Onechte cobra’s, slangen die zich net als cobra’s oprichten

Een Assamese mountain snake in het Huai Nam Dang national park, Mae Taeng district, Chiang Mai.

Een Assamese mountain snake in het Huai Nam Dang national park, Mae Taeng district, Chiang Mai.

Ja, je kan wel degelijk een cobra tegen het lijf lopen in de bossen van Noord-Thailand! Zelfs koningscobra’s, kraits, groefkopadders en reusachtige pythons. Deze gevreesde, dodelijke serpenten houden zich er schuil. De bezoekers kennen de namen van deze dieren en krijgen soms kippenvel als ze ter sprake komen. Deze slangen zijn beslist niet zeldzaam, en nu en dan worden plattelanders erdoor gebeten. Met name door groene groefkopadders, wat kan leiden tot ernstige vergiftigingsverschijnselen, al zijn die zelden fataal. Tijdens een trektocht door de bergen zal je maar af en toe een slang zien en de kans is vrij klein dat het een levensgevaarlijk soort is.

Aan de andere kant, de talrijkste en meest voorkomende soorten slangen in het Thaise bos zijn nauwelijks bekend, zoals de vrij kleine slug snakes (‘slakkenslangen’) en Assamese mountain snake. De naam slug snake hebben deze dieren te danken aan hun gewoonte naaktslakken (‘slugs’) en slakken te eten. In Noord-Thailand komen twee soorten voor, een oranjebruine soort dat bekend staat als de keeled slug snake’(Pareas carinatus), en een grijze soort, de white-spotted slug snake (Pareas margaritophorus). Beide zijn voornamelijk ‘s nachts actief en de kans is daarom klein dat je ze overdag ziet. Maar de vele door auto’s overreden exemplaren op de weg verraden dat ze erg algemeen zijn.

Plagiopholis nuchalis and Pseudoxenodon macrops

(links): Bij gevaar verheft de Assamese mountain snake het voorste deel van zijn lichaam. Huai nam Dang nationaal park, Chiang Mai. (rechts): Eenzelfde gedrag laat deze big-eyed mountain keelback zien uit het Doi Suthep-Pui nationaal park, Chiang Mai.De Assamese mountain snakes (Plagiopholis nuchalis) zijn vooral overdag actief en je ziet ze soms wanneer ze langzaam over de bodem van het bos kruipen of een pad oversteken. Deze onschuldige dieren voeden zich voornamelijk met regenwormen die ze tussen de afgevallen bladeren en de humus zoeken. Bijzonder aan deze dieren is dat ze zich bij gevaar oprichten en het opgerichte voorste deel van hun lichaam uitstrekken, alsof ze een cobra imiteren.

Ondanks dit opmerkelijke defensieve gedrag is er weinig over dit reptiel bekend. In Chris Mattisons Encyclopedia of snakes worden maar twee regel gewijd aan deze en drie verwante soorten:

Plagiopholis Vier soorten voorkomend in China, Birma en Thailand. Kleine slangen, op de bodem levend, maar verder is er weinig over bekend.

In een handboek over Thailands slangen (Snakes in Thailand door Wirot Nutphan) wordt de slang zelfs niet genoemd. In de Engelstalige literatuur over de slangen van de regio wordt het dier gewoonlijk de ‘Assamese mountain snake’ genoemd —  waarschijnlijk omdat het eerst was beschreven in Assam (noordoostelijk India). Maar in twee recente werken over slangen in India wordt hij niet eens vermeld. Omdat de slang erg algemeen is in de berggebieden van Zuidoost-Azië vind ik ‘Assamees’ niet erg treffend en stel voor het dier in het Engels de arrowhead snake (‘pijlpunt slang’) te noemen — zo wordt hij ook in het Thai genoemd (ngu hua son, งูหัวศร) — want hij heeft een opvallend nekbandje dat op een pijlpunt lijkt die naar voren wijst.[1]

twee juveniele Assamese mountain snakes

(links): Een jong exemplaar van de Assamese mountain snake waarvan de glanzende buik met zwarte, rechthoekige stippen te zien is. (rechts): Een juveniel met een onduidelijke ‘pijlpunt’ steekt de weg over. Huai Nam Dang nationaal park, Chiang Mai.

