Thammakai controversen

Thammakai-011. Luang Pho Sot. 2. Somdet Chuang, interim aartspatriarch van de Sangha in 2015 en 2016. 3. Een poster van een beweging onder de Thaise boeddhisten die willen dat het boeddhisme in de nieuwe grondwet de status van ‘nationale religie’ krijgt.

Tekst en foto’s: Sjon Hauser *

Februari 2016 ontstond er een rel in Nakhon Pathom, 20 km ten westen van Bangkok, waarbij het tot handgemeen kwam tussen monniken en soldaten.
Meer dan duizend monniken waren er aan het demonstreren. De aanleiding daartoe was de te benoemen nieuwe aartspatriarch van de Thaise Sangha —zeg maar de ‘paus’ van de Thaise boeddhistische kerk. De oude aartspatriarch was in 2013 op 100-jarige leeftijd overleden, waarop de 90-jarige Somdet Chuang, abt van Wat Pak Nam Phasi Charoen in Bangkok, de interim aartspatriarch werd. Somdet Chuang had ook beste kwalificaties de nieuwe (permanente) aartspatriarch te worden, d.w.z. onder de leden van de Sangha Supreme Council (SSC) was hij degene die het langst geleden de titel ‘somdet’ had verkregen. Hij werd dan ook op 5 januari 2016 door de SSC voorgedragen als nieuwe aartspatriarch. Normaal belandt zo’n nominatie dan via het Ministerie van Religieuze Zaken bij de premier, die het vervolgens aan de koning voorlegt voor de laatste goedkeuring—allemaal formaliteiten.
Maar er volgde geen officiële benoeming van Somdet Chuang. Kennelijk had de regering het maar moeilijk met de hoogbejaarde kandidaat. Veel monniken waren het wachten op een beslissing echter beu en eisten tijdens de demonstratie dat Somdet Chuang gauw benoemd zou worden.
Tegelijkertijd kwam de oude monnik in opspraak vanwege een antieke, klassieke Mercedes die in een van de tempelgebouwen van Wat Pak Nam tentoongesteld staat. Bij de aanschaf ervan zou gefraudeerd zijn en Somdet Chuang zou daarvoor verantwoordelijk zijn. Dat die ouwe vintage car opeens op de proppen komt wijst erop dat tegenstanders van Somdet Chuang er alles aan doen hem te diskwalificeren voor de toppost bij de Thaise monnikenorde. Ook wordt geprobeerd de nominatie door de SSC (die trouwens plaatsvond op een geheime bijeenkomst) onwettig te verklaren doordat er een verkeerde procedure zou zijn gevolgd.

Vrijwel zeker heeft de onwil van het Prayut-bewind om Somdet Chuang tot aartspatrirch te benoemen te maken met het feit dat de oude monnik sterke banden heeft met de Thammakai, een populaire boeddhistische ‘sekte’ die weliswaar onder de vleugels van de Sangha opereert, maar al lang een doorn is in het oog van de meer orthodoxe boeddhisten en van de overheid.
Wat is de Thammakai en wat maakt deze beweging controversieel?

Thammakai-021. Een poster waarop een selectie van de beroemdste Thaise monniken van de twintigste eeuw staat afgebeeld. Luang Pho Sot (rechtsonder) neemt een voorname plaats in. 2. Luang Pho Sot, uitvergroot.

De Thammakai (ook wel: Dhammakaya) beweging vindt zijn oorsprong bij Luang Pho Sot (1884-1959), die lang vóór Somdet Chuang de abt van Wat Pak Nam was.
Hoewel Luang Pho Sot al meer dan een halve eeuw dood is, wordt hij nog steeds vereerd, met name in Bangkok en Centraal-Thailand. Zijn portret zie je daar nog vaak hangen: aan de muur bij Sino-Thaise winkeliers, in overheidsgebouwen en kantoren, voorin stadsbussen, enzovoort. De heilige monnik is goed te herkennen aan zijn ernstige blik, markante, scherpe gelaatstrekken en een aantal stevige vetbulten in zijn gezicht.
Luang Pho Sot werd in 1884 geboren in het district Song Phi Nong in de provincie Suphanburi. Zijn jongensnaam was Sutchai Mikaeonoi. Vanaf zijn veertiende jaar hield hij zich met de handel in rijst bezig. Hij was succesvol, maar verloor ook weer veel geld met aandelen. Op zijn tweeëntwintigste jaar liet hij zich tot monnik inwijden. Later werd hij benoemd tot abt van Wat Pak Nam, een toen nog bescheiden tempel in Bangkok, gelegen in het stadsdeel op de westoever van de Chao Phraya.
Maar Wat Pak Nam en Luang Pho Sot zouden furore maken, wat vooral te danken was aan Sots herontdekking van een bijzondere meditatietechniek. Deze aan de Tibetaanse meditatie verwante techniek was in Thailand in de vergetelheid geraakt. Met deze techniek zou iedereen het ‘fijne lichaam in zichzelf’ kunnen ontdekken en zo zelfs het Nirwana kunnen bereiken. Met het propageren van deze techniek werd Luang Pho Sot razend populair, met name bij de Sino-Thaise middenklasse van Bangkok.

