Oligodon cinereus pallidocinctus

Kukri slangen, om gek van te worden.
Kukrislangen zijn kleine, zelden middelgrote slangen waarvan zo’n 70 soorten bekend zijn. Hun verspreidingsgebied strekt zich uit van India tot de Filippijnen. De  taxonomie (systematiek) van de in Thailand voorkomende dieren is uiterst verwarrend. In juni vond ik in Phrae een kukrislang die ik nooit eerder had gezien en het kostte me dan ook de nodige moeite dit exemplaar van een labeltje te voorzien.

Oligodon albocinctus

Oligodon albocinctus of O. cinereus?

Ik reed op Highway 11 door de provincie Phrae—niet bepaald een favoriete route van mij als ik op zoek ben naar slangen—en zag een roodbruine slang dood op de weg liggen.

Het was onmiskenbaar een kukri snake. Hij leek wat kleur en vorm betreft sterk op Oligodon cinereus, een zeer variabele soort die ik goed uit Noord-Thailand ken. Deze kan bruin of roodbruin kan zijn, met of zonder zwarte kartelbandjes. En de buik is wit, roze of bijna rood, met of zonder rijen zwarte en witte vlekjes. Maar de slang op de weg had witte bandjes met een zwarte rand die ik nooit eerder bij Oligodon cinereus had gezien.
Van O. cinereus blijkt echter een kleurpatroon met zulke witte bandjes te bestaan, beschreven door Wagner in 1975. Een foto van zo’n vorm (afkomstig uit Zuid-Thailand) staat in Wirot Nutphans Snakes in Thailand (2001), tenminste als we David et al. (2004) mogen geloven. Wirot zelf dacht dat de door hem gefotografeerde kukri snake een Oligodon inornatus was, maar in hun vernietigende kritiek op Wirots boek stellen David et al. (2004) dat het (Wagners) witbandige vorm van Oligodon cinereus is. Het dier op Wirots foto heeft echter maar een stuk of 18-19 bandjes, de slang uit Phrae 27 stuks (24 op lichaam, 3 op staart, waaronder een paar ‘misvormde’ bandjes, waarschijnlijk een individuele afwijking). Dus de witbandige vorm van O. cinereus is mijn slang kennelijk niet, zo meende ik in eerste instantie.

O. cinereus

Kop en nek van de kukri snake uit Phrae.

buik

De buikzijde van de kukri snake uit Phrae.

Wat betreft de bandjes lijkt mijn vondst meer op de White-barred Kukri Snake (Oligodon albocinctus), bekend uit Myanmar, Bangladesh, Noord-India, Nepal en Bhutan, maar die is voor zover ik weet nooit in Thailand waargenomen. Oligodon albocinctus heeft volgens Das (2010) 19-27 bandjes op het lichaam en 4-8 op de staart. Als mijn slang uit Phrae een O. albocinctus is, dan is dat waarschijnlijk de eerste waarneming van deze soort in Thailand. En dat betekent in drie weken tijd twee new records van slangensoorten in Thailand—niet gek voor wat rondtuffen op een motorfiets door het noorden.
Maar bij kukri slangen weet je het nooit zeker en ik denk nu toch dat de slang uit Phrae een vorm van O. cinereus is. Het determineren van de interessante kukri slangen resulteert al gauw in hoge bloeddruk. De systematiek van talloze soorten is een namelijk grote warboel, voor een flink deel op rekening van de taxonomen, maar de variabele beestjes maken het de taxonomen ook niet echt gemakkelijk.
In Das (2010) worden zowel O. cinereus als O. albocinctus gedetailleerd beschreven en ze zijn in vrijwel al hun kenmerken gelijk. Een duidelijk verschil is de staart: het aantal paren subcaudals is bij O. albocinctus groter (47-68) dan bij O. cinereus (28-42). Hoeveel paren subcaudals heeft de slang uit Phrae? Dat zijn er 42. Het aantal ventrale schubben van de twee soorten overlapt elkaar: 177-207 bij O. albocinctus, 155-186 bij O. cinereus. De kukri slang uit Phrae heeft er 186, weer net de bovengrens van O. cinereus. Deze gegevens brengen dus zeker nog geen uitkomst.
Een belangrijk diagnotisch kenmerk is het aantal rijen dorsale schubben. Volgens Das (2010) zijn dat er bij zowel O. albocinctus als O. cinereus 17. Ook de slang uit Phrae heeft er 17, daar schieten we dus weinig mee op.
Volgens dezelfde Das zou de buik van O. cinereus crèmekleurig zijn, maar ik weet dat deze minstens zo vaak roze of rood met of zonder rijen zwart-witte vlekjes is. De buik van O. albocinctus zou echter crème, gelig of koraal met zwarte ‘gebieden’ zijn. De slang uit Phrae heeft een roze buik (bijna koraal) en dat sluit O. cinereus noch O. albocinctus duidelijk uit. O. albocinctus zou een donkere streep van bovenlip naar oogkas hebben, maar in de illustratie van de soort in het werk van Das is daar niet veel van te zien. De kop van de slang uit Phrae is platgereden en allerlei kenmerken van de kop zijn daardoor nogal onduidelijk, maar voor zover dat te zien is, lijkt het kukri-maskertje op de kop en nek sterk op dat van de afgebeelde O. albocinctus in Das (2010).
Aan de andere kant zou een masker bij O. cinereus ontbreken (‘forehead unpatterned brown’)—en ik weet dat dat voor (vrijwel) alle exemplaren van deze soort in Noord-Thailand niet zo is. Ze hebben meestal een tamelijk duidelijk maskertje met karateristieke losse stip. Wat Das schrijft is dus lang niet altijd correct (en sommige illustraties zijn ronduit slecht), al is zijn Field Guide wel het beste en meest uitvoerige recente werk over Zuidoost-Aziatische slangen. Maar het determineren wordt er niet gemakkelijker door.
Nee, ik ben er nog niet uit.

