Parasitaire planten in Noord-Thailand

Balanophora

Balanophora spec.

Parasitaire planten in Noord-Thailand:

Dodder, Rafflesia, Balanophora, Christisonia

Parasitaire planten heb je in allerlei vormen en zijn wijd verspreid. Sommige parasiteren maar een beetje, andere zijn echte moordenaars. In Nederland is de mistel (maretak) het bekendst, een halfparasiet. In Thailand geven de bloemen van een aantal niet zo algemene parasieten vaak onverwachts kleur aan bodem van het dichte en donkere bos. Verwar ze niet met paddestoelen of de bloemen van gemberachtigen.

De meeste hogere planten zuigen met hun wortels water en mineralen uit de bodem en sluiten kooldioxide uit de lucht in de bladeren en andere groene delen op. Met behulp van zonlicht als energiebron worden uit die bestanddelen alle belangrijke bouw- en brandstoffen gefabriceerd. Een schaarste aan een van de elementen heeft bij de hogere planten vaak parasitisme geleid, waarbij bouw- en brandstoffen uit andere (groene) planten worden onttrokken. Omdat het bladgroen overbodig is geworden is zijn deze planten vaak ‘kleurloos’ en is hun bouw sterk gereduceerd. Maar hun voortplanting laat zien dat ze in dat opzicht helemaal hoger plant (‘bloemplant’) zijn gebleven: Ze produceren dan bloemknoppen die door de wand van de gastheer breken en ontluiken tot de meest wonderbaarlijke bloemen.

Dodder

Dodder (Cuscuta siamensis)

De bloempjes van de Dodder

Bloempjes van de Dodder

Het spectaculairst zijn de bloemen van Rafflesia en Balanophora, die je doorgaans slechts vindt op de bodem van vochtig bos. Maar de algemeenste parasiet is de welbekende Dodder (Cuscuta chinensis, Cuscutaceae) waarvan de plant voornamelijk bestaat uit een warrige groengele dradenmassa die soms in enorme kluwens struiken en bomen overwoekert, maar parasiteert op verschillende kleine plantensoorten, met name van het geslacht Wedelia (Asteraceae — voor de bekende Thaise planten uit deze familie, waaronder Wedelia, zie het artikel: Composieten—een rijkdom aan Thaise liefjes .)
De plant is parasitair want hij onttrekt vocht en voedingsstoffen uit de wortels van de gastheer. Maar het is een halfparasiet want de kluwen draden bevatten bladgroen waarmee hij zelf met behulp van zonlicht ook kan fotosyntheticeren. De oorspronkelijke bladen zijn gereduceerd tot kleine schubjes. In de winter en het voorjaar zie je die kluwens overal tapijten over de bermvegetatie vormen. In maart produceren ze minuskule bloempjes.
De Thaise naam foi thong (‘gouden draden’) spreekt voor zich.

Sapria

Ontluikende bloemknop van Sapria himalayana

In tegenstelling tot de Dodder produceren de planten uit de families der Rafflesiaceae en Balanophoraceae juist forse, opvallende bloemen.
De bloemen van Rafflesia arnoldi uit Sumatra hebben een doorsnede van bijna een meter en gelden als de grootste bloemen uit het plantenrijk. In Zuid-Thailand komt een soort (Rafflesia kerri) voor met wat kleinere, maar spectaculaire bloemen. De bloemen van de Noord-Thaise soorten worden niet groter dan een dessertbord, maar een groepje bloemen midden in het bos is niettemin een betoverende verschijning.

Het bekendst is de soort Sapria himalayana met bloedrode bloemen met lichtgele of witte stippen, als de hoed van een enorme vliegenzwam. De eigenlijke plant bestaat uit een parasitaire dradenmassa binnen bepaalde soorten lianen. In januari worden er bloemknoppen geproduceerd die door de bast van de liaan heenbreken, meestal uit het deel van de liaan dat op de grond in het bos rust. De Thaise naam is krathon ruesi (‘kwispedoor van de kluizenaar’) omdat de volledig geopende bloemen wat weghebben van de bonte, geëmailleerde spuugpotten, die in de eenvoudige Chinese hotels in Thailand nooit ontbreken. Op Doi Suthep, de berg ten westen van Chiang Mai, zijn verschillende plaatsen waar deze plant in de winter zijn wonderbaarlijke bloemen vertoont.

Balanophora

Balanophora spec. op Doi Inthanon.

Balanophora Mae Kampong

Balanophora, Mae On.

Minstens zo bijzonder zijn de futuristisch ogende bloemen van de parasitaire planten uit de familie der Balanophoraceae.
Sommige zien eruit alsof er een aantal kleine spoetniks van buitenaardse ruimtevaarders in het bos is neergestreken.

Ook dit zijn doorgaans parasieten van lianen. Een aantal soorten is eenhuizig: d.w.z. dat een plant alleen maar mannelijke of alleen maar vrouwelijk bloemen voortbrengt.
Je vindt deze bijzondere bloemen vooral in het regenseizoen en najaar in evergreen bos, doorgaans op een hoogte van meer dan duizend meter. Ik ken ze onder andere van Doi Inthanon en de bergen van Mae On.

Christisonia

Christisonia siamensis, Taksin Maharat nationaal park, Tak.

Bloem gemberachtige

Bloem gemberachtige, Huai Nam Dang nationaal perk, Chiang Mai.

Tenslotte is er de parasiet Christisonia siamensis die in het regenseizoen lieflijke krokusachtige bloemetjes aan een kort steeltje voortbrengt op de bodem van vochtig bos. In feite zijn de bloempjes buisvormig, donkerviolet met een geel hartje.
Je zult tevergeefs naar de bladeren van het plantje zoeken, die zijn er niet. De eigenlijke ondergrondse plant zou volgens MacMakin, 1988 (p.70) op grassen parasiteren.

Dit plantje wordt door de Thais dok din (‘aardebloem’) genoemd  maar een aantal bloemen van gembers die in het voorjaar op de kale bodem bloemen worden voortgebracht worden ook wel dok din genoemd.

De gembers zijn echter niet parasitair en de bloemen komen voort uit een scheut van de wortelstok van de plant zelf.
Later in het jaar produceren ze (soms heel grote) groene bladeren waarmee ze zelf hun suikers synthetiseren.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s