Teakbomen—giganten in Uttaradit en Sukhothai

Kleurige doeken gewikkeld om de stam van een teakboom.

Kleurige doeken gewikkeld om de stam van een teakboom.

Traditioneel was teak in Azië al eeuwen van belang voor de bouw van huizen, paleizen en Chinese jonken. Pas toen in Europa de voorraden eikenhout uitgeput raakten, ontstond ook daar vraag naar teak. En nadat de Deense kapitein H. N. Andersen in 1882 in Bangkok terugkeerde met het nieuws dat hij zijn lading teak met 100 procent winst in Liverpool had verkocht, begon de teakhandel op de goudkoorts te lijken. Geen ander nuttig gewas zou de geschiedenis van Birma en Thailand zo sterk bepalen.

In Noord-Thailand vestigden zich vooral teak-wallahs van Britse bedrijven. Omdat de lokale bevolking uit angst voor geesten niet in de desolate wouden wilden werken, namen ze overwegend  Birmanen en Shans als arbeiders in dienst. Toen de in Birma actieve Bombay Burmah Trading Corporation het aan de stok kreeg met koning Theebaw, was dat in 1886 voor de Britten genoeg reden het land te annexeren. Koning Chulalongkorn van Siam lag er nachten van wakker, want hij vreesde dat ze ook Noord-Thailand zouden inpikken. Roversbenden die het werk in de wouden soms bemoeilijkten of corrupte prinsen die kapconcessies voor eenzelfde bos aan verschillende bedrijven gaven, zouden al een aanleiding kunnen zijn. Dit dwong de koning orde op zaken te stellen en de noordelijke vazalstaten onder centraal bestuur te brengen.

Vele teak-wallahs hadden een avontuurlijke aanleg, zoals Marian Alonso Cheek wiens verzameling lokale vrouwen het midden hield tussen een harem en een bordeel. En Louis Leonowens raakte met de prinsen verslaafd aan het gokken. Wanneer de prinsen grote schulden maakten, kwam hij ze vaak financieel tegemoet en als tegenprestatie verwierf hij concessies in de beste wouden. Maar het echte werk van de teak-wallah gebeurde diep in het bos, waar hij vaak maanden achtereen doorbracht, slechts vergezeld van werkvolk en olifanten.

De stam van geschikte bomen werd eerst ‘geringd’, zodat deze stierven en het hout uitdroogde en zo licht werd dat het bleef drijven (vers teakhout zinkt). Na een of meerdere jaren werden de bomen gekapt en in stammen gezaagd, die de olifanten naar een kreek sleepten. Tijdens het regenseizoen spoelden de stammen naar beken  en uiteindelijk belandden ze in een grote rivier, waar ze tot een vlot werden gebundeld dat bemand verder stroomafwaarts werd gevaren. In Bangkok zaagde men ze tot planken voor verscheping naar Europa.

De eerste decennia van deze eeuw bedroeg de export van teak in Noord-Thailand jaarlijks vijftig- tot honderdduizend ton. De teakbossen raakten uitgeput; aan herplanting was nauwelijks gedaan. Ongerept teakwoud komt nu nog slechts in één nationaal park voor, maar dit zal in de toekomst misschien in een stuwmeer verdwijnen. En het meeste houtsnijwerk waar de streek bekend om is, bestaat al lang niet meer uit teak. De geest van het hardhout waart echter nog overal rond.

In Mae Ten, een rustiek dorpje dat in het stuwmeer zal verdwijnen als de bouw van de dam doorgaat, lijken baksteen en beton onbekend te zijn. Alle huizen zijn van hout en hebben een struis voorkomen door de zware teakstammen waar ze op staan — die zijn nu een kapitaal waard. Hoewel de regering erop hamert de dam te zullen bouwen, worden nog optimistisch nieuwe teakhuizen gebouwd. Hier en daar hangen spandoeken met protesten. De stuwdam is regelmatig voorpaginanieuws en in het dorp moeten al heel wat functionarissen en milieu-activisten uit Bangkok op bezoek zijn geweest. Onder die laatsten vast ook westerlingen. Nadat die eerst de teakbossen hebben gesloopt, verkondigen ze nu met de ijver van missionarissen de noodzaak van natuurbehoud. Hoewel Mae Ten pragmatisch aan de kant van de activisten staat, slaan de oude, sigaren rokende vrouwen me achterdochtig gade wanneer ik langs hun erfjes slenter.

Het bezit van een kostbaar teakhuis is de droom van elke statusbewuste parvenu. In de stad Phrae, tachtig kilometer zuidelijker, spant Ban Prathap Chai wat dat betreft de kroon. Voor dit kolossale teakhuis zijn 130 stammen gebruikt. De eigenaar, naar zijn ingelijst portret te oordelen van Chinese komaf, heeft alle zalen ook nog eens volgestouwd met zware, gebeeldhouwde teakmeubelen. Voor tien baht mogen bezoekers er onder de indruk komen, voor buitenlanders is dat twintig baht. In plaats van een kaartje krijg ik een klein houten olifantje.

In Uttaradit, honderd kilometer verderop, torent ‘s werelds grootste teakboom temidden van een bos zaailingen. Dat ‘torent’ bij wijze van spreken, want bij een storm in 1977 brak de kruin wat de hoogte van 47 tot 37 meter reduceerde. Maar de met gekleurde doeken omwikkelde stam met een omtrek van tien meter mag er wezen. Het is een imposant levend monument van meer dan 1500 jaar oud, zoals een bord vermeld, ook al is het een dwerg vergeleken bij de red woods van Noord-Amerika.

Hoewel de boom in enkele reisgidsen staat vermeld, zullen hier zelden buitenlanders komen. Met wat geluk krijgt de boom dagelijks een paar keer bezoek van lokale toeristen. Wanneer een gezin met een laadbak vol kinderen wegrijdt, zit ik er weer alleen. Bij elk zuchtje wind maken de grote verdorrende bladeren een kabaal waar geen ratelpopulier tegenop kan.

De volgende dag sta ik in Sukhothai naast het bord BIGGEST TEAK TREE 720 Meter. Intrigerend, nóg zo’n grootste teakboom. Een half jaar eerder staakte ik mijn poging de boom te vinden, omdat het pad doodliep in dicht struikgewas. Maar nu zijn veel struiken verdord en lijkt er te zijn gesnoeid. Het pad klimt kronkelend een heuvel op en temidden van dicht bamboebos vind ik de eenzame woudreus. Hoewel hij hoger en minder geschonden is dan de boom in Uttaradit, is de omvang van de stam toch geringer. Dit is de onbekende gigant.

Aan de voet staat een houten geestenhuisje met een dak van golfplaat. Behalve betelnoot, sterke drank, kleefrijst, zoetigheid (bedolven onder de mieren) en een plastic bloemslinger zijn er ook een spiegeltje, kam en lippenstift geofferd, wat erop wijst dat de geest van de teakboom vrouwelijk is. Het is een wonder dat de Grand Old Lady de genocide heeft weten te overleven.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s

Een iets andere versie van dit verhaal verscheen in de Volkskrant van 18 januari 1997.