Nachtherpen in Umphang

Night herping-x
Nachtherpen in Umphang—een verschil tussen dag en nacht

In de stad met al zijn lichtjes en late activiteiten gaat de dag geleidelijk over in de nacht. Op het platteland is die overgang van korte duur. En in het bos is het verschil tussen dag en nacht abrupt.
Die omschakeling brengt een heel andere activiteit van de dieren met zich mee. De meeste vogels houden zich in het donker koest en dutten verscholen in een boom. Vleermuizen en insecten beheersen ‘s nachts het luchtruim. Het gekwaak van kikkers, getsilp van krekels en gekrakeel van sommige cicaden domineren het nachtelijk orkest. Af en toe roept een tokkeh (een soort hagedis) of krijst een uil.
Van slangen vang je overdag zelden meer op dan een flits van een vluchtend exemplaar. ‘s Nachts zijn ze in veel grotere getalen actief en lijken ze ook minder schichtig. Veel soorten zijn vrijwel exclusief nachtdieren, zoals groefkopadders, de boomslangen van het geslacht Boiga en de beruchte Banded Krait (Bungarus fasciatus). De laatste is een gevaarlijke gifslang die overdag verscholen ligt te suffen en dan een Joris Goedbloed is. Zelfs met het nodige gesar is hij dan niet kwaad te krijgen en angstvallig verbergt hij zijn kop onder zijn kluwen slang. Maar is de nacht aangebroken, dan is het dier prikkelbaar en bijt het gemakkelijk.
Vanwege die grotere nachtelijke slangenactiviteit gaan de liefhebbers vaak ‘s nachts op pad om hun favoriete reptielen te ‘scoren’, te fotograferen en eventueel te vangen.
Herpetoloog Johan van Rooijen stuurde me een serie prachtige foto’s van slangen die hij in maar net twee weken tijd in mei in het regenwoud van Ko Chang had gespot. Elke avond/nacht trok hij er een uur in zijn eentje op uit om door het bos te struinen, terwijl vrouw en kinderen in een strandbungalow zaten te genieten van een Thaise soap op de TV. Geweerschoten in het donker en glibberige paden over rotspartijen langs ravijnen schrokken Johan niet af. Het leverde hem maar liefst twintig exemplaren van tien verschillende soorten slangen op.

slakkenLinks een slak, rechts een naaktslak: vooral ‘s nachts ‘actief’.

Geïnspireerd door dit fraaie resutaat waagde ik mij in het afgelegen Umphang in de provincie Tak ook weer eens aan de ‘night herping’ (herping is jargon dat staat voor het zoeken van reptielen en amfibieën), ofschoon mijn ervaringen in het verleden niet erg gunstig waren.
Om drie uur in de ochtend ging ik uit de veren en op de brommer op weg naar een teak- en bamboebos net buiten Umphang, waar ik overdag al enkele keren gestruind had. Daar wemelt het van de lege slakkenhuisjes en op de weg die door dit bos gaat heb ik ‘s ochtends vaak overreden dode slangen gevonden—de onvoorzichtige overstekers. De meeste van die DORs (Dead on Road) waren van de soort ‘White Spotted Slug Snake’ (Pareas margaritophorus), een klein grijs slangetje met stipjes dat zich voedt met slakken en naaktslakken.

slakkeneters-night herpen UmphangDe in Thailand zeer algemene slakken etende ‘White-spotted Slug Snake’ (Pareas margaritophorus).

De kaken en het gebit van deze diertjes zijn helemaal aangepast om slakken uit een huisje te trekken, en hun dikke kop voorkomt dat ze in het slakkenhuis worden getrokken. Zo’n slakkenmaaltijd wilde ik nu wel eens fotografisch vastleggen, uiteindelijk was ik een soort specialist geworden van deze en enkele verwante soorten ‘snail eaters’. Vele honderden road kills van slakkeneters had ik onderzocht, gevild of in sterk water bewaard, maar ik bezat maar enkele foto’s van levende exemplaren. Een Pareas margaritaphorus die ik thuis heb gehouden wilde maar geen slakken eten. Slakken etende slangen zijn typische nachtdieren. Het hok stond buiten en op regenachtige avonden kropen enkele slakken er levenslustig in rond terwijl het slangetje zich traag slingerend in een plant voortbewoog—maar de slakken interesseerden hem niet in het minst. Ik hoopte dat de diertjes in de natuur wat eetlustiger zouden zijn.

juv gekkoEen juveniele Tokay Gecko of pantergekko (Gekko gecko).

Aangekomen bij het bos minderde ik vaart om een geschikte plek te vinden om mijn brommer te parkeren en aan de nachtwandeling te beginnen. Toen ik een herkenningspunt vond moet ik de aandacht van twee honden getrokken hebben die kennelijk ‘s nachts een afgelegen garage langs de weg te bewaken. Blaffend en met fonkelende ogen doken ze op me af en ik deed er verstandig aan op te trekken en de twee ‘eruit te rijden’—het slakkenbos voorbij. Ik reed een paar kilometer door tot waar de weg door vergelijkbaar bos was omgeven en waar het ook van de slakken etende slangen wemelde. Ik zette de brommer op een veilige plek neer en bewapend met PVC-pijp met lasso in de ene hand en schijnwerper in de andere ging ik op pad—fototoestel binnen handbereik in een schoudertas.

kikker en padLinks: De House Tree Frog (Rhacophorus leucomystax leucomystax). Rechts: Giant Asian Barking Toad (Bufo asper). Deze produceert ‘s nachts een kenmerkend tok-tok geluid, alsof er iemand lethargisch zit te spelen op een xylofoon waaraan de meeste toetsen ontbreken.