Kader: Een bezoek aan Wat Pak Nam (ca. 1995)
Hoewel Wat Pak Nam architectonisch oninteressant is—het tempelterrein staat vol met moderne betonbouw—is het, om een idee te krijgen van de verering van heiligen, de moeite waard de tempel op een zondag te bezoeken. Wat Pak Nam ligt in Bangkoks district Phasi Charoen op de westoever van de Chao Phraya en is het eenvoudigst te bereiken per long-tailed boot vanaf de Phra Phut-pier aan de Chao Phraya, niet ver van de Memorial Bridge. ‘s Zondags zijn er honderden devoten op bezoek, de meesten typisch vertegenwoordigers van de urbane middenklasse en van Chinese komaf. Velen plakken bladgoud op een beeld van de heilige Luang Pho Sot dat in een open kapel staat of offeren wierook en brandende kaarsjes. Naast het beeld staat ook een groot portret van Sot, met erachter een lege lijst waarop men bladgoud kan plakken. De kapel is omzoomd met kramen en winkels waar overwegend amuletten en prenten met Sots afbeelding worden verkocht. Uit speakers galmen voortdurend preken. Op de eerste verdieping van een aangrenzend gebouw zitten tientallen devoten op hun knieën voor een (niet geweldig goed gelijkend) wassen beeld van Sot. De aanhangers van Luang Pho Sot vereren de heilige nog meer dan de Boeddha en koesteren de meditatietechniek als een verloren schat.
Een bezoek aan deze tempel komt iets uitvoeriger aan de orde in: Wat Pak Nam Phasi Charoen.

De Thammakai
Na de dood van Luang Pho Sot in 1959 werd de door hem herontdekte meditatie techniek gepropageerd door zijn volgelingen, van wie de ‘non’ Chan Khonnokyoong de bekendste was.
Phra Dhammajayo was een toegewijd leerling van Chan. Somdet Chuang was toen de abt van Wat Pak Nam Phasi Charoen en had Phra Dhammajayo als monnik ingewijd en ‘bevoogd’.
In 1975 zou Phra Dhammajayo tesamen met Phra Thattachiwo (ze kenden elkaar al goed als studenten aan de Kasetsart Landbouw Hogeshool) de Thammakai stichten. De gloednieuwe tempel van de beweging, Wat Phra Thammakai, rees op in Pathum Thani temidden van de rijstvelden, slechts 60 km ten noorden van Bangkok.
Het evangelisch boeddhisme van de Thammakai werd in de jaren tachtig razend populair onder de middenklasse van Bangkok. De charismatische Phra Dhammajayo werd de onbetwiste leider van de beweging. Men schreef een buitengewoon bun barami aan hem toe en hij werd weldra als een heilige vereerd. Maar Sots bijzondere meditatietechniek bleef toch de drijfkracht van de beweging en had een enorme aantrekkingskracht op de yuppies binnen Thailands snel groeiende economie. De Thammakai straalde properheid en discipline uit, en eiste van de leden forse donaties. In tegenstelling tot de vooral door forest monks gepropageerde meditatie vereiste Thammakaise meditatie geen afzondering in afgelegen plaatsen, maar vond ze ‘middenin de wereld’ plaats.
Zonder veel afstand te hoeven nemen van wereldse zaken werden de leden op tweeërlei wijze ‘beloond’: enerzijds droegen hun royale donaties aan de tempel aanzienlijk bij tot hun karma, anderzijds zou de meditatie hen voorbereiden op de terugkeer naar het wereldse bestaan, maar op zo’n manier dat ze er zonder begeerten (die weer in Lijden resulteren) konden leven. De meditatie kon uiteindelijk tot het Nirvana voeren en een bonus van de Thammakai was dat ze een andere, meer positieve kijk had op Nirvana. Nirvana zou een soort permanente hemel zijn, wat een stuk aantrekkelijker klinkt dat het Niets-en-nooit-meer-herboren-worden in het orthodoxe Theravada boeddhisme.
Het was onder andere deze interpretatie van het Nirvana dat de Thammakai in conflict bracht met de Sangha en orthodoxe boeddhisten. Daarnaast werd de beweging werd ook fel gekritiseerd om zijn agressieve wervingsacties waarbij moderne media een grote rol spelen. Ook kwam de Thammakai in opspraak vanwege wanpraktijken waarmee het land verworven had voor het reusachtige tempelterrein. Toch hebben al deze controversen er nooit toe geleid dat de beweging uit de Sangha gezet werd.
En de populariteit van de beweging werd alleen maar groter. Niet slechts urbane yuppie-middenklassers, vooral ook studenten voelden zich aangetrokken tot de moderne, heterodoxe Thammakai. De beweging begon zelfs de studenten- en universiteitsverenigingen in Bangkok te domineren. Ondertussen deed de Thammakai er alles aan goede banden aan te knopen met invloedrijke zakenlieden en politici, en met monniken met hoge rang—met groot succes. Zelfs lanceerde de beweging eind jaren negentig haar eigen kandidaten voor een nieuwe politieke partij. Ook ontwikkelde zich een sterke band tussen de Thammakai en Thaksin Shinawatra, de populaire en populistische premier van 2001-2006 die ook nadat hij door een militaire coup was afgezet en gedwongen was zijn heil in het buitenland te zoeken, de Thaise politiek tot op heden zou beïnvloeden.

