Pak Nam—de spirituele vuurtoren van de Chao Phraya

PAK NAM*

De spirituele vuurtoren van de Chao Phraya.

door Sjon Hauser

Pak Nam-01-870a

‘In die dagen waren de Hollandse mannen van goed gedrag en beleefd.’

Het staat er echt. In het Engels en in het Thais, op een bord aan de mond van de Chao Phraya ten zuiden van Bangkok. Nette Hollandse mannen, tienduizend kilometer van huis.

We lezen verder dat onze VOC-handelaren land was toegewezen voor pakhuizen en woningen. De aardig ogende vestiging die er ontsproot werd Nieuw Amsterdam genoemd. Maar de handel stagneerde en de handelspost werd opgeheven. Erosie door het getij deed de rest en tegenwoordig is er geen spoor meer van over.

Begin 19e eeuw werd op een eilandje in de riviermond een pagode gebouwd, zodat er voor buitenlanders geen twijfel bestond dat ze een boeddhistisch land binnenvoeren. Het werd Siams spirituele vuurtoren aan de mond van haar levensader.

Westerse mogendheden stonden weldra te dringen voor de Siamese handelsmarkt. Zo lag graaf Fritz zu Eulenburg eind 1861 in een schip voor de riviermond voor anker om een handelsverdrag tussen Siam en Pruisen te tekenen. Het was bloedheet, de zee was spiegelglad. Hij kreeg huiduitslag. De laatste uit Japan meegebrachte hond stierf. Dagenlang wachtte de gezant tot de formaliteiten waren geregeld. Dan luidden 17 kanonsschoten de voortzetting van zijn reis in. Hij constateerde dat de rivier zo breed is als de Rijn, maar de oevers zag hij niet vanwege het mangrovebos.

Van de pagode maakte hij geen melding. Dat is uitzonderlijk, want voor de meeste bezoekers was deze juist het eerste dat opviel. Een andere reiziger schreef daarover: ‘De vergulde spits ver boven de kruinen van de bomen schitterde magnifiek in de avondzon. Ik voelde dat ik eindelijk in het land van de tempels en olifanten was, het land waar sobere waarheid en vreemde fictie vaak zo merkwaardig verweven zijn.’

Tot de opkomst van het luchtverkeer bleef Pak Nam de toegangspoort tot Siam. Zo ook voor de Franse oorlogsschepen die in 1893 de rivier opstevenden om de annexatie van grote delen van het huidige Laos en Cambodja kracht bij te zetten – Frankrijks zogenaamde ‘kanonneerboot diplomatie’.

Als wapen tegen kolonisatie koos koning Chulalongkorn (1868-1910) voor het moderniseren van Siam. Hij nam talloze westerse experts in dienst, waaronder de waterbouwkundige J. Homan van der Heide.

Jarenlang doorkruiste de Nederlander de Chao Phraya-delta voor metingen, observaties, het aanleggen van dijken en sluizen. In een rapport komt hij met een gedetailleerd voorstel tot irrigatie van het gebied, maar zijn visionaire plan verzandde in geldgebrek, onbegrip en ruzie. Na zeven jaren van frustraties verliet hij Siam in 1909. Die zeven jaar zijn door antropoloog Han ten Brummelhuis in zijn proefschrift De Waterkoning tot op de bodem uitgediept. Het laat zich lezen als een historische roman vol hartstocht, intriges en desillusie. ‘De indruk bestaat,’ schrijft Ten Brummelhuis, ‘dat Homan van der Heide in zijn verdere leven zijn Siamese teleurstelling niet meer te boven is gekomen.’

Pak Nam was het eerste en laatste dat Homan van der Heide van Siam zag, maar zijn werkzaamheden hadden hem er ongetwijfeld ook gebracht. In het najaar heeft het zwellende rivierwater er de grootste moeite zich door het oprukkend getij een weg naar de zee te banen.

