Miereneieren

01-post-MiereneierenFiguur 1. ■ (links): Miereneieren op een markt in Chiang Mai. ■ (midden): Een kleine portie eieren van rode mieren kost al gauw twintig baht. ■ (rechts): Het oogsten van de eieren in het bos.

Delicatesse van het hete seizoen: kaviaar van rode mieren
khai mot daeng – ไข่มดแดง

Een vakantie in het Verre Oosten mag dan niet altijd vrij zijn van ongemakken, in het verleden was reizen daarginds meestal een zenuwslopende aangelegenheid—niet iets dat je zomaar voor je plezier deed. Van de vele ongemakken die van een reis in het negentiende eeuwse Siam een hel konden maken, stonden de insecten steevast bovenaan de lijst. Vooral in het regenseizoen waren de muskieten (muggen) die gemene koortsen zoals malaria overbrachten een plaag. Die koortsen konden de reizigers in korte tijd in een wrak veranderen. Henri Mouhot, de ‘ontdekker van de ruïnestad Angkor’, werd, nadat hij door het noordoosten van Siam was getrokken, in Luang Prabang door de koortsen geveld. Met bevende hand waren de laatste dagboeknotities geschreven: ‘19 oktober—Koortsaanval. 29 oktober—Heb medelijden met me, o mijn God….!’(1)
Misschien nog meer gehaat dan de muggen waren de zandvliegjes. Alfred Russel Wallace, vader van het darwinisme avant la lettre, was niet over de minuskule monstertjes te spreken op zijn lange reis door de Maleise Archipel. Op de Aru Eilanden waren de zandvliegjes ‘ ‘s nachts zeer talrijk en wisten tot elk deel van het lichaam door te dringen en een langduriger irritatie te veroorzaken dan de muggen. Vooral mijn voeten en enkels hadden te lijden en waren volledig bedekt met kleine rode, gezwollen vlekjes, die me verschrikkelijk kwelden.’ (2)
De mieren kregen in het algemeen ook geen genade. Ze brengen dan wel geen dodelijke ziektes over, maar hun georganiseerd massagedrag leidde dagelijks tot pijnlijke confrontaties.
De Franse missionaris Barthélemy Bruguière schreef in 1829: ‘Mieren. Geen insect in Siam is zo vervelend, zo talrijk en zo verscheiden. Er zijn witte, zwarte, rode en grijze mieren; sommige vliegen, andere kruipen. Er zijn kleine, middelgrote en sommige zo groot als een duim. Ze zijn alomtegenwoordig, op de grond, in bomen; (..) ze zijn in onze slaapkamers met ons. Ze zijn overal, zelfs op het altaar; ze bederven al onze eetwaar, boren door het hout heen, eten de boeken op.’ (3)

Anno 2015, in mijn townhouse iets buiten het centrum van Chiang Mai, reken ik de mieren ook tot mijn vijanden. Elke maand trekt een bestrijder van ongedierte met een brullend handkanon door de straat en hangen de wolken insecticiden tot aan de daken. Het houdt de dengue-koorts overbrengende muggen wellicht in toom, maar de mieren laat het ongedeerd.
Van de verschillende mieren in en rond huis (minstens vier soorten), zijn één bepaald soort, vrij kleine mieren het ergst. Een paar broodkruimels of suikerkorrels die op tafel achterblijven heeft een complete invasie tot gevolg. In eindeloze kolonnes trekken ze door het huis. Komen ze op je huid dan bijten ze meteen: een huidreactie soms zo groot als een euro blijft minstens een uur branden. Ook al valt er niets te halen, in kleinere getalen zijn ze er altijd, de ‘verkenners’ die alles screanen op de aanwezigheid van koolhydraten.
Kamperen kan in Thailand danig verstierd worden door de mieren. In beemd en veld en in het bos heb je vooral last van de talrijke, veel grotere ‘rode weefmieren’ (Oecophylla smaragdina). Die zijn 7-8 mm lang en bijten fel, maar de pijn daarvan is gelukkig van korte duur. Ze zijn veel in bomen te vinden en vormen bij het beklimmen daarvan al gauw een onaangename verrassing. Dertig jaar geleden ben ik in Sukhothai eens in een mangoboom geklommen en dat was eens en nooit meer—de rode mieren hebben mij zulke streken snel afgeleerd!
Deze diertjes zijn ook verzot op kadavers. Soms vind ik ‘roodbruine’ slangen op de weg die lijken te trillen van de dikke laag krioelende mieren waarmee ze bedekt zijn. Omdat ik die (dode) slangen graag goed wil bekijken is het de kunst ze van de mieren te ontdoen: bij de punt van de staart pakken en snel ‘afkloppen’ in de bermvegetatie. De procedure verloopt zelden helemaal vlekkeloos, want een minuut later blijkt vaak dat enkele mieren op mijn lichaam wisten over te stappen. Ze beginnen te bijten waar een kledingstuk schuurt of knelt: in je nek of in je kruis. Wat dat betreft wil ik Johnny Jordaan parodiëren: rode mieren ‘doen je beseffen dat je leeft’.

