Theo Hauser, voetballen, vissen, samen met Hedwig op pad

 

Theo Hauser op 90-jarige leeftijd.Theo Hauser (1917-2011)

Liefde voor de natuur, voetballen, vissen, samen met Hedwig de wereld verkennen en altijd hartelijk

JEUGD IN LIMBURG

Theo Hauser werd op 5 februari 1917 geboren in Blerick, een plaats in Noord-Limburg gelegen op de westoever van de Maas.
Destijds behoorde het tot de gemeente Maasbree, maar later is het  bij de gemeente Venlo gevoegd— Venlo ligt tegenover Blerick op de oostoever van de rivier.

De Eerste Wereldoorlog teisterde Europa. Nederland was gemobiliseerd, maar het verschrikkelijke oorlogsgeweld bleef buiten haar grenzen.

In januari en februari dat jaar vroor het  dat het kraakte. Bij Venlo liepen de mensen over de Maas, die nog niet was gekanaliseerd, maar met een dikke laag ijs bedekt.

Tot Theo’s zeventiende jaar woonden de Hausers op verschillende adressen in Limburg (Blerick, Venlo en Sittard-Geleen), slechts onderbroken door een periode in Elst.

De Hausers vormden naar de maatstaven van die tijd en de streek een klein gezin. Ze waren maar met zijn vijven: vader Sjaak, moeder Lies (een Hermans), Theo en zijn zusje Toos (geboren in 1920) en broertje Bob (geboren in 1923).

Ze waren thuis katholiek, maar beslist niet streng gelovig.

Vooral vader Sjaak kon zich regelmatig ergeren aan het katholieke fanatisme en de intolerantie van anderen.

Op een dag kwam Theo van school en zong een liedje:

Protestantse apen

Zijn niet geschapen

Die komen niet van God

Maar horen bij de Duivel

In de pispot

Sjaak was woest: ‘Waar hebben ze je dat geleerd?’ Toen Theo vertelde dat ze dat in de klas met de de nonnen hadden gezongen, fietste zijn vader witheet meteen naar het klooster om ze ter verantwoording op te roepen.

Theo's vader, Sjaak Hauser

Theo’s vader, Sjaak Hauser.

Theo's moeder Lies

Theo’s moeder Lies.

De kerk zou Theo niets van blijvende waarde meegeven, van de christelijke boodschap was er weinig dat indruk op hem maakte — hij vond het vooral wartaal.

Het versje Lieve Jezus, voor ons gestorven/Hij grootmoedig zonder end had hij dan ook jarenlang verkeerd verstaan: wat had een ‘grootmoeder zonder hemd’ nou met god uit te staan.

Wél veel indruk maakte de natuur. Als kind was Theo ervan bezeten. De omgeving had dan ook van alles te bieden. Aan de rand van Venlo begonnen talloze heidegebieden, zoals de Grote Heide, de Venloër Heide en de Jammerdaalsche Heide, rijk aan adders en ander gebroed. Ten noordwesten van Venlo strekte zich de Peel uit.

Een van zijn woonadressen in Venlo dat vaak in zijn herinneringen terugkeerde was het huis aan de straat de ‘Vier Paardjes’. Dat lag pal aan het spoor, waar de lijn naar Kaldenkirchen (5 km ten oosten van Venlo in Duitsland) zich aftakte van de lijn naar Roermond. Vanuit het huis keek je uit over de spoorwegovergangen over de beide lijnen. Het spoor naar Kaldenkirchen klom wat verder een heuvel op. Daardoor reden de treinen er soms zo langzaam dat je erop kon springen. Dat heeft Theo talloze keren gedaan. Op het hoogste punt, in Duitsland, sprong hij er dan weer af om terug te lopen. Vanaf die woning was het niet ver naar de Onderste en Bovenste Molen, twee watermolens gelegen aan de glasheldere Molenbeek, vlak bij de Jammerdaalsche Heide. Theo’s favoriete nichtje Mia woonde bij een van die molens. Theo kwam er  vaak om te spelen. Mia (Mieke) haalt in 2009 in een ‘afscheidsgedicht’ in Venlo’s dialect de herinnering daaraan op:

Leefe Theo, Wetse nog? Ik waal! Veur d’n oorlog Same pannestertjes vissen Aan Baoveste Meule Same beej de Underste Meule Op de Zandberg speule.

Van de Limburgse natuur bekoorde het water Theo het meest: de Maas en de vele poelen en beken. Liggend op zijn buik tuurde hij bijna eindeloos naar de krioelende beestjes in een beek. De beelden van de Limburgse natuur kon Theo zich tot in de laatste dagen van zijn leven moeiteloos en haarscherp voor de geest halen. Ins Blaue hinein kon hij lyrisch worden over de rijkdom aan leven — biodiversiteit zeggen we tegenwoordig — in een beekje. De wondermooie Cötelbeek bij Sittard-Geleen werd een soort leidmotief in zijn uitvoerige relazen over hoe de natuur er vroeger uitzag. Waar de Everlose beek onder het viaduct van het spoor van Venlo naar Eindhoven liep, was deze tamelijk breed en was de natuur schitterend. Er kwamen dassen voor. Op een dag zag Theo er een aantal nog jonge snoeken in een rij in het water staan — een beeld dat voor altijd in zijn geheugen werd gegrift.

Op alvers vissen in de Maas — onvergetelijk Waar Theo’s vader werkte, bij de Nederlandse Spoorwegen, stonden altijd paarden van Van Gend & Loos. Af en toe ging Theo er heen om wat haren uit de staart van de dieren te trekken. Die werden je snoer. En die knoopte je aan een stok, dat was de hengel. Daarmee liep je naar de Maas. Aan het haakje deed je een made, of een stukje bloed dat in de asla van het fornuis had gelegen, taai spul waar vissen gek op waren. Bij hoog water stonden de wilgen in het water van de rivier. Tussen de wilgen liep je door het ondiepe water en legde in. Onvergetelijke beelden, de Maas was zo prachtig…. Je had al gauw beet want bovenin het water wemelde het van de azende alvers, een soort kleine haringen, gulzige beestjes, want in een stukje ventielslang beten ze net zo goed — zo ontdekte Theo later. Thuis werden de schubben van de visjes afgekrabd, dat ging heel makkelijk, en werden ze opengesneden en gebakken. Heerlijk!

Limburgse natuur: een holle weg bij Sittard.

Een holle weg bij Sittard (2002) met Theo’s dochter Bepke (1946-2004).

De liefde voor de natuur had hij meegekregen van zijn vader Sjaak, een veelzijdig man en onder meer een enthousiast sportvisser. Bij de Hausers domineerden wel vaak de praktische kanten van de belangstelling  voor de natuur: vissen (en stropen) zat de familie in het bloed. Ze waren niet rijk, maar er stond altijd wel vis of vlees op tafel. Lies hoefde zelden of nooit naar de slager te gaan. Naast een gestadige aanvoer van verse vis werd er met regelmaat een gestrikte haas gebracht. En soms was de gestroopte reebout zo overvloedig dat Lies het vlees moest inmaken als zult.

Theo was een gezonde en sterke jongen, maar had één handicap: zeer slechte ogen. Daar kwam men al snel op de lagere school achter en sindsdien droeg de jongen een bril met sterke glazen.

Vader Sjaak werkte als ladingmeester bij de spoorwegen. Daardoor konden de Hausers goedkoop reizen. En daardoor hadden ze vrijwel altijd een hond als huisdier. Wanneer mensen van hun hond af wilden, gooiden ze die vaak in of op een spoorwagon. Vader Sjaak ontfermde zich over deze dieren wanneer die op het rangeerterrein werden ontdekt.

Elst

Sjaak kreeg verschillende keren de taak ergens een nieuw rangeerterrein op poten te zetten. Dat was de reden dat de Hausers naar Elst verhuisden. Theo was toen ongeveer tien jaar oud. Hun eerste woning stond daar direct aan het spoor. Elst was niet het saaie stadje van nu, maar bruiste van het leven dankzij een enorme veemarkt en groenteveiling. De omgeving was beroemd om zijn kersenboomgaarden en in de kersentijd kregen de kinderen er vrij van school om de spreeuwen uit de bomen te jagen.

In de omgeving was een overdaad aan mooi viswater. Eén bijzondere vangst zou Theo nooit vergeten. Hij liep met zijn vader langs een sloot en ze zagen aan de overkant een kanjer van een snoek in het water staan. Sjaak had een strik van koperdraad bij zich en liep meteen naar een bruggetje om bij de snoek te komen. Vanwege het hoge riet kon hij de vis er niet meer zien, maar de kleine Theo had er vanaf de andere oever wel goed zicht op. Vandaar gaf de jongen instructies aan zijn vader, die de strik over het riet in het water gooide: ‘Iets laten zakken…wat meer naar links…nu zit ie vrijwel recht voor de bek…’ Er hing een moordende spanning. De snoek had nog niets in de gaten. ‘Zo houden..nu verder naar links…ietsjes hoger…hij zit al achter de kop…’ Sjaak trok de strik met een ruk aan en de vis zat vast en kon naar de kant worden getrokken, dankzij het perfecte teamwerk tussen vader en zoon.