Het was er pikdonker, de wassende maan zat meestal verscholen achter een regenwolk. Zo screende ik een half uurtje de berm van de weg en volgde een doodlopend pad in het bos. Een en al rust: behalve dan de kwakende kikkers, het gekir van een tjittjak of het oep-oep-oep-geroep van een Coucal (een vogel zo groot als een kraai die zich ‘s nachts ook graag laat horen). Ik zag vele miljoenenpoten, en—ook al geen sprinters—talloze slakken die hun slijmspoor over de bodem trokken…. maar geen slakken etende slangen. Wel twee Caecilians, die traag tussen graspollen en kiezels door kronkelden. Dit lijken net slangen (en ik dacht even dat het een Sunbeam Snake was) maar ze hebben een gladde huid als een paling en geen schubben als een reptiel. Het zijn echter ook geen vissen (ze hebben geen kieuwen zoals palingen), maar amfibieën uitgerust met longen— de Thais noemen ze khiat ngu wat ‘slangkikker’ betekent. De dieren kronkelden ongestoord hun weg en lieten zich niet afschrikken door een paar foto’s. Pas toen ik er een oppakte sloeg hij op de vlucht. Even later spotte ik een juveniele tokkeh en enorme pad, en moest ik toegeven dat night herping wel wat heeft en resultaat oplevert.

CaecilianDe zeer algemene Caecilian Ichthyophis kohtaoensis, een slangvormig amfibie.

Mijn hoop ook nog een mooie slang te scoren groeide. Ik moet in de buurt van een boerderij zijn gekomen toen een hond zachtjes aansloeg. Ik meende dat het dier op de weg stond, meer dan honderd meter verderop, maar zo’n groot bereik had mijn schijnwerper niet.

Fear of the dark. Ik neuriede het stoere deuntje van Iron Maiden maar dat wilde mijn bezorgdheid niet helemaal verdrijven. Thais zijn in het donker vooral bang voor geesten en spoken, maar vertonen vaak een verbluffende onverschilligheid voor zaken waarvoor je wel degelijk moet uitkijken—zoals honden. Littekens op één van mijn armen (twintig hechtingen) bewijzen dat ik de nodige ervaring heb met bijtlustige honden. Een PVC-pijp is beslist ontoereikend om aggressieve dieren van je lijf te houden. Ondertussen zat ik zo vaak om me heen te kijken en te zwaaien met de schijnwerper dat ik voorover in een greppel viel. (Leuk verhaal: de dronken Thaise boer die in een greppel viel en er zijn roes uitslapend niet merkte dat een grote netpython hem begon te verorberen. Hierover een andere keer!)
Na een tijdje kreeg de blaffende hond respons van een andere, later zelfs van meerdere honden, vanuit een andere richting. Hoewel het bij blaffen bleef, was dit knap irritant en van relaxed herpen en de nachtelijke natuur genieten was geen sprake meer.
Verkassen. Terug naar de brommer. De eerste hond stond me daar op te wachten, niet bepaald kwispelstaartend, maar hij hield afstand.
Verder noordwaarts, verder van Umphang vandaan. Omdat er verraderlijke gaten en kuilen in de weg zaten moest ik langzaam rijden, wat het wantrouwen van enkele honden bij een boerderij trok. Twee beesten, waaronder een grote zwarte, renden achter me aan, maar wisten me net niet in te halen.
Tien of vijftien kilometer buiten Umphang kon ik eindelijk weer langs akkers en plantages struinen zonder door honden gestoord te worden, maar de slakken etende slangen (of andere slangen) lieten zich ook hier niet zien. Weldra waren er tekenen dat de dag niet lang meer op zich zou laten wachten. Het schemerde al toen enkele vogelsoorten de muzikale ochtendvitamines inzetten: het gekraai van hanen, het oep-oep-oep van de Coucal, het levenlustige gekrijs van de Asian Koel en ten slotte, even voor zessen, het schrille melodietje van de Oriental Magpie Robin.

De eerste boeren passeerden op hun reutelende motorfiets met aanhangkarretje of op een tractor. De muzikale Morgenstimming was perfect toen een Racket-tailed Drongo in de top van een boom begon te zingen. Ik was blij dat het weer licht werd en het spotten van vogels vond ik een stuk relaxeder dan het nachtherpen.
Rond acht uur reed ik weer terug naar Umphang. Een schrale troost was dat er bij het Slakkenbos geen roadkills van Pareas margaritophorus lagen—ik had dus niet veel gemist, maakte ik mezelf wijs. Ik stapte af om nog even in het bos te struinen. De honden die me drie uren daarvoor nog wilden verscheuren lagen te dutten voor de garage en toonden niet de geringste belangstelling voor me—een verschil tussen dag en nacht! SJON HAUSER

Morgenstimmung-b