Mlabri—de Geesten van de Gele Bladeren in Nan en Phrae

 vroeger en nuIk was nog maar een paar keer in Thailand geweest, toen ik in 1982 in de lobby van een hotel in Nan met een Deense etnoloog in gesprek raakte. Ik herinner me hem als een wat excentrieke man gekleed als een koloniaal, inclusief tropenhelm. Hij stond op het punt te vertrekken naar een verre uithoek in de provincie om er in contact te komen met Thailands primitiefste stam, de nomadische Mlabri.

‘Ja, inderdaad, ze zijn achtergebleven, zowel mentaal als fysiek!’ vertelde hij me. En om dat laatste te bewijzen was hij van plan de omvang en andere parameters van hun schedels te meten.

Lag er een vlindernetje bovenop zijn berg bagage, of is dat detail een fantasie die tijdens de vervlogen jaren mijn geheugen is binnengeslopen?

We praatten over de Oostenrijkers Hugo en Emmy Bernatzik, de eerste westerlingen die deze stam in de jaren dertig van de twintigste eeuw opzochten en bestudeerden. Toevallig had ik nog niet zo lang daarvoor een boek gelezen over de reizen van dit echtpaar in Zuidoost-Azië. De Deense wetenschapper had ambivalente gevoelens jegens hen. ‘Ze waren fascisten, maar ze waren ook uitstekende antropologen!’ merkte hij op.

Ondertussen was een man in Hmong-dracht die hem naar de Mlabri’s zou brengen bezig zijn bagage naar een pick-up truck te brengen.

Bijna tien jaar later verschenen er enkele berichten over de Mlabri’s in de Bangkok Post. Een bericht ging erover dat de Mlabri’s zich lieten registreren in Nan en Phrae om het Thaise staatsburgerschap aan te vragen. Eén verhaal ging over de inspanningen van een missionaris om de kwaliteit van hun leven in een geïsoleerde nederzetting te verbeteren. Er was ook een reportage over een groep Vlaamse  toeristen die de stam bezochten. Het hoogtepunt van hun excursie bestond eruit dat er een varken recht voor hun klikkende fototoestelen werd geslacht — een unieke ontmoeting tussen Thailands en Europa’s primitiefste stam.

Wat later stuitte ik zelfs op een wetenschappelijk artikel over de Mlabri geschreven door een wetenschapper verbonden aan een Deense universiteit, waarschijnlijk dezelfde onderzoeker die ik in Nan had ontmoet.

Er verstreken weer tien, vijftien jaar en nog maar zelden werd ik herinnerd aan het bestaan van de primitieve Mlabri, totdat ik onlangs op de Honda Dream op weg was naar Nan.

rond Mlabri dorp

Links: Een bord langs de weg dat naar een ‘Gele Bladeren’ gemeenschap verwijst. Midden: De bergen rond Huai Huak zijn grotendeels ontbost. En worden gebruikt voor het verbouwen van rijst, maïs en gember. Rechts: Veel Mlabri’s werken er op de velden van de Hmongs, zoals deze jongedames.

 Bij een afslag van Highway 101, ongeveer tien kilometer van Wiang Sa, zag ik een bord waarop stond: TONG LUEANG COMMUNITY. Een stervormig teken duidde op de status van ‘toeristische trekpleister’. In Thailand zijn de Mlabri beter bekend als de Phi Tong Luang, wat ‘Geesten van de Gele Bananenbladeren’ betekent. Tegenwoordig wordt deze naam als politiek incorrect beschouwd en wordt Phi (‘Geesten’) vaak weggelaten.

Het was vroeg in de middag en ik was nieuwsgierig naar de stam en besloot er heen te rijden. Helaas was de gemeenschap veel verder weg dan ik verwacht had. Ik moest dorpelingen talloze keren vragen of ik wel op de goede weg was want borden die naar de Mlabri verwezen waren er niet meer. Uiteindelijk belandde ik op een onverhard pad dat door bijna geheel ontboste bergen beplant met maïs kronkelde. Mijn scooter moest ik soms aan de hand nemen om door de modder heen te ploegen. In de verte zag ik tenslotte enkele woningen en een vrij groot wit gebouw — waarschijnlijk was de Mlabri-vestiging daar in de buurt. Maar het was inmiddels laat in de middag en het begon te regenen en ik vreesde ergens in de modder te zullen blijven steken. Ik besloot rechtsomkeer te maken naar de asfaltweg en mijn tocht naar Nan voort te zetten. Maar ik nam mij ook voor de Mlabri een andere keer, in het droge seizoen, op te zoeken.