Afgezien van een krokodillenboerderij is Pak Nam toeristisch vrijwel maagdelijk. Ik laat me er met een stadsbus heenbrengen om te proeven aan Thailands chronische strijd tegen water en vreemde overheersing. Bij de eindhalte beland ik tussen krotten, afzichtelijke loodsen, verouderde fabrieken berucht om hun bedrijfsongevallen, de stank van vismeel, hinkende, hees schreeuwende hoeren en op elke hoek een leger van in hesjes gestoken jongemannen die verveeld over hun motorfietstaxi hangen. Alles is er van een deprimerende lelijkheid.  Braakliggende moddervelden en mangrovebos vormen een onneembare barrière naar de rivier.

Een paar kilometer terug grenst de Pak Nam-markt evenwel direct aan het water. De markt is kleurrijk en levendig, al heerst ook hier de geest van het lompenproletariaat: lelijke, onvoltooide tatoeages op knokige schouders, gehang, geslof en gescheld. Pas op de pont naar de pagode op de westoever (waarmee het eilandje inmiddels is vermolten) krijgt het uitstapje iets feestelijks. In een zacht briesje kijk ik uit over de fonkelende wolkenkrabbers van Bangkok, achter mij liggen zeeschepen voor anker nabij een rij havenkranen.

De pagode is een oase van rust. Van het 38 meter hoge, wit gekalkte heiligdom is het klokvormige middenstuk omwikkeld met een rode doek. Een twintigtal banieren van oranje stof met goudbrokaat duikelen in de wind. In nissen staan beelden van olifanten met goudpapier op hun kop en slurf geplakt. In de aangrenzende inwijdingshal heeft het boeddhabeeld de armen afwerend vooruitgestoken om ‘de stroom tegen te houden’. Maar een belangrijke bedevaartsplaats is het heiligdom niet meer. Van het vervallen paviljoen met een beeld van de kale dichter-koning Rama II, van wie de pagode het geesteskind is, zijn alle deuren vergrendeld met verroeste hangsloten. Ook hier verpaupering: achter het bord New Amsterdam snuiven twee pubers aan een plastic zak met lijm.

Ten zuiden van de pagode ligt het gerestaureerde Chulachomklao-fort, een van de vele verdedigingswerken die in de loop van de eeuwen tussen Pak Nam en Bangkok zijn opgetrokken langs de rivier. In 1826 werd er zelfs een ketting in de rivier gelegd die met katrollen omhooggetrokken kon worden om de doorvaart van schepen te verhinderen. Een rij Armstrong-kanonnen heeft nog gevuurd op de Franse kanonneerboten. Een Thais oorlogsschip met zijn kiel in beton gegoten, is ingericht als museum. Een bronzen beeld van koning Chulalongkorn, Homan van der Heidens opperste chef, staat met de rug naar de zee gekeerd.

In aangrenzend mangrove eindigt een loopvlonder bij een bankje. Onder mij kruipen slijkspringers tussen de luchtwortels en de stukken aangespoeld piepschuim. Vóór mij vloeit de rivier over in de zee.

Panta rhei, alles stroomt, alles verandert: in Pak Nam overmant dit cliché me als een déjà vu. Na de Tweede Wereldoorlog begonnen de Thais hun rivier te beteugelen en werd Homan van der Heides plan gedeeltelijk uitgevoerd. De Nederlander wordt nu gezien als de vooruitziende vader van de Thaise irrigatie. Maar in zijn moederland werd hij opgepakt vanwege zijn nazi-sympathieën en stierf er als een vergeten figuur.

In de riviermond is geen schip te bekennen, maar erboven scheert het ene vliegtuig na het andere. Aan de overkant wordt in het Moeras van de Cobra’s al weer aan een nieuwe luchthaven gebouwd, veel groter nog dan de huidige.

Alles verandert, soms heel snel.

 

*Dit verhaal verscheen in 2003 in de Volkskrant en werd herdrukt in de Tegel, zomer 2008.