Sittard

De middelbare school (rooms-katholieke MULO) doorliep Theo in Sittard. Theo’s leraar Duits, meneer Schmidt, was een inspiratiebron. Net als zijn vriend Toon was Theo goed in Duits. Ze raakten zeer vertrouwd met de Duitse literatuur. Heinrich Heine werd hun favoriete dichter. Op een klassenavond droegen Theo en Toon samen een humoristische, toegetakelde versie van de Nederlandse vertaling van Heines Die Grenadiere voor. Toon zou later met dit soort grappig gegoochel met woorden zijn brood verdienen en een beroemd komiek worden: Toon Hermans heette hij, maar hij was geen naaste familie van moeder Lies Hermans.

Als zovele artistieke jongens (hij kon ook geweldig tekenen) was Toon geen groot sportbeoefenaar. Theo was dat wel: een goede, snelle voetballer met een hard schot. Een andere vriend van de Hausers was pater Jacques Schreurs (1893-1966), in de streek bekend als dichter en schrijver en regisseur van toneelstukken.  (De in de jaren zeventig razend populaire TV-serie Dagboek van een herdershond was gebaseerd op de driedelige roman Kroniek eener parochie van de pater.) Misschien waren Jacques Schreur en Sjaak Hauser (de laatste ook actief in toneelverenigingen) door toneel met elkaar in contact gekomen en kenden ze elkaar al uit Venlo. In het aangrenzende Tegelen regisseerde de pater jaarlijks de Passiespelen. In elk geval trok Theo als middelbaar scholier nogal eens met de in een klooster in Stein wonende , meer dan twintig jaar oudere geestelijke op: samen fietsten ze door het Limburgse landschap waar ze beiden zo veel van hielden. ‘Schreurs’ poëzie zou niet bestaan zonder het Limburgse landschap als inspiratiebron’, schrijft Menno ter Braak later in een bespreking van Schreurs’ bundel Het lied van de sluier (1940) die ‘soms aan Gorters Mei herinnert’ en ‘voortdurend boeit’.

In 1935 verhuisden de Hausers naar Helmond — Theo met het MULO A-diploma op zak.

 

Theo (links) met zus Toos en broer Bob.Helmond

Helmond was een goor industriestadje en Theo had er geen goed woord voor over.  Er waren echte armenwijken. De Aa, een beek afkomstig uit de Peel, stroomde met helder water de stad binnen en verliet deze weer sterk vervuild door de afvalstoffen van de industrie (de textielfabriek van Fentener van Vlissingen, een van de rijkste industriëlen van Nederland, was de grootste boosdoener). Maar de omgeving was prachtig.

Werk was er in de crisisjaren nauwelijks, maar Theo fietste de omgeving af om op het platteland kippen met een gebrek op te kopen — dat was werk dat hem goed lag en het bracht hem vaak in de vrije natuur.

Bij Helmondia kwam zijn voetbaltalent als 17-jarige volledig tot bloei. Hij stond al gauw in de basis van het eerste elftal, als midvoor (nu: spits). Hij was een echte goaltjesdief: kreeg hij de bal in de buurt van het doel voor zijn voeten dan aarzelde hij doorgaans geen moment om op doel te knallen — en vaak was het raak. Een hoogtepunt was een wedstrijd waarin de tegenstander met 7-0 werd afgedroogd. Theo scoorde alle zeven doelpunten. Toen de wedstrijd was afgelopen stapte een toeschouwer — mogelijk een van de rijke industriëlen die de club sponsorden — op hem af en stopte hem iets toe. Pas in de kleedkamer durfde Theo te kijken wat hij had gekregen: het waren vijf gouden tientjes.

 

De Zwanenburgwal in Amsterdam.Amsterdam

In 1935 verhuisden de Hausers naar Amsterdam, opnieuw in verband met het werk van Sjaak. Het bruisende leven in de hoofdstad en de sublieme architectuur aan de grachten waren een openbaring voor Theo.

Ze kwamen te wonen op een van de mooiste plekjes van de stad: op de Zwanenburgwal (nr. 92), middenin een wijk met een grote Joodse gemeenschap. Het was ook een bloeiende rosse buurt.

In Amsterdam verveelde Theo zich geen moment. Het was een wonder dat hij middenin de economische crisis er binnen enkele dagen een baan had gevonden: als magazijn- en kantoorbediende bij Formosa, het gerenommeerde restaurant van Albert Heijn.

Theo was ook in trek bij de Amsterdamse meisjes die vaak heel wat vrijer waren dan die van beneden de Grote Rivieren. Al gauw werd hij door een meid van de zaak, wat ouder dan hij, op een uitje getrakteerd. Maar zijn eerste ‘vaste verkering’ in de hoofdstad was de dochter van een binnenschipper van wie de boot aan de overkant van het IJ lag.

Met het vinden van een meisje had Theo weinig moeite. Zijn jongere zus Toos herinnert zich dat het een paar keer was voorgevallen dat ze met een vriendin thuiskwam en dat het niet lang duurde of Theo ging met dat meisje aan de haal. De prostituees in de buurt lonkten aanvankelijk veel naar hem, totdat ze begrepen dat hij in de straat woonde. Het gebeurde overigens regelmatig dat de politie invallen deed om prostituees op te pakken. Die maakten dan dat ze wegkwamen en soms verscholen ze zich in het trapportaal bij de Hausers. Moeder Lies was het minst gecharmeerd van het wervelende leven in de hoofdstad. Behalve dat ze zo nu en dan een boodschap in de buurt deed, zat ze voornamelijk thuis.

Vissen vond Theo minstens zo leuk als de meisjes. De Zwanenburgwal pal voor de woning was al een prima visstek. Vanwege de enorme werkloosheid onder de binnenschippers lagen de dekschuiten twee rijen dik in de gracht (in de Amstel zelfs vier rijen dik). Vanaf die boten kon je met een vaste hengel middenin de gracht inleggen. Buiten de stad waren ook geweldig mooie viswaters; het Gein en de Vinkeveense Plassen behoorden tot Theo’s favoriete plekken.

De baan bij Formosa was een uitstekende leerschool op het gebied van de logistiek. Theo kreeg er een interne opleiding waarvan hij  later nog veel profijt zou hebben. Na anderhalf jaar verliet hij de zaak om vanaf 1 februari 1937 bij de firma J. Trompetter in de Sarphatistraat (op nr. 74) als magazijnchef te werken. Trompetter was een groothandel in leder, rubber en schoenfournituren. Het was een Joods bedrijf en de meeste werknemers waren ook joods. In die dagen werkten er vele honderden, misschien wel een paar duizend schoenmakers in Amsterdam waaraan firma’s als Trompetter de materialen leverden. Schoenmaker betekende nog letterlijk ‘schoenen maken’ en pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er het klad in dit métier en werden de schoenmakers vooral schoenreparateurs.

In de eerste zin van Nescio’s bekende verhaal De uitvreter wordt de ‘man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond’ een hoogst zonderlinge kerel genoemd, wat suggereert dat de straat in Nescio’s dagen alles behalve mooi was. Maar toen Theo er dertig jaar later werkte lag de straat in een bedrijvige buurt die niet zonder sfeer was, niet ver van de Weesperstraat, het hart de Joodse wijk. Vanuit de zaak keek je uit op de Weesperzijde.

Theo Hauser ca. 19 jaar oud.

Theo Hauser ca. 19 jaar oud.

In Amsterdam voetbalde Theo in de Watergraafsmeer, aanvankelijk bij Zeeburgia, maar weldra werd hij overgehaald bij OVVO te gaan spelen.  De velden van OVVO lagen in die dagen bij de huidige Jaap Edenbaan. Als midvoor die kanonskogels kon produceren was hij onmisbaar in het eerste elftal. Aan trainen had hij een hekel — vissen was beslist leuker — maar hij kon het zich permitteren regelmatig verstek te laten gaan.

Andere hobby’s waren een biljartje leggen in een café, vaak samen met zijn vriend  Corrie Snikkenburg, een schoenmaker die in een lager elftal van OVVO voetbalde. Corrie was een handige jongen die het voor elkaar kreeg dat ze zonder te betalen Hotel Krasnapolski aan de Dam binnenkwamen om belangrijke bokswedstrijden te zien.  Hij wist ook hoe je met een roeiboot aan de achterkant van het Ajax Stadion kwam en de controleurs kon omkopen, zodat je er voor vrijwel niets een staanplaats had.

Theo bezocht ook regelmatig de culturele evenementen in de stad. Hij was vooral een groot liefhebber van opera, net als Mery, zijn laatste vaste verkering in Amsterdam. Als het maar even kon investeerden ze in een nieuwe grammofoonplaat. Ze gingen ook vaak naar de bioscoop. Het was in die dagen dat Theo op een dag een affiche zag hangen waarin een optreden van zijn vroegere schoolvriend Toon Hermans werd aangekondigd — deze was inmiddels in de leer geweest bij Louis Davids (‘Naar de bollen’).

De Hausers verhuisden van de Zwanenburgwal naar de Nieuwe Prinsengracht, maar belandden uiteindelijk in de Atjehstraat in de Indische Buurt.

