Meeuse, Adriaan, en de afstamming der bloemplanten

MeeuseA. D. J. Meeuse en de afstamming der bloemplanten.

De Amsterdamse hoogleraar Prof. dr. Adriaan Meeuse hield er eigenzinnige ideeën over de afstamming der bloemplanten op na. Hij was een bijzonder mens, een bloemetjesgenie. Meeuse stierf op 15 september 2010 op 95-jarige leeftijd in een verzorgingstehuis.

Zijn dissidente theorieën en genialiteit maakten weinig indruk op de meeste van zijn studenten, die liever het Maagdenhuis bezetten en tegen de neutronenbom demonstreerden. Ik was misschien een uitzondering en schreef jaren na de voltooiing van mijn biologiestudie een lofzang op het bloemetjesgenie die in 1985 in het mei-nummer van Avenue verscheen. Het onderstaande verhaal is er een bewerking van.

Prof. dr. A. D. J. Meeuse – een miskend botanisch pionier.

Het is haast onvoorstelbaar, maar er is een tijd geweest dat er nog geen bloemen bestonden. Alles was groen, domweg groen, duizelingwekkend groen — de aarde was nog te jong voor een fleurige flora. Een wetenschappelijk pionier van Nederlandse origine houdt er wat betreft de afstamming van de bloemplanten zeer eigenzinnige ideeën op na, die nu door steeds meer feiten worden bevestigd.
Sjon Hauser schetst het profiel van zijn plantkunde-professor.

Nederland weet zich geen raad met zijn pioniers en grote wetenschappers. Neem Eugène Dubois. Aan het eind van de 19e eeuw ontdekte hij de eerste echte aapmens op Java. Maar waar staat het standbeeld van deze Nederlander die in geen enkel boek over de evolutie van de mens onvermeld blijft? Pas decennia na zijn graafwerk in Indië werd zijn ‘Pithecanthropus’ erkend. Daarvóór werd Dubois voor een zonderling versleten. En misschien was hij dat ook wel. Al bijna even onbekend is bij ons Hugo de Vries, een Nederlands botanicus, die voor het eerst mutaties in de natuur ontdekte — bij de teunisbloem. Die mutaties sloegen een brug tussen de in drijfzand ploeterende evolutietheorie en de erfelijkheidsleer, hetgeen een revolutie in de biologie teweegbracht. Dat De Vries bij de teunisbloem meestal geen mutaties had waargenomen, maar — zo later bleek — wat anders, doet er niet veel toe.

Pas nadat men vanuit Amerika met professoraten begon te lonken naar de geniale Nederlander, ging men in Amsterdam een prachtig laboratorium voor hem bouwen, en bleef Hugo. Maar heb ik mijn biologieleraar op de HBS ooit vol pathos horen uitweiden over De Vries? Nee, daarentegen kregen we jaarlijks wel hetzelfde gezeur te horen over die arme ‘miskende’ Gregor Mendel, een Moravische bedelmonnik die vierkante erwten (ja echt!) met ronde kruiste. De resultaten van zijn experimenten waren zo mooi, dat het niet anders kan zijn dat Gregor de boel flink heeft zitten flessen.
Dat Hugo de vries een waar genie was, blijkt ook weer uit het feit dat hij al vier jaar vóór de ‘herontdekking’ van de Mendelwetten bij eerlijke kruisingsproeven met papavers de 3:1 splitsingsverhouding vond. Veel meer dan een onleesbare biografie ben ik echter nooit over De Vries tegengekomen — bij De Slegte. En het laboratorium dat zij naam draagt zal in september 1985 door de biologen ontruimd moeten worden. Zo herdenken we onze genieën.
Echt leeg is het in Hugo’s erfstuk echter al sinds oktober 1984, toen professor A. D. J. (Adriaan) Meeuse, die daar vanaf 1960 als hoogleraar in de bijzondere plantkunde op geheel eigen wijze de scepter gezwaaid had, met emiraat ging. Een excentriek pionier en een miskend genie.
Lange tijd heb ik professor Meeuse meer als zonderling dan als wetenschappelijk voorman gezien. Dat had vooral te maken met mijn studentikoze onnozelheid en mijn vooroordeel dat plantkunde een dood vak is dat slechts door kamergeleerden en wandelende boekenkasten wordt bedreven. Genieën ontluiken vandaag de dag immers achter de electronenmicroskoop of ontstaan als zeldzame mutanten bij biochemisch onderzoek, zo meende ik. Dat ze zich ook schuil kunnen houden tussen hoge kasten vol stoffige boeken uit de vorige eeuw en rekken met potten waarin plantenresten in alcohol liggen verzonken, hield mijn studiehoofdje voor onmogelijk. Bovendien kwam het me als ‘te gek’ voor dat genieën op Hollandse klei konden gedijen, een kortzichtigheid waarmee ik nog lang behept zou zijn. Kwamen niet alle grote ontdekkingen uit de Verenigde Staten? Tot ik mijn eerste briefje van duizend kreeg te besteden had ik zelfs gemeend dat Spinoza een Romeins dichter was, net als Vesalis. Nee, ik was al lang blij met mijn zeven voor het tentamen plantenanatomie.