Nadat ik twee dagen in Nan had vertoefd en weer op de terugweg naar Chiang Mai was, viel mijn oog op een ander bord TONG LUEANG COMMUNITY, dit keer aan Highway 1091, 30 km ten westen van Nan. Wees dit op een andere Mlabri-vestiging? Op de hoek van de afslag verkochten Hmong-vrouwen bamboescheuten en wilde paddestoelen onder een afdakje van bamboe en bladeren. Ze informeerden me dat het maar 13 km naar de Mlabri-gemeenschap was en dat de weg erheen — Plattelandsweg 4002 — nog maar kort geleden helemaal was geasfalteerd.

Opnieuw zette ik koers naar de Geesten van de Gele Bladeren. Ik passeerde het Hmong-dorp Pang Poen, waar dorpelingen zakken met de vers geoogste gembers vulden en langs de weg opstapelden. Voorbij het dorp strekten de ontboste bergen beplant met maïs en rijst zich uit zover het oog reikte, als een omgewoelde lapjesdeken van verschillende tinten groen.

De Mlabri-gemeenschap bleek dicht bij het Hmong-dorp Huai Yuak te liggen. Nog voordat ik dat bereikte kwamen twee jonge vrouwen en een kind me tegemoet die opweg naar de velden waren. Ze hadden een donkere huid en de mongoloïde oogplooi zo kenmerkend voor vele Hmongs ontbrak bij hen. Ze waren gekleed als Noord-Thaise boerinnen en ze waren zeker geen Hmong-vrouwen. Ik stopte en vroeg of ze Mlabri waren. Ja, dat waren ze — mijn vraag leek hen in het geheel niet te verbazen. Ze waren niet verlegen en ook niet terughoudend, en ze zagen er intelligent uit. Glimlachend vertelden ze me in vloeiend Thais dat hun dorp hier om de hoek lag. Daarna praatten we even over hun werk op de velden.  Ze vertelden me ook dat ik mij in het district Wiang Sa bevond, en ik begreep nu dat hun gemeenschap dezelfde was als die ik enkele dagen eerder vanaf de andere kant had willen bereiken.

Bernatziks and mlabri

Links: In de bergen van Khun Sathan op de grens van de provincies Phrae en Nan bevinden zich twee Mlabri-nederzettingen. Rechts: De Bernatziks die in de jaren dertig hier opzoek gingen naar de toen nog nomadische Mlabri’s.

 In de jaren dertig van de 20ste eeuw waren de Mlabri’s zelfs nog moeilijker te vinden en de eerste ontmoeting die de Bernatziks met het volk hadden was nogal verschillend van de mijne. In die dagen telden de Mlabri’s ook al niet meer dan een paar honderd mensen, maar die hadden nog een volledig nomadisch bestaan in de dichte wouden van Nan en Phrae. De Oostenrijkse antropologen hadden dus een flinke portie geluk toen ze na weken van zoeken en inlichtingen winnen uiteindelijk op een groepje Mlabri’s stuitten. Dat gebeurde zo’n veertig kilometer ten oosten van Nan, na een trektocht van enkele dagen vanaf een dorp dat over een weg was te bereiken. De Bernatziks waren ervaren antropologen, toch was hun ontmoeting met de Mlabri’s een cultuurschok voor hen.  ‘Diep in hun donkere ogen was een vreemde reflectie,’ schreef Hugo hierover. ‘Nooit eerder had ik mensen gezien met een gelaatsuitdrukking vergelijkbaar met die van hen. Alleen bij dieren had ik deze zoekende en buitengewoon angstige blik waargenomen.’

De Mlabri hadden goede redenen om alert en behoedzaam te zijn. Het leven in de jungle was vol gevaren en andere menselijke wezens waren vaak vijandig. Zelden stierven Mlabri’s een natuurlijke dood  — meestal waren wilde dieren, ongevallen of moord de oorzaak. Van de familie van de kleine groep waarmee de Bernatziks contact hadden, waren er twee gestorven aan de beet van een koningscobra, twee door een beer gedood en zes door een tijger. Eén was gestorven nadat hij bij het honing verzamelen uit een boom was gevallen, twee bezweken aan infecties van ledematen die bij andere ongelukken waren gebroken. En er waren waarschijnlijk enkelen gestorven als gevolg van voedselvergiftiging. Twee Mlabri’s waren door ‘Lao’ (Noord-Thaise) dorpelingen doodgeschoten, vier door Tins, een andere stam uit de streek. Sommige van deze moorden vonden plaats wanneer Mlabri’s vruchten of rijpend rijst van hun velden stalen wanneer ze in de buurt van vestigingen van de menselijke beschaving kwamen. Maar ze zijn ook wel doodgeschoten omdat ze werden beschouwd als spoken of geesten die onheil brengen.