Tweede Wereldoorlog

De oorlog bracht grote veranderingen. De Trompetters doken vanaf juli 1942 in het oosten van het land onder. Vanaf 15 juli dat jaar vonden de eerste jodentransporten plaats, per spoor. Theo werd de zaakwaarnemer van de firma. Een joodse employee werd naar Westerbork gedeporteerd waar Theo hem nog een paar keer zou opzoeken. De zaak kwam onder strenge controle van een Duitser, de SS-er Falck, een mank lopende oudere man. De razzia’s waarbij joden werden gearresteerd waren in volle gang. Een keer bevonden Falck en Theo zich in het souterrain van de zaak. Van daaruit zagen ze in de Sarphatistraat een jodentransport. Een man probeerde te ontsnappen. Hij werd echter onmiddellijk weer door de nazi’s gegrepen en uiterst hardhandig aangepakt en over de straat gesleept. Theo kon het niet nalaten tegen Falck daarover een opmerking te maken: ‘Zo, op deze manier willen jullie dus een Groot Europa maken?’

Hij was al eens gewaarschuwd voor deze Falck en hem was aangeraden zich tegenover de Duitser gedeisd te houden. Een paar dagen later werd Theo opgeroepen om zich voor de Arbeitseinsatz te melden. Aldus Theo in 2010. In een veel eerder gesprek (1995) had hij echter aan de orde gebracht dat Falck en diens Nederlandse assistent, ene Hess of Hes, een NSB-er uit Venlo, steeds om geld vroegen (Theo beheerde de bankrekening van de firma om o.a. nog salarissen te kunnen uitbetalen). Omdat de controleurs steeds meer geld wilden, ging Theo te raad bij de bank. Deze adviseerde hem te stoppen de smeergelden te betalen. De volgende keer dat hij het tweetal op bezoek kreeg deelde hij ze dan ook mee dat hij ze niet meer kon betalen. Kort daarop kreeg hij de oproep voor de Arbeitseinsatz. Dat was in november 1942, Theo was toen 25 jaar oud.

Treinkaartje en andere papieren lagen al voor hem klaar. Hij zou te werk worden gesteld in een fabriek in Moers, aan de Rijn tegenover Duisburg.

De reis ging via Venlo. Daar stapte Theo uit om een paar dagen bij familie te logeren en om aan Oom Jeu (de oudste broer van zijn moeder) te vragen of hij in Duitsland voor hem kon werken.  Jeu had er een groothandel en importbedrijf van groente en beschikte over goede contacten bij de nazi’s.

Een paar dagen later stapte Theo weer op de trein naar Duitsland, maar hij werd er door de controleurs onmiddellijk tussenuit gehaald. In plaats van naar de fabriek in Meurs werd hij gebracht naar het strafkamp Kalk bij Keulen, op de oostoever van de Rijn. De meeste gevangenen kwamen  uit Oost-Europa. Er zaten veel jonge jongens, zoals een groep Tjechische scholieren. Het waren nog kinderen, veertien tot zestien jaar. Ze waren gezamenlijk gedeporteerd uit een Tjechisch plaatsje. Op een schoolmuur had iemand een anti-Duitse leuze geschreven. De Duitsers wilden weten wie en toen niemand zich meldde stelden ze een ultimatum voor de aangifte van de dader. Maar die werd door niemand verraden. Uit pure frustratie werd daarom de halve school opgepakt en weggevoerd.

Vader was de oudste in zijn barak en omdat hij vloeiend Duits sprak kwamen de gevangen vaak met problemen naar hem toe. De bewakers waren geen SS-ers, maar ‘gewone Duitsers’ — niettemin hadden velen een echte nazi-mentaliteit. Behalve dat ze stom waren (‘Eentje maakte steeds fouten met de naamvallen en toen ik er wat van zei werd die nijdig op me!’), waren ze wreed. Dat bleek toen een van de Tjechische jongens wilde ontsnappen en in de rollen prikkeldraad bleef hangen: hij werd er zo ruw uit losgetrokken dat hij flink gewond raakte en werd daarna ‘in elkaar gehengst’. Kakken deed je in het kamp in een soort goot. Theo was meerdere keren belast met het schoonmaken ervan, smerig werk waarbij je tot je enkels in de stront stond.

Düsseldorf
Na een half jaar, in mei 1943, kwam hij dankzij de bemiddeling van zijn oom Jeu vrij uit het kamp en kon hij voor diens groentebedrijf werken. Meestal ging het om werk op de Großmarkt in het noorden van de Düsseldorf, maar soms moest hij helpen partijen groente op te halen en één keer belandde hij daarvoor zelfs in Boedapest. Hij woonde de meeste tijd in bij de Bockemülls in Unterrath, niet ver van de Großmarkt. De Bockemülls waren een ouder echtpaar dat zelf geen kinderen had en ze koesterden de Nederlandse ‘dwangerbeider’ of het hun eigen zoon was. Herr Bockemüll was een socialist met een driftig karakter  en  een enorme hekel aan de nazi’s. Frau Bockemüll was ooit kokkin geweest en kende de geheimen van het lekker koken tot in de finesses. Nergens had Theo zo lekker gegeten als bij de Bockemülls, zoals hutspot met Hammelfleisch (vlees van een ram).

Dusseldorf aan de Rijn

De Rijn bij Düsseldorf.

Nabij Unterrath was veel industrie gevestigd die van groot belang was voor de oorlogsvoering, zoals Rheinmetall en Mannesmann in de wijk Derendorf,  iets ten zuiden van Unterrath. Bij Rheinmetall werden de Duitse Panther- en Tiger-tanks geproduceerd.

‘s Nachts werden de nieuwe tanks per spoor naar hun bestemming vervoerd. Derendorf was dan ook vaak het doelwit van geallieerde bombardementen. Unterrath lag ook vlak bij een vliegveld vanwaar Duitse jagers opstegen om de bommenwerpers vanuit de lucht aan te vallen.

Een bombardement was een beangstigend spel van licht en oorverdovend lawaai. Bob, de broer van Theo, was er in Düsseldorf ook getuige van. Hij was voor de Arbeitseinsatz op weg naar Potsdam (bij Berlijn) en had Theo in Düsseldorf opgezocht. Op een nacht was een tiental bommenwerpers  neergehaald en het spektakel had grote indruk op Bob gemaakt.

Bombardementen Van Theo’s oorlogservaringen waren de voortdurende bombardementen van  Düsseldorf wel het verschrikkelijkst. Zowel zijn thuis, de woning van Bockemühl, als zijn werk, de Großmarkt, lagen dichtbij Derendorf, dat vanwege de zware industrie vaak doelwit was. Meestal werd de komst van bommenwerpers al lang van tevoren aangekondigd en er bestonden verschillende soorten alarm al naar gelang de nabijheid van de bedreiging. Met groot alarm voor ‘acuut gevaar’ moest je echt wel zorgen snel in een schuilkelder te zitten. Een enkele keer werd men toch verrast. Op een dag in september of oktober 1944 was Theo in gezelschap van een Franse dwangarbeider die plotseling naar de lucht wees. In de hemel was een eskadron dat in een zeer dichte formatie vloog al bezig met een tapijtbombardement — de bommen vielen al uit de geopende luiken. De twee wisten nog net op tijd een schuilkelder te bereiken. Waarschijnlijk was de oorlogsindustrie van Rheinmetall het doelwit, maar de nabijgelegen markthallen van de Großmarkt werden zwaar getroffen. Vele paarden van de wagens voor de groenteaanvoer werden gedood. Onder de burgers waren nauwelijks slachtoffers gevallen omdat men daar op tijd was gewaarschuwd. Dagenlang was Düsseldorf in een nevel van betonstof gehuld. Wanneer er een eskadron bommenwerpers boven de stad was, werden de vliegtuigen meteen in de lichtbundels van enorme schijnwerpers ‘gevangen’ en begon de Flak (afweergeschut) erop te schieten. Tegelijkertijd stegen er Duitse jagers op die vanwege het schrille geluid dat ze maakten ‘fliegende Sauen’ (vliegende varkens) werden genoemd. Ze vlogen meteen op de bommenwerpers af om er van dichtbij op te vuren en ze waren tamelijk effectief in het neerhalen van de Vliegende Forten en andere bommenwerpers. Op 4 november 1944 werd Düsseldorf door 1100 vliegtuigen bestookt, het was de grootschaligste luchtaanval op een stad die er tot dat moment was geweest. Het centrum werd ‘ausradiert’ (weggevaagd). Theo was kort ervoor opgepakt en zat voor de tweede keer in een kamp. Voor hem was het bombardement zijn redding, want door de chaos kon hij ontsnappen. De Mosquitoes van de geallieerden werden door de Duitsers ‘Schnellbombers’ genoemd. Deze vrij kleine toestellen waren een soort kruising tussen een jager en een bommenwerper. Ze werden vaak laag vliegend gebruikt om specifieke doelen te treffen. Ook werd er vanuit die toestellen door boordschutters geschoten. Veel acties van de Mosquitoes en bommenwerpers hadden weinig met het treffen van industrie of strategische punten te maken. Ze dienden vooral om angst te zaaien en de bevolking te ontredderen.