Excentrieke dissident
Ik herontdekte professor Meeuse pas vele jaren nadat ik in 1970 in Amsterdam biologie ging studeren en deze Abraham Lincoln van de botanie, die als geen ander de bloemplanten uit hun kluisters van dubieuze herkomst probeert te bevrijden, voor het eerst ontmoette.
Het eerste semester van het eerste studiejaar brachten de studenten voornamelijk door in het Hugo de Vries Laboratorium, want de hoofdmoot van de leerstof bestond uit plantkunde. Eindeloos en slaapverwekkend waren de colleges over stengeldoorsneden, huidmondjes en ander groenvoer. Dat eerste jaar hadden we nog geen college van de professor; voor het doceren van de simpele basisstof had hij immers zijn doctorandussen. Maar af en toe, op de gang of op de trap naar de praktikumzaal, vingen wij toch een glimp van hem op. En vanaf dat moment wist ik wat bijzondere plantkunde zo bijzonder maakte: MEEUSE.
Wanneer wij ‘s middags vermoeid en dubbelziend van het door de microskoop staren naar een vaatbundel in een lindetakje, met ons lange haar en corduroypak als volgroeide  kabouters op de gang een bekertje chocola dronken en de professor wierp en passant een merkwaardige, strenge blik op ons cultureel vacuüm, dan viel er even een stilte, totdat Erik, die altijd stoned was van de hennep uit de Hortus, in proesten uitbarstte.

Professor Meeuse had iets excentrieks, iets wrangs, iets onvriendelijks, iets strengs. Ik heb dan ook nooit gehoord dat hij door het personeel met Adriaan (laat staan met Arie of Boen) werd aangesproken of werd getutoyeerd; het was slechts ‘Ja Professor’ en ‘Nee Professor’ waarvan de ondergeschikten zich kruiperig bedienden. Meeuse was van de oude stempel, maar met een opmerkelijke stijl. Terwijl elke docent het eerste college begon met inleidende prietpraat, viel Meeuse zijn Eerste Collge dat ik mij herinner  direct met Angiospermen (bloemplanten) in huis. In zijn ellenlange zinnen — complexe webben van bijzinnen — leek aan de opsomming van de Latijnse namen van plantenfamilies geen eind te komen — tot een laatkomer de zaal binnenstapte en de professor geen woord meer zei voordat de vandaal in een bankje zat. Meeuse KEEK dan slechts. Vertoornd? Verbaasd? Dreigend? Hij had zijn ogen darbij wat toegeknepen en de mondhoeken licht opgetrokken, alsof hij last had van een felle lichtbron. Voor die blik bestaat eigenlijk geen woord — het moet de zeldzame blik van een miskend genie zijn.
Wanneer ik me dat voorval weer voor de geest haal, kan ik nauwelijks geloven dat professor Meeuse bloemen bemint. Toch moet dat het geval zijn, want hij houdt zich al sinds 1960 voornamelijk met bloemplanten bezig. Adriaan Meeuse is bloembioloog, expert in de geslachtsorganen van hogere planten. Zoals de Pithecanthropus ooit het noodlot van Dubois werd, zo leidden Meeuses theorieën over bloemplanten mijn professor in een trog van miskenning; want in de plantkunde gelden deze theorieën als dissident.
Op congressen vindt men Meeuse een lastige jongen, want vrijwel alle gangbare theorieën over de evolutie van bloemen en bloemplanten noemt hij op onverbloemde wijze onzinnig. Als hij met zijn alternatieve denkbeelden te voorschijn komt, haalt men nonchalant de schouders op. Niemand is het met onze botanische dissident eens.

