Prehistorie aan de Mekong

01-prehistorie Mekong-87001-De schilderingen bij de Lai Thaeng Grot in het Phu Phaman nationaal park in Khon Kaen.

TEKST & FOTO’S © SJON HAUSER

Zandsteenformaties en rotsschilderingen
Ooit lag de Isan op Gondwanaland, maar samen met Indo-China brak het eraf en dreef noordwaarts. Miljoenen jaren later beukte dit Indo-Chinese Plateau in het supercontinent Laurasia en plooide een deel ervan tot gebergten. In de loop van miljoenen jaren werden die bergen geërodeerd en werd het zand door rivieren meegevoerd en afgezet op de bodem van de enorme binnenzee die de Isan was — zoals de Mekong nog steeds zandbanken afzet voor de kust van Vietnam. Het zand werd samengeperst tot een laag zandsteen van honderden meters dik. Zieltogende dinosauriërs werden op de oever van die binnenzee al gauw met zand bedekt en fossiliseerden zo uitstekend.
In 1976 werd de eerste dinosaurus in de Isan gevonden. Daarna kwamen er nog vele soorten aan het licht, waaronder een kleinere voorloper van Tyrannosaurus rex. De vondsten waren een wetenschappelijke sensatie (1) en de bewoners van vindplaatsen waren minstens zo enthousiast. ‘Dainosao’ werd bijna hun tweede identiteit waar ze net zo gehecht aan raakten als aan hun kleefrijst, pla dek en scherpe salade van onrijpe papaja. In Phu Wiang steken levensgrote beelden van brontosauriërs hun domme kop uit boven de rijksweg, terwijl kleinere beeldjes de tuinen, plantsoenen en perken opluisteren als een soort tuinkabouters.
Met eindeloos volharden slepen de rivieren uit de Himalaya — dat honderd miljoen jaar geleden ontstond toen het op drift geraakte Gondwanaland-brokstuk India tegen Laurasia aan botste — zich een weg door de zandsteenpakketten van de Isan, zoals de Mekong dat nu doet. Ze legden niet alleen de sauriërs bloot, maar creëerden in combinatie met tectoniek en regen-erosie een spectaculair landschap van steile rotswanden en grillige rotspartijen — alsof een reus in een ludieke bui een rotstuin had aangelegd door enorme keien rond te strooien of op te stapelen. Karakteristiek zijn platte rotsen die balanceren op onderliggend gesteente, zoals als de hoed van een paddestoel op zijn steel. (2)

Het woeste, desolate landschap was favoriet bij zwerfmonniken die er doorheen trokken om te mediteren. Aan de rebellen van de Communistische Partij van Thailand bood het jarenlang bescherming. Ook de prehistorische mens werd erdoor geboeid. Hij kwam er om te jagen of om met oker of runderbloed de rotswanden te beschilderen. Er zijn honderden afbeeldingen gevonden van dieren, variërend van hond tot pla buek, en mensachtige figuren met opvallende hoofdtooien die jagen of landbouw bedrijven. Het talrijkst zijn de afbeeldingen van handen die ontstonden door in kleurstof gedoopte handen tegen de rotsen te drukken.
De beroemdste rotsschilderingen van de streek bevinden zich op de magnifiek aan de Mekong gelegen Pha Taem-klip (3). Over een afstand van tweehonderd meter zijn er honderden afbeeldingen op de klip achtergelaten. Mogelijk is het de grootste verzameling prehistorische kunst op aarde. Hoewel de prehistorische kunst van de Isan artistiek niet kan tippen aan de veel oudere grotschilderingen in Europa (zoals die van Altamira), fascineerde deze oergrafitti me. Als ik de gelegenheid had zocht ik de minder bekende locaties op; meestal lagen ze afgelegen of moeilijk bereikbaar.

Bo hu!
Dat bleek weer eens toen ik op zoek ging naar de Phu Phaya in het district Suwanna Khuha. (4) Hemelsbreed ligt de berg slechts honderd kilometer van Chiang Khan, maar ik bracht het grootste deel van de ochtend door in een labyrint van plattelandsweggetjes. In het district bezocht ik eerst een tempel waar dorpelingen jaarlijks de grootste rijstkoek ter wereld roosteren, die inmiddels in het Guiness Book of Records staat genoteerd.
‘Het afgelopen jaar werden er meer dan tweeduizend eieren in verwerkt,’ vertelde Phra Phrom, een jonge monnik. Hij leidde me naar een spoelvormig, van bamboe gevlochten gevaarte van vijf meter lang dat onder een afdak aan een draaibare as hing. Het vlechtwerk was nog gedeeltelijk bedekt met harde, uitgedroogde stukken van de koek.

02-prehistorie-87002-(links): Phra Phrom voor de grootste rijstkoek ter wereld. (rechts): Boeddhabeeld met zevenkoppige naga in een grot in het district Suwanna Khuha van Nong Bua Lamphu.