Bij sommige individuen stelt dit nekbandje niet meer voor  dan een smalle donkere vlek of kan volledig afwezig zijn, maar bij verreweg de meeste is het een tamelijk opvallende pijlpunt. Vele andere slangensoorten hebben patronen op hun kop of nek, die de contouren van de kop — het meest vitale lichaamsdeel — breken in hun leefomgeving. De pijlpunt van de arrowhead snake heeft waarschijnlijk zo’n camouflagefunctie temidden van de gevallen bladeren in het bos.

Dit tamelijk kortlijvige, ronde slangetje wordt niet langer dan vijftig centimeter. Hij komt voor in het altijd groene bos van Noord-Thailand op een hoogte van circa  700-1.600 meter. Ik ben hem tegengekomen op alle van de meest bekende bergen in het noorden, zoals Doi Suthep, Doi Ang Khang, Doi Inthanon and Doi Chiang Dao. Ze komen waarschijnlijk in al het evergreen forest van het noorden en westen van Thailand voor. In sommige gebieden kunnen ze talrijk zijn, zoals in de bossen van het Mae Taeng district en bij een bezoek aan de heetwaterbronnen van Pong Duat aldaar  of tijdens een trektocht in de omgeving, is er een goede kans dat je ze te zien krijgt.

De grondkleur van deze slang is tamelijk variabel — sommige individuen zijn roodachtig bruin, maar ze kunnen ook donkerbruin, bronsgroen of oker zijn. Veel van de dorsale schubben hebben zwarte, witte of gele randjes die tesamen een netwerk kunnen vormen. Soms geeft dat de indruk dat er dwarsbandjes lopen. Maar de slang is gemakkelijk te kennen aan zijn relatief robuuste vorm en de karakteristieke pijlpunt op de kop en nek.

Assamese mountain snake eet regenwormen

(links): Een Assamese mountain snake in het Chiang Dao Wildlife Sanctuary steekt zijn gespleten tong uit als reactie op de nabijheid van een regenworm. (rechts): Dezelfde individu grijpt een regenworm en begint deze te verslinden.

Wanneer de slang in het nauw gedreven wordt, verheft hij het bovenste deel van zijn lichaam, dat tegelijkertijd wordt afgeplat. De als parelmoer glanzende witte buik met het karakteristieke patroon van twee rijen min of meer rechthoekige vlekjes wordt dan zichtbaar. Op de hals zijn die stippen vaak wat minder dicht bezaaid en de overblijvende zo gerangschikt dat het wat wegheeft van het kenmerkende patroon van de cobra met twee ‘ogen’ en een brede donkere band.

Men is dan geneigd te denken dat hier sprake is van mimicry: dat de onschuldige arrowhead snake het patroon en gedrag nabootst waarmee de cobra zijn dodelijke beet adverteert. Waarschijnlijk is het echter onafhankelijk van de cobra geëvolueerd, aangezien er vanuit de ‘ogen’ al een dreiging  op zichzelf uitgaat. In Centraal-Amerika, waar geen cobra’s voorkomen, heeft een kleine slang (Ninia sebae) een soortgelijke verdedigingshouding ontwikkeld. Chris Mattison schrijft daarover dat ‘het afplatten en verheffen van de nek zeer waarschijnlijk dient om de slang eenvoudigweg groter te doen lijken en feller dan hij in werkelijkheid is.’ Er zijn ook rupsen die zich op deze manier gedragen en als ze gestoord blijven worden zelfs ‘aanvallen’.

Pseudoxenodon macrops op Doi Suthep

Een paarsbruine big-eyed mountain keelback steekt de weg over in het Doi Suthep-Pui National Park, Muang district, Chiang Mai. Hij heeft de nek uitgezet waardoor het V-vormige patroon goed zichtbaar is. De forse, troebelige ogen wijzen erop wijst dat het dier op het punt staat te vervellen.

In Zuid- en Zuidoost-Azië zijn er nog andere soorten slangen die net als de cobra’s en de arrowhead snake hun voorlichaam kunnen verheffen en afplatten. Het volmaakst is dit gedrag bij de big-eyed mountain keelback (Pseudoxenodon macrops), een slang die daarom in Noord-India wel ‘false cobra’ (onechte cobra) wordt genoemd. De Thais noemen hem ngu lai sap ta to ( งูลายสาบตาโต ), wat ‘gestreepte stinkslang met grote ogen’ betekent vanwege enige gelijkenis met de ‘gestreepte stinkslangen’ uit de familie der Natricidae, waarvan onder meer de zeer algemene striped keelback (Amphiesma stolatum) een vieze geur produceert in de muskusklieren aan de basis van de staart.

groene Pseudoxenodon macrops

Een groenige, juveniele big-eyed mountain keelback uit het Doi Inthanon nationaal park.

