Rhabdophis subminiatus, de giftige Red-necked Keelback

Een red-necked keelback nabij de grens met Laos, district Nam Pat, Uttaradit.

Een Red-necked Keelback nabij de grens met Laos, district Nam Pat, Uttaradit.

De meeste soorten in de onderfamilie van de Natricinae hebben dorsale schubben  met een goed ontwikkelde kiel en worden daarom keelbacks genoemd. De in Nederland voorkomende ringslang (Natrix natrix) behoort er ook toe. Sommige soorten keelbacks hebben vergrote tanden achterin de bovenkaak en produceren een tamelijk sterk gif. Indraneil Das speelt safe door in zijn recente reptielengids te waarschuwen voor alle soorten van deze onderfamilie. (1)
Van een aantal soorten van het geslacht Rhabdophis is echter goed gedocumenteerd dat ze als gevaarlijk beschouwd moeten worden. De bekendste soort hiervan is de Red-necked Keelback die een aantal zeer ernstige vergiftigingen op zijn rekening heeft. De beet van de in Japan veel voorkomende, verwante Rhabdophis tigrinus heeft zelfs tot sterfgevallen geleid (2).

Red-necked Keelback (Rhabdophis subminiatus)

Thaise naam: ngu lai sap kho daeng – งูลายสาบคอแดง

Dit is een van de mooiste slangen van Thailand en zijn rode nek is tamelijk uniek. Ik heb thuis een foto van een Red Neck aan de muur hangen en bezoekers vragen altijd of ‘die slang’ wel echt is. De kop van de Red-necked Keelback is olijfgroen en het lichaam is lichtbruin of olijfbruin. De nek is oranjerood en contrasteert sterk met de gele keel. De buik is vrijwel egaal wit. De dorsale schubben hebben een sterk ontwikkelde kiel. Veel dorsale schubben hebben witte, zwarte of gele randjes die duidelijk zichtbaar worden wanneer een geagiteerd dier zijn lichaam wat uitzet; ze vormen dan met de huid tussen de schubben een patroon dat op een netwerk van kleine ruitjes lijkt.

Een red-necked keelback steekt de weg over in het district Hot, Chiang Mai. Het dier is geagiteerd en heet zijn lichaam vergroot waarbij de vele zwarte, witte en gele randen van de schubben en de huid tussen de schubben zichtbaar wordt en een patroon ontstaat dat net als de rode nek waarschijnlijk dient om af te schrikken.

Een Red-necked Keelback steekt de weg over in het district Hot, Chiang Mai. Het dier is geagiteerd en heeft zijn lichaam vergroot waarbij de vele zwarte, witte en gele randen van de schubben en de huid tussen de schubben zichtbaar wordt en een patroon ontstaat dat net als de rode nek waarschijnlijk dient om af te schrikken.

Juveniele exemplaren zijn nog feller gekleurd dan de volgroeide: hun kop is leigrijs, de achterkant van de kop en een stuk van de nek is pikzwart. Daarachter volgen een dun geel bandje en de brede oranjerode band. Het geheel lijkt op de vlag van België — waar de evolutie niet zoal toe in staat is. In oudere dieren wordt het grijs en zwart van de kop geleidelijk bronsgroen.

De Red-necked Keelback is algemeen in geheel Noord-Thailand, waar hij laagland en niet al te hoog gelegen heuvelland verkiest.  Kikkers en padden behoren tot de favoriete prooidieren en de slangen houden zich daarom vaak op nabij water. Soms komt de slang ook hoog in de bergen voor, zoals op Doi Ang Khang op een hoogte van 1800 meter. In het hart van de vallei van Chiang Mai zal je hem niet gauw tegenkomen, maar zodra je in de buurt van de omringende heuvels komt wordt hij een algemene verschijning.

Het dier is overwegend actief gedurende de dag. Hij laat zich vooral zien als de zon doorbreekt en de temperatuur stijgt. Meestal bewegen ze zich dan nogal traag voort en sommige dieren zijn niet bijzonder schichtig wanneer je ze benadert. Maar andere exemplaren die in het nauw gedreven worden kunnen fel zijn. Je moet altijd voorzichtig zijn met deze dieren. Ze kunnen zich vastbijten en tegelijkertijd kauwbewegingen maken waarbij veel gif in de wond komt, wat tot ernstige symptomen kan leiden.

Een juveniele red-necked keelback uit het district Samoeng, Chiang Mai. Jonge dieren hebben een grijze kop. Direct achter de kop is een zwart bandje, gevolgd door een heel nauw geel bandje. Daarna volgt de rode nek.

Een juveniele Red-necked Keelback uit het district Samoeng, Chiang Mai. Jonge dieren hebben een grijze kop. Direct achter de kop is een zwart bandje, gevolgd door een heel nauw geel bandje. Daarna volgt de rode nek.

In 1913 stapte de Britse adviseur in dienst van de Siamese regering, Reginald Le May, tijdens een bezoek aan Chiang Saen bijna op een red-necked keelback. Hij merkte daarover op dat de boeren de slang ‘kô deng’ (‘rode nek’) noemden en zeiden dat het dier dodelijk is. ‘Maar of hij dat is of niet is,’ vervolgde Le May in zijn reisverslag, ‘het dier had een gemene kleine kop en zag er giftig uit en ik had er geen spijt van dat ik dikke laarzen en leren beenbeschermers droeg.’ (3)

Tot voor kort werd er in talloze bronnen geen melding gemaakt van de giftigheid van deze slang. De slang is bijvoorbeeld niet opgenomen in een Thais boek over gifslangen dat in 1982 verscheen (4). En een tiental jaren terug belandde ik een paar keer op een website waarin het dier als ongevaarlijk werd gekenmerkt (5), een van de weinige gevallen, denk ik, waarin het gevaar van een slang niet wordt overdreven.

