Logboek Pratu Pha—de natuur van Lampangs karstgebergte

Highway 1 gaat bij Pratu Pha door een pas tusssen twee kalksteenbergen.

Highway 1 gaat bij Pratu Pha door een pas tusssen twee kalksteenbergen.

Thailand is rijk aan prachtige kalksteenformaties. De sterk geërodeerde karst die in de vorm van honderden eilandjes zijn kop opsteekt in de Golf van Phangnga heeft het landschap van Zuid-Thailand zelfs wereldberoemd gemaakt. En als je in Kanchanaburi over de Birmaspoorweg naar eindstation Nam Tok rijdt, zie je aan je linkerhand bijna voortdurend de grillige contouren van een keten van kalksteenbergen nabij de grens met Myanmar.

Maar ook Noord-Thailand heeft fraaie karst te bieden, zoals de districten Pang Mapha in Mae Hong Son en Chiang Dao in Chiang Mai. De provincie Lampang wordt zelfs over een groot deel van de lengte (min of meer van noord naar zuid) doorkruist door een  keten. Kalksteengebergte kon een onoverkomelijke barrière voor handelskaravanen en rondtrekkende legers vormen. Waar het onderbroken is ontstonden strategisch belangrijke doorgangen.

Eén zo’n pas is de Pratu Pha (‘poort in de rotsen’), 50 km ten noordoosten van Lampang. Highway 1 (van Bangkok naar Mae Sai) slingert zich er vierbaans tussen twee loodrecht omhoogrijzende formaties. Al sinds eeuwen was dit de flessenhals tussen het dal van de Wang (Lampang) en dat van de Ing (Phayao). Heel wat legers moeten er doorheen getrokken zijn.

Moderne reizigers in 1926 op weg naar de pas bij Pratu Pha.

Moderne reizigers in 1926 op weg naar de pas bij Pratu Pha.

Ook de tanks waren in de Tweede Wereldoorlog aangewezen op de pas bij de Pratu Pha. Een foto uit 1941.

Ook de tanks in de Tweede Wereldoorlog waren aangewezen op deze pas.

Begin achttiende eeuw, toen Lampang, Chiang Mai en andere delen van Lan Na door Birma werden bestuurd, vocht de legendarische Noord-Thaise strijder Phaya Mua Lek uit Ngao hier tegen de soldaten van de bezetter. Hij was een soort super Kung Fu-vechter en had bij een monnik magie gestudeerd om zich onkwetsbaar te maken — hij kon zijn handen gebruiken als schild (Mua Lek betekent ‘ijzeren vuisten’). Hij doodde vele Birmese soldaten totdat zijn zwaarden waren gebroken en zijn handen als schild dienden. Maar volgens de overlevering was hij erg moe en stierf hij leunend tegen de klif van de kalksteenberg met zijn gebroken zwaarden in zijn hand. De Birmese soldaten dachten dat het een truc was, ze waren erg bang en vluchtten. Phaya Mua Leks kameraden spoorden daarop de geest van de held aan hier te blijven om de plaats te beschermen.

Het geestenhuis voor Phaya Mua Lek staat langs de snelweg direct aan de voet van de klif; als eerbetoon claxonneren de bestuurders van de passerende auto’s.

Het altaar van het voornaamste geestenhuis voor Phaya Mua Lek, San Chao Pho Pratu Pha.

Het altaar van het voornaamste geestenhuis voor Phaya Mua Lek, San Chao Pho Pratu Pha.

Aan de andere kant van de berg werden in 1988 door een kapitein van het leger prehistorische schilderingen op de rotswanden ontdekt. Ik was er in 2004 al eens geweest en vond dat het nu tijd werd er digitale foto’s van te maken, voordat deze graffiti van de ‘oermens’ van mogelijk 2000 jaar geleden is verdwenen. Dat laatste kan vrij snel gebeuren door natuurlijke processen: kalk uit de rotsen lost op in regenwater en als dat langs de klip sijpelt kan er een laagje calciet worden afgezet over de schilderingen. In het ergste geval besluit een ondernemer met goede contacten de berg af te graven voor de cementindustrie en is er in luttele tijd niets meer van over. (1)

Ik nam me ook voor door het omringende bos te struinen. Dat was er, zo kon ik me herinneren, goed toegankelijk.

