Mae Ping nationaal park, Kaeng Ko en Mae Tup-stuwmeer

bos

Beboste heuvels in het Mae Ping nationaal park.

Het grote Mae Ping nationaal park strekt zich uit op de oostoever van het door de Bhumibol-dam gecreëerde Mae Tup-stuwmeer. De drijvende hutten bij Kaeng Ko, circa 150 km ten zuidwesten van Chiang Mai, zijn een geschikte springplank voor het verkennen van de natuur. Het park is bekend om zijn vogelrijkdom.

Het nationaal park is gecreëerd in 1981 en heeft een oppervlakte van ruim 1000 km². Het  ligt ten oosten van het Mae Tup-stuwmeer in delen van de provincies Chiang Mai, Lamphun en Tak. Met de voltooiing van de Bhumibol-stuwdam in de Ping bij Sam Ngao in de provincie Tak (1964) ontstond het grote stuwmeer.

Het meer is overwegend smaller dan een kilometer, maar op enkele plaatsen bijna 6 km breed. Het strekt zich over een lengte van 207 km uit tot bijna bij Hot, hemelsbreed zo’n 100 km ten noorden van de dam. Op veel plaatsen bestaat de oever van de rivier/het stuwmeer uit kalksteenkliffen die loodrecht uit het water rijzen en hier en daar is het water er niet breder dan 100 m. Het stuwmeer vormt de westgrens van het park.

 

Kaeng Ko

Drijvende vissershutten bij Kaeng Ko.

Het meer trekt veel watervogels aan. Een opmerkelijke roofvogel die je er vaak boven het water ziet zweven is de Osprey (Pandion haliaetus). In het veleden, ver voor de voltooiing van de dam en voordat de spoorlijn uit Bangkok Chiang Mai bereikte, vond er nog veel scheepvaart plaats op Ping. Het deel van de rivier dat nu stuwmeer is, was ooit berucht om zijn cataracten.

Je bereikt het park het gemakkelijkst vanuit Li in de provincie Lamphun. Highway 1087 begint iets ten zuiden van Li en gaat direct naar het hoofdkwartier van het park, dat je na 20 km bereikt. Vanaf het hoofdkwartier is het nog eens bijna 20 km naar Kaeng Ko aan het stuwmeer. Het gehucht is genoemd naar de in het verleden beruchte stroomversnellingen (kaeng).

Bij Kaeng Ko vind je sfeervolle accommodatie: hutten drijvend op bamboevlotten speciale ijzeren drijvers. De meeste worden verhuurd door de lokale bewoners, maar er is ook een drijvende slaapzaal die gerund wordt door het departement van bosbouw. Behalve van het toerisme leven vele bewoners van de visvangst. Enkelen houden er een kleine veestapel op na. Er liggen hier ook een paar eilandjes in het stuwmeer. De vele kale stammen van dode bomen die uit het water steken resteren van het bos dat in 1964 onder water werd gezet. In Kaeng Ko is het mogelijk een long-tailed boot te huren voor een trip naar  Sam Ngao, bij de stuwdam (5-6 uur). De trip naar Doi Tao (2 uur) is het grootste deel van het jaar niet mogelijk vanwege de te lage waterstand.

dipterocarp

De yang hiang. Inzet: de stervormige bloemen ervan.

phoenixpalm

Phoenix-palm.

Het grootste deel van het natuurgebied bestaat uit heuvels die niet hoger zijn dan 900 meter. Het gebied heeft een voor Thailand zeer geringe regenval (700 mm per jaar) en is dan ook grotendeels bedekt met deciduous forest — dat bestaat overwegend uit loofbomen die in het droge seizoen hun bladeren laten vallen. Hier en daar is er dennenbos.

