Pareas, een geslacht van slakken etende slangensoorten

01-Pareas-post-titelHet geslacht Pareas in Noord-Thailand

Pareas carinatus

Pareas hamptoni

Pareas macularius

Pareas margaritophorus

De Aziatische snail eaters, slug snakes (of slug-eating snakes: slakken etende slangen) worden meestal in een eigen onderfamilie, Pareinae (1) of Pareatinae (2), of familie, de Pareatidea (3), ondergebracht. Deze tamelijk kleine slangen zijn gespecialiseerd in het eten van slakken en naaktslakken. Ze hebben een brede, stompe snuit en kunnen hun onderkaak uitschuiven en in een slakkenhuis steken en daarmee de slak uit zijn huisje trekken—de stompe kop voorkomt dat deze in het slakkenhuisje wordt getrokken.

Parker and Grandison geven daarvan de volgende, meer uitvoerige beschrijving: ‘(..) ze eten bijna exclusief mollusken (weekdieren) en hebben een simpele techniek ontwikkeld om de slakken uit hun huisje te halen. De zachte delen van een kruipende slak worden gegrepen en de slang blijft vasthouden als de slak zich probeert in zijn huisje terug te trekken. Vervolgens steekt de slang zijn onderkaak naar voren in de opening van de het slakkenhuis, haakt de tanden ervan in het zachte weefsel en trekt de kaak terug, waarbij de slak naar buiten wordt getrokken.

Voor het succes van deze techniek zijn drie dingen vereist: een onderkaak die een stuk voor- en achteruit geschoven kan worden zonder corresponderende bewegingen van de bovenkaak en het palatum; sterke terugwijkende tanden aan het uiteinde van de onderkaak; een stompe snuit die niet in het slakkenhuisje getrokken wordt als het slachtoffer zich samentrekt.

Zowel de Dipsadinae (een groep Amerikaanse slug-eating snakes) als Pareinae hebben een karakteristieke korte, stompe en zeer hoge snuit. De botjes van de bovenkaak en het palatum zijn niet verbonden met het quadratum (waarmee de onderkaak is verbonden). Het quadratum is erg lang en kan vrij kan draaien in een wijde boog rond het aanhechtingspunt op de schedel, waardoor de onderkaak voorwaarts en achterwaarts meebeweegt.’ (4)

Deze slangen zijn voornamelijk ‘s nachts actief. Een dozijn soorten is bekend uit Zuidoost-Azië, Zuid-Azië en zuidelijk China. Vier soorten komen voor in Noord-Thailand en deze behoren alle tot het geslacht Pareas. Enkele andere andere soorten komen in Thailand alleen voor in het zuiden. De taxonomie van deze slangen is momenteel een rommeltje. Tot de verwarring heeft beslist een korte Chinese publicatie (5) bijgedragen waarin Pareas macularius werd beschouwd als een junior synoniem van Pareas margaritophorus, een misopvatting die algemeen geaccepteerd werd. Vogel en Hauser werken momenteel aan een onderzoek waarin deze synonimisering weerlegd wordt en waarin daarnaast twee soorten uit Myanmar en India, die in 1943  door Smith met Pareas macularius werden gesynonimiseerd (6), nieuw leven wordt ingeblazen.

*     *     *
Keeled Slug Snake-Pareas carinatus1. Een Keeled Slug Snake uit de heuvels van Chiang Mai’s Mae Chaem District op een hoogte van 600-700 m boven zeeniveau. 2. Zijaanzicht van de kop van een exemplaar uit Chiang Rai’s Mae Chan District, 600 m boven zeeniveau. 3. Uitvergroting van het gebied rond het oog: het oog is geheel met ‘orbitals‘ omgeven en de prefrontal (asterix) is niet in contact met het oog.

Keeled Slug Snake
(Pareas carinatus)

Thaise namen:

ngu kin thak hua toงูกินทากหัวโต

ngu kin thak klet san — งูกินทากเกล็ดสัน

Deze lichtbruine tot oranjebruine slang is algemeen in droog, laag in de heuvels liggend bos met overwegend bladverliezende boomsoorten.

Hoger in de bergen (ca. 800 m en hoger), waar de altijd groene boomsoorten domineren, ontbreekt deze soort en is hij ‘vervangen’ door Hampton’s Slug Snake die er sterk op lijkt (zie hieronder).

Het lichaam van de Keeled Slug Snake is sterk zijdelings afgeplat en de kop is groot ten opzichte van de dunne nek. (Een van zijn Thaise namen betekent dan ook ‘grootkop slakken etende slang’.)