In het bos bouwden de Mlabri’s simpele afdakjes van grote palm- en bananenbladeren en verzamelden ze van alles dat eetbaar was. Na enkele dagen trokken ze naar een andere plek in de jungle. Tins, Hmongs of Noord-Thais vonden soms die verlaten schuilplaatsen (de Bernatziks noemden het ‘nesten’) in het bos wanneer de bananenbladeren geel verkleurd waren. Omdat ze zelden de timide nomaden zelf kregen te zien, dachten ze dat de schuilplaatsen waren gemaakt door ‘geesten’ — vandaar de naam ‘Geesten van de Gele Bladeren’. Mlabri, zoals deze mensen zichzelf noemen, betekent in hun taal ‘mensen van het bos’.

mlabri-07-8

Huisvesting van de Mlabri. Links: 1936, in de bossen ten oosten van Wiang Sa. Rechts: 2008, in Huai Yuak.

De cultuur van de Mlabri’s is gebaseerd op bamboe en is uiterst eenvoudig. In hun verslag ervan toonden de Bernatziks hun verbazing over de vele vaardigheden die deze mensen eenvoudigweg niet kenden. Ze kenden geen kleren behalve een lendendoek, soms gemaakt van de bast van een boom, maar meestal van een stuk textiel dat ze van een Hmong hadden gekregen in ruil voor hun producten uit het bos. Metaal kenden ze niet, behalve ijzeren messen, maar die waren zeldzaam. Wapens gebruikten ze niet, zodat ze alleen maar kleine dieren konden vangen — een groot deel van hun dieet bestond daarom uit eetbare wortels. Hun sociale leven kende geen gelaagdheid. Ze hadden sieraden noch tatoeages. Sommigen hadden piercings in hun oren, wat ze hadden overgenomen van de Khamu’s die in hun streek woonden. Ze kenden geen hutten of andere woningen, ze bouwden alleen de genoemde ‘nesten’ (beschuttingen). Wel hielden ze er gedomesticeerde honden op na en kenden ze het gebruik van vuur. Vuur was belangrijk om wilde dieren op een afstand te houden en ze dansten vaak in de vlammen om vuil, haren en parasieten van hun huid te verwijderen. Bamboe was de belangrijkste bron van drinkwater en van bamboe maakten ze messen en gebruiksvoorwerpen om wortels en knollen, zoals yams, op te graven. Wanneer er ‘s nachts het gevaar dreigde van een groot roofdier, gooiden ze, om dit af te schrikken, bamboe op het vuur — behalve dat het bamboe de vlammen doet oplaaien veroorzaken de verhitte segmenten luide knallen.

De Bernatziks vroegen zich vaak af hoe de Mlabri’s in staat waren te overleven. In feite nam hun aantal af — veel kleine kinderen werden door tijgers gedood. In de Hmongs die in de bergen leefden hadden ze vaak wel vertrouwen en soms werkten ze op hun velden.

Het dorpje dat ik betrad verschilde hemelsbreed van de Mlabri-samenleving zoals die in de jaren dertig van de vorige eeuw door de Bernatziks was beschreven. Er stonden zo’n dertig bamboehutten, eenvoudige hutten gebouwd op de grond en niet op palen, vergelijkbaar met de traditionele Hmong-woningen. Van de 150 Mlabri’s die hier woonden was maar een enkeling thuis. Een jong echtpaar kwam aanrijden op een oude motorfiets, de man aan het stuur, de vrouw achterop met een baby in een sling. Beiden waren erg open en vriendelijk en spraken vloeiend Thais. Ze vertelden me dat de Mlabri’s zich nog nauwgezet houden aan hun traditie uitsluitend binnen hun stam te trouwen — wat overigens wordt tegengesproken door een aantal huwelijken tussen Hmong-mannen en Mlabri-meisjes. Er zijn daarom regelmatig uitwisselingen tussen de Mlabri’s uit de drie verschillende nederzettingen in Thailand — de andere twee liggen in de provincie Phrae op de Khun Sathan Mountain, en zijn slechts te bereiken over een in het regenseizoen zeer slechte, onverharde weg.

