Logboek slangenjacht in het Huai Nam Dang nationaal park

Mountains Huai Nam Dang

A view from the headquarters of the national park.

De lucht was nog zwaar bewolkt, maar enkele flarden lichtblauw wezen erop dat het toch een mooie en warme dag kon worden. Om een uur of acht zat ik op mijn Honda Dream met als bestemming ‘Huai Nam Dang’. Chiang Mai verlaten in de vroege ochtend kan een ramp zijn vanwege het drukke verkeer op de uitvalswegen, zeker op Highway 108 naar het noorden, maar ‘s zondags valt dat gelukkig mee. Het saaie stuk tot Mae Rim is door de politie ‘opgeleukt’ door het plaatsen van tientallen borden met foto’s van verongelukte voertuigen en verkeersslachtoffers die aan slangetjes in de ICU (Intensive Care) liggen. Ik neem aan dat de campagne tot doel heeft verkeersongevallen te beteugelen, maar de borden leiden mij behoorlijk af — en zelfs op zondagochtend kun je je aandacht beter bij het verkeer houden.

Een paar kilometer vóór Mae Rim sla ik altijd linksaf en volg dan een rustige weg langs een irrigatiekanaal. Daarmee omzeil ik de chaotische drukte van Mae Rim en een aantal stoplichten. En ik hoop er de eerste slang van de dag te ‘scoren’. Het wemelt er namelijk van de chequered keelbacks (Xenochrophis flavipunctatus), een slang die wat lijkt op de Europese ringslang en zich graag in het water ophoudt. Sorry, ik gebruik gewoonlijk de Engelse namen van slangen, want de meeste soorten hebben ten minste een min of meer gangbare Engelse naam (naast de latijnse naam). Een ingeburgerde Nederlandse naam bestaat er vaak niet van.

Vooral op warme ochtenden zie je deze chequered keelback weleens de weg op kruipen. Het zijn ongevaarlijke, niet-giftige dieren. Als je stopt en van de scooter afstapt hebben ze je meestal meteen in de gaten en verdwijnen ze weer snel in het gras van de berm. Maar een enkele keer ben ik bij zo’n slang voordat hij er vandoor is. Verrast neemt die dan een dreighouding aan en aarzelt niet aan te vallen en te bijten als je heel dichtbij komt. Ze kunnen zelfs naar je toe springen, dat merkte ik een keer toen ik de luchthaven van Siem Riap (Cambodja) was uitgestapt en er een op een grasveld wilde fotograferen.

Vanwege zijn sterke neiging te bijten en zelfs aan te vallen wordt deze chequered keelback op slangenwebsites en in slangenboeken wel als ‘agressief’ omschreven. Dat is een beetje overdreven, want als het maar even kan probeert het dier te vluchten. En dat kan hem niet snel genoeg, dat blijkt als hij van ‘gewoon kruipen’, wat hem kennelijk te langzaam gaat op het gladde asfalt dat nauwelijks punten heeft om het lichaam tegen af te zetten, overschakelt op het maken van hoepelvormige sprongetjes. Woestijnslangen doen dat ook veel, omdat het mulle zand nu eenmaal ook weinig wrijvingspunten oplevert en ze laten dan een karakteristiek onderbroken patroon in het zand achter.

Er waren vandaag geen hoepelende keelbacks en zelfs geen plat gereden keelbacks te bespeuren. De onderstaande foto van deze variabele soort heb ik dan ook elders gemaakt. Het schaakbordpatroon waar de slang het eerste deel van zijn naam aan te danken heeft is op de flanken achter de kop duidelijk. De rode stippen komen maar bij een klein deel van de exemplaren in Noord-Thailand voor.

 

 

Een chequered keelback

Een chequered keelback met veel rood in de flanken vlucht de berm van de weg in. Chiang Dao district, Chiang Mai.

Ik heb altijd een goed gevoel op de rustige kanaalweg, waarschijnlijk omdat ik dan pas echt de stad uit ben. In het vroege voorjaar is de weg een kleurenpracht van de aangeplante flame of the forest (Butea monosperma). De overdadige bloesem van deze inheemse boomsoort is ongeëvenaard — normaal knaloranje, maar de bomen langs het kanaal zijn een cultuurvariëteit met gele bloemen.