De big-eyed mountain keelback wordt aanzienlijk groter dan de arrowhead snake; exemplaren van 120 cm zijn bekend. De slang werd doorgaans als ongevaarlijk beschouwd, maar bezit vergrote tanden aan de achterkant van de bovenkaak, wat hem verdacht maakt.  In Thailand is hij echter niet algemeen en daar komt hij alleen voor in tamelijk ongerept evergreen bos en bergbos op 1200 meter boven zeeniveau en hoger. Ik ken ze slechts van Doi Inthanon en Doi Suthep (Chiang Mai), Phu Hin Rong Kla (Phetchabun) en de bergen van Umphang (Tak).

De kleur van de rug is nog variabeler dan die van de arrowhead snake en ik ben oranjerode, paarsbruine en groenachtige exemplaren tegengekomen. De dieren hebben ook een soort pijlvormige teken op de kop en nek, vaak wat vager maar breder dan bij de arrowhead snake. In feite is alleen de middelgrote Siamese spitting cobra (Naja siamensis) in Noord-Thailand sympatrisch met deze twee ‘onechte cobra’s’. De kleur en het patroon van deze gevaarlijke slang zijn overigens ook zeer variabel.

cobra, copperhead racer en Oriental whip snake in defensieve houding

(links): De cobra is het bekendst van de slangen die het voorste deel van hun lichaan verheffen en afplatten bij gevaar. Deze Siamese spitting cobra werd waargenomen aan de Moei, in Tha Song Yang district, Tak. (midden): De copperhead racer gooit bij bedreiging het voorste deel van zijn lichaam in bochten bij het aannemen van een defensieve positie. Dit exemplaar komt uit Mae On district, Chiang Mai. (rechts): Ook deze Oriental whip snake uit Mae Ramat district, Tak, neemt bij gevaar een dergelijke houding aan.

Vele andere soorten slangen die in het nauw gedreven worden zullen een karakteristieke verdedigings-houding aannemen. Bijvoorbeeld, de zeer algemene, niet-giftige copperhead racer (Coelognathus radiata) gooit het oorste deel van zijn lichaam in bochten waarbij de keel zijdelings wordt afgeplat. Vanuit deze positie valt hij snel uit met felle beten, waardoor deze ‘agressieve’ slang een favoriet is in de slangenshows van de slangenboerderijen rond Chiang Mai.  Ook de algemene en in vrijwel elk bos voorkomende Oriental whip snake (Ahaetulla prasina) zal zich op een soortgelijke wijze trachten te verdedigen. Maar voor zover ik weet verheffen in Noord-Thailand alleen  cobra’s en koningscobra’s en de twee genoemde ‘onechte cobra’s’ uit de bergbossen hun nek met een karakteristieke verbreding.

Cobra’s sissen vaak wanneer ze de defensieve houding hebben aangenomen. De Thai noemen  cobra’s daarom ngu hao ( งูเห่า ), wat ‘sissende slang’ betekent. Hun dodelijke beet heeft al sinds mensenheugnis angst ingeboezemd. Ze hebben waarschijnlijk model gestaan voor de naga’s, mythologische slangen die in Zuid- en Zuidoost-Azië worden vereerd. In Thailand is de cobra zo’n beetje de belichaming van alles wat slang en gevaarlijk is. Wanneer je een plattelander een (dode) slang laat zien, is de kans aanzienlijk dat hij beweert dat het een ‘ngu hao’ is, ook wanneer het dier helemaal niet op een cobra lijkt. Dat is verwonderlijk. Kennelijk is wat de slangen betreft de ‘local wisdom’ sterk afgenomen, terwijl het respect of de angst voor cobra’s onverminderd is gebleven. In het geval van een arrowhead of een big-eyed mountain keelback die een dreighouding aanneemt, kan men de mensen echter nauwelijks verwijten dat ze het dier met een cobra verwarren, want de gelijkenis is verbluffend.

Tekst en foto’s © Sjon Hauser


[1] In Indraneil Das’ recente Field guide to the reptiles of Thailand and South-East Asia (2010) wordt de slang de common blotch-necked snake genoemd, maar deze herbenoeming gaat voorbij aan de karakteristieke pijlpunt-vorm van de vlek op de nek.