Bezoek aan de Dhammakai, 1989
In Pathum Thani, zestig kilometer buiten Bangkok, ligt de Thammakai Tempel omzoomd door een park en vijvers tussen de rijstvelden. Het witte gebouw lijkt meer op een ontwerp van Le Corbusier dan op een gemiddelde Thaise tempel. Het interieur is sober. Bonte muurshilderingen met voorstellingen uit het leven van de Boeddha of gruwelbeelden uit de hel ontbreken. Op een boeddhabeeld, een ventilator en een grijs, hoogpolig tapijt na is het er kaal. Buiten het gebouw zijn propere urinoirs, telefooncellen en ruime parkeerplaatsen. Op werkdagen is het er vrijwel uitgestorven. Maar op zondag verzamelen zich vele duizenden aanhangers in het park. Honderden autobussen zorgen dan voor gratis transport vanuit Bangkok. Vijftien jaar eerder was de Thammakai een nog tamelijk onbeduidende meditatieclub.
Aan het begin van de oprijlaan hangen boerenzonen lethargisch over hun brommers waarmee ze de vromen naar de tempel rijden. Ik loop van de tempel naar een aantal enorme tenten. Onder één tent is leven, hoewel het er beangstigend stil is. Tweehonderd monniken en nieuwe ingewijden in propere witte shirts en met kaal geschoren schedels zitten zwijgzaam achter het ochtendmaal. Ik sluip naderbij. Niemand neemt notitie van me. Onder een tafel bespeur ik een rij diplomatenkoffers en een reistas van Thai Airways.
Dit is de intellectuele toekomst van Thailand: hoge ambtenaren, jonge zakenlieden en studenten de zich niet meer op hun gemak voelen in een ouderwetse tempel en er naar streven de ‘Boeddha-in-jezelf’ te realiseren. Ondanks hun hoge opleidingsniveau geloven ze hartstochtelijk in reïncarnatie: een seksuele zonde wordt gestraft met een wedergeboorte als vrouw en monniken moeten hiervoor zelfs boeten met vijfhonderd van zulke wedergeboorten. Volgens Thailand-kenner Niels Mulder bevinden zich opmerkelijk veel tweede en derde generatie Chinezen onder de aanhang. Ze verkeren in een cultureel vacuüm en de moderne outlook en de fundamentalistische principes van de Dhammakai bieden hen een houvast in de snel veranderende samenleving.
Plotseling breekt de hel los. Uit de speakers rolt een preek als een onweersbui. Ik maak me snel uit de voeten en vergeet te verifiëren of de preken, overeenkomstig het moderne imago van de sekte, inderdaad modieus met Engelse termen worden gelardeerd.
Dat het lot van de arme sloeber de sekte niet aan het hart gaat, wordt enige tijd later duidelijk door het wanhopig protest van omwonende boeren tegen de wijze waarop de Thammakai ten bate van het expanderend tempelcomplex de hand legde op hun rijstvelden.