Een kwartier later, voorbij Mae Rim, was ik weer terug op Highway 107. En twintig kilometer noordelijker sloeg ik linksaf en reed de Highway 1095 naar Pai en Mae Hong Son op. Dat is nog steeds een van mijn favoriete ‘natuurwegen’, hoewel het er geleidelijk drukker wordt. Mae Hong Son is ontdekt door de Thaise toerist en tijdens lange weekends, wanneer de werkende burger drie tot vijf dagen vrij heeft, kan het er druk zijn. Je ziet dan veel minibusjes met groepjes vakantiegangers en ook veel gezinnen uit Bangkok die met hun dure auto de bergen ingaan. Kan de 4WD eindelijk zijn nut bewijzen. Maar je moet voor ze uitkijken, want vaak hebben ze geen enkele ervaring in de bergen. Door die toeristische ontwikkeling rijzen de uitspanningen waar je koffie kunt drinken nu als paddestoelen uit de grond langs de weg — vaak is er flink voor gekapt. Overal ook reclameborden voor die zaakjes, wat ik een vorm van milieuverontreiniging vind. Ik zal op de nieuwe generatie natuurliefhebbers uit de middenklasse van Bangkok nog wel eens in deze rubriek terugkomen.

De bloeiwijze van een wilde gemberplant.

De bloeiwijze van een robuste wilde gemberplant die een belangrijk element van de onderbegroeiing vormt op vochtige plaatsen in het evergreen bos.

Highway 1095 begint pas zo’n 25 km ten westen van het beginpunt bij Mae Malai interessant te worden. Dan klimt ze geleidelijk de beboste bergen in. En veel van dat bos is nog min of meer ongerept. Het staat goed aangeschreven bij vogelliefhebbers en wat de diversiteit aan slangen betreft heb ik niet te klagen. Op vogels heb ik het niet zo, die vliegen meestal meteen weg als je je kijkertje of fototoestel tevoorschijn haalt. Slangen die de weg oversteken zie je niet vaker dan een paar keer per dag, maar je hebt een grotere kans dat je ze dicht kunt benaderen.  En dan zijn er nog de road kills van slangen die een tocht op Highway 1095 vaak interessant maken.

De zon was al af en toe doorgebroken en na een half uur was het in de buurt van Pa Pae raak. Een heel klein slangetje op de weg, dicht bij de berm. Het lag in zo’n natuurlijke positie op het asfalt, dat ik veronderstelde dat hij nog leefde. Brommer op de standaard gezet en met fototoestel in de houding sloop ik erop af. Nee, het slangetje bleek morsdood, maar was nauwelijks beschadigd. Zo’n 20 cm lang — acht meter lange pythons komen misschien een andere keer aan de beurt. Een verrassing was dat het een ‘zeldzame’ soort was, de collared reed snake (Calamaria pavimentata). De afgelopen jaren heb ik misschien niet meer dan een half dozijn van deze slangetjes gevonden. Niet omdat ze zo klein zijn (hooguit 30 cm lang) en je ze daardoor gemakkelijk over het hoofd ziet, maar omdat ze in de humus en aarde leven en daar maar zelden uit vandaan kruipen. Waarschijnlijk is hij helemaal niet zo zeldzaam. Lisu’s uit een bergdorp hebben me verteld dat ze die diertjes regelmatig tegenkomen als ze hun bouwland aan de rand van het bos aan het omspitten zijn. Zo ziet hij er uit:

 

Een collared reed snake

Een collared reed snake. Mae Taeng district, Chiang Mai.

Slangen zijn waarschijnlijk geëvolueerd uit in de bodem levende hagedissen. Die hebben daar hun poten verloren en werden steeds langer en dunner — dat kwam daar van pas. Goede ogen gingen verloren, want die hebben weinig nut onder de grond, maar het orgaan van Jacobson, een soort tweede reuk orgaan, kwam er tot volle bloei — bij weinig dieren is dit orgaan van zo’n vitaal belangrijk als bij slangen. Een lange staart is bij een fossoriale levenswijze ook van weinig belang. De collared reed snake heeft een heel korte staart; die begint bij de anus nabij de eerste roze stip (een tweede roze stip ligt op de punt van de staart) en de lengte is maar zo’n vijf procent van de totale lichaamslengte. Zo’n kort staartje is een aanwijzing dat de slang vooral in de grond leeft, maar wil niet zeggen dat het dier een primitieve slang is, die nog dicht staat bij de in de grond levende hagedissen als voorouders van de slangen. Reed snakes zijn colubriden, moderne slangen, die waarschijnlijk secundair weer teruggekeerd zijn naar een leven in de grond. De Engelse naam reed snake

kop van collared reed snake

De details van kop en nek van de collared reed snake.

(‘rietslang’) is me niet helemaal duidelijk. Ze lijken niet meer dan andere slangen op rietjes en leven niet tussen het riet of in de grond onder het riet. Op de verwarrende Engelse namen van nogal wat Thaise slangen zal ik nog wel eens terugkomen. Het deel ‘collared’ (met nekbandje) in de Engelse naam is wel duidelijk.