Russische paus
Armen Takhtajan, plantkundige te Leningrad en één van dé autoriteiten op het gebied van de fylogenie (afstamming) van de bloemplanten, schrijft in een belangrijk artikel uit 1980:
‘De beroemde Poolse science-fiction-schrijver S. Lem zei in zijn Solaris: “Elke wetenschap heeft altijd een ermee corresponderende pseudowetenschap — haar wilde ‘refractie’ in het intellect van een bepaald type.” Gelukkig bestaat er geen parafylogenie, hoewel we vele voorbarige en ongefundeerde ideeën kennen die tegenstrijdig zijn met de elementaire logica van wetenschappelijk onderzoek. Maar ze zijn onbeduidend en kunnen het algehele beeld van aanmerkelijke vooruitgang binnen de studie van de plantenafstamming niet beïnvloeden.’

bloem Magnolia

Bloem Magnolia-achtige.

Deze woorden laat de Russische paus van de plantensystematiek volgen op de opmerking dat vraagstukken als monofylie (éénlijnige afstamming) van de bloemplanten, de primitiefheid van de Magnoliales en het afgeleide karakter van de families met windbestuiving, onder moderne plantkundigen geen geschilpunt meer vormen. Dat is een flinke hap vol angstaanjagend plantenjargon, ik zal het straks wat toelichten. Hier gaat het mij erom te illustreren hoe Takhtajan Meeuses denkbeelden als zijnde ‘voorbarig’  en ‘ongefundeerd’ naar Siberië verbant, want wat de Hollandse dissident nu juist beweert is dat de bloemplanten GĖĖN éénlijnige afstamming hebben, de Magnoliales (een groep planten waartoe de Magnolia of tulpenboom behoort) NIET alles zaligmakend primitief zijn, en dat windbestuiving bij diverse families altijd al heeft bestaan en NIET afgeleid is.
In de lange literatuurlijst van Takhtajans overzichtsartikel zoeken we tevergeefs naar één enkel artikel van onze Meeuse, terwijl deze sinds 1962 toch een kruiwagen vol publikaties over dit onderwerp het licht heeft doen zien. Dat lijkt op opsluiting in een psychiatrische inrichting, zonder enige vorm van proces.
Na een maand ploegen door de zwaar verteerbare geschriften van mijn vroegere professor raak ik steeds meer overtuigd van Meeuses gelijk. Niet dat ik hem altijd tot in de details kan volgen. Eigenlijk durf ik ook geen kritiek te uiten op Meeuses theorieeën, daarbij het risico lopend onder een stortvloed van Hamamelidaceeën, Gnetaceeën en Gevedeeën voor de rest van mijn carrière naar het nachtverblijf der zoölogie te worden teruggewezen. Ik begon de plantjes juist leuk te vinden.
Het zijn vooral de toon waarop Meeuse betoogt en de stijl waarmee hij schrijft die mij meer dan enig wetenschappelijk argument overtuigen: het is het geluid van iemand die gelijk heeft maar het niet krijgt. Maar laat ik nu wat feitelijke gegevens over Meeuses theorieën aandragen, die aan overtuigingskracht niets te wensen overlaten.