Het droge dipterocarpenbos wordt er gedomineerd door de soort yang hiang (Diperocarpus obtusifolius), die een respectabele hoogte van 25 meter bereikt, en de tueng (Dipterocarpus tuberculatus). In december brengt de yang hiang roze, stervormige bloemen voort. De tueng doet dat in het voorjaar (februari-maart)—tegen die tijd zijn de bomen vrijwel bladerloos. In april en mei produceert hij opvallende knalrode bladknoppen waaruit zich de frisse nieuwe bladeren ontwikkelen.
In het droge seizoen oogt dit bos bijzonder schraal. Het is niettemin een rijk ecosysteem. Er zijn bijvoorbeeld veel vogelsoorten te vinden.

Als het bos eind april ontluikt — vaak al vóór de eerste regens — is het een al groen van knoppen en jonge blaadjes, terwijl de bloesems van sommige boomsoorten en bloeiende gembers op de bodem voor verrassende kleuren zorgen. (Meer over Dipterocarpus obtusifolius en verwante boomsoorten in de artikelen: Dipterocarpen en Dipterocarps). Bijzonder is in dit natuurgebied het grote aantal wilde makham-bomen (tamarindes).

 

Dry dipterocarp forest, in het regenseizoen met een onderbegroeiing van sappig gras.

Dry dipterocarp forest, in het regenseizoen met een onderbegroeiing van sappig gras.

In het verleden was een groot deel van het bos er gedomineerd door teak, net als in andere delen van Noord-Thailand.

‘De teakbossen werden bijna volledig verwoest,’ schrijft de in Chiang Mai gevestigde ecoloog en herbebosser dr Steve Elliott, ‘grotendeels door  buitenlandse houtkapbedrijven, aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw. De roofzuchtige, overwegend Britse houtkappers hebben het karakter van de Noord-Thaise bossen volledig veranderd.

Maar hij voegt eraan toe dat in de omgeving van de Ko Luang waterval (10 km ten zuidwesten van het hoofdkwartier) nog wel grote teakbomen zijn blijven staan. (1)

Meer over Thailands teak in de artikelen: Teak—the King of Timbers en Teakbomen—giganten in Uttaradit en Sukhothai.

Dust underfoot
Ban Ko (Kaeng Ko) en omgeving zijn inmiddels vereeuwigd in de Thaise literatuur. De novelle Phrai Fa ( ไพร่ฟ้า , in Engelse vertaling: Dust Underfoot) van Khamsing Srinawk speelt zich bij het gehucht af in de jaren vijftig, nog voordat het Mae Tup-stuwmeer was ontstaan door de aanleg van de Bhumibol-dam.
Het bos van de Mae Ko, de beek die nabij het huidige Ban Ko in de Ping uitstroomt, wordt er geëxploiteerd door een bedrijf uit Bangkok. Choet, de ik-persoon, is er opzichter en bevriend met Intha, een van de mahouts (berijders en verzorgers) van de olifanten van het bedrijf — olifanten worden in de bosbouw gebruikt voor het verslepen van de boomstammen.
Intha, een eenvoudige Kamu-jongeman uit Chiang Rai, werkt al jaren voor het bedrijf. Hij is de enige die de weerbarstige olifant Phlai Thong onder controle kan houden. De jongeman wordt verliefd op een Karen-meisje uit het dorp dat bij het kamp ligt, en zijn liefde wordt door Bua Thong beantwoord.
Dan krijgt men bezoek van een inspecteur, de neef van de eigenaar van het houtkapbedrijf. Paipin Ratchaphruk is een ‘kleine prins’, een man met de adellijke rang mom ratchawong. Zijn oog valt op de mooie, jonge Intha. Hij laat een hut op de oever van de rivier bouwen zodat hij er met Intha de liefde zal kunnen bedrijven. Ondanks waarschuwingen van de opzichter Choet, laat de ‘mom’ zich niet van de wijs brengen. De hoge lieden uit Bangkok zijn niet gewend dat ze worden tegengesproken of tegengewerkt, zeker niet door plattelanders. Voor Intha’s toekomstige echtgenoot, de ‘Kamu met de gaten in zijn oren’, heeft de prins slechts minachting. Wanneer hij de jonge Karen-vrouw Bua Thong dwingt met hem de nacht in de hut door te brengen, loopt Intha op zijn olifant Phlai Thong amok:
‘The people of Ko, from the little children to the oldest, stood staring sadly at the bits and pieces of bamboo flooring and remains of the broad leaf  roofing which the waters had pushed back up on the sandy beach.
“May she rest in peace. May both of them.”
As the sun grew stronger, the crowd deserted  the beach, but the sound of the river continued until the end of the rains.’ (2)

Thung Kik

Thung Kik.