Het bos langs de weg waar ik het slangetje vond ligt waarschijnlijk al binnen het Huai Nam Dang nationaal park. Highway 1095 loopt vele kilometers door dit natuurgebied of vormt er de grens van. Dat is op kaarten van Noord-Thailand vaak niet duidelijk te zien. Met een oppervlakte van meer dan duizend km² is het een van de grotere nationaal parken van de streek; het strekt zich vanaf Highway 1095 noordwaarts tot aan de Birmese grens. Er zijn een paar afslagen van de hoofdweg die naar trekpleisters in het park leiden, zoals naar de Pong Duet warmwaterbronnen. Een paar kilometer voorbij die afslag begint de weg met vele haarspeldbochten flink te klimmen. Zo’n 10 km verder bereik je het dorp Mae Sae. Daar zijn een paar restaurants (en is zelfs een guesthouse) en daar stop ik meestal bij een vriendelijke moslimfamilie om een lekkere portie khao muk kai (gele rijst met kippenpoot) te eten. Terwijl ik op mijn maaltijd wachtte, verzekerde ik me ervan dat de kleine reed snake goed op de foto stond, anders moest dat alsnog gebeuren voordat hij begint te verdrogen. Meteen voorbij Mae Sae is er een onverharde een afslag door schitterend bos die een bergbeek volgt en na een paar kilometer eindigt bij een nederzetting van het departement van bosbouw. Voorbij die afslag klimt de hoofdweg weer sterk en wordt het evergreen forest steeds vaker afgewisseld met stukken open bos met dennen (overwegend Pinus kesiya, de ‘drie-naaldige den’). Op zo’n 12 km van Mae Malai is een (verharde) afslag die naar het hoofdkwartier van het Huai Nam Dang national park voert en iets voorbij de afslag begint de H1095 naar het stadje Pai af te dalen.

dennenbos

Een deel van het Huai Nam Dang nationaal park bestaat uit open bos met veel ‘drie-naaldige’ dennen Pinus kesiya.

Nog voor de afslag naar het hoofdkwartier wilde ik wat door het bos struinen om mijn nieuwe ‘wandelstok’ uit te proberen. Ik had de week ervoor een wandelstok gemaakt van PVC-pijp (met T-stuk als handvat) en allerlei hulpstukken die ik er snel op kan monteren, zoals een harkje, een schepnetje of een klein zeisje. Voor iemand met twee linkerhanden zoals ik vond ik het een knap stukje werk van mezelf. Het paste allemaal goed in een smalle legerrugzak, dus ik hoefde voor de hoofdpijp (de wandelstok) niet nog eens een foudraal te maken.

Ik parkeerde mijn scooter op een verdekte plek langs de weg en monteerde een stuk PVC met een neus van drie kopspijkertjes op het uiteinde van de wandelstok en volgde een hazenpad het bos in. Weldra was ik op een helling waar nogal wat dennen stonden. Het gemonteerde stuk kwam goed van pas want de hellende stukken bedekt met afgevallen naalden zijn soms gladder dan een modderpad en de spijkertjes geven een goede grip op de grond. Wat dieper in het bos hing ik mijn rugzak aan een tak en verving de neus met kopspijkers door een tuinharkje waarmee ik hier en daar de laag naalden met humus wegharkte. Ik hoopte natuurlijk dat er opeens een slang tevoorschijn zou komen. Helaas, het gehark bracht slechts een duizendpoot en een paar torren aan het licht. Ook het opentrekken van vermolmde stronken leverde niets op. Maar mijn harkje voldeed, al raakte het wel snel verstopt met bladeren.

bloesem heester

In juni en juli staat een overdaad aan Pavetta indica in volle bloei.

Die zogenaamde  schaarste aan slangen was ik inmiddels gewend, maar vervelen deed ik me niet. Hoewel het hier nog niet vaak langdurig had geregend (Noord-Thaise boeren klaagden steen en been), waren er veel paddestoelen opgeschoten: roze en okergele russula’s, een prachtige amaniet die wat lijkt op een robuuste versie van de Nederlandse slanke amaniet en een rijkdom aan houtzwammen.

Maar de show werd gestolen door een heester die hier erg talrijk is en overal in bloei stond: Pavetta indica. Door de Thais wordt hij khem pa (‘bosnaald’) genoemd vanwege de buitengewoon lange slanke stijl die als een naald uit de kleine witte bloemetjes steken — bloemetjes die forse bolvormige samengestelde bloemen vormen. Hij doet denken aan Ixora en daar is hij ook verwant aan — beide horen tot de Rubiaceae.

