo’sche’ of Java he had employed a party of coolies equipped only with bamboo scrapes and chicken feathers. Elliot Smith, a leading authority of the European prehistory who had visited the site, admitted that he had never seen work methodologically that advanced. Van Stein Callenfels was the major driving force behind the organization of three-annual congresses about prehistory in the Far East. The first congress was in Hanoi in January 1932. In the 1920s, the theory that the Indian Archipelago was populated by invasions via the Malay Peninsula was hardly disputed, but thanks to the activities of Van Stein Callenfels it had become obsolete by the time of the congress in Hanoi. The continuity of prehistoric findings in Japan, the Philippines and Celebes were solid proof of the existence  of a major ‘northern route’. In 1933, he visited a congress in London. In a letter to Otto Beyer of the Museum and Instituteof Archaeology and Ethnology of the University of the Philippines he wrote about it.  ‘At the congress in London nothing transpired. I am glad I visited it because I met lot of real prehistorians and in the evening had quiet talks with them…But at the congress itself most of the audience consisted in old ladies and the lectures were according to their intellectual level.’ Another passage in that letter shows to what extent the region’s prehistory was still in its infancy, when he proposed to name a certain type of  stone hand axe the ‘Luzon type’. ‘We three (Von Heine-Geldern, Beyer and Van Stein Callenfels, SH) being the only men in the world writing about these things and can fix the names.’ Despite his archaeological work being eclipsed by his prehistoric studies, he still published on archaeology, such as a study on the bas reliefs of Angkor Wat in Cambodia. In the latter publication his approach is most remarkable, as he evaluated various different interpretations of a certain relief from popular versions of the Ramayana in Java and Malaysia.

Internationale contacten.   Op Sumatra herkent hij in een vuistbijl onmiddellijk het Chelléen-type: het eerste prehistorische werktuig uit de archipel wordt door Van Stein Callenfels beschreven. Voorheen was prehistorisch onderzoek in Oost-Azië voornamelijk beperkt gebleven tot China (onder meer door Teilhard de Chardin), wanneer we het toen miskende pionierswerk van Eugène Dubois nabij Surakarta (Solo) — wat leidde tot de eerste vondst van de Homo erectus — even vergeten. Door zijn grote populariteit  weet Van Stein Callenfels vele leken te mobiliseren voor prehistorische ontdekkingen. Met lezingen weet hij zalen vol planters te trekken. Hij wordt de Public Relations van de Indische archeologie en prehistorie. Vanaf 1928 is hij waarnemend hoofd van de Oudheidkundige Dienst. Inspectiereizen behoren tot zijn vaste taak. Op Sumatra legt hij grote afstanden af per draagstoel (met acht in plaats van de gebruikelijke vier dragers) of op een doorgezakt paard. Na zijn terugkeer in Indië neemt zijn gewicht nog eens toe. In Medan schaft hij zich een bord aan met een doorsnede van een halve meter dat hem steeds zal vergezellen, want het Ambil lagi in de eethuisjes begint hem kennelijk te vervelen.     Steeds mee gaat hij zich toeleggen op het leggen van internationale contacten op het terrein van de prehistorie van Oost-Azië.  Het voert hem naar Mansioerije, de Filipijnen, Siam, Hong Kong, Ceylon, Japan, Indochina en Malakka. In Indië wordt zeer uitgebreid graafwerk opgezet op Java en Celebes. Op Java, in het ‘Ponorogo’sche’ , had hij bij het graafwerk een ploeg koelies te werk gesteld die slechts uitgerust waren met bamboekrabbertjes en kippenveren. Elliot Smith, de paus van de prehistorie in Europa, merkte bij zijn bezoek daaraan op dat hij nooit eerder prehistorisch onderzoek had meegemaakt dat in methodisch opzicht op zo’n hoog peil stond. Van Stein callenfels wordt de voornaamste motor achter het tot stand komen van driejaarlijkse congressen over de prehistorie van het Verre Oosten. Het eerste wordt in januari 1932 in Hanoi gehouden. De in de jaren twintig nog alom aangehangen theorie dat de Indische Archipel uitsluitend via het Maleise schiereiland is bevolkt, is voornamelijk door de activiteiten van Van Stein Callenfels inmiddels onhoudbaar gebleken. De continuïteit van prehistorische vondsten op Japan, de Filipijnen en Celebes brachten onomstotelijk het bestaan van een noordroute aan het licht. In 1933 bezoekt hij een congres in Londen waarover hij aan Otley Beyer van het Museum and Institute of Archaeology and Ethnology van de University of the Philippines schrijft: ‘At the congress in London nothing transpired. I am glad I visited it, because I met lot of real prehistorians  and in the evening had quiet talks with them…But at the congress itself most of the audiende consisted in old ladies and the lectures were according to their intellectual niveau.’ Hoe zeer e prehistorie van het Verre Oosten nog in de kinderschoenen stond bewijst een passage uit diezelfde brief waarin hij voorstelt een bepaald type vuitsbijl het Luzon-type te dopen: ‘We three (Von Heine-Geldern, Beyer en hijzelf, SH) being the only men in the world writing about these things and can fix the names.’ Hoewel zijn archeologisch werk inmiddels overschaduwd is door het prehistorische, publiceert hij nog geregeld op dit gebied. Zelfs de basreliëfs van Angkor Wat in Cambodja laat hij niet onbesproken. Zijn aanpak is opmerkelijk. Enkele interpretaties van een bepaald reliëf evalueert hij aan de hand van bestaande populaire versies van de Ramayana op Java en in Maleisië.

