Pseudoxenodon macrops, the Big-eyed Mountain Keelback

Een jonge, groene big-eyed mountain keelback

Een jonge, groene Big-eyed Mountain Keelback met een duidelijk pijlvormig nekbandje en opvallend grote ogen. Dit exemplaar werd gevonden in het Doi Inthanon nationaal park (district Mae Wang, Chiang Mai) op een hoogte van circa 1500 meter.

In Oost- en Zuidoost-Azië zijn negen soorten van het genus Pseudoxonodon bekend. Deze kleine tot middelgrote slangen werden vroeger tot de waterslangenfamilie (Natricidae) gerekend, maar nu ook wel binnen een eigen familie, de Pseudoxenodontidae, geplaatst. Ze hebben grote ogen en hun dreighouding lijkt sterk op die van cobra’s.

De achterste twee tanden in de bovenkaak staan enigszins apart van de andere tanden en zijn sterk vergroot. (1) In een recent werk worden alle soorten daarom als ‘zwak giftig’ beschouwd. (2)

Slechts één soort, de Big-eyed Mountain Keelback (Pseudoxenodon macrops), komt voor in Thailand. Dit dier is goed bekend uit de bergen van het noorden, maar komt ook voor in het noordoosten van het land. (3)

Big-eyed mountain keelback (Pseudoxenodon macrops)

Deze soort wordt ook wel Big-eyed Bamboo Snake of False Cobra genoemd.

Thaise naam:  ngu lai sap ta to – งูลายสาบตาโต of ngu lai sap kho bang – งูลายสาบคอบั้ง

Wanneer deze interessante, middelgrote slang zich bedreigd voelt, verheft hij het voorste deel van het lichaam . Net als bij de cobra wordt de nek daarbij breder gemaakt en afgeplat. In India wordt het dier daarom veelal False Cobra (onechte cobra) genoemd. (4) Dit gedrag wordt vaak beschouwd als een vorm van mimicry, waarbij aangenomen wordt dat het dier de gevaarlijke cobra nabootst. Mogelijk heeft deze verdedigingshouding zich echter onafhankelijk van de cobra ontwikkeld. (5)

De Big-eyed Mountain Keelback kan 120 cm lang worden en is aanzienlijk groter dan de Arrowhead Snake (Plagiopholis nuchalis) die een vergelijkbare defensieve houding kan aannemen.

Hij heeft opvallend grote ogen met ronde pupillen waarmee hij zich onder andere van cobra en koningscobra onderscheidt. Verder heeft de slang een aantal kenmerkende zwarte of grijze vlekken op het voorste deel van de buik, die vaak de vorm van een vaantje hebben en op de achterste helft van het lichaam geheel ontbreken. Afgezien van deze vlekken zijn de keel en het voortse deel van de buik ‘vlekkeloos’, terwijl er meer achteraan op de buik onregelmatig gevormde spikkels zitten waarmee de ventrale schubben naar achteren toe steeds dichter bezaaid zijn — het pigment is geconcentreerd op de achterste randen van de schubben.

Een grote purperbruine big-eyed mountain keelback in het Doi Suthep-Pui National Park.

Een grote purperbruine Big-eyed Mountain Keelback in het Doi Suthep-Pui nationaal park (Muang district, Chiang Mai) op een hoogte van ongeveer 1200 meter.

De dorsale schubben kunnen duidelijk gekield zijn, maar ook glad. De kleur van de rug en de tekening zijn zeer variabel.  Vaak is het dier overwegend bruinachtig maar hebben veel schubben zwarte, witte of oranje randen die tesamen een netwerk met dwarsbanden vormen. Er is gewoonlijk een nekbandje aanwezig dat met de punt naar voren wijst en op de rangordestrepen op een uniform lijkt. De Thaise naam van de slang is ngu lai sap kho bang — ‘kho bang’ betekent ‘nek met streep’.

Deze soort is goed bekend uit Darjeeling in Assam en andere delen van de Himalaya. Herpetoloog Frank Wall heeft er in het begin van de twintigste eeuw vele waargenomen en gevangen. Wall benadrukte de grote variabiliteit. ‘De versiering van deze soort is zeer gevarieerd en bij sommige individuen buitengewoon mooi,’ schrijft hij. ‘Eén jong exemplaar had een leiblauwe kop met daarachter in de nek een brede, pikzwarte pijl die aan de achterkant weer begrensd werd  door een smal, lichtbruin bandje. Bij sommige individuen is de kop diepgroen; bij andere is de pijlpunt zo groen  als een biljartlaken, bij weer andere lila, maar hij kan ook volledig ontbreken. Soms is de rug bijna eenvormig olijfgroen of bruin, maar er kan ook een serie  donkere vlekken over de flanken lopen; die kunnen onduidelijk zijn, maar ook heel duidelijk zwart of paarsachtig. Dwarsbandjes ontbreken soms of zijn juist vrij goed te onderscheiden;  soms zijn ze zelfs zeer opvallend. Dan zijn ze ofwel wit, ofwel lichtbruin en zelfs zijn er die van voren wit en van achteren lichtbruin zijn. Sommige dieren hebben een schaakbordpatroon dat bestaat uit groene, zwarte, amber- en okerkleurige vlekken. Met al deze variabilitiet lenen de exemplaren zich er niet toe te worden onderverdeeld naar kleur, want geen twee zijn er aan elkaar gelijk.’ (6)

Een exemplaar uit Doi Suthep in verdedigingshouding.