‘Eet er zoveel van als je wil,’ zei Phra Prom terwijl hij me een handvol brokken toestopte. Daarna bracht hij me naar een grot waar het beeld van een mediterende Boeddha werd beschermd door een geel met blauw beschilderde zevenkoppige naga. Bij enkele stenen met oude inscripties diste Phra Phrom de nodige locale folklore op die terugvoerde naar de tijd dat de streek deel uitmaakte van het Rijk van de Miljoen Olifanten.
Vreemd genoeg kende hij de prehistorische schilderingen van Phu Phaya niet. Met een vage aanwijzing waar de berg zou kunnen liggen ging ik weer op pad.
Na tien kilometer zag ik een bord langs de weg met PHU PHAYA erop. Dat was hoopgevend, maar daarna kwam er geen bord meer. Boeren aan wie ik de weg vroeg hadden nooit van de berg gehoord of wezen een willekeurige kant op. Waarschijnlijk konden ze zich geen voorstelling maken van wat ik zocht en wilden ze de schijn ophouden hulpvaardig te zijn. Zelfs bij het tonen van een foto van prehistorische schilderingen ging er geen lampje branden. Terwijl de wereldverbeteraars van Non Government Organizations met pathos de local wisdom van de boeren bejubelen, verbijsterde het mij juist hoe weinig ze wisten.
Was het mijn belabberde uitspraak waardoor ze mij niet begrepen? Of stelde ik mijn vraag te direct en had een zwoegende boer wel wat anders aan zijn kop dan prehistorie? Het was op het heetst van de dag, 35 graden Celsius. Ik was moe en ergerde mij. Begon na twintig jaar de ‘koloniaal’ als een latent virus in mij los te breken? Zou het niet lang meer duren of ik laat mij even denigrerend uit over de Lao’s als Carl Bock, Jules Harmands of Marthe Bassenne? De Franse doktersvrouw vergeleek de Lao-vrouwen zelfs regelmatig met apen. (5)
Sommige boeren kenden de schilderingen misschien niet omdat van ze elders kwamen — ook binnen hun streek zijn de Lao’s overmoeibare migranten. Maar ik had ook het gevoel dat ze tegen mij samenspanden om de schilderingen geheim te houden. Op nog geen driehonderd meter van de berg deed een boer mijn vraag af met:
‘Bo hu – ik weet het niet!’

03-prehistorie-87003-Prehistorie aan de Mekong: een bord dat verwijst naar de tempel bij de grot in de Phu Phaya. Het rode handje verwijst naar de prehistorische schilderingen of naar het fiet wat er wat dat betreft bloed aan de paal is.

Naast zijn akker stond een verweerd houten bord met een rood handje erop geschilderd — het logo van de prehistorische mens! Maar de boer wist het niet. Het ‘bo hu’ en het ‘bo mi’ (‘Hebben we niet’) van de Lao’s bracht Jules Harmands vaak tot razernij. Ik kon me nog net beheersen en was blij de berg te hebben gevonden.

Bo dai!
Aan de voet lag een tempel. Toen ik naar de schilderingen informeerde, werd ik verwezen naar een oudere monnik. Die deed eerst alsof er helemaal geen schilderingen waren. Maar ik stond erop dat hij mij vertelde waar een trap of pad erheen leidde. Zijn reactie was tenslotte:
‘Bo dai — het kan niet!’
Hij gebaarde me mee te lopen naar een sala waar een ingelijst artikel uit de Bangkok Post hing. Ik las het artikel en begreep daarna waar de schoen knelde. Een ondernemer had de kalksteenberg willen exploiteren, maar locale boeren hadden zich ertegen verzet, wat begrijpelijk was gezien de overlast: dreunen en stofwolken van het voortdurend opblazen van de rotsen en het gedender van af en aan rijdende vrachtwagens. De ondernemer was een gewetenloze schurk, zoals zo vele handelaren in grondstoffen, en liet enkele protesterende boeren vermoorden. Daarop werden de prehistorische schilderingen als troef ingezet om de exploitatie te voorkomen en kwam de gangster tegenover het Fine Arts Department te staan. In afwachting van een gerechtelijke uitspraak werd de berg verboden terrein verklaard, uit vrees dat belanghebbenden de rotswand met schilderingen zouden opblazen.
‘Ik begrijp het probleem,’ zei ik tot de monnik, ‘maar ik kom helemaal uit Chiang Mai. Alleen vandaaag al heb ik vijf uur op een motor gezeten om de berg te bereiken. Geloof me, ik heb echt geen explosieven bij me.’
De monnik produceerde een zuur lachje.
‘Ja, dat geloof ik wel en het is grappig wat je zegt, maar ….’
Het was duidelijk dat hier een bikkelharde belangenstrijd woedde en dat de monniken, noch omringende boeren, erbij gebaat waren wanneer ze toestonden dat ik verboden terrein betrad. Ik maakte een wai-gebaar en reed de tempel uit.
De boer was nog steeds met zijn staken cassave in de weer en ik begreep nu waarom hij van niets wist.
Anne-Marie moest hartelijk lachen toen ik vertelde dat de berg gesloten was en ik vierhonderd kilometer voor niets had afgelegd.