Ik arriveerde er vroeg in de middag, de zon had al de halve dag geschenen, wat in deze natte tijd slangen moet uitnodigen zich te laten zien. Vooral hoopte ik tegen de tamelijk zeldzame cave racer (Orthriophis taeniurus) aan te lopen, een prachtige tot twee meter grote slang, die overwegend in en rond grotten te vinden is en waarvan ik weet dat hij in de karst van Lampang voorkomt. Waar karst is zijn grotten. En vleermuizen behoren tot het favoriete voedsel van deze overdag actieve slang die het vooral schijnt te munten op jonge dieren die van de grotwand op de bodem vallen.

De cave racers lieten zich bij de Pratu Pha niet zien.

Cave racers, zoals deze uit Tak, lieten zich bij de Pratu Pha niet zien.

Het bos rond de Pratu Pha behoort tot het zogenaamde ‘mixed deciduous’ (gemengd bladverliezend) type, waarvan teak (Tectona grandis) een belangrijke component is. Nogal wat teak langs de weg leek te zijn aangeplant; 20 km ten noorden van de Pratu Pha, bij Mae Huat, is er zelfs een grote teakplantage. Teak houdt van een kalkrijke bodem en die is hier aan de voet van de karstformaties beslist aanwezig.

Sinds de tweede helft van de 19e eeuw liep de exploitatie van teak in een grootschalige plundering van de Noord-Thaise natuur uit en authentiek teakbos is dan ook nauwelijks meer te vinden. Lampang was het belangrijkste teakcentrum en teak-wallah  Reginald Campbell moet vanuit de stad (door de employés van de houtkapbedrijven doorgaans Nakhon genoemd) talloze keren langs de Pratu Pha zijn getrokken op weg naar het stroomgebied van de Mae Ngao (een zijriviertje van de Yom) waar hij met de exploitatie van het bos belast was. (2) Meer over de exploitatie van de Thaise teakbossen vind je in de artikelen Teak en Grootste teakbomen.

Een paar kilometer voor de pas parkeerde ik mijn scooter langs de weg en liep het bos in. Het bos was er bezaaid met kalksteenrotsen van één meter tot drie meter hoog. Op een enkele plaats had een boom zich met zijn grillige wortels aan zo’n rotsje vastgeketend. Dit soort bomen spreekt de Thais aan: ze menen dat er een geest woont en als eerbetoon winden ze veelkleurige sjerpen om de stam. Een aantal nog niet zo oude teakbomen langs de weg dragen oranje doeken, gezegend door monniken om te voorkomen dat ze gekapt worden.

Bos langs de weg bij de Pratu Pha met veel rotsblokken, bamboe en teakzaailingen.

Bos langs de weg bij de Pratu Pha met veel rotsblokken, bamboe en teakzaailingen.

In maart-april, aan het eind van het droge seizoen, heeft teak (en daarnaast vele andere boomsoorten) alle bladeren laten vallen. Ook bamboe is dan vrijwel kaal. Veel bos ziet er dan belabberd uit en is een gemakkelijk prooi voor bosbranden. Maar dit jaar was het bos grasgroen en druipend van het vocht.

Terwijl ik mijn blik naar het grootbladerige, frisgroene loof van de teakbomen oprichtte zag ik op enkele stammen kleine vogeltjes bewegen.

Ze waren druk in de weer en pikten in de barstjes van de schors waar kennelijk insecten verscholen zaten. Met schichtige bewegingen trippelden ze hoger de stam op — dit konden slechts boomklevers zijn.

In Thailand komen een paar soorten voor, maar de oranje snavel, het zwarte voorhoofd en het blauwgrijze verenkleed wezen er onmiskenbaar op dat dit de ‘velvet-fronted nuthatch’ (Sitta frontalis) was, niet al te sterk verschillend van de ‘Nederlandse’ boomklever (Sitta europaea).
En omdat ze niet al te schuw waren kon ik ze zelfs op de foto krijgen.

Een boomklever op de stam van een jonge teakboom.

Een boomklever op de stam van een jonge teakboom.

De ontluikende bloemknoppen van de winde Argyreia mollis.