De meeste dorpelingen waren op de velden aan het werk, terwijl de kinderen op school zaten, een groot gebouw bij het aangrenzende Hmong-dorp. De peuters worden niet meer door hun ouders meegenomen naar de velden, maar worden achtergelaten in een dagverblijf bij de ingang van het gehucht, waar een Thaise dame in dienst van de lokale tambon (sub-district) voor hen zorgt. Soms wordt de gemeenschap bezocht door groepen toeristen, die meestal een varken meebrengen om aan de bewoners te schenken. Dat wordt dan meteen geslacht en de Mlabri’s hebben zodoende regelmatig vlees te eten. De meesten zijn christenen en elke zondag komt er een priester uit Nan voor de dienst in de dorpskerk, een wat grotere hut.

Terwijl ik met het echtpaar praatte kwam er een oudere man aanlopen die slechts in een lendendoek was gehuld. Ik betwijfelde of hij meestal zo gekleed gaat, en had eerder het gevoel dat hij zijn gewone kleren zojuist had vervangen door de lendendoek om me in ‘Steentijd-stijl’ tegemoet te treden (de Mlabri maakten overigens ook geen gebruiksvoorwerpen van steen). Hij trok stevig aan een pijp gemaakt uit de wortelstok van bamboe. Zijn bovenlichaam was bedekt met tatoeages. Hij vond het goed dat ik een paar foto’s maakte en het geld dat ik hem later toestak nam hij met een grote vanzelfsprekendheid en zonder commentaar aan.

mlabri-09-10

Links: Oude Mlabri-man rookt een pijp gemaakt uit een bamboewortelstok. Rechts: De kindercrèche.

Deze man moet over de afgelopen zestig jaar enorme veranderingen hebben meegemaakt. Tegenwoordig leven vrijwel alle Mlabri’s in nederzettingen, terwijl het meeste bos is verdwenen — en daarmee ook de meeste tijgers. Gedurende zijn leven waren de Mlabri’s steeds vaker voor de Hmongs gaan werken. Dat werk bestond er meestal uit nieuw bouwland voor hen te maken door ‘slash and burn’ — waarbij ze de habitat vernietigden waarvan ze zelf afhankelijk waren. Als gevolg van de ontbossing werden de waardevolle bosproducten zeldzamer en moeilijker te vinden. Tegelijkertijd werd de ruilhandel van de Mlabri’s minder rendabel, bijvoorbeeld doordat de vraag naar hun tassen gevlochten van gespleten rotan afnam toen de Hmongs steeds vaker goedkope plastic tassen in nabijgelegen marktplaatsjes gingen gebruiken. Dit dwong de Mlabri’s er weer toe vaker voor de Hmongs te werken. Deze cyclus was in volle gang toen in de jaren tachtig een missionaris de Mlabri’s begon aan te moedigen zich op vaste plaatsen te vestigen. Niettemin hielden er in de jaren negentig nog steeds een aantal Mlabri’s een half-nomadische levensstijl op na.

Tenslotte bezocht ik de school, het grote witte gebouw dat ik enkele dagen daarvoor in de verte had zien liggen. Voor het gebouw zaten enkele tientallen scholieren in lotushouding zich te oefenen in de meditatie. Een onderwijzer wees aan wie onder hen Mlabri’s waren. Misschien waren hun kleren een beetje vuiler en versletener dan die van de Hmong-leerlingen, maar verder leken de verschillen nihil.

Zoals ik al verwacht had bracht mijn bezoek me niet terug in de Steentijd, maar de Mlabri’s spookten in elk geval niet meer zoals de decennia ervoor als abstracties door mijn geest. Nu had ik ze met eigen ogen gezien, ook al was er niets speciaals te zien.

Hun huidige bestaan mag dan tamelijk gewoontjes zijn, hun oorsprong blijft een mysterie. Omdat hun taal tot de Mon-Khmer familie behoort en verwant is aan het Khamu, is geopperd dat ze ooit op een cultureel hoger niveau leefden, maar om de een of andere reden bosnomaden werden en afstand deden van een groot deel van hun culturele erfenis. Mogelijk ligt hun bakermat in Laos, waar nog steeds Mlabri’s leven. Maar in het midden van de 20ste eeuw struinden er mogelijk ook kleine groepjes rond in delen van Noord-Thailand ver ten westen van Nan en Phrae, zoals het Wawi-gebied in Chiang Rai. Analyse van het mitochondriaal DNA van de Mlabri’s vertoont weinig diversiteit, wat suggereert dat ze allen afstammen van een klein aantal individuen die zo’n vijf tot acht eeuwen geleden leefden. Dit is in overeenstemming met de theorie dat hun primitiviteit secundair is, al wordt dit weer door anderen bestreden.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s