Hij kan een lengte van 70 centimeter bereiken, beduidend langer dan de ‘spotted slug snakes’.

Het dier heeft tamelijk opvallende oranjebruine ogen met een zwarte, vertikale, spleetvormige pupil.

De tong is donkergrijs.

Vanaf het oog lopen twee dunne lijntjes naar het midden van de nek direct achter de kop en lijken daar te kruisen zodat ze een X-teken vormen.
Vaak zijn die lijntjes echter zeer onduidelijk.

De meest mediane rugschubben zijn zwak gekield en daaraan heeft het dier zijn latijnse naam te danken. De Engelse naam en een van zijn Thaise namen zijn daar weer vertalingen van.

Veel schubben hebben donkere randjes die een vaag patroon van gekartelde, dunne bandjes vormen.

De kleur van de buik is geel of vaal oranje.

Deze soort leeft vooral in planten en struiken en is een behendige klimmer.

Net als de andere slug snakes in Noord-Thailand is hij overwegend ‘s nachts actief en op zoek naar voedsel.

*     *     *
Pareas hamptoniLinks: Een Hampton’s Snail Eater uit hill evergreen forest op een hoogte van 1200-1300 m boven zeeniveau in het Doi Phu Kha nationaal park, Bo Kluea District, Nan. Rechts: Bovenaanzicht van de kop en de hals met een karakteristiek patroon dat bij Pareas carinatus ontbreekt.

Hampton’s Slug Snake (Pareas hamptoni)

Deze soort wordt ongeveer 80 cm lang en heeft een sterke oppervlakkige gelijkenis met de Keeled Slug Snake (Pareas carinatus), maar is donkerder van kleur: de rug is oranjebruin en de buik is fel oranjegeel. Daarnaast zijn er verschillen in de schubben rond het oog. Het meest essentiële verschil is wellicht het beduidend grotere aantal buikschubben. Hampton’s Slug Snake komt overwegend voor in altijd groen bos in de bergen, op een hoogte van minstens 800 m boven zeeniveau, en prefereert dus een totaal andere habitat dan de Keeled Slug Snake.

Hampton’s Slug Snake werd pas in 2010 voor het eerst beschreven als een soort die ook in Thailand voorkomt. (7) Het betrof twee exemplaren gevonden in de bergen van Umphang (provincie Tak). Maar de soort komt wijd verspreid voor in de bergen van Noord-Thailand. Ik vond exemplaren op Doi Inthanon en Doi Suthep (provincie Chiang Mai), in de bergen van Umphang en Phop Phra (Tak) en in het Doi Phu Kha nationaal park (Nan), steeds in evergreen forest op een hoogte van 1000 m of meer boven zeeniveau.

*   *   *

Een white-spotted slug snake met een roze ‘nekbandje’, laag in de bergen in het district Dan Sai, Loei.

White-spotted Slug Snake (Pareas margaritophorus)

Thaise naam:

ngu kin thak chut khao — งูกินทากจุดขาว

Deze kleine grijze slug snake is een van de algemeenste slangen van Thailand.

Hij is te vinden in bos en gecultiveerd land vanaf het laagland tot circa 800 meter hoog in de bergen.

Op grotere hoogten komt overwegend de er sterk op gelijkende Spotted Slug Snake (Pareas macularius) voor.

Een white-spotted slug snake met een wit nekbandje gevonden laag in de bergen in het district Mae Taeng, Chiang Mai

Een White-spotted Slug Snake uit Mae Taeng, Chiang Mai.

De kleine White-spotted Slug Snake heeft een tamelijk rond lichaam en bereikt een lengte van hooguit 45 cm. De snuit is stomp en goed te onderscheiden van de nek. De ogen zijn zwart.

Het lichaam is bezaaid met stippen ter grootte van een schub — daarvan is het voorste deel wit is en het (doorgaans grotere) achterste deel zwart.

Een groot aantal stippen is helemaal zwart en het adjectief ‘white-spotted’ in zijn naam is dus nogal misplaatst.

Meestal vormen rijen stippen vage bandjes.

De meeste exemplaren hebben een wit, zwavelgeel of roze bandje in de nek dat vaak is gereduceerd tot één vlek of is opgebroken in twee of drie vlekken.

De rugschubben zijn allemaal glad. Das (8) noteert dat de vertebrals (meest mediane rij schubben boven de wervelkolom) vergroot zijn, maar dat is bij de individuen in Noord-Thailand niet te constateren.

De buik is vrijwel effen wit en aan de randen bezaaid met kleine grijze vlekjes.