De ontluikende bloemknoppen van de winde Argyreia mollis.

Dit soort bos heeft een lichte onderbegroeiing waarvan een opvallend deel wordt gevormd door de ontluikende buk (de Thaise naam voor Amorphophallus spp.), een knolgewas uit de familie der Araceae (aronskelkachtigen).

Bij deze plant met zijn gevlekte bladsteel is het ontvouwen van het prachtige, grote samengestelde blad een artistiek pronkstuk dat aan ballet doet denken en de gratie van ontluikende varens evenaart.

De wortelknol waarmee de plant in het droge seizoen overwintert kan zo groot als een voetbal worden en wordt wel gegeten. De jonge loten en voorjaarsbladeren zijn ook eetbaar en worden vooral in de kaeng som (een zure, scherpe curry) verwerkt. (3)

Hier en daar waren rotspartijen overwoekerd door krua phu ngoen (Argyreia mollis), een klimplant met hartvormige bladeren uit de windefamilie (Convolvulaceae). De planten hingen die vol trosjes bloemknoppen waarvan enkele zich al tot sierlijke klokjes met purperen ‘lip’ hadden ontwikkeld. Deze plant lijkt op de veel gekweekte zilverwinde (Argyreia nervosa) waarvan de bladeren aan de onderkant witviltig zijn.

Het ontloken blad van de buk.

Het ontloken blad van de buk.

Ontluikende buk.

Ontluikende buk.

 

De bladsteel van de buk.

Buk: bladsteel.

Voorbij het geestenhuis van de ‘man met de ijzeren vuisten’ bezocht ik een kleine grot, maar de cave racers hielden zich schuil. Ik constateerde dat een aardig opgezet museumpje met informatie over de prehistorie van de streek in totaal verval was geraakt. Ook aan de achterkant van de berg bij de klip met de prehistorische kunst waren platforms met uitzicht op de meest markante rotsschilderingen ingestort, leuningen langs het wandelpad verrot en borden met tekst en uitleg eenvoudigweg verdwenen.

De natuur was alles weer aan het overwoekeren. Het vermolmde hout van wat eens banken waren was nu de speelplaats van schitterende donkerbruine, bijna zwarte duizendpoten met een knalrood achterste segment. Deze dieren had ik nooit eerder gezien, ze waren een stuk kleiner dan de welbekende roestbruine takhap, maar nog wel zo groot dat je ze niet in je bed zou willen hebben. Sommige zaten op elkaar. Waar dat voor diende was me onduidelijk, het leek me geen copulatie.

Duizendpoten met rode kontjes.

Duizendpoten met rode kontjes.

Overal rond de kalksteenberg groeit dicht bamboe en de niet te ontwarren kluwen van lianen zijn er talrijk. Sommige lianen doen met hun rij deuken aan touwladders denken en worden in het Engels  ‘monkey ladders’ genoemd.

Het is een dicht, donker bos, een hemelsbreed verschil met de verdorde woestenij die het enkele maanden daarvoor geweest moet zijn. In 1914 trok de Engelsman Reginald Le May, als adviseur in dienst van de Siamese regering, vijf maanden op een olifant door Noord-Thailand. Het traject Ngao-Lampang, dat hij in vier dagen aflegde, ging grotendeels door bamboebos, waarover hij het volgende opmerkte:

‘Van de sala in Huai Tak volgden we bijna de hele weg een pad door het bamboebos, tot aan het volgende rest-house in Champui [dit ligt iets ten zuidwesten van de Pratu Pha, S.H.]. In november zou het nauwelijks mogelijk zijn geweest het daglicht door het dichte bamboe te zien, maar in februari waren de takken kaal en was de grond bedekt met een bruin tapijt van hun verdorde bladeren. Op vele plaatsen waren grote zwarte plekken van verbrande bladeren die lieten zien dat de weerbarstige zon zijn werk had gedaan en het bos in brand had gezet. In de kernen van sommige bomen kan je het vuur nog zien smeulen.’ (4)

In de maand mei is veel bamboebos nog net zo dor als Le May het in februari aantrof, al begint een deel van de bladverliezende boomsoorten al in april te onluikend, vaak vooruitlopend op de regen die nog moet vallen. Maar dit jaar waren maart en april al ongekend nat en heb je nu, in mei, het gevoel al middenin het regenseizoen te zitten.