Er was alleen maar groen
De afstamming van de bloemplanten is mogelijk een academisch vraagstuk, maar niet zo maar het eerste het beste. Bepalen de huidige bloemplanten immers niet het uiterlijk van de aarde? Met niet minder dan 250.000 soorten domineren ze het vegetatiedek, want vrijwel alle kruidachtige planten en bladdragende bomen behoren tot de bloemplanten of Angiospermen (letterlijk: bedektzadigen). De spruitjes met dille en de stoofpeertjes in mosterdsaus, het zijn allemaal produkten van bloemplanten. Zelfs de schaal voor de exquise venkelsalade à la Haute Carspel is van hout van de notenboom, een bloemplant. Zonder bloemplanten werkte Wina Born allang in een slagerij.
Terwijl de dinosauriërs aan het eind van het Krijttijdperk met de ontwikkeling van bizarre, gigantische monsters hun collectieve uitsterven beginnen voor te bereiden, komen de bloemplanten tot een explosieve ontwikkeling. Voorheen werd de plantenwereld getiranniseerd door paardestaarten, varens en naaldbomen. Er waren nog geen dotters of waterlelies om de moerassen wat geur en fleur te geven tijdens hun vermoeiende steenkoolproduktie, en een Archeopteryx in het Jura zou vergeefs gezocht hebben naar een bebloesemde tak van een gouden regen of een bougainvillea om even op uit te rusten tijdens zijn eerste vermoeiende vlieglessen. Er was alleen maar groen; om suïcidaal van te worden.
Waar kwamen die bloemplanten zo ineens vandaan? Waaruit is de bloem geëvolueerd? Voor Charles Darwin was dit nog een ‘abominabel mysterie’, maar een paar decennia na hem meenden plantkundigen een antwoord gevonden te hebben. Zoals ‘En dan is er koffie…’ automatisch op Douwe Egberts uitloopt, zo leidt ‘En dan zijn er bloemplanten…’ bijna vanzelfsprekend naar de Magnolia-achtige planten. Sinds 1900 worden de bloemen van de tulpenboom en verwanten als het oertype beschouwd; deze ‘klassieke’ opvatting heeft zich als een steriele cloon onder de plantkundigen vermenigvuldigd en nog steeds is ze de gangbare theorie (zie Takhtajan).

Waarom beschouwt men de tulpenboom als zo primitief? Dat komt omdat de bloem ervan zo simplistisch in elkaar lijkt te zitten. Met wat fantasierijk geknoei aan de kroonblaadjes of stamper kan je er moeiteloos allerlei andere, vaak complexere bloemtypen uit afleiden — op papier tenminste. Alle bloemen van de huidige bloemplanten zouden uit de bloem van de oer-tulpenboom zijn geëvolueerd. De groteske en barokke passiebloem door specialisaties van de kroon, stamper en meeldraden; de onbeduidende bloempjes van wilg of hazelaar (die gebundeld zitten in katjes) door versimpeling (reductie) van het oorspronkelijk bouwplan. C’est ça.
Merk op dat de bouw van de bloem het exclusieve criterium is waarmee de afstamming van de bloemplanten wordt benaderd. Al voordat de ijveraars in de natuurlijke historici durfden te dromen over evolutie, deelde Linnaeus de bloemplanten in op grond van hun geslachtsorganen, de bloemen. Dat is net zoiets als de zoogdieren onder te verdelen op grond van de bouw van de tepels of de vorm van de zaadballen — niet bepaald een ‘natuurlijk systeem’.
De bloemplant bestaat echter uit meer dan alleen een bloem. De klassieke theorie moet dan ook stilzwijgend aannemen dat de kruidachtige gewassen, zoals het vergeetmenietje met zijn zielig blauwe bloempjes of de Sumatraanse Rafflesia met een bloem met een doorsnede van een meter en een gewicht van acht kilo (de rest van de plant is een verborgen parasitaire dradenmassa) door ‘verkruiding’ uit de oer-tulpenboom zijn geëvolueerd. De treurwilg zou zich daarentegen door extreme reductie van de oerbloem en overschakeling van insektenbestuiving op windbestuiving, maar onder handhaving van de houtige stengel, uit diezelfde oer-tulpenboom hebben ontwikkeld. De oer-tulpenboom is de deus-ex-machina in de hedendaagse afstammingsleer der bloemplanten. Het is net zoiets als te stellen dat alle zoogdieren, van mens tot spitsmuis en walvis tot gordeldier, afstammen van een primitief zoogdier, laten we zeggen een oer-tapir, omdat dat dier van die lekkere primitieve tepels zou hebben.
Het feit dat er uit het Krijttijdperk heel wat fossielen bekend zijn van tulpenboomachtigen zal deze klassieke opvatting wel flink gevoed hebben. De laatste tijd worden er echter ook oerbloemplanten opgegraven die er heel anders uitzien.