04-prehistorie-48004-Een krantenknipsel waarin de strijd omtrent de Phu Phaya ter sprake komt.

De volgende dag zag het ernaar uit dat mijn excursie opnieuw mislukte. De Lai Thaeng-grot in een recent gecreëerd nationaal park was mijn bestemming. De weg erheen was uitstekend en het omringende landschap behoorde tot het mooiste dat Thailand te bieden had. Ik passeerde reusachtige tafelbergen en een kalksteenberg die op de kop van een duif leek. (6) Bij de ingang van het nationaal park moest ik 200 baht entrée betalen, het tienvoudige van wat een Thai betaalt. Ik kreeg de indruk dat de dame aan het loket ook niet gelukkig was met deze nieuwe, discriminerende regel. Het duurde een kwartier voordat een parkwachter was gevonden die mijn briefje van vijfhonderd baht kon wisselen. Ondertussen passeerde een gezin uit Bangkok in een Volvo voor een fractie van dat bedrag.
De vijf kilometer lange weg naar het hoofdkwartier was door werkzaamheden in een modderpoel veranderd. Mijn stemming ging er niet op vooruit. Ik dacht: ‘Dat doen ze dus met mijn geld. De portemonnees spekken van criminele ondernemers die wegen aanleggen waar Volvo’s over kunnen razen — ontwikkeling Thaise stijl.’
De schilderingen bleken zich nabij het hoofdkwartier te bevinden. Volgens een parkwachter lagen ze noordelijker maar was de weg vanaf het hoofdkwartier die kant op vrijwel onbegaanbaar. Ik zou er goed aan doen naar de hoofdweg terug te rijden om het nationaal park via een noordelijke ingang te betreden.
Volgens een makette lag de grot echter aan de zuidkant van het park. Daar hield ik het maar op en scheurde geïrriteerd terug door de blubber. Een uur later was ik aan de zuidflank van het park. Er was geen bord te bekennen, zelfs geen boer om het ‘bo hu’ aan te ontlokken. Het was al laat in de ochtend en ik was aardig opgefokt.

Gestrand
Opeens zag ik een bord met het opschrift THAM PHRA — ‘monnikengrot’ of ‘grot met de Boeddha’. Misschien was dit de grot die ik zocht, misschien ook niet. In elk geval wilde ik die grot wel zien. Ik sloeg direct het smalle, met keien omzoomde cementen pad op, dat steil omhoog slingerde. Voorbij een bocht werd het nog steiler en ik schakelde net op tijd terug naar de eerste versnelling. Vervolgens ging het pad nog steiler omhoog en besefte ik dat het voor voetgangers bestemd was — het was zo steil als een trap. Ik gaf al een paar seconden volgas en anticipeerde op het moment dat ik tot stilstand kwam en met de scooter tegen het cement zou kwakken.
Toen dat moment leek aan te breken kroop het voorwiel over de richel van een plateau waar het pad eindigde. Met mijn trouwe Honda bevond ik mij voor de ingang van een kleine grot die was ingericht met een boeddhabeeld en een paar matten. Ik was blij dat er geen monik mediteerde. Het was minder erg dan Janssen en Janssens die in Kuifje en het zwarte goud in een jeep een moskee vol biddende moslims binnenreden — maar zo hoorde men geen Thais heiligdom te betreden.
Ik zette de scooter op zijn standaard naast de Boeddha en zocht vergeefs naar schilderingen op de de rotswanden. Daarna inspecteerde het pad. Het was een wonder dat ik mij hier met een scooter bevond — als de ark van Noach gestrand op Mount Ararat. Het pad was zo steil dat omlaag rijden onmogelijk was. Het pad was bovendien glibberig van algenaanslag: ik zou te pletter vallen. Ik zag slechts twee mogelijkheden: mijn motorfiets op een mat leggen en naar beneden laten glijden of de bewoners van een omliggend dorp mobiliseren.
De tweede mogelijkheid bood zich vanzelf aan: vier jonge boeren verschenen met brede grijnzen onderaan de grot. Ze hadden me vanaf de weg de heuvel op zien rijden. Ik stapte op, het voorwiel een stukje over de ‘afgrond’ heen. Ik startte, schakelde naar de eerste versnelling en gaf voorzichtig wat gas terwijl de mannen als tegengewicht aan de motorfiets hingen. Zo kropen we omlaag. Beneden bedankte ik ze hartelijk en zette mijn speurtocht naar de Lai Thaeng-grot voort.