De Kriegsliga. Waar het ook maar even kon speelde Theo voetbal. Dus ook in nazi-Duitsland, als ‘dwangarbeider’. Omdat zo’n beetje de helft van de jonge Duitsers als  soldaat aan het front of om andere redenen van huis was, bestond er een grote vraag naar buitenlanders om het tekort aan spelers aan te vullen. Theo was dan ook van harte welkom bij Lohausen, een club waarvan het veld dicht bij de hallen van de Großmarkt lag. Na er een aantal wedstrijden gespeeld te hebben werd hij benaderd door een bestuurslid van Unterrath en werd overgehaald bij die club te komen spelen. ‘Dus dat was heel leuk,’ vertelde Theo in 1995, ‘want ik kon dan gratis naar de kapper. Bovendien werd op voetbaldagen het eten altijd voor je betaald.’ Het veld van Unterrath was door gezellige houten tribunes omgeven en lag aan de Kittelbach, een zijriviertje van de Düssel. Meer dan de helft van de spelers bestond uit buitenlanders: veel Nederlanders, Belgen en Tjechen. Er was geen kleedkamer; daarvoor diende een ruimte die een caféhouder in de buurt beschikbaar stelde. Van het café liepen de spelers (en scheidsrechter) langs de beek naar het veld. Na afloop van een wedstrijd was een scheidsrechter een keer door ontevreden supporters in de beek gegooid. Het mooiste doelpunt van zijn leven maakte Theo terwijl hij voor Unterrath uitkwam, in een uitwedstrijd in Lintorf: ‘Ik stond met de rug naar het doel, kreeg de bal voor me en wist hem met een omhaal onhoudbaar in het net te trappen.’

Op de Großmarkt in Düsseldorf genoot Theo een tamelijk grote vrijheid. Maar de handel werd er zwaar gecontroleerd. Die ‘markteconomie’ met quota en bonnen functioneerde wonderlijk goed. Er werd dan ook meedogenloos toezicht op gehouden door een angstaanjagende man die zo’n groot hoofd met borstelwenkbrauwen had dat hij “de Neanderthaler” werd genoemd. (De bewoners van Düsseldorf waren vertrouwd met dit begrip, want de  ‘eerste’ fossiele resten van de als Neanderthaler bekend staande oermens waren in 1856 ontdekt in een afgraving in het dal van de Düssel, ten oosten van Düsseldorf, op een plek die Neanderthal genoemd werd.)  Het verschil met het gracieuze meisje dat er ook regelmatig kwam kon niet groter zijn: Hedwig Corneth heette ze en zij werd Theo’s toekomstige vrouw.

Hedwig Corneth, in 1940.

Hedwig Corneth in 1940.

Zestig jaar later schrijft hij een gedicht over de eerste keer dat hij haar zag:

April 1943, Großmarkt Düsseldorf

Daar kwam ze langzaam aangelopen

‘t Geroezemoes in de hal raakte op slag verstild

Wie denkt op zo’n moment nog aan verkopen

Ik zeker niet zelfs had ik het gewild.

En veel te vlug was ze in lichte tred

M’n stand voorbij en voor ik ‘t wist verdwenen

Maar in ‘n honderdste seconde zag ik nog net

Dat lief gezicht, die volle boezem en die slanke benen.

Ik kreeg haar toch

En nu na 60 jaren heb ik haar nog.

Hedwig was die eerste keer helemaal in het wit gestoken. Ze werkte bij een delicatessenzaak, Stebs, die ook groente verkocht. Ze deed vaak de inkopen voor de zaak op de Großmarkt. De volgende keer dat ze weer op de Großmarkt kwam bleef ze bij de stand van Theo staan. De eerste woorden die ze tot de Nederlander sprak waren: ‘Heeft u ook prei?’ Ze babbelden vervolgens over van alles en nog wat. Hedwig vertelde dat ze van zwemmen hield en Theo hield daar natuurlijk ook van. Ze maakten een afspraak om samen te gaan zwemmen in de Kettwiger Badeanstalt.

Daar zwommen ze een aantal keren, maar het plezier werd nogal eens vergald door het luchtalarm. Je had dan nauwelijks tijd om je aan te kleden en naar een schuilkelder te vluchten. Het zwembad lag in het centrum van Düsseldorf dat vaak werd bestookt door geallieerde bommenwerpers.

Theo stelde voor om te gaan zwemmen in een Bacherloch (klein meertje ontstaan door afgravingen) in het Kalkumer Wald aan de noordkant van de stad. Daar was het tamelijk veilig. Ze waren er de enigen en hier ontspon zich de romance verder. Maar zelfs in het bos werden ze geconfronteerd met de zware bombardementen. Op een dag viel er de zitting van een rotanstoel, een mat en ander licht spul uit de lucht, dat waarschijnlijk op de hete lucht van de vuurzeeën na een bombardement op Krefeld een hemelreis van ruim vijftien kilometer had gemaakt.

Onderduiken In oktober 1944 werd Theo gearresteerd. In het kamp waar hij naartoe werd gebracht bleek men alles van hem te weten, ook dat hij zich in Unterrath talloze keren in onvriendelijke termen over de nazi’s had uitgelaten.  Hij had het gevoel te zijn verraden, maar door wie? Soms had hij het gevoel dat een dienstmeisje bij Bockemull hem had aangegeven.

Het zag er niet goed voor hem uit. Maar tijdens  het zware bombardement van 4 november 1944 wist hij te ontsnappen. Eerst dook hij onder in een opbergruimte op de Großmarkt. Vervolgens probeerde hij naar Nederland te vluchten, lopend en liftend en met voortdurend het risico opgepakt te worden. Het was echter onmogelijk in de buurt van de grens te komen, al was een deel van Nederland al bevrijd. Terug in Düsseldorf wilde hij eerst afscheid nemen van Hedwig, die hij vele weken niet had gezien, om daarna een nieuwe poging te wagen. Hedwig bood Theo aan bij de Corneths onder te duiken. Haar ouders vonden dat heel vanzelfsprekend, vooral de woorden van Hedwigs moeder Aaltje zou Theo nooit vergeten: ‘Jij houdt toch ook wel van mij?’ De Corneths woonden in arbeiderswoning (halve woning) in de Dieselstraße in de wijk Flingern. Het souterrain was verdeeld in een aantal berghokken voor de verschillende gezinnen. In het hok van de Corneths sliep Theo op een bed van planken dat rustte op een dozijn jamblikken van tien liter. Er lagen ook stapels kleine boekjes van klassieke schrijvers opgeslagen, dus leesvoer was er voor hem genoeg. Maar het was er nooit helemaal rustig omdat de bewoners in de kelder kwamen wanneer ze de was gingen doen. Theo was doodsbenauwd voor het blokhoofd (wijkhoofd), een nazi die er ook regelmatig kwam. Natuurlijk zocht Hedwig hem er dagelijks verschillende keren op en bracht hem eten. Maar echt vrij was hij alleen tijdens een bombardement wanneer iedereen in de schuilkelder zat en hij zijn hok even uit kon komen. Van november 1944 tot de bevrijding, mei 1945, heeft Theo in de kelder doorgebracht.

Naoorlogse jaren

Theo en Hedwig met de kleine Beppie, voorjaar/zomer 1947, vlak bij hun woning aan de Van der Waalsstraat. Op de achtergrond het spoorwegemplacement van Watergraafsmeer.

Theo en Hedwig met de kleine Beppie, voorjaar/zomer 1947, vlak bij hun woning aan de Van der Waalsstraat. Op de achtergrond het spoorwegemplacement van Watergraafsmeer.

Het eerste dat Theo en Hedwig na de bevrijding deden was in het huwelijk te treden. Een andere grote daad vlak na de oorlog heeft Theo later tientallen keren verteld aan wie het maar wilde horen. In de wijk van Bockemull woonde een blokhoofd, van wie men vermoedde dat hij er een eind aan wilde maken. En gevreesd werd voor de mogelijkheid dat deze Herr Posen zijn twee kinderen, schatten van dochters, ook van kant zou maken. Theo stapte naar het huis van het blokhoofd en toen deze opendeed zij hij: ‘Herr Posen, bitte geben sie mir den Revolver.’ Zonder iets te zeggen overhandige Posen zijn revolver aan de Hollander. Het bleek vrijwel onmogelijk voor het jonge paar te zijn om Nederland binnen te komen. Nadat de eerste poging was mislukt keerden ze terug naar de puinhopen van Düsseldorf. Er was niks, iedereen had honger. ‘s Nachts ging Theo stropen en velden met eetbare gewassen plunderen. Later sloopte hij koperen onderdelen uit vernietigde tanks die overal in en rond de stad te vinden waren. Het koper bracht nog wel aardig wat op bij de opkopers. Ook bracht hij Nederlanders, vaak met hun Duitse vrouw, veilig over de grens naar Venlo. Hij wist de plekken waar je het best de versperringen van rollen prikkeldraad kon passeren en was bewapend met een speciale tang om het draad door te knippen. Maar Theo en Hedwig arriveerden zelf pas in november 1945 in Amsterdam. In totaal was Theo dus drie jaar  in Duitsland geweest.

Amsterdam
Amsterdam maakte een grote indruk op Hedwig, zoals de stad dat tien jaar eerder had gedaan op Theo. Ze verbleven eerst enige tijd in de Atjehstraat in de Indische buurt, daarna verhuisden ze naar de Watergraafsmeer waar ze aan de Van der Waalsstraat een woning deelden met Theo’s zuster Toos, die inmiddels getrouwd was met Piet Romeijn. De echtparen kregen weldra elk een dochtertje, de Hausers Beppie (december 1946), de Romeijns Rina ( juni 1947).