O.cinereus Phop Phra

Een veel vorkomende vorm van O. cinereus met dorsaal een groot aantal dunne, donkere kartelbandjes en een roze-rode buik met een pianotoesten patroon (foto rechts). Dit exemplaar komt uit Phop Phra.

buik O. cinereus

De rode buikzijde met rijen rechthoekige zwarte en witte vlekken.

In het geval de slang uit Phrae een witte bandjes-vorm van O. cinereus is, dan is deze vorm in Noord-Thailand zeer zeldzaam. Wat ik een een beetje gek vind is dat de gevonden slang kennelijk vrij laag in de heuvels voorkomt in nogal gedegradeerd bos met akkers en plantages. De algemene bruine en roodbruine O. cinereus vormen met of zonder zwarte kartelbandjes en een roze buik met of zonder ‘pianotoetsen’ (wat rechthoekige zwarte en witte vlekken) vind je juist voornamelijk in echt, dicht bos boven de 1000 meter.
Biedt het werk van Wagner (1975) uitkomst? Daarin wordt de witte bandjes-vorm van O. cinereus beschreven. Dit is echter een niet gepubliceerde MSc Thesis bij de Louisiana State University, niet een werk dat je zomaar tevoorschijn tovert op het internet.
En als de ‘Ring Kukri Snake’ in het boek van Wirot een witte bandjes-vorm van O. cinereus is, dan vind ik het verdacht dat het exemplaar in ‘Zuid-Thailand’ is gevonden. Andere vormen van O. cinereus zijn daar niet bekend. Het kan ook een slordigheid of vergissing zijn, Wirots werk staat er vol mee. Maar Wirot zelf is inmiddels overleden en hem kunnen we niet naar de precieze herkomst van de slang vragen.
Eerlijk gezegd denk ik dat Wirots Red Ring Kukri Snake uit Zuid-Thailand helemaal geen witte bandjes-vorm van O. cinereus is, al spreek ik daarmee enkele Goden van de Thaise slangentaxonomie, Patrick David en Olivier Pauwels, tegen.
Ik hoop dat moleculaire studies gecombineerd met meer nauwkeurige anatomische, morfologische en geografische gegevens uitkomst zullen brengen in de warboel van de systematiek van kukri slangen.
Een studie van Marc David Green van de universiteit van Toronto is een goed begin van die aanpak (Green, 2010). Vreemd genoeg kwam het door hem bestudeerde materiaal uit alle hoeken van het vasteland van Zuidoost-Azië, behalve uit Thailand.
In dit werk wordt overigens gesteld dat O. albocinctus 19 rijen rugschubben ter hoogte van het midden van het lichaam heeft. Als dat correct is, lijkt het erop dat de slang uit Phrae GEEN O. albocinctus is. Green vermeldt overigens dat O. albocinctus volgens de IUCN (een internationale commissie) nog steeds op te weinig gegevens is gebaseerd (“Data Deficient”) om als volwaardig soort te worden erkend. En over de witbandige vorm van O. cinereus (pallidocinctus = Wagners vorm) schrijft Green: ‘The pallidocinctus form is most distinctive with 27-34+3-4 light black-edged crossbars and unspotted ventrals.’ Dat komt verdomd aardig overeen met de slang uit Phrae en voorlopig houd ik de laatste dan ook op de pallidocinctus kleurvorm van Oligodon cinereus.
Verderop merkt Green op dat deze pallidocinctus kleurvorm bekend is uit Zuid-Vietnam. Het vinden van zo’n zelfde kleurvorm bijna 1500 km ten noordwesten van Zuid-Vietnam is dan toch wel weer bijzonder—al betreft het geen nieuwe soort voor Thailand (dat is het geval als de slang uit Phrae een O. albocinctus zou zijn).
Het is haast ondenkbaar, maar mocht u zich tot hier door de tekst hebben geworsteld, dan wordt u ongetwijfeld nu ook geplaagd door zo’n gespannen gevoel in het voorhoofd en een wat opgeblazen maagstreek, verschijnselen die kenmerkend zijn voor een slangenliefhebber die een kukri slang probeert te determineren. ‘Een zeer verwarrend taxon,’ schrijft Green over O. cinereus. En dat is niets te veel gezegd. Overigens draagt deze variabele soort de al even verwarrende Engelse naam Grey Kukri Snake. Zelden zijn ze namelijk grijs. En de weinige echt grijze exemplaren van Oligodon cf cinereus die ik ooit heb gevonden in Noord-Thailand, wijken zo sterk af dat ze (naar mijn gevoel) wel eens een andere soort kunnen zijn.