Stein-05-870bQueer personality.  Van Stein Callenfels……   (to be continued)

Bizarre persoonlijkheid.    Aan het schrijven van een afrondend hoofdstuk is hij nooit toegekomen. Toen hij in 1938 naar Europa vertrok had hij zeker zo’n werk op zijn programma staan. Tijdens een stopover op Ceylon sterft hij aan een hartaanval. Na zijn dood verschijnen er verschillende gedenkschriften over hem. In het Algemeen Handelsblad wordt hij ‘de vriend der Javanen’ genoemd, in het Handelsblad een ‘onvermoeid strijder voor de oudheidkunde op Java’ en de ‘grondvester van de wetenschappelijke beoefening der paehistorie in Nederlandsch-Indië’. Zijn omvangrijke kennis van de gedachtenwereld der Javanen wordt geprezen en natuurlijk komt zijn bizarre persoonlijkheid ook aan bod, die kan worden samengevat met de woorden van Katz: ‘even goedhartig als opvliegend’. De moderne lezer, hunkerend naar dieper gravende psychologische verklaringen, zal in de vele lofredes vergeefs zoeken naar gegevens die meer inzicht geven in de bizarre persoonlijkheid van de Maastrichtenaar. Zelfs biograaf B. D. Swanenburg, die zijn werk toch overladen heeft met ‘Van Stein’s’ wilde streken en ander anecdotisch materiaal, komt niet veel verder dan hem met een eeuwige puber te vergelijken.  Zijn grappen, zijn schuchterheid ten opzichte van vrouwen en zijn verering van sommigen, zijn aanbidding van de alcohol en de maniakalwe wijze  waarop hij zich inzet voor de archeologie en prehistorie en ook de ijver waarmee hij tot aan zijn dood postzegels verzamelt zouden daarmee verklaard zijn. Ook medische gezien blijft Van Stein Callenfels een raadsel. Ondanks zijn enorm drankgebruik en zijn even exorbitante eetgewoonten, het dagelijks gebruik van zo’n honderd zware sigaretten (na kennismaking daarmee op de Filipijnen rookt hij nog slechts de allerzwaarste ‘matamis’) en zijn voornamelijk reizend bestaan door de tropische hitte, werd hij toch nog 54 jaar oud, zonder dat zijn fenomenaal geheugen hem ooit in de steek had gelaten. Zijn bizarre natuur vertoont de nodige overeenkomsten met de zo geliefde figuur van Semar, een van de panakawan-figuren uit de wayang purwa. Wannneer hij in 1919 op een congres in Solo daarover een lezing houdt, schetst hij hun karakter als volgt: ‘Dat blijkt dan zeer gecompliceerd te zijn en zich te laten splitsen in dat van drie afzonderlijke persoonlijkheden. In de eerste plaats (…) noem ik dan hun rol van clown, grappen verkopend, die voor een meer gekuiste smaak niet altijd door de beugel kunnen, volgens de officiële handleiding voor de wajangvertonerskunst dan ook niet mogen voorkomen, maar desniettegestaande bij bijna elke wajangvoorstelling, zowel in de dessa als bij de hogergeplaatsten, ten gehore worden gebracht tot opvrolijking van de minder ontwikkelden.’ Hij voegt eraan toe: ‘Deze minder fraaie zijde van onze vrienden kunnen wij gevoeglijk verder laten rusten.’     ‘In de tweede plaats vertegenwoordigen de panakawans het alledaage gezonde verstand , in tegenstelling tot de dikwijls meer idealistische, doch minder practische opvattingen van hun meesters. Als zodanig zijn zij zeer geschikt om door middel van hun grappen de vertoner gelegenheid te bieden  aan de wajang opvoedende krcht te geven.’ ‘In de derde en voornaamste plaats komt dan het goddelijke in hun karakter (…) Vooral in Semar, die de oudste der panakawans is, treedt dit karakter soms sterk op de voorgrond.’     Dr Hazeu had in zijn proefschrift er ooit op gewezen dat men in Semar een rudiment van Oer-Javaanse voorouderdienst moet zien. Van Stein Callenfels gaat in zijn lezing een stap verder door te opperen dat Semar als één van de Oer-Javaanse goden gezien kan worden. Hij wijst erop dat de Javanen Semar nog steeds beschouwen als een incarnatie van Bata Maya, een godheid die behoort  tot een oudere generatie dan de oppergod Batara Guru. ‘Als zodanig bezit hij dan ook in vele opzichten een grotere kennis en macht  dan de in de lakons optredende goden en helden.’     In een bekend verhaal waarin ter sprake komt wat er vóór dit heelal bestond, weet zelfs de oppergod het antwoord niet, maar Semar is wel op de hoogte. Ook het feit dat Semar door een bezwering in staat is de Pandawa’s doorgang te verschaffen tussen de rotsen die als schepping tussen hemel en aarde zijn opgesteld, blijkt dat Semar ouder is dan het nu bestaande. Voor de Javaan is Semar het duistere, donkere, het ongeregelde, de chaos.