Hedwig (in Nederland meestal Heddy genoemd) worstelde met het zich meester maken van de moeilijke klanken van het Nederlands en werd later vooral door de huishoudelijke verplichtingen en het verzorgen van de kinderen in beslag genomen.

Gedurende de eerste naoorlogse jaren hadden veel Nederlanders sterke anti-Duitse gevoelens. Gelukkig wist Hedwig potentiële vijandigheid met haar grote charme te pareren. Maar de Trompetters, die de oorlog hadden overleefd op een onderduikadres, konden het niet verkroppen dat Theo met een Duitse vrouw naar Nederland was teruggekomen. Niettemin wilde zijn voormalige baas nog wel een goed getuigschrift voor hem opstellen.

Aanbevelingsbrief van Trompetter.

Een goed woordje voor Theo van zijn vooroorlogse werkgever Trompetter.

Theo’s eerste echte baan na de oorlog was op het belastingkantoor aan de Singel (hoek Raadhuisstraat), op de plaats van het latere kantoor van de gemeentegiro. Deze werd echter al gauw verruild voor de positie van  beheerder van de magazijnen van EFA-Produka, een fabrikant van electrische huishoudelijke apparaten (zoals stofzuigers). Hij bleef er bijna drie jaar en bouwde er een zeer goede relatie op met zijn personeel en ontplooide er zijn organisatietalent. Toen hij overstapte naar Electrofact N.V. nam hij twee van zijn beste krachten mee naar dit bedrijf.

Electrofact was gevestigd aan de Kleine Wittenburgerstraat. Het was een onderdeel van Philips, gespecialiseerd in electrische bedrijfsautomatisering en research. De ontwikkeling van nieuwe apparaten op dat gebied was er belangrijk. Theo was er van juli 1949 – april 1953 chef van het magazijnenbeheer.

Inmiddels waarde in Nederland het spook van de Koude Oorlog rond, niet in het minst bij Electrofact met zijn  ‘gevoelige opdrachten’ in het buitenland. Het bedrijf werkte ook aan de ontwikkeling van electronica voor de marine. Dat betekende dat de inkoper van het bedrijf, een goede kracht, op staande voet werd ontslagen toen deze gesignaleerd werd op een bijeenkomst van de CPN (Communistische Partij van Nederland).

Zelfs homofielen werden als staatsgevaarlijk beschouwd. In de Vinkeveense Plassen lag een eilandje dat door Nederlandse homo’s van een boer werd gehuurd om te recreëren. Het werd meestal het ‘eilandje van Dirk in de Haak’ genoemd, maar het was algemeen bekend dat het een ‘homo-eilandje’ was. Een van de directeuren van Electrofact zag op een dag vanuit zijn zeilboot een personeelslid van zijn bedrijf op het eilandje. Onmiddellijk ontslag van de man volgde.

Theo, Hedwig, Gretel (Hedwigs schoonzuster) en de kinderen (Beppie, Rosita, Johnni) in Duitsland, ca. 1954?

Theo, Hedwig, Gretel, Beppie, Rosita, Johnni in Duitsland, omstreeks 1954?

Theo in Grafenberger Wald.

Theo imiteert een Neanderthaler in het Grafenberger Wald bij Düsseldorf, omstreeks 1954?

Düsseldorf revisited Hedwig zocht bijna jaarlijks ‘s zomers haar ouders in Düsseldorf op, doorgaans met een koffer vol levensmiddelen, zoals koffie, die in Nederland veel goedkoper waren. Ze nam dan ook haar (nog kleine) kinderen mee.

Eén keer (misschien twee keer) ging Theo mee naar Duitsland. Maar door zijn oorlogservaringen kon hij er absoluut niet aarden. De haat-liefde-relatie (net als bij Heine) was ontwricht, de haat domineerde.

Heine kon tijdens zijn ballingschap in Frankrijk over Duitsland nog dichten dat ‘mit deine Weiden und Linden/kann ich es immer wiederfinden’ maar Theo ergerde zich aan het ‘wir haben es nicht gewußt‘ of zelfs het goedpraten van veel zaken  die onder Hitler waren voorgevallen.

Hij keerde voortijdig alleen naar Nederland terug om daar nog een weekje rustig te kunnen vissen.  Hij zou na zijn een bezoek in de jaren vijftig nooit meer een voet op Duitse bodem zetten, behalve die keer dat een reis per cruiseboot vanuit de haven van Bremen begon.

Zijn antipathie jegens Duitsers zou hij nooit helemaal kwijtraken. Als hoogbejaarde man zei hij zelfs nog een keer: ‘Ik ken maar één goeie Duitser, en dat is Heddy!’

Theo met snoek

Deze geweldige snoek ving Theo in 1953 in de Vinkeveense Plassen.

Castricum: Duin en Bosch
In 1953
solliciteerde Theo naar de baan van magazijnchef van Duin en Bosch, een grote psychiatrische inrichting met meer dan duizend patiënten in de duinen bij Castricum. Financieel zou hij er niet op vooruitgaan, maar de baan bood een prachtige woning in het vooruitzicht. Het gezin was in 1952 uitgebreid met Johnny. Het ‘samenwonen’ met de Romeijns was altijd goed verlopen maar een eigen woning buiten de stad was toch idealer. Al bij de sollicitatiegesprekken raakte Theo verliefd op de prachtige omgeving, de duinen en bossen, de polders en geestgronden met bollenvelden.

Van het grote aantal sollicitanten was het Theo die de baan kreeg. Aan de nieuwe betrekking zat een bijzondere reorganisatorische opdracht verbonden. Directeur Verbeek stelde er groot belang in en hij liet Theo een paar keer naar Santpoort komen om de zaken goed door te spreken.

Theo ging aan de slag, maar omdat de in het vooruitzicht gestelde  personeelswoning nog niet vacant was, kwam het erop neer dat hij een jaar lang forens werd en op en neer tussen Amsterdam en Castricum reisde. Hij stond om zes uur op in de Van der Waalsstraat en was pas om 9.00 ‘s avonds weer thuis bij zijn gezinnetje. Soms wandelde hij met een omweg door de duinen van het station in Castricum naar zijn werk op Duin en Bosch (en omgekeerd) en genoot van de schitterende natuur, zoals blijkt uit het onderstaande gedicht van zijn hand.

bloeiende meidoorns.1953 Wandeling te B.

Het steile duinpad waar ik liep bood amper zicht, maar eenmaal boven

Zag ik in een enkele oogopslag de blauwe zee, het goudgeel strand

En het duingebied in alle tinten groen van duinenrij tot polderland;

Zo onwaarschijnlijk mooi dat ik nauwelijks mijn ogen kon geloven.

Nadien zat ik nog lang daarboven, aandachtig en stil, als ingetogen

Om alle schoons rondom, in een machtig decor van water en zand

Met leeuwerikken jubelend hoog in de lucht, krijsende meeuwen boven ‘t strand

En ganzen die, zacht gakkend, in V-vorm naar het noorden vlogen.

Schaduwen slopen reeds door het duin en maanden me tot huiswaarts gaan

Juist toen de rode zon in zee verzonk, de wollig witte wolkjes zich oranje kleurden,

En verre nachtegalen hun laatste rollers lieten horen.

Nauwelijks op weg had ik het gevoel voor richting al verloren.

Urenlang dolende op paden, waarnaast in het donker thijm en kamperfoelie geurden

Heb ik tenslotte toch, blij als een kind, de Heerenweg gevonden; boven Bakkum stond de maan.

M. J. Hauser

Castricum

weiland met slootIncorruptible

Duin en Bosch behoorde met de psychiatrische inrichtingen van Santpoort en Medemblik tot de drie ‘provinciale ziekenhuizen’ die onder het provinciebestuur van Noord-Holland vielen. Duin en Bosch werd in 1909 in gebruik genomen. De meeste paviljoens en de dienstwoningen waren in de periode 1909-1918 voltooid op terrein dat voor een groot deel bestond uit tamelijk kaal duingebied. Volgens de inzichten van die dagen waren geestelijk gestoorden gebaat bij een rustige omgeving in de natuur. Door dit relatieve isolement functioneerden de inrichting ook tamelijk zelfstandig. Duin en Bosch had zijn eigen tuinderijen, varkensstallen, een grote keuken en wasserij en een technische en bouwkundige dienst voor het onderhoud van de gebouwen. Het kon zelf electriciteit produceren met een aggregaat en had zijn eigen watervoorziening.  Van dat laatste getuigt nog de watertoren, een van de talloze bouwwerken van de inrichting die nu op de monumentenlijst staan. Naar zeggen smaakte het water van Duin en Bosch veel beter dan het PWN-water uit de duinen.