Een exemplaar uit het Doi Suthep-Pui nationaal park heeft de karakteristieke verdedigingshouding aangenomen.

In Noord-Thailand is die variabiliteit waarschijnlijk net zo spectaculair als in de Himalaya. Ik ken onder meer groene exemplaren van Doi Inthanon en Phu Hin Rong Kla en oranjerode exemplaren van Doi Suthep en Doi Inthanon. Bij de roodachtige exemplaren kan het voorste deel van het lichaam zo fel gekleurd zijn dat je even denkt met een red-necked keelback (Rhabdophis subminiatus) te maken hebt. Een schitterende foto van zo’n dier uit het Doi Inthanon nationaal park was door Michael Cota gepost op het internet (www.flickr.com).

De wijfjes leggen een stuk of tien eieren; verder is over de voortplanting nauwelijks iets bekend.

Hoewel de slang vaak als onschuldig wordt beschouwd (7), is de aanwezigheid van twee paar sterk vergrote tanden achterin de bovenkaak verdacht. (8) Das beschouwt het dier als  zwak giftig. (9)

Van exemplaren in China is het verschijnsel van schijndood spelen (thanatosis) gedocumenteerd. (10)

In Noord-Thailand is de slang niet erg algemeen. Zijn voorkomen is beperkt tot evergreen forest tamelijk hoog in de bergen (1000-1800 meter). Ik heb deze dieren gevonden op Doi Suthep en Doi Inthanon (Chiang Mai), Phu Hin Rong Kla (Phetchabun) en in de bergen van Umphang (Tak). Ze schijnen vochtige plaatsen langs bergbeekjes te prefereren en jagen daar overdag en bij het vallen van de avond op kikkers.
Ook in de Tam Dao-bergketen (noordelijk Vietnam) wordt hij vooral hoog in de bergen (op 900-1500 meter hoogte) aangetroffen. (11) Buiten Thailand is de slang bekend uit Laos, Vietnam, Myanmar, zuidelijk China, Noord-India, Nepal, West-Maleisië en Borneo. (12)

Plaatsen in Noord-Thailand met vindplaatsen.

Vier plaatsen in Noord-Thailand waar ik tot nu toe de Big-eyed Mountain Keelback heb gevonden.

Voetnoten:

1. Sharma, R. C., 2003. Handbook Indian Snakes. Zoological Survey of India, Kolkata: 143.

2. Das, Indraneil, 2010. A Field Guide to the Reptiles of Thailand and South-East Asia. Asia Books, Bangkok: 346-347.

3. Taylor, Edward H. and Robert E. Ebel, 1958. Contribution to the herpetology of Thailand. University of Kansas Science Bulletin, vol. 38 (No. 2): 1033-1189 (p.1149-1151); Taylor, Edward H., 1965. The serpents of Thailand and adjacent waters. The University of Kansas Science Bulletin, vol. 45 (No. 9): 609-1079 (p. 841-846).

4. Das, Indraneil, 2002. A photographic guide to snakes and other reptiles of India. New Holland Publishers, London: 43; Sharma, R. C., 2003. Handbook Indian Snakes. Zoological Survey of India, Kolkata: 143; Das, 2010, ibid.: 346-347.

5. Hauser, Sjon, 2007. Mock cobras. Guidelines Chiang Mai, juni 2007: 24-25, 34.

6. In: Sharma, 2003, ibid.: 143-144.

7. Cox, Merel J., Peter Paul van Dijk, Jarujin Nabhitabhata, and Kumthorn Thirakhupt,1998. A Photographic Guide to Snakes and other Reptiles of Thailand and South-East Asia. Asia Books, Bangkok: 49.

8: Sharma, 2003, ibid.: 143.

9: Das, 2010, ibid.: 347.

10. Een foto van een schijndood exemplaar, gemaakt door Kevin Messenger in China, is te vinden op  www. flickr.com/photos/kevinmessenger/3295963315.

11. Orlov, Nikolai L., Robert W. Murphy, and Theodore J. Papenfuss, 2000. List of snakes of Tam-Dao Mountain Ridge (Tonkin, Vietnam). Russian Journal of Herpetology 7 (1): 69-80 (p. 73).

12. Das, 2010, ibid.: 347.