O. fasciolatus

Oligodon fasciolatus, de Banded Kukri Snake — dit exemplaar heeft geen duidelijke bandjes!

Al zijn ze in taxonomisch opzicht erg verwarrend, kukri slangen zijn in menig ander opzicht interessante slangen.
Sommige soorten zijn bijzonder sterk en fel, zoals de in Thailand zeer algemene Banded Kukri Snake (Oligodon fasciolatus, voor mijn part O. cyclurus—What’s in a name?).

Ze bijten dwars door dikke handschoenen heen. En heb je er een stevig achter de kop vast, dan weten ze die zo te wrikken en draaien dat ze toch nog een flinke beet toebrengen met hun dolkvormige tanden achterin de bovenkaak.
Ondertussen zwaaien ze wild met hun staart of steken zelfs hun twee penissen dreigend uit de vent (“anus”).

De beet is pijnlijk en de wond blijft lang bloeden en geneest langzaam. Verder kan de beet hoofdpijn en duizeligheid veroorzaken. De slang is dus echt giftig, zij het niet gevaarlijk giftig.
Vreemd genoeg wordt hij in geen enkel werk een gifslang genoemd. In de werken over de slangen uit deze regio stuit je wel vaker op dit soort raadsels.

Phi Ta Khonhemipenes kukri snakemasker O.cinereusWie het dreigen met de penis bij de mens wil waarnemen, moet eens Dan Sai in de noordoostelijke provincie Loei bezoeken. Jaarlijks vindt daar het Phi Ta Khon festival plaats. De lokale jongemannen zijn dan net als de kukri slangen gemaskerd. Hun bonte, spookachtige maskers zijn vaak artistieke meesterwerkjes en steken uit boven rafelige kostuums die ook al aan Halloween doen denken. Deze spoken dragen forse houten fallussen bij zich en tijdens de parades door de hoofdstraat van het plaatsje rennen ze vaak met dreigend vooruitgestoken fallus op de meisjes onder de toeschouwers af om die de stuipen op het lijf te jagen. Inderdaad, natuur en cultuur in Noord-Thailand, daar gaat deze website over.
Meer over de achtergronden van dit unieke festival vind je in het artikel: Phi Ta Khon, the festival of ghosts in Dan Sai, Loei. (zie ook: hier beneden)