De verschillende diensten hadden een vrij grote zelfstandigheid.  In de Tweede Wereldoorlog was Duin en Bosch door de Duitsers ontruimd en tijdens de eerste naoorlogse jaren werd een aantal paviljoens voor andere doeleinden gebruikt dan de verzorging van psychiatrische patiënten. Daarna draaide de inrichting weer snel op ‘volle capaciteit’, zij het met een groot tekort aan verplegend personeel. Of deze ontwikkeling heeft bijgedragen tot  een cultuur van corruptie en malversaties is niet duidelijk. In elk geval verdween bij de inkoop van nieuwe benodigdheden vaak het een en ander, terwijl diensthoofden niet zelden smeergelden ontvingen van leveranciers. Allerlei transacties vonden ondoorzichtig plaats en ‘onregelmatigheden’ waren waarschijnlijk schering en inslag. In 1952 of 1953 was er een personeelslid door de rechter in Alkmaar veroordeeld wegens diefstal. Bij het uitspreken van het vonnis stelde deze echter dat de leiding van de inrichting in feite medeschuldig was — doelend op de diep gewortelde wanpraktijken en malversaties. Verbeek, het economisch hoofd van de drie Noord-Hollandse ziekenhuizen, trok zich deze woorden bijzonder aan. Met de komst van een nieuwe magazijnchef  en een doorzichtig en gecontroleerd inkoopsbeleid (met het magazijn als centrale spil) wilde hij de onregelmatigheden beteugelen.

De aanpak van Theo betrof onder meer het invoeren van een bonnensysteem met dubbele handtekeningen. Het was ingrijpend en succesvol, maar werd vaak niet in dank afgenomen door werknemers die in het verleden wel een graantje meepikten van de ondoorzichtigheid. Wanneer nu een partij goederen bij een dienst werd afgeleverd, begaf zich iemand van het magazijn ernaartoe om de lading te controleren (vooral de kwantiteit) en het hoofd van de dienst voor de ontvangst te laten tekenen (ook de kwaliteit). Sommigen wilden aanvankelijk niet meewerken, zoals Kaper, hoofd van de bouwkundige dienst en al sinds de bouw van het ‘Nieuwe Paviljoen’ (Breehorn) in de jaren dertig in dienst van Duin en Bosch. Met de volledige steun van de directie werden ook die gedwongen zich naar die nieuwe regels van Hauser te schikken.

Ook bij de verkoop van afgedankte spullen was Theo niet te vermurwen. Toen Duin en Bosch het bezit van een eigen aggregaat overbodig achtte en er afstand van wilde doen, werd hij benaderd door Van Wissen, hoofd van de technische dienst. Die zou iemand weten die een goede prijs wilde geven voor de aggregaat (8000 gulden). Dat feest ging niet door. Hauser bood de aggregaat te koop aan in een advertentie  in een daarvoor geëigend tijdschrift. De hoogste bieder kon de machine meenemen: dat was een kermisexploitant die het dubbele bood.

Theo woonde nog maar net op Duin en Bosch of een vertegenwoordiger van een transportbedrijf dat soms voor Duin en Bosch werkte belde aan om hem een enorme doos sigaren te geven. Theo weigerde de sigaren en waarschuwde dat zoiets niet nog eens moest gebeuren!

Uiteindelijk oogstte Hauser ook lof met de reorganisaties bij Van Deelen, de nummer twee op het magazijn, zeker vijftien jaar ouder dan Theo en die vele jaren gewerkt had onder Theo’s voorganger Brouwer. Van Deelen voelde zich aanvankelijk gepasseerd door de aanstelling van de nieuwkomer uit Amsterdam, maar bekende later eerlijk dat hij zelf zo’n grondige reorganisatie niet zou hebben kunnen doorvoeren.

Van Deelen was een fervent amateurarcheoloog die  gezien wordt als de grondlegger van de archeologie van Castricum. Hij had daarnaast een enorme liefde voor de natuur en die deelde hij met Theo. Meer dan eens trokken ze samen de duinen of polder in waar Van Deelen vaak in gezelschap van zijn vrouw opgravingen deed en al menig  interessante vondst had gedaan.

Het huis van Duin en Bosch 15 (de achterste helft) niet lang na de voltooiing in 1909. Sinds 1954 centrum van het universum.

De ‘stenen woningen’ van Duin en Bosch waren  tussen 1912-1916 gebouwd.  De foto is waarschijnlijk kort daarop gemaakt. De achterste helft van het huis op de voorgrond is nummer 15 — sinds 1954 het centrum van Hausers universum.

In 1954 was de personeelswoning op Duin en Bosch 15 (later: Van Duurenlaan 6) vrijgekomen en verhuisden de Hausers naar dit droompaleisje in Bakkum, gemeente Castricum. De  meeste personeelswoningen stonden in twee straatjes buiten de omheinde inrichting: de oudere ‘stenen woningen’ en de iets jongere ‘houten woningen’. Daarnaast was er een aantal kasten van huizen aan de Van Oldenbarneveltweg waarin overwegend directie en psychiaters woonden. De bewoners van de stenen woningen waren vooral hoofdbroeders, hoofden van diensten en ander personeel van de inrichting.

De Hausers waren nog maar net verhuisd of er viel een dik pak sneeuw. De tuin en de hele omgeving zagen er als een sprookje uit.

Nederland was in de ban van de Koude Oorlog en ten tijde van de Koreaanse Oorlog werd opnieuw voor een wereldoorlog gevreesd. Hedwig sloeg uit voorzorg een enorme hoeveelheid zeep in de kelder  op — veertig jaar later waste je je handen nog steeds met stukken uit die voorraad. Nederland was sterk verzuild, dat was in de straat met de stenen woningen overduidelijk. Er bestond  soms letterlijk een scheiding tussen de katholieken en de protestanten (hervormden en gereformeerden). Die lagen elkaar vaak niet en de katholieke kinderen werden niet aangemoedigd met de hervormde kinderen te spelen. Daarnaast woonden er een paar goddeloze gezinnen, waaronder de Hausers, die soms een brug sloegen. Theo en Hedwig behoorden tot de eersten in de straat die televisie hadden. Op woensdagmiddag zat de woonkamer stampvol met buurtkinderen, zoals van Piepers en Van der Galiën, om naar het kinderprogramma te kijken. De zweetvoetengeur van katholiek en protestant vermengde zich tot een diep sacraal aroma, terwijl Hedwig met de koektrommel rondging.

In die eerste jaren bij Duin en Bosch vonden daar grote veranderingen plaats aangaande de behandeling van patiënten. Na 1953 werden ze er grootschalig met largactil behandeld, het eerste effectieve anti-psychotische medicijn. Door opkomst van de psychofarmaca raakten andere behandelingen (zoals dwangbuizen, psychochirurgie en electroshock) op de achtergond. Hoewel de medische aspecten van de psychiatrie hem niet echt interesseerden, had Theo er natuurlijk wel regelmatig mee te maken. Zo kreeg hij eens (ca. 1960)  opdracht afstand te doen van een nog niet gebruikte, volledig ingerichte operatiekamer. Operaties zouden in het vervolg in het ziekenhuis Alkmaar worden gedaan. De directie zat een beetje in zijn/haar maag met deze misaanschaf en verzocht Theo er geen ruchtbaarheid aan te geven. De operatietafel belandde uiteindelijk via Belgische missionarissen in Afrika, maar door een misverstand moest Duin en Bosch zelfs nog voor de transportkosten opdraaien. [Deze affaire heeft Theo diverse keren in ‘gesprekken’ aangekaart, maar het is me niet helemaal duidelijk of de operatietafel beoogd was voor hersenoperaties of meer algemeen chirurgisch ingrijpen. Waarschijnlijk voor dat laatste. Een aantal keren noemde hij in dit verband Prof. Panbakker uit Alkmaar, maar die had daar mogelijk niets mee te maken. Panbakker verrichtte obducties op Duin en Bosch.  Wel was het zo dat vóór die tijd tientallen patiënten van Duin en Bosch met psychochirurgie/lobotomie waren behandeld. S.H.]

Het succes van de psychofarmaca was ook bij de stenen en houten woningen te merken. Tientallen patiënten waren onder leiding van broeders regelmatig  buiten het hek van de inrichting aan het werk. Bewapend met  kruiwagens, harken, schoffels en bezems waren ze onkruid aan het wieden en bladeren aan het bij elkaar vegen. Ze droegen blauw met zwarte gestichtskleding met PZ (Provinciaal Ziekenhuis) erop genaaid. Patiënten die in hun kruiwagen lagen te slapen waren een vertrouwd beeld in de straat. Behalve  het eentonige werk droegen de rustgevende medicijnen waarschijnlijk bij  tot hun slaperigheid.

In de jaren vijftig was zuinigheid nog troef  bij de Hausers, maar dankzij de diverse ‘loonrondes’  begon Theo in de jaren zestig steeds beter te verdienen. De hogere lonen van het personeel op Duin en Bosch waren de hoofdoorzaak dat veel diensten niet meer rendabel waren en delen ervan werden opgeheven, zoals de eigen groentekwekerijen en boomgaarden, en de varkensfokkerij. Duin en Bosch werd steeds minder zelfvoorziend en werd meer afhankelijk van voorzieningen buiten de inrichting. Het onderhoud van de dienstwoningen werd in feite ook een grote last, wat ertoe leidde dat de inwonenden in de gelegenheid werden gesteld het voor een prikkie van de provincie te kopen. De meesten, waaronder Theo en Hedwig, hoefden daar niet lang over na te denken.

Recreatie

Theo Hauser met een forse karper uit het duinmeertje. Ongeveer 1965.

Theo Hauser met een forse karper uit het duinmeertje. Omstreeks 1965.