Volgens Meeuse moet de klassieke theorie voorgoed in het rariteitenkabinet worden opgeborgen — naast de eenhoorn, de Piltdownmens en het perpetuum mobile. De huidige variatie onder de bloemplanten is veel te groot om zo’n stereotype éénlijnige afstamming ook maar enigszins waarschijnlijk te maken. Bovendien moet de geschiedenis van de bloemplanten veel verder teruggeplaatst worden dan het Boven-Krijt. Al veel eerder zouden volgens Meeuse VERSCHILLENDE groepen oerbloemplanten hebben bestaan en naast elkaar of parallel tot VERSCHILLENDE groepen van de huidige bloemplanten zijn geëvolueerd, ofwel polyfyletisch.
De naaktzadigen, waarvan wij nu nog de coniferen (den, spar) en wat zeldzame relikwieën kennen, waren ooit zeer talrijk en vormenrijk. Hun glorietijd ligt ver vóór de explosie van de bloemplanten.
Volgens de ‘klassieken’ is de oertulpenboom uit een bepaald type oer-naaktzadige geëvolueerd. Ze veronderstellen dat bij de opkomst van de insekten het voor zo’n naaktzadige nuttig moet zijn geweest om bloemen te voorschijn te evolueren om de beestjes te lokken  en daarmee de bestuiving efficiënter te laten verlopen. De naaktzadigen, zoals nu nog de den, waren immers windbestuivers.
Hoe een tweeslachtig orgaan als de bloem van een Magnolia, met meeldraden en stamper bij elkaar in één structuur, uit éénslachtige voortplantingsstructuren van een primitief soort kerstboompje is getoverd, is nooit de grootste zorg  geweest van  de aanhangers van de klassieke theorie.

Bijzondere bloementrucjes
Meeuse maakt zich echter niet zo gemakkelijk van dit probleem af. In feite vormen zijn notities over wat die mannelijke en vrouwelijke bloemorganen in één (kleurrijke) structuur bijeengebracht heeft een belangrijk onderdeel van zijn werk. In de bloembiologie  worden verschillende ‘pollinatiesyndromen’ — bloemkenmerken die heel duidelijk de wijze van bestuiving verraden — onderscheiden. Zo wordt de Mexicaanse Agave door een vleermuis bestoven en is de bouw van de grote bloem daaraan aangepast. Felrode bloemen worden vooral door insekten bezocht die de kleur rood kunnen zien. De bestuivende dieren worden meestal met nectar of een maaltje stuifmeel beloond. Sommige bloemen hebben zeer bijzondere trucjes geëvolueerd om bestuivers te lokken of te manipuleren. Een aardig voorbeeld is de wespenorchis die bepaalde bedwelmende stoffen in het nectar van de bloem  produceert. Als een wesp daarvan gedronken heeft wordt hij ‘dronken’, een toestand waarin het dier onder het stuifmeel geraakt en juist dan een efficiënte bestuiver blijkt te zijn.
bestuiving bloemTussen vele soorten dieren, vooral insekten, en bloemen is de wederzijdse afhankelijkheid overduidelijk. Meeuse betoogt echter met overtuigingskracht dat botanici ertoe neigen die relaties te stereotyp te zien. Een voorbeeld is de weegbree, die geldt als een echte windbestuiver. Onderzoek van één van Meeuses medewerkers heeft echter aangetoond  dat de weegbree ook wel door zweegvliegen wordt bezocht en op deze manier ook bestoven kan worden. Soms, zoals op open plekjes tussen bossen waar weinig wind is, kan die insektenbestuiving bij zo’n klassieke windbestuiver een aanzienlijk deel van de bevruchtingen tot stand brengen.

Het gangbare klassieke denken onder bloembiologen wordt gedomineerd door geknutsel met bouwplannen van bloemen, wat nog een erfenis is van Goethe die op een vrije zondagmiddag een oerplant op papier zette waar alle andere planten van af te leiden zouden zijn. Meeuse bekijkt de bloem vooral binnen zijn werkelijke milieu en probeert van daaruit licht te werpen op de afstamming van bloemplanten. Dit soort bloem-ecologische redenaties voeren Meeuse weer tot een veellijnige afstamming van bloemplanten, terwijl de ‘klassieken’ maar blijven zoeken naar een fossiele missing link tussen een naaktzadige  en een oer-tulpenboom. Met een gemeen lachje merkt Meeuse op dat zo’n ontbrekende schakel ook nooit gevonden zal worden, ‘want dat ding heeft nooit bestaan.’ En zuchtend over de klassieken: ‘Die mensen hebben hele kamerschermen voor hun ogen, niet eens oogkleppen.’
Een bloem mag je niet zo maar uit zijn milieu plukken, plat slaan in een herbarium, om vervolgens aan de hand van een getekend bloemdiagrammetje te gaan mijmeren over zijn afstamming: dat is de les  die ik geleerd heb uit Meeuses bloemecologische beschouwingen, die we hier verder zullen laten rusten. Het is tijd om eens te kijken naar het milieu waaruit de grote bloembioloog zelf is ontsproten.