De thung kik is een open grasland met een veenbodem, ongeveer 15 km ten zuiden van het hoofdkwartier. Er gaat een goede, geasfalteerde weg naartoe. Alleen de laatste kilometer (vanaf een nevenkwartier annex jeugdkamp) is een drassig onverhard pad. Er gaat een trail van ongeveer 2 km gedeeltelijk langs het grasland en gedeeltelijk door het aangrenzende bos.

In het grasland groeien veel (kleine) Phoenix-palmen (foto: zie hierboven). De naam Phoenix is ontleend aan de snelheid waarmee deze struikvormige palmen regenereren na bosbranden.

In dit open terrein zijn voor de geduldige natuurliefhebbers soms herten (barking deer en sambar) en de Siamese hazen te spotten.

Circa 5 km ten zuidoosten van de thung kik torent de Pha Dam-Pha Daeng (“Zwarte Rots – Rode Rots”), een indrukwekkende klif die uit het bos oprijst.

De hoogste piek in het park is Doi Huai Lo (1238 m).

Er leeft vrij veel wild in het park, ook groot wild, zoals de genoemde herten, de Asiatic black bear en de serow (klipgeit), maar tijgers en olifanten komen er niet meer voor.

hornbill

Oriental pied hornbill.

hoen

White-brested waterhen.

Het nationaal park geniet een zekere bekendheid bij vogelaars. Vooral gedurende de periode oktober-april komen die aan hun trekken, omdat er dan ook veel trekvogels en wintergasten zijn.

Minstens 208 soorten vogels zijn in het park waargenomen (151 standvogels en 57 trekvogels).
De Oriental pied hornbill (Anthracoceros albirostris), de kleinste hornbill-soort in Thailand, komt er ook voor, maar is er betrekkelijk zeldzaam.
Met de vele kalksteenformaties is het niet verwonderlijk dat er ook vele grotten zijn. Tienduizenden vleermuizen brengen er de dag door en zwermen tegen de avond naar buiten.

Ko Luanf waterval

Ko Luang waterval.

In het verleden werd de guano (lagen stront van de vleermuizen) er door lokale bevolking afgegraven voor de productie van buskruit.
De bekendste grot in het park is de Yang Wi Grot,  bijna 40 km ten zuidwesten van het hoofdkwartier gelegen temidden van dennenbos.

Nam Tok Ko Luang is de bekendste en grootste waterval die per motorfiets of auto gemakkelijk te bereiken is. Hij bevindt zich 23 km ten zuidwesten van het hoofdkwartier en circa 8 km vanuit Ban Ko. De weg van Ban Ko naar de waterval is geasfalteerd.
Het water stort zich trapsgewijs over zeven plateaus van de kalksteenrotsen.

Er is een prachtige poel om in het frisse water te zwemmen, maar uit veiligheidsoverwegingen is dit (tijdelijk?) niet toegestaan. Het water is er turquoise door het opgeloste kalk. De lichtbruine kalksteenafzettingen van het laagste niveau lijken op het rieten dak van een hut.

De waterval is omgeven door wilde jungle met vele bloemplanten die inde vochtige omgeving gedijen.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s

Birds of ThailandForest treesUitstekende veldgidsen zijn: Forest Trees of Northern Thailand van Simon Gardner en anderen en Craig Robson’s Birds of Thailand. Ze zijn onder andere te koop bij Dokmai Garden in Chiang Mai.

Voetnoten:
(1) Stephen Elliott. Mae Ping National Park. A river voyage through limestone cliffs. Guidelines Chiang Mai, February 2003: 26-33 (p. 32).
(2) Vertaald uit: Khamsing Srinawk. The Politician & other stories. Silkworm Books, Chiang Mai, 2001.