Gedurende de eerste jaren dat Theo er werkte had Duin en Bosch zelfs een eigen kermis. Het personeel van de inrichting was er actief bij betrokken, dat van het magazijn niet in het minst: Cees Beentjes speelde er op zijn accordeon, terwijl Chris de Vos en Ko Huisman verschillende kermistenten beheerden. Dit evenement vond plaats onder de beuken tussen het huidige Heemstate en het hertenkamp. Er was zelfs een eigen muziekkapel en in de avond werd er vuurwerk boven de rabarbervelden afgestoken (op de plaats van het huidige hertenkamp).

Vanwege zijn organisatietalent werd Theo vaak  gevraagd om bijzondere dingen te regelen, zoals excursies voor zowel personeel als patiënten. Ook was hij het die vaak de contacten legden voor voetbalwedstrijden. Sinds zijn vertrek uit Amsterdam was Theo gestopt met clubvoetbal, maar in een geïmproviseerd Duin en Bosch-elftal speelde hij graag nog mee, tot op zijn 52ste. Duin en Bosch had dan ook een prachtig voetbalveld, gelegen in een duinpan en omgeven door bos. Bedrijfselftallen werden er graag uitgenodigd, zelfs de betere amateurclubs vonden het plezierig er een oefenwedstrijd te spelen.

Natuurlijk bleef Theo een enthousiast sportvisser die Noord-Holland afstruinde op zoek naar goed viswater. Maar hij had ook zijn vaste stekkies: voor de karpervangst was hij vooral te vinden bij het Duinmeertje (toen ook Karpervijver geheten), voor de witvis en snoekbaars vaak aan het Noord-Hollands Kanaal nabij het pontje in Akersloot en voor de snoek  aan of in de Schulpvaart. ‘s Avonds viste hij regelmatig vanaf het Bakkumse strand in zee en stond daarbij soms met zijn lieslaarzen aan ver in het water. Voor het personeel van Duin en Bosch werden zo nu en dan vistochtjes op de Waddenzee  georganiseerd; een broer van zijn medewerker Chris de Vos had bij Den Oever een vissersboot liggen.

Opmerkelijk was dat Theo in zulke gezelschappen vaak de meeste vis of de grootste vis ving. Maar hij was dan ook een ervaren rot en besteedde veel aandacht aan het zelf vervaardigen en verfijnen van zijn vistuig. Voor dat doel bracht hij vele avonden in de schuur achter het huis door. Daar stelde hij geraffineerde snoertjes samen  en zette hij zijn hengels in de lak. In de  bijkeuken stond hij vaak lood te smelten om het kokende brouwsel in de tuin in speciale malletjes uit te gieten: dat werden zijn zelf ontworpen werploden.

De tweede Duitse invasie in de Van Duurenlaan Eind jaren vijftig was de Duitse economie zo sterk gegroeid dat van een Wirtschaftswunder werd gesproken. Hun Wanderlust hadden de Duitsers tijdens de wederopbouw niet verloren en in de jaren zestig werd de Nederlandse kust een favoriete vakantiebestemming om er op het strand kuilen te graven en in de zon te bakken. Veel bewoners in de Van Duurenlaan verhuurden gedurende de zomermaanden een kamer aan Duitse badgasten, die vaak afkomstig waren uit het Ruhrgebied.  De Hausers kregen in die tijd  regelmatig familie en vrienden van Hedwig uit Duitsland te logeren en niet altijd was Theo daar zo gelukkig mee. Daarnaast verhuurden ze ook wel eens een kamer, zoals aan drie lieftallige kraamverpleegsters uit Wuppertal (of was het Essen?). Dat ging gelukkig steeds goed. Maar één keer betrof deze home stay een Nederlands gezin, terwijl Hedwig bij haar ouders in Düsseldorf op bezoek was. Toen ging het mis. De man had een hoog salaris en een dure auto. Ze gedroegen zich zo bazig en arrogant dat Theo  ze  na enkele dagen verzocht ‘op te rotten': geen extra huishoudgeld dus voor Hedwig toen die terugkeerde. Bij andere gezinnen in de straat kwam de Hollandse handelsgeest juist tot volle bloei. Bij één bewoner werden de Duitse logés, zo deed de ronde, met grote regelmaat koffie, thee en koekjes aangeboden; die konden zulk een gastvrijheid moeilijk afslaan. Bij hun vertrek kregen ze voor deze extra service echter  een gepeperde en gespecificeerde rekening voorgeschoteld! Voor de kinderen in de straat waren die tijdelijk inwonende vreemdelingen altijd een leuke afwisseling; ze bleven boeien met hun eeuwige ‘bieten’ en ‘goeie apentiet’.

Hausers in 1970

1970. V.l.n.r. Sjon, Hewdig, Theo, Bepke. Foto: Klaas Julsing

Eind jaren zestig verliet Bepke het huis om in Amsterdam te gaan wonen. Daar leerde ze Klaas Julsing kennen, met wie ze in 1970 (?) trouwde en een aantal jaren later naar Bovenkarspel verhuisde.

In 1972 ging Johnny (nu: Sjon) die in Amsterdam studeerde ook het huis uit om in de grote stad op kamers te gaan wonen. Vooral Hedwig had nu veel meer vrije tijd.

Vanaf haar vijftigste begon ze veel aan sport te doen. Ze ging vaak voor kunstschaatsen naar de Jaap Edenbaan in Amsterdam. Bij een val brak ze eens haar pols, maar een paar maanden later stond ze weer op het ijs.
Zwemmen deed ze bijna dagelijks in de zwembaden van Heemskerk en Castricum.

Vooral in zwemmen blonk ze uit en tot op hoge leeftijd bleef ze eindeloos baantjes trekken en duiken en ‘bommetjes’ vanaf de hoge duikplank maken. Ze was daardoor een opmerkelijke verschijning in de buurtzwembaden.

Senegal

Hedwig en Theo, op gepaste afstand van elkaar, op een markt in Senegal tijdens een reis per cruiseboot.

Reislust
In ongeveer dezelfde periode brak ook de reislust in de Hausers los. Dankzij het hoge salaris van Theo en het feit dat ze nooit een auto bezaten, konden ze zich regelmatig prachtige reizen per cruiseboot permitteren. De eerste cruisereis ging met een luxepassagiersboot over de Middellandse Zee. Ze maakten de mooie reis samen met  Theo’s broer Bob en diens echtgenote Annie. Daarna volgden nog talloze grote reizen per schip, opnieuw over de Middellandse Zee, maar ook over de Oostzee, langs de kust van West-Afrika en in het Caraïbisch Gebied. Reizen werd hun lust en hun leven.

Theo was vooral in oudheden en de levende ‘cultuur’ geïnteresseerd en filmde veel op reis. Hedwig genoot meer van de zon, wandelen (wanneer ze aan land waren) of de vele activiteiten die aan boord voor de passagiers werden georganiseerd. Natuurlijk was ze als de kust uit zicht was veel in het zwembad te vinden. Beiden genoten er geweldig van het lekkere eten. Van die reizen brachten ze vele souvenirs mee en tot Theo’s dood hebben die de muren in de woning van de Van Duurenlaan 6 getooid.

Soms werd de vakantie geen cruisereis maar vlogen ze naar een bestemming om daar  een gedeeltelijk georganiseerde reis te maken en daarnaast zelf veel uitstapjes te regelen, zoals op Sicilië (Theo’s lievelingseiland vanwege de rijke geschiedenis) of de Canarische Eilanden (favoriet bij moeder). Eén keer vlogen ze naar Thailand voor een vakantie in Bangkok en Phatthaya, maar Chiang Mai, waar hun zoon Sjon toen al jaren woonde, stond niet op het programma.

Later maakten ze vooral veel dagtochten in Nederland, naar gezellige stadjes met mooie architectuur of naar plaatsen om herinneringen op te halen, zoals alle verschillende plaatsen waar Theo ooit in zijn leven gewoond had.

Theo met filmcamera

Theo in 1982, kort na zijn pensionering, filmbeelden makend van mooie paddestoelen.

Theo was met vervroegd pensioen gegaan en kon zich daarna volop aan zijn hobbies wijden: vissen maar ook veel met Hedwig wandelen en fietsen in de natuur. Een veelzijdiger en mooier landschap dan dat van Noord-Holland was nauwelijks denkbaar, ze genoten volop.

Wanneer de kleinkinderen (Femke en Pim) in Bakkum waren dan stond de natuur in de omgeving vast op het programma — naast gebak, bonbons en koek dat op de Van Duurenlaan 6 net zo vaak op tafel stond als brood.

Theo begon weer met kunstschilderen. In het verleden had hij dat regelmatig gedaan. Direct nadat hij met Hedwig in Amsterdam arriveerde verdiende hij zelfs wat door kleine  stillevens (vooral vazen met bloemen) te verkopen. Maar inmiddels  waren zijn ogen zo slecht geworden dat zijn neus voortdurend onder de kleurige olieverf zat omdat die langs het doek streek. Hij gaf het schilderen weer snel op.