In het bamboebos hoorde ik voortdurend het duet van een stel white-rumped shama’s (Copsychus malabaricus). Deze fraaie, algemeen voorkomende soort heeft een opvallende, lange staart en behoort tot de beste en luidste zangers van het Thaise bos. Af en toe doet hun melodieuze, gevarieerde lied denken aan dat van de nachtegaal. In mijn vogelgids worden deze vogels skulking genoemd (5), wat je met ‘heimelijk’ zou kunnen vertalen. Schuw kan je ze niet noemen, want opeens zit er een vrij dicht bij je en het lijkt dan alsof de vogel jou zit te bespieden. Het dichte bamboe maakt het echter niet gemakkelijk er een op de foto te krijgen. Met wat geluk slaagde ik er — voor mijn doen — toch nog redelijk in.

Bamboebos met lianen.

Bamboebos met lianen.

Een kwelende white-rumped shama.

Een kwelende white-rumped shama.

Een paar weken eerder stond ik in bamboebos aan de voet van een soortgelijke kalksteenberg in Pang Mapha (Mae Hong Son) wel een halve minuut oog in oog met een white-rumped shama, die op een tak nog geen drie meter voor me zat. Ik durfde me toen natuurlijk niet te bewegen, laat staan mijn camera tevoorschijn te halen. In hetzelfde bos werd ik evenlater verrast door een wielewaal, knalgeel met een zwarte kop en nek (de ‘black-hooded oriole’, Oriolus xanthorus), maar van deze prachtige vogel was bij de Pratu Pha geen spoor te bekennen.

Het was bijzonder aangenaam wandelen in het bos rond de berg. Ik vroeg mij af wat er zich bovenop dit soort bergen zoal aan leven afspeelt. Met hun steile wanden zijn het zo’n beetje de moeilijkst toegankelijke ecosystemen die denkbaar zijn. Toch moet het, geïsoleerd maar meedogenloos blootgesteld aan weer en wind, een heel eigen karakter hebben. Het meest zichtbaar van de aparte flora op kalksteenbergen zijn de vele Dracaena’s (Dracaena burieri), op de Mexicaanse Yucca gelijkende boompjes, meestal 1-3 meter hoog, maar volgens mijn bomengids kunnen ze 17 meter hoog worden. (6) Waar de rotsen ontoegankelijk zijn is deze soort talrijk, elders is hij zeldzaam. De toppen van de karst rond Pratu Pha zijn ermee bezaaid.

Een kalksteenformatie bij de Pratu Pha.

Een kalksteenformatie bij de Pratu Pha.

De voor kalksteenbergen kenmerkende Dracaena.

De voor kalksteenbergen kenmerkende Dracaena.

De lucht betrok en de natuur verstilde. In het bamboebos werd het nog donkerder dan het al was. In de verte rommelde de donder. Terug bij de snelweg overzag ik de situatie. In het zuiden was de lucht van het egale grijs van een regenfront dat slechts zo nu en dan door schichtige bliksemflitsen werd doorbroken. In het noorden waren zwartblauwe wolken aan het samenpakken, maar ertussenin, richting Ngao, was de hemel nog licht. Ik waagde het erop, stapte op mijn scooter en probeerde de oprukkende regenfronten en de bliksem voor te blijven. Dat lukte, bijna een half uur lang, totdat ik nog vóór Ngao was ingesloten en ik er nog net op tijd een sala wist te bereiken om voor de zondvloed te schuilen.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s

Voetnoten

1. De rotsschilderingen worden beschreven in het artikel Lampang’s rock art op deze website. In Uttaradit zijn prehistorische schilderingen opgeofferd aan de cementindustrie, terwijl in de Isan een ondernemer het gemunt heeft op een karstformatie met rotsschilderingen (Phu Phaya Mountain in de provincie Nong Bua Lamphu) en verzet van de lokale bevolking en het Fine Arts Department afgravingen nog heeft weten te voorkomen. Vanwege het gewelddadige dispuut wordt bezoekers nu niet toegestaan de intrigerende rotskunst te aanschouwen.

2. Reginald Campbell. Teak-wallah. The adventures of