Bastiaan en Adriaan
In 1966 verschijnt in New York The Story of Pollination (Het Verhaal van de Bestuiving) van B. D. J. Meeuse. B. D. J.? Meeuse heet toch A. D. J.? In het Hugo de Vries Laboratorium legt bibliothecaresse Diny Winthagen me  uit dat B. D. J.  Bastiaan is, Adriaans jongere broer en hoogleraar in de plantkunde in Seattle. Beiden, Adriaan en Bastiaan, hebben zich netjes parallel tot professor plantkunde ontwikkeld. Om het parallisme te volmaken verscheen een hoofdwerk van Adriaan ook in 1966 en ook in New York. Desondanks zal men bij de bestudering van Adriaans werk niet gauw struikelen over dat van Bastiaan. Niet zelden betreft de helft van de referenties  in Adriaans artikelen werk van Meeuse, maar het gaat dan toch steeds om A. D. J. Meeuse, hijzelf. Meeuse verwijst vooral naar zichzelf, wat misschien bij dergelijke dissidente opvattingen een van de weinige mogelijkheden is.
Sukabumi en Buitenzorg (Bogor) vormen het oermilieu van de Meeusen. In deze West-Javaanse plaatsen, koel gelegen tussen thee- en rubberplantages, is al menig talent ontkiemd, zoals de schrijfster Hella Haasse die beroemd is geworden met haar kleine roman Oeroeg. Zij heeft nog Nederlands geleerd bij de moeder van Meeuse, een onderwijzeres, want toen zij er naar school ging sprak zij ‘geen fatsoenlijk woord Hollands’ en vreesden haar ouders dat zij ‘je reinste katjang’ zou worden. (Oeroeg, pagina 15).
De vader van de beide latere grote botanici was leraar en journalist en daarnaast secretaris van de Soekaboemische en Rubberplantersvereniging. ‘We hebben er een zeer gelukkige jeugd gehad,’ schrijft Bastiaan vanuit Seattle in een brief die ik heb weten te onderscheppen. Wie had dat gedacht?
Ik niet toen zo’n vijf jaar geleden als bijna afgestudeerd bioloog met een hoofd vol neurotransmitters maar een minieme belangstelling voor plantkunde, op een vakantie door de straatjes van Sukabumi slenterde. Nietsvermoedend betrad ik de gewijde geboortegrond van mijn vroegere professor. Waar ik schichtig liep te zoeken naar het minibusje naar Bogor, had wellicht vijftig jaar eerder de jonge Meeuse gedrenteld met een sigarendoos vol gevangen kevertjes, zweefvliegen en wantsen. Het determineren van alles wat leeft en bloeit zat er bij de kleine Adriaan al vroeg in. De Indische natuur is rijk aan vertegenwoordigers van de Magnoliales, zoals de Myristicaceeën (nootmuskaatachtigen) en Annonaceeën. Zal Meeuse als jongen, peuzelend aan een zuurzak (Annona muricata) hebben vermoed dat hij later zou vechten om deze groep bloemplanten van hun aangeprate primitieve complex te bevrijden? En dat West-Java een basis legde voor een revolutionaire theorie over oer-bloemplanten, zoals het Hella Haasse inspireerde tot het schrijven van haar Oeroeg?