Niet ver van de Tham Phra belandde ik nog bij een andere grot. Het stonk er naar vleermuizenpoep, maar een twee meter lange Copperhead Racer, zo dik als mijn pols, maakte mijn dag weer goed. De slang had me niet in de gaten en kroop traag over een richel. Van prehistorische schilderingen was geen spoor.

‘s Middags volgde ik de suggestie van de parkwachter op. Vanaf een afslag bij de duifvormige rots bereikte ik een gehucht dat omringd was door geploegd bouwland en casuarineplantages.(7) Toen ik vroeg ik naar de rotsschilderingen, wees men onverschillig naar de bergen. Maar Somkriat, een gedongen boer met een vlassig baardje, wilde mij er wel naartoe brengen. Eerst ploegden we een paar kilometer door de modderige paden tussen de velden, daarna liepen we verder tot aan de voet van een berg. Door donker bamboebos klommen we over de keien naar de grot.
De schilderingen bevonden zich boven de ingang. Het was een chaotische verzameling figuren, samengebald op maar enkele vierkante meters rotswand. Het meest in het oog sprongen roodbruine mensachtige figuren met staarten. Ernaast speelde een persoon zonder staart op een fluit. Twee andere mensachtigen bevonden zich in een vlak dat 120 graden was gedraaid; een van hen leek te dansen. Ik meende verder een schild, een boemerang, een hond en een rund te onderscheiden. Al deze figuren waren met rood oker ingekleurd, maar eroverheen waren ook een rund en mens getekend waarvan slechts de contouren waren getrokken. Verscholen binnen deze wriemelende massa bespeurde ik ook een abstract figuur dat nog het meest weg heeft van de kantelen van een vesting. Soms lijken dit soort dubbele kartellijnen op slangen en volgens de Thaise prehistoricus en naga-expert Sujit Wongthet duiden ze op locale slangenverering (8). Waarschijnlijk had de rotskunst een rituele functie en woonden de kunstenaars in lager gelegen dorpjes bij hun akkers.
Over de ouderdom van deze rock art tast men in het duister. Men houdt het op 2000 tot 4000 jaar. De kunstenaars waren mogelijk landbouwers met een cultuur verwant aan die van Ban Chiang, een vindplaats elders in de Isan. In de jaren zeventig werden bronzen Ban Chiang-werktuigen te oud gedateerd op 7000 jaar — ouder dan het brons van Mesopotamië — en claimden chauvinisten dat Thailand de bakermat van de menselijke beschaving was.
De Nederlandse bodemkundige Willem van Liere, die in de jaren zeventig als een van de eerste westerlingen de frescoes op de kolossale Pha Taem-klip aanschouwde, meent dat de schilderingen zelfs nog geen 500 jaar oud zijn en door de voorouders van de Khamu’s — een bergvolk dat nu voornamelijk in Laos leeft — werden vervaardigd. (9)
Hoe het ook zij, het prehistorisch bestaan verschilde in elk geval niet sterk van de rijst-en-vis-cultuur die vóór de Tweede Wereldoorlog nog de Isan domineerde. De afbeeldingen van waterbuffels, velden met bundels geplante rijst, vistuig (en op de Pha Taem-klip zelfs een pla buek) wijzen daarop. (10)

Ik schoot een filmpje vol op de schilderingen en zette Somkriat daarna af in zijn dorp.
In het hotel was Anne-Marie Mekong-vis aan het schoonmaken toen ik afgepijgerd en onder de modder terugkeerde.
‘Vandaag vond ik een grot die niet was gesloten,’ zei ik, ‘in de buurt van Chumphae. Onderweg bovendien een paar mooie slangen gevonden.’
Anne-Marie schudde lachend haar hoofd.

Noten:

(1) Bijvoorbeeld Buffetaut and Ingavat (1985).
(2) Zie onder andere: Illustrated Landforms of Thailand. Chulalongkorn University, Bangkok, 1991.
(3) In het district Khong Chiam in de provincie Ubon Ratchathani.
(4) In de provincie Nong Bua Lamphu, ten zuiden van de veel bekendere rotsschilderingen van Phu Phrabat in de provincie Udon Thani.
(5) Bassenne (1995): 12, 63, 75.
(6) Phu Nok Khao.
(7) Casuarina’s zijn loofbomen die met hun naaldvormige bladeren op cypressen lijken. De stammen leveren mooie rechte palen.
(8) Sujit Wongthet, persoonlijke mededeling; ze lijken ook op de patronen op het Ban Chang-aardewerk.
(9) Van Liere, persoonlijke mededeling.
(10) Zie onder andere: Higham and Thosarat (1998): 130-134.