Enkele decennia geleden had deze slang vanwege zijn fraaie uiterlijk opgang gemaakt in de handel in slangen naar Europa en Amerika. Toen sommige terrariumhouders daar door hun ‘ongevaarlijke’ Red Neck werden gebeten en ernstige symptomen ontwikkelden (waaronder een aantal bijna met fatale afloop), werd pas duidelijk dat het een gevaarlijke gifslang is.

Bij volwassen dieren is de kop olijfgroen, zo ook de nek waar bij jonge dieren een zwart bandje was. Dit exemplaar komt uit het district Hot, Chiang Mai.

Bij volwassen dieren is de kop olijfgroen,evenals het deel van de nek waar bij jonge dieren een zwart bandje is. Dit exemplaar komt uit het district Hot, Chiang Mai.

Het gif bevat zowel bloedstolling bevorderende als bloedstolling remmende stoffen. Aanvankelijk domineren symptomen veroorzaakt door bloedstollende proteïnen in het gif: hoofdpijn, duizeligheid en overgeven. Deze verdwijnen na een dag en de patiënt voelt zich stukken beter. In feite is ondertussen het lichaam verstoken geraakt van bloedstollende proteïnen waardoor gaatjes in het bloedvaatstelsel niet meer gestopt kunnen worden en er fatale inwendige bloedingen kunnen ontstaan. Waarschijnlijk werkt het gif van de Boomslang (Dispholidus typus), een colubride slang uit Afrika, op een soortgelijke wijze. De herpetoloog Karl Schmidt die in 1957 door zo’n Afrikaanse boomslang werd gebeten, herstelde aanvankelijk ook van allerlei nare verschijnselen, maar is waarschijnlijk later gestorven aan bloedingen uit kleine ‘lekken’ die over zijn hele lichaam ontstonden. (6)

De Red-necked Keelback heeft geen effectief apparaat om het gif gevormd in de klieren van Duvernoy in te spuiten. Het secreet belandt in het speeksel dat met de gegroefde vergrote tanden achterin de bovenkaak in de huid wordt gebeten. Aanzienlijke hoeveelheden gif kunnen echter worden ingebracht doordat de slang neigt zich vast te bijten en dan herhaaldelijk kauwbewegingen maakt. Een exemplaar dat door een bewoner van Singapore als huisdier werd gehouden bleef maar liefst 2 minuten vastgebeten zitten aan de vinger van de eigenaar. De man ontwikkelde ernstige symptomen als gevolg van bloedingen. (7) Verreweg de meeste beten bij de verwante Rhabdophis tigrinus op Japan zijn kortdurend en dan wordt er weinig of geen gif ingebracht en blijven ernstige symptomen achterwege. (8) In Japan zijn antistoffen tegen het gif van deze slang geproduceerd, maar voor zover mij bekend zijn antistoffen tegen het gif van de Red-necked Keelback in Thaise ziekenhuizen onbekend.

De Red-necked Keelback komt in geheel Thailand voor en daarbuiten ook in Noord-India, Myanmar, Laos, Cambodja, Vietnam, peninsulair Maleisië, Singapore en delen van de Indische archipel, zoals Java, Sumatra en mogelijk ook Sulawesi. (9)

©SJON HAUSER: TEKST, FOTO’S EN KAARTWERK

De nekhuid van Rhobdophis subminiatus

De nekhuid van een Red-necked Keelback in detail, waarbij de kielen van de schubben ook goed te zien zijn.

Voetnoten:

(1) Das, Indraneil, 2010. A Field Guide to the Reptiles of Thailand and South-East Asia. Asia Books, Bangkok.

(2) Toriba, M., and Y. Sawai, 1990. Venomous snakes of medical importance in Japan. In: Snakes of medical importance (Asia-Pacific region) (P. Gopalakrishnakone and L. M. Chou, eds.), p. 323-347. Venom and Toxin Research Group, University of Singapore.

(3) Le May, Reginald, 1986 [1926]. An Asian Arcady. The land and peoples of Northern Siam. White Lotus, Bangkok: 205.

(4) Thumwiphat, Bunyuan and Wirot Nutphan, 1982. The care for snake-bite victims and poisonous snakes in Thailand. Thai Zoological Centre, Bangkok [in Thai].

(5) www.siam-info.de/english/snakes

(6) Slowinski, Joe, 2000.  Striking beauties: venomenous snakes. California Wild 53 (2), Spring 2000.

(7) Seow, E., P. Kuperan, S. K. Goh, and P. Gopalakrishnakone, 2000. Morbidity after a bite from a ‘non-venomous’ pet snake. Singapore Medical Journal 41 (1).

(8) Toriba and Sawai, 1990, ibid.: 341-342.

(9) Lang, Ruud de, and Gernot Vogel, 2005. The snakes of Sulawesi. A field guide to the land snakes of Sulawesi with identification keys. Edition Chimaira, Frankfurt am Main, 2005: 255.