Tridax met vlinderTerugkerend van een mislukte bedevaartstocht naar de Pithecanthropus-gedenksteen op Midden-Java, was Sukabumi voor mij slechts een onbeduidende stopover op weg naar de plantentuin van Bogor, waar ik overigens meet onder de indruk kwam van een daar rondkruipende groene slang dan van de weelderige tropische vegetatie.
Bij het determineren van de gevangen insekten bleek Adriaan Meeuse al op jeugdige leeftijd over een enorm geheugen te beschikken. Ook na zijn studie biologie blijkt dit van pas te komen. In 1942, een jaar na zijn promotie, treedt dr. A. D. J. Meeuse als hoofd van de afdeling Biologische Technologie in dienst bij het Vezelinstituut TNO. Als hij allang hoogleraar is in Amsterdam , wordt in het contactorgaan van TNO over ‘Meeuw’ gememoreerd dat deze ‘de even zeldzame als opvallende eigenschap (had) zijn verslagen, rapporten en artikelen (over mottenbestrijding, enz.) alleen gesteund door meetresultaten en een enorm geheugen soms slechts enkele dagen vóór een gewenste verschijningsdatum geheel en al uit het hoofd op te schrijven.’
Nu herinner ik me weer de dreigende woorden die Meeuse ons studenten wel toebeet: dat zijn geheugen hem in staat stelde precies te onthouden welke studenten wel en welke niet zijn colleges bezochten. Daar Meeuse het tentamen mondeling afnam, en wij hem graag geloofden, hebben die woorden het absentisme zeker binnen de perken gehouden.
Dezelfde Meeuse die als professor laatkomende studenten met zijn blik ineen deed krimpen, had op het Vezelinstituut TNO de gewoonte zelf te laat te komen. In een voor de personeelsvereniging geschreven revue durft hij daar zelfs de draak mee te steken: ‘Ziezo, Meeuw is binnen, nou dan zijn ze er allemaal wel zo’n beetje.’
Godzijdank wordt in het artikel van het TNO-kontaktblad ook al gesproken over ‘een door excentriciteit opvallende persoonlijkheid.’

Erdvarkkomkommer
In 1952 verhuist Meeuse naar Zuid-Afrika. Van zijn publicaties uit de acht Pretoriaanse jaren valt er één sterk op. Het betreft een verhandeling over de ecologische relatie tussen een plant  en een dier. De publicatie, Die Erdvarkkomkommer, Meer Inligtings Omtrent hierdie Seltsame Plant Verlang, verschijnt in 1955 in het tijdschrift Boerdery in Suid-Afrika.
Bezoek het nachtdierenverblijf in Artis en een ieder zal het met me eens zijn dat het aardvarken een van de merkwaardigste dieren is die aan de fantasie van de Schepper is ontsproten. Stelt u zich vervolgens een komkommer voor, die niet komkommervormig is maar kogelrond en bovendien onder de grond groeit, en de evolutietheorie begint opnieuw te wankelen. In Zuid-Afrika komen beide excentrieke levensvormen echter voor en Meeuse legt haarfijn uit hoe ze in een ecologische afhankelijkheidsrelatie staan. Om als nachtdier in droge gebieden te kunnen overleven is het aardvarken op de onderaardse komkommer als waterbron aangewezen. Zo’n begraven komkommer heeft voor de verspreiding van zijn zaden een dier nodig dat hem opgraaft. Dat doet het aardvarken en de zaden worden met een hoopje mest weer op de onvruchtbare bodem uitgepoept. Als komkommerspecialist is Meeuse nu vereeuwigd in de naam van de komkommersoort Cucumis meeusei. Daarnaast zijn nog twee andere plantensoorten en een pissebed naar hem genoemd.

vlinder op bloemen‘Zeer gewaardeerde Toehoorders, ik doe een beroep op uw toegeeflijkheid wanneer ik U verzoek de volgende fantasie met mij in gedachten te beleven,’ begint Adriaan Meeuse vijf jaar later, op 30 mei 1960 zijn rede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de bijzondere plantkunde aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam. Die fantasie betreft niet de relatie tussen aardvarken en komkommer (want die is een wetenschappelijk feit en de ontdekking heeft tot Meeuses roem bijgedragen), maar de introductie van een marsmannetje dat in een weiland in discussie geraakt met vertegenwoordigers van verschillende takken van de biologie: een geneticus, een biochemicus, een systematicus, enzovoort. Wij zijn beslist zo toegeeflijk, want Meeuses gedachtenspelletje vormt de aanzet tot een krachtig pleidooi voor de noodzaak van samenwerking tussen de verschillende, steeds meer uit elkaar groeiende takken van de biologie. Dat is niet alleen als mooie woorden bedoeld. Meeuse zal behalve vanuit de leer van de bloembouw en de bloem-ecologie ook licht op het vraagstuk van de afstamming van de bloemplanten werpen vanuit de plantengeografie, de embryologie en de biochemie.
Meeuses  inaugurele rede eindigt met een waarschuwing aan de Dames en Heren Studenten, dat zij hem ‘wellicht veeleisend zullen vinden.’ Wij zullen dit niet tegenspreken. Meeuse voegt er evenwel aan toe: ‘Aan de andere kant hoop ik ook aan hen duidelijk gemaakt te hebben, dat ik ernaar streef, de studenten bij te brengen de biologische problemen wat breder te bezien.’