© SJON HAUSER: text

Sources. The above story is based upon two articles I had written about Van Stein Callenfels in the 1980s:  De legende Van Stein Callenfels, Onze Wereld, January 1984: 42-45, and  Waar Van Stein Callenfels kwam, sloeg de verbijstering toe, Kijk, July 1987:  39-42. Other sources consulted:       B. D. Swanenburg, Iwan de Verschrikkelijke – Leven en werken van dr. P. V. van Stein Callenfels. Leiter Nypels, Maastricht, 1951.   ♦   F. D. K. Bosch. In Memoriam Dr. P. V. van Stein Callenfels. Tijdschrift voor Ind. Taal- Land- en Volkenkunde, Jrg 1938, afl. 4.    H. O. Beyer, A Tribute to Van Stein Callenfels. Manila, 1951.     P. V. van Stein Callenfels. De Sudamala in de Hindu-Javaansche Kunst. Nijhoff, Den Haag, 1925; ——Le Marriage de Draupadi. Bull. de l’Ecole Franc. d’Extrême-Orient, t. XXXIII, 1933, fasc.1; —— (met L. van Vuuren) Bijdrage tot de Topografie van de residentie Soerabaia in de 14de eeuw. FOCO, Tijdschrift v.h. Ned. Aardrijksk. Genoots., 2e reeks, dl. XLI. no.1., 1924: 67-81.       ***  The pictures are from the work of B. D. Swanenburg.

Bronnen. Bovenstaand verhaal is een bewerking van twee verhalen die ik eerder over Van Stein Callenfels heb geschreven:   ♦ De legende Van Stein Callenfels, Onze Wereld, januari 1984: 42-45 en Waar Van Stein Callenfels kwam, sloeg de verbijstering toe, Kijk, juli 1987:  39-42. Andere bronnen waarop het gebaseerd is zijn:   B. D. Swanenburg, Iwan de Verschrikkelijke – Leven en werken van dr. P. V. van Stein Callenfels. Leiter Nypels, Maastricht, 1951.   F. D. K. Bosch. In Memoriam Dr. P. V. van Stein Callenfels. Tijdschrift voor Ind. Taal- Land- en Volkenkunde, Jrg 1938, afl. 4.    H. O. Beyer, A Tribute to Van Stein Callenfels. Manila, 1951.    ♦  P. V. van Stein Callenfels. De Sudamala in de Hindu-Javaansche Kunst. Nijhoff, Den Haag, 1925. ——Le Marriage de Draupadi. Bull. de l’Ecole Franc. d’Extrême-Orient, t. XXXIII, 1933, fasc.1; —— (met L. van Vuuren) Bijdrage tot de Topografie van de residentie Soerabaia in de 14de eeuw. FOCO, Tijdschrift v.h. Ned. Aardrijksk. Genoots., 2e reeks, dl. XLI. no.1., 1924: 67-81.    *** De foto’s zijn overgenomen uit het genoemde werk van B. D. Swanenburg.