02-post-MiereneierenFiguur 2. ■ (links): Nestjes van rode mieren bestaande uit aan elkaar ‘geplakte’ bladeren. De witte substantie is een zijde-achtig afscheidingsproduct van de larven, een dradenmassa die de bladeren aan elkaar ‘plakt’ als de werkmieren de bladeren gecoördineerd naar elkaar toe trekken. ■ (midden): Een vrouw die de eieren van de rode mieren verzamelt in het droge, bladverliezende bos laag in de heuvels van het district Chiang Muan, Phayao. ■ (rechts): De nestjes komen terecht in een rijstzak gebonden aan een bamboestok.

Die rode mieren leggen hun eieren in nestjes gemaakt van bladeren die met een zijde-achtig afscheidingsproduct aan elkaar worden ‘geplakt’. De meeste nesten vind je niet al te hoog in de bomen van het mixed deciduous forest. Vooral in maart en april worden die miereneieren door dorpelingen verzameld. Dat gebeurt met een zak gebonden aan een lange bamboestok (zie de foto’s). De zak met eieren, mieren en nesten wordt later geledigd in een bak of schaal en daarover wordt talgpoeder gestrooid. Mieren houden niet van het witte poeder en gaan er dan vandoor. (Talgpoeder wordt ook wel gebruikt om kleine gebieden miervrij te houden. Daar wordt dan een ‘lijn’ van talgpoeder omheen getrokken die een efficiënte barrière blijkt te zijn.) Later worden de eieren schoongespoeld van het talgpoeder.

03-post-MiereneierenFiguur 3. ■ (links): Geconcentreerd aan het werk onder de blakende zon in het uitgedroogde, vrijwel kale bos. ■ (midden) en ■ (rechts): De zak met eieren en krioelende mieren wordt leeggeschud in een schaal.

De eieren van de rode mieren zijn een lekkernij en in het seizoen liggen ze veel te koop op markten, meestal kleine porties in pakjes gevouwen uit bananeblad. Ze worden vooral gebakken in een omelet, beslist heel smakelijk. Koken en met wat peper kruiden en een uitje erbij kan ook. Er bestaan enkele wat meer uitgewerkte recepten, maar daarvoor moet je te raad bij gespecialiseerde Thaise kookboeken. Ik kwam in een boek over de cuisine van de Isan (het Noordoosten) een recept tegen waarbij de miereneieren met vis en pla ra (gefermenteerde visbrei) worden gecombineerd: het lijkt me dat de weinig uitgesproken smaak van de miereneieren dan verloren raakt in het vissige.

04-post-MiereneierenFiguur 4. ■ (links): De oogst van miereneieren bedekt met krioelende rode mieren. ■ (rechts): Er is talgpoeder over de schaal met eieren en mieren gestrooid waardoor de mieren op de vlucht slaan.

Thais eten traditioneel regelmatig insecten, variërend van geroosterde rot duan (bamboerupsen) tot gefrituurde sprinkhanen: gezond en smakelijk. Zie ook: Culinair—Waterwantsen, miereneieren en andere tussendoortjes  . Miereneieren zijn daaronder de delicatesse, zeg maar de kaviaar van de artropoden.
Het afgelopen jaar kregen insecten als voedsel de aandacht in Steve Misky’s column in Scientific American (4)—naar aanleiding van de publicatie van The Insect Cookbook: Food for a Sustainable Planet geschreven door de Wageningse entomologen Arnold van Huis en Marcel Dicke. Het kookboek is in feite is een pleidooi voor het kweken van insecten als voedingsbron. Mirsky vat het als volgt samen: ‘Negen miljard mensen [in 2050] zullen proteïne nodig hebben, en het kweken van insecten is veel efficiënter dan het produceren van ander dierlijk voedsel, met name rundvlees, in termen van land- en watergebruik en de feed-to-food conversie-ratio: ongeveer 2 pond voedsel levert je een pond eetbare krekels, vergeleken met 25 pond nodig om een pond rundvlees te kweken.’
In een latere column komt een Amerikaans onderzoek aan de orde waarbij insecten worden geroemd als opruimers van allerlei organisch straatafval in de stad (zoals resten van fast food). De mieren scoren wat dat betreft het hoogst. (5) Kortom, we zouden er beter aan doen verstandig gebruik te maken van het enorme, nuttige potentieel van insecten dan als maniakken met de flitspuit rond te lopen.
©SJON HAUSER: tekst en foto’s

Eindnoten

(1) Mouhot, 2000: 382.
(2) Wallace, 1962: 353.
(3) Bruguière, 2008: 90.
(4) Mirsky, 2014.
(5) Mirsky 2015.

Referenties

Bruguière, Barthélemy, 2008. Description of Siam in 1829. Journal of the Siam Society 96: 73-173.

Mirsky, Steve, 2014. Anti Gravity. It’s a Cookbook. An argument for additional alimentary arthropods. Scientific American, September 2014: 78.

Mirsky, Steve, 2015. Anti Gravity. Insect Aside. Urban bugs pick up after all us slobs. Scientific American, February 2015: 74.

Mouhot, Henri, 2000. [1863] Travels in Siam, Cambodia, Laos, and Annam. White Lotus, Bangkok.

Wallace, Alfred Russel, 1962 [1869]. The Malay Archipelago. The land of the Orang-Utan and the Bird of Paradise. A Narrative of Travel with Studies of Man and Nature. Dover, New York.