Meeuses gelijk
Twee jaar later rollen de eerste dissidente publikaties over de veellijnige afstamming van de bloemplanten van de band. Bijna alle van de ruim honderd publikaties die daarop volgen, zijn direct of indirect met dit vraagstuk verbonden, met als uitzonderingen een artikel over parelvisserij in Europa en het schoonmaken van skeletten met behulp van larven en torren. Al die publikaties vormen een netwerk van argumenten die de klassieke theorie in een wurggreep nemen.
Uiteindelijk zullen het de vondsten van fossiele bloemplanten zijn die bepalen wie er gelijk heeft. Het feit wil dat er de laatste jaren veel van deze versteende bloemen zijn opgegraven. En ze wijzen voornamelijk op Meeuses gelijk.
Meeuses gelijk lag voor een groot deel in Siberië begraven. Sachalin wist niet alleen nieuwsgierige Koreaanse Boeings te lokken, maar ook, net als een aantal andere uithoeken van de Sovjet-Unie, de nieuwsgierigheid van Russische paleobotanici te wekken. Het was dan ook de Rus V. A. Krassilov die over die recent opgegraven oerbloemplanten in de toonaangevende Botanical Review een overzichtsartikel schreef. Deze onderzoeker uit Wladiwostok stelt dat de fossielen wijzen naar méér dan één oertype. Verder blijken die fossielen veel ouder te zijn dan het Boven-Krijt, precies wat Meeuse voorspeld had. Meeuse wordt zelfs een paar keer genoemd in het artikel. Armen Takhtajan, die in Leningrad mogelijk dicht bij Romanov of een andere partijbons staat, wordt echter op tweeslachtige wijze een hand boven het hoofd gehouden. Diens flauwekul wordt al in de eerste zin van het artikel ‘goedgepraat’ met de opmerking dat het idee van de éénlijnige oorsprong van de bloemplanten op een ‘verwarring van fylogenetische met taxonomische concepten’ berust.
Ach, Takhtajan had twee concepten verwisseld toen hij schreef dat de éénlijnige afstamming en de primitiefheid  van de Magnoliales geen geschilpunt meer vormen. Dat was nota bene drie jaar ná Krassilovs publicatie!!
Daarna verschijnen er nog diverse publikaties over ‘nieuwe’ fossielen. De Amerikaan Dilcher concludeert dat de bloem van de Magnoliales niet langer als de oerbloem gezien mag worden. De versimpelde bloem van katjesdragers met windbestuiving zou bovendien een oorspronkelijk type zijn dat zich onafhankelijk heeft ontwikkeld. Meeuse wist dat al lang.
In een ander artikel komt men tot een soortgelijke conclusie, maar in beide artikelen wordt Meeuses vooruitziende blik in het verleden niet vermeld. Meeuses reactie daarop: ‘Hoewel auteur dezes verheugd was te zien dat zijn gezichtspunten zó krachtig in het gelijk werden gesteld dat we nu veilig kunnen stellen dat de bodem is geslagen uit de verouderde en hardnekkige theorieën (…) was hij ook zeer verbaasd, op zijn zachtst gezegd  (…) Het totale negeren van zijn publikaties in de twee bovengenoemde en in vele opzichten goed gedocumenteerde artikelen had op de schrijver dezes het onplezierig effect van een ijskoude douche.’

Arme Meeuse?
Juister lijkt me: arme Takhtajan! Arme Armen Takhtajan en vele andere (de Rus was de kwaadste niet eens) die hun theorieën decennia lang aan een soort tulpenboom hadden opgehangen. Misschien wordt het voor hen tijd om daar zelf ook aan te gaan hangen. Of eerlijk toegeven dat ze er flink naast zaten. Daar hoort dan ook de erkenning van Adriaan Meeuse als een geniaal pionier in de plantkunde bij. Hij is nu eenmaal ‘quite a guy’ — dat schreef zijn broer Bastiaan al.

©SJON HAUSER