Deze dieren zijn overwegend ‘s nachts actief. Ze zijn algemeen en wijdverspreid in Noord-Thailand en komen ook voor in de rest van Thailand. Daarnaast zijn ze bekend uit een groot deel van het vasteland van Zuidoost-Azië en zuidoostelijk China.

*     *     *

Pareas macularius

Spotted Slug Snake (Pareas macularius)

Thaise naam:

ngu kin thak chut damงูกินทากจุดดำ

Deze slug snake lijkt op het eerste gezicht sterk op Pareas margaritophorus, de White-spotted Slug Snake, maar er is toch een aantal verschillen.

Deze soort is wat groter en bereikt een lengte van maximaal 55 cm. (Het aantal ventrale schubben is gemiddeld ook groter). Het lichaam is misschien enigszins zijdelings afgeplat en dus wat minder rond dan bij Pareas margaritophorus, maar het verschil is miniem.

We vinden nooit een zwavelgeel of roze bandje bij deze soort, soms bij jonge individuen iets dat op een wit bandje lijkt. Bij volwassen dieren is er doorgaans een tamelijk breed onregelmatig vlinder- of W-vormig bruinig bandje dat bestaat uit donkerbruine spikkels op een lichte achtergrond. Daarnaast is er vrijwel altijd een intens zwarte vlek die een groot deel van de achterste supralabial bedekt. De buik is meestal bezaaid met grovere vlekken dan bij Pareas margaritophorus maar er zijn ook individuen waarvan de buikvlekken nauwelijks donkerder zijn. Het meest diagnostische kenmerk is echter dat de 5-9 meest mediane rijen rugschubben (de rij boven de wervelkolom en de 3-4 rijen die er aan elke kant aan grenzen) licht gekield zijn (9, 10), terwijl bij Pareas margaritophorus alle dorsale schubben helemaal glad zijn!

De meeste stippen ter grootte van een schub waarmee het lichaam bezaaid is, zijn net als bij Pareas margaritophorus zwart met een witte punt aan de voorkant. De Thaise naam ngu kin thak chut dam (‘black-spotted slug-eating snake’) is dus net zo misplaatst als de Engelse naam White-spotted Slug Snake voor Pareas margaritophorus.

De buikzijde met grove vlekjes van het exemplaar in de foto hierboven.

De buikzijde met grove vlekjes van het exemplaar in de foto hierboven

Mediane rijen gekielde schubben.

Mediane rijen mrt zwak gekielde schubben.

Deze soort is algemeen evergreen forests  in de bergen op een hoogte van circa 1000-1600 meter en is wijd verspreid in Noord-Thailand. Het is misschien wel de meest algemene slang  in de bergen  in Noord-Thailand.

©SJON HAUSER: TEKST EN FOTO’S

Referenties

(1) Parker, H.W., and A.G.C. Grandison, 1977 [1965]. Snakes — a natural history. Cornell University Press, New York: p. 74-75.

(2) David, Patrick, Merel J. Cox, Oliver S. G. Pauwels, Lawan Chanhome, and Kumthorn Thirakhup, 2004. Book Review. When a book review is not sufficient to say all: an in-depth analysis of a recent book on the snakes of Thailand, with an updated checklist of the snakes of the Kingdom. The Natural History Journal of Chulalongkorn University 4(1): 47-80, April 2004 (p. 73-74).

(3) Das, Indraneil, 2010. A Field Guide to the Reptiles of Thailand and South-East Asia. Asia Books, Bangkok: p. 344.

(4) Parker and Grandison, ibid.: 74-75.

(5) Huang, Qing-yung, 2004. Pareas macularius theobald, 1868 Should be a Junior Synonym of Pareas margaritophorus (Jan, 1866). Sichuan Journal of Zoology 23 (3): 207-208. [in Chinese]

(6) Smith, Malcolm A., 1943. The fauna of British India, Ceylon and Burma, including the whole of the Indo-Chinese subregion. Reptilia and Amphibia. Vol. III, Serpentes. London: Taylor & Francis.

(7) Vogel, Gernot, 2010. On the distribution of Pareas hamptoni (Boulenger, 1905) in Thailand (Serpentes: Pareatinae). Russian Journal of Herpetology, 17 (3): 219-222.

(8) Das, ibid.: 245.

(9) Taylor, Edward H. and Robert E. Elbel, 1958. Contribution to the herpetology of Thailand. The University of Kansas Science Bulletin 38 (2): 1033-1189 (p. 1126-1128).

(10) Das, ibid.: 245.