Taylor vat de belangrijkste kenmerken van de beweging als volgt samen:
‘De beweging legt de nadruk op merit-making [tham bun] in de zin van dat je voor jezelf de materiële voorwaarden koopt voor een beter leven in een volgend bestaan. In de logica van merit-making, en volgens de consumptiemaatschappelijke interpretatie van de Thammakai, betekent dat: hoe meer geld je aan de tempel schenkt, des te beter je kansen worden om direct (spirituele) merit te verwerven, wat op zijn beurt weer grotere materiële voordelen in het huidige leven en in toekomstige levens met zich mee zal brengen. Thammakais begrip van merit making versterkt en rechtvaardigt duidelijk het bestaan van sociale hiërarchieën in een kapitalistisch systeem.
De beweging is onbetwist modern in zijn oriëntatie, dat het rationalisme en de meta-logica van het marktkapitalisme combineert met systematische discipline en ruimtelijke orde. De meeste inwonende leken onder de discipelen waren onder de indruk gekomen van de beweging vanwege de ordelijkheid [pen riap], properheid, de gestructureerde in het oog vallende discipline, en de netheid. Het is een gereguleerde religio-kapitalistische machine. Overal op het tempelterrein zijn closed-circuit monitoren, die het beeld en de stem van Phra Thammachayo uitzenden. Rond de voornaamste gemeenschapshal wachten de lekenvrijwilligers geduldig en kalm achter cash registers bij aangeduide plaatsen om geld te doneren. De ambiance van de tempel, inclusief de licht verleidelijke muziek die overal klinkt (en doet denken aan de lobby van een vijf-sterren hotel), de duidelijk aangegeven hiërarchisch geordende plaatsen om te zitten (individueel of in groepen), om te mediteren, om je schoenen neer te zetten, enzovoort, zorgen ervoor dat de individu zich veilig en zeker voelt. De tempel wordt gerund als een goed gedreven multinationaal bedrijf, gecombineerd met een sterk gevoel voor gemeenschapszin, controle en emotioneel welzijn.’ (Taylor, 2001: 141-142)

Het lijkt me geen wonder dat er een (sterke?) band tussen Thaksin Shinawatra en de Thammakai ontstond. De manier waarop Thaksin en zijn Thai Rak Thai Partij in 2000 gepromoot werden toont talloze gelijkenissen met het succes van de Thammakai:
De moderne aanpak inclusief het grootschalig gebruik maken van moderne media.
De kapitalistische machine: Thaksin die de staat als een modern bedrijf wilde gaan runnen.
De financiële en economische voordelen die daardoor in het vooruitzicht zouden liggen.
Als Thailands rijkste man wiens bedrijven vrijwel omgeschonden de financiële crisis van 1997 wisten te overleven had Thaksin een bijna goddelijke status als zakenman verworven (zoals de leider van de Thammakai dankzij de bijzondere meditatietechniek bijna een Boeddha is in de ogen van de volgelingen)—en de Thammakai waarschijnlijk de rijkste tempel van Thailand is.
Verder zou Thaksin, net als de Thammakai, veelvuldig in opspraak komen vanwege ‘corruptie’.

Of die vermeende banden tussen Thammakai en Thaksin de hoofdreden is dat het Prayut-bewind moeite heeft Somdet Chuang vast te benoemen tot aartspatriarch valt te betwijfelen. Er spelen waarschijnlijk andere zaken, zoals controverses binnen de Sangha, een rol. De belangrijkste is wellicht een beweging onder de monniken die propageert dat het boeddhisme in de nog te voltooien nieuwe grondwet Thailands nationale religie wordt. Waarom deze beweging (gesteund door Somdet Chuang) over het hele land aan de weg timmert met dit streven is me niet erg duidelijk—kennelijk levert de status nationale religie tempels en monniken aanzienlijke voordelen op. Maar met de militante moslims in het zuiden van het land als een hoofdprobleem in Thailand, zou het inwilligen van die eis wel een hele slechte stap zijn om in het zuiden vrede te bereiken. Niet alleen het Prayut-bewind is er fel tegen, ook vele tegenstanders van het militaire bewind.

*Dit artikel bestaat voor een flink deel uit aan elkaar gebreide fragmenten van eerder gepubliceerd werk, in het bijzonder uit: Sjon Hauser, 1990. Thailand. Zacht als zijde, buigzaam als bamboe. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam; en Sjon Hauser, 1997. Spotlights op Thailand. Vieng travel, Bangkok.
Andere gebruikte bronnen zijn:
• Charles F. Keyes, 1999. Buddhism fragmented: Thai Buddhism and political order since the 1970s. Paper presented at the 7th International Conference on Thai Studies, Amsterdam, 4-8 July 1999, p. 1-44.
• Rory Mackenzie, 2006. New Buddhist movements in Thailand: towards an understanding of Wat Phra Dhammakaya and Santi Asoke.
• J. L. Taylor, 2001. Embodiment, nation, and religio-politics in Thailand. South East Asia Research, 9(2): 129-147.