Voetballen deed hij zelf al lang niet meer, maar het volgen van voetbalwedstrijden op de TV werd steeds belangrijker voor hem. Na zijn komst in Amsterdam (1935) werd hij een Ajax-fan en dat is hij zijn hele leven gebleven. Hij zag al heel vroeg in dat Cruyff een hele grote zou worden. Dat nam niet weg dat hij ‘zoals de echte voetbalkenners’ Piet Keizer als de beste voetballer van Nederland beschouwde.

kikkers rand vijver

Groene waterkikkers zonnen op de rand van de vijver. Inzet: bloeiend waterdrieblad.

Theo met monster.

Theo met een vers watermonster uit de vijver.

watermonster

Bullekopjes en ander krioelend nieuw leven dat in het voorjaar de vijver bevolkt.

Totdat ze al ver in de zeventig waren, genoten zowel Hedwig als Theo een goede gezondheid en waren zeer actieve mensen, maar in 1995 bleek Hedwig darmkanker te hebben. Ze  moest een zware operatie ondergaan, waar ze wonderbaarlijk snel volledig van herstelde. Binnen enkele jaren begon ze echter vergeetachtig te worden. Ze raakte de weg kwijt of verloor de tijd uit het oog wanneer ze alleen een fietstocht maakte. Wat Theo al vreesde werd bevestigd na een onderzoek: Hedwig leed aan de ziekte van Alzheimer. Het verloop van haar ziekte verliep min of meer volgens het klassieke patroon. Ze werd steeds vergeetachtiger en Theo moest steeds meer taken overnemen en haar uiteindelijk volledig verzorgen. Ook haar krachten gingen in de erop volgende jaren sterk achteruit. Een positief punt was dat zij een lieve en goedlachse vrouw bleef.

In oktober 2004 kwam hun dochter Bepke, 57 jaar oud, om bij een verkeersongeluk op reis in Tibet. Het drong nauwelijks langer dan eventjes tot Hedwig door. Meer tragiek volgde een paar dagen vóór Bepkes crematie: Hedwig maakte een val in de gang  en brak haar heup. Ze werd geopereerd en belandde voor revalidatie in Heemstate op Duin en Bosch, vijf minuten fietsen vanaf de Van Duurenlaan 6. Theo had tijdens haar afwezigheid de nodige veranderingen in huis aangebracht en realiseerde zich dat het een zeer zware taak zou worden haar te verzorgen wanneer ze weer thuis was. Toen Hedwig weer terug was, bleek die taak niet alleen zwaar te zijn, maar zelfs onmogelijk. Ze moest weer naar een verzorgingstehuis. Een tijdlang had Theo daardoor alle hoop verloren. Het was een zware tijd voor hem, temeer omdat hij zelf regelmatig last kreeg van bloedingen van de prostaat.

Gelukkig kon Hedwig (nadat Theo alles in de schaal had gelegd) weer in Heemstate worden opgenomen en daar kon ze ook blijven.  Theo was elke ochtend uren bij ‘zijn liefje’ en verschoonde haar als dat nodig was. Elke middag was hij opnieuw uren present. Vroeg in de middag stond Hedwig hem al bij het raam op te wachten en als ze hem zag aankomen schreeuwde ze door het tehuis: ‘Theo, hier ben ik!’

Theo met Hedwig in Heemstate, voorjaar 2007.

Theo met Hedwig in Heemstate, voorjaar 2007.

Theo stimuleerde haar door veel  te praten en veel vragen te stellen. Hij rakelde voortdurend gebeurtenissen uit hun gezamenlijk verleden op: ‘ Heddy, weet je nog..?’  In de middag lag Theo vaak bij haar op bed.

Wanneer Hedwig een slechte dag had, konden de buren in de Van Duurenlaan dat van Theo’s gezicht aflezen wanneer hij in de namiddag naar huis terugfietste.

Ook al was Hedwig zwaar dement, door haar opgewekte en altijd lieve karakter (en haar vele grappen) zou hij toch nog ‘drie mooie jaren met haar hebben’.

Hedwig maakte het nog  net mee dat ze overgrootmoeder werd toen bij Ingrid en Pim de kleine Luuk ter wereld kwam. Na de zomer van 2007 — ze was inmiddels 87 jaar oud — ging Hedwig lichamelijk sterk achteruit en ze stierf op 29 oktober met Theo en kleindochter Femke aan haar zijde.

Op Hedwigs begrafenis las Theo het volgende gedicht voor dat met het eerder geciteerde April 1943. Großmarkt Düsseldorf een tweeluik vormt:

Theo lezend

Theo in 2009.

Juni 2003, Bakkum N.H. Daar komt ze langzaam, heel, heel langzaam aangelopen, Tuurt om zich heen en blijft als zoekend even staan. Ik ken haar lichaamstaal: Is dit wel de Van Duurenlaan? Kan ooit die warboel in dat hoofd nog ooit ontknopen?

‘n Lach breekt door als ze me bij ‘t hek ziet staan. ‘k Ben opgelucht, reeds al te vaak heeft me de angst beslopen Dat ze me ooit niet meer herkent, dan rest slechts hopen En tegen beter weten in ‘n zinloos verdergaan.

Nog 4½jaar hierna heb ik voor je mogen zorgen, Lieve Heddy; je was het beste en liefste Wat me in die 90 jaren is overkomen.

Rust zacht liefste!

Wat miste hij zijn liefje! Alleen verder te leven viel niet mee, ondanks de steun en aandacht van velen: zijn naaste familie, de altijd hulpvaardige buren, vriendinnen van Bepke, Elly en Linda van de thuiszorg, vrienden (vooral: vriendinnen) die hij gemaakt had gedurende de drie jaar dat hij elke dag vele uren bij Hedwig in Heemstate doorbracht.  Daar kwam bij dat zijn gezondheid achteruitging en fietsen en lopen steeds vermoeiender werd. Hij kreeg weer last van bloedingen van de prostaat, zijn rug deed pijn en vooral was hij vaak dodelijk vermoeid. Het eten smaakte hem niet en tegen het klaarmaken ervan zag hij op. Hij werd depressief, nam afscheid van zijn naasten en vroeg om euthanasie, maar daarvoor werd hij nog te gezond geacht. Een geconstateerd vitamine B12-tekort gaf hoop dat zijn vitaliteit zou kunnen terugkeren. Een tijdje leek het erop dat dit gebeurde, maar de vermoeidheid en kwaaltjes keerden terug. Hij kwam nauwelijks meer buiten, fietsen en lopen gingen niet meer. Het bezoek van familie, vrienden en de buren ‘hield hem op de been’. Eind 2010 kaartte hij opnieuw euthanasie aan bij de huisarts: vergeefs.

Op zijn 94e verjaardag (5 februari 2011) maakte hij een zeer vermoeide indruk, de feestmuts die hij opgezet kreeg stond hem niet echt. Twee weken later trof Linda, de thuiszorg, hem verward aan en praatte hij met een wat verdraaid gezicht en een gekke stem. In het ziekenhuis in Beverwijk luidde de diagnose TIA (een licht herseninfarct). Daar zat Theo echter al weer gauw op de praatstoel, was zelfs bijna euforisch over al de aandacht die hij kreeg. Het zag ernaar uit dat hij binnen een aantal dagen weer naar huis kon. Dat zou niet gebeuren: hij verloor veel bloed doordat de bloedverdunners tegen infarcten prostaatbloedingen bevorderden, kreeg een delier en raakte daarna in een comateuze toestand.

graf

Het graf van Hedwig en Theo op de begraafplaats Onderlangs in Castricum. Foto: Femke Julsing.

Twee dagen later werd — na overleg onder de naaste familieleden — begonnen met ‘palliatieve behandeling’. Maar het duurde nog een week voordat Theo — inmiddels voor de stervensbegeleiding naar zijn woning in de Van Duurenlaan overgebracht — op 3 maart stierf. Hij werd op  begraafplaats Overlangs aan de voet van de duinen begraven. Het was een sombere ochtend met een druilregen, maar toen hij in zijn kist in de kuil naar Hedwig afdaalde brak de zon door. Even later loste Rosa, Theo’s tweede achterkleinkind, enkele daverende saluutschoten.

Verantwoording

Theo Hauser heeft een lang leven gehad, rijk aan gebeurtenissen. Vooral na zijn pensionering praatte hij graag, over alles wat hem bezig hield, de ene keer waren het de koolmeesjes in de tuin, de andere keer de prestaties van Ajax en heel vaak betroffen zijn betogen zijn ervaringen uit een tijd die lang voorbij was. Die woordenstroom was bijna obsessioneel en er waren tijden dat hij bezoek aantikte om van hun aandacht verzekerd te zijn. Die rol van toehoorder kon soms vermoeiend zijn. Ik heb hem wel eens aangemoedigd dingen op te schrijven over zijn jeugd, maar daar is nooit veel van terecht gekomen. De laatste vijftien jaar maakte ik zo nu en dan een samenvatting van een herinnering die hij met me deelde wanneer ik in Bakkum op bezoek  was. De bovenstaande levensschets berust daar grotendeels op, maar is ook hier en daar aangevuld met andere gegevens en tijdsbeelden. Gezien het feit dat hij met zoveel overgave over zijn leven kon vertellen, wordt hem met deze ‘schets op papier’ posthuum misschien nog een plezier gedaan — ook al zijn er vast wel onjuistheden binnengeslopen of zou hij het met sommige interpretaties niet eens zijn geweest.

Sjon Hauser