Af en toe zag ik dennen staan waarvan de stam flink was toegetakeld door lokaal volk. Dat slaat er de schors eraf en hakt er dan een gat in dat ze in brand steken. Door het vuur wordt het hars van de den naar het hout rond het gat getrokken. Het omringende hout wordt daarna weggekapt en de spaanders ervan verkocht op een markt of thuis gebruikt om een vuur aan te maken. De meeste bewoners van het nabij gelegen Lisu-dorp Huai Nam Dang zullen waarschijnlijk zo hun haard aanmaken, maar ik niet wil beweren dat zij hier de ‘boosdoeners’ zijn geweest. Het oogsten van die olierijke spaanders kan vele keren herhaald worden, met de nodige tussenpozen misschien wel een paar jaar. Maar uiteindelijk begeeft de den het, stort neer en sterft (of in omgekeerde volgorde) en valt ten prooi van een veelheid van houtzwammen.

omgevallen den

Een den die het oogsten van de harsige spaanders uit de stam niet heeft weten te overleven en nog maar kortgeleden is omgevallen.

witte paddestoelen, waarschijnlijk amanieten

Een fraaie paddestoel waar je bijna in zou willen happen. Waarschijnlijk is het een amaniet en daar kun je beter voorzichtig mee zijn vanwege de dodelijk giftige soorten die ook in Thailand voorkomen.

Een kilometer hogerop maakte ik aan de andere kant van de weg een wandeling door het bos. Dat was totaal anders, er was geen den of open plek te bekennen, puur en dicht evergreen forest. Maar ik kon er gemakkelijk een beekje volgen omdat er een soort hazenpad liep dat was ontstaan nadat lieden  er een pijpleiding hadden aangelegd, ook van blauw PVC, net als mijn wandelstok. (Die pijp eindigt dicht bij de weg op twee meter hoogte en voortdurend klettert er water uit. Missschien is hij door lokale bergbewoners aangelegd om er wortelgewassen zoals gembers, schoon te spoelen alvorens die naar een markt in het laagland te rijden.)

In dit stuk bos testte ik mijn minizeisje uit op de dichtte onderbegroeiing: het ding was voorzien van een kartelrand om mee te zagen en voldeed prima. Die onderbegroeiing bestond voor een groot deel uit planten uit de gemberfamilie (Zingiberaceae).

Daar vind je soorten met prachtige en bijzondere bloemvormen onder. De hoogste gembersoort stond net in bloei: ongeveer halverwege de stengel op zo’n meter boven de grond zaten de merkwaardige knotsvormige samengestelde bloemen, waar de kleine witte bloempjes uit staken.

Alles was hier doordrenkt van vocht en bezig te rotten. Op ieder stuk hout gedijde wel een zwam. En het was er opmerkelijk stil, geen koorzang van cicaden, geen vogelgeluid — alleen hoorde je hier en daar het water van het beekje ruizen.

evergreen bos met gembers

Evergreen forest met veel gemberachtigen in de onderbegroeiing.

Een mock viper in dreighouding tussen de gemberplanten.

Een jaar of twee terug dook niet zo ver hier vandaan een mock viper (Psammodynastes pulverulentus) te voorschijn.

Ik zag slechts een kleine bruine slang en terwijl deze tussen de bladeren wegkroop wist ik hem bij zijn staart te pakken. Daardoor nam hij een karakteristieke dreighouding aan en zag ik pas goed dat ik met een mock viper te doen had. De buik is ei- tot okergeel met rijen bruine stippen en de rand van de bovenlip is spierwit dat  sterk contrasteert met de rest van de kop.

Een echte adder (Engels: viper), of juister, een groefkopadder (Engels: pit-viper), had ik waarschijnlijk niet aan zijn staart getrokken, want die kan razensnel van zich af bijten en zijn beet kan zeer ernstige symptomen veroorzaken.

Veel soorten slangen nemen net als deze mock viper een defensieve houding aan  door het voorste deel van het lichaam in een aantal kronkels te gooien. Ze blijven  vaak enige tijd in die positie staan  en zijn dan goed te fotograferen.

kaart Mae Hong Son-loop

De beste kaart van dit deel van Noord-Thailand.

De mock viper (wat zoveel betekent als ‘onechte adder’) is niet bijzonder giftig. Het is ook helemaal geen adder. Vanwege zijn wat hoekige kop en de verticale pupil lijkt hij er alleen maar op.

Om levende slangen te observeren en op de foto te krijgen moet je veel geduld hebben. Vandaag had ik — zoals zo vaak — geen succes.

Maar ik was al blij met mijn verse road kill van de collared reed snake en met de kennis dat mijn ‘Swiss’ wandelstok van PVC prima voldeed.

SJON HAUSER © TEKST EN FOTO’S

Praktische zaken

Meer informatie over het Huai Nam Dang nationaal park vind je in het artikel: Huai Nam Dang National Park op deze website.

Er is accommodatie van de National Park Division bij zowel het hoofdkwartier als bij de warmwaterbronnen van Pong Duat.
In Mae Sae ligt een guesthouse aan de hoofdweg, van waaruit je een aantal mooie stukken bos in het park (zoals dat beschreven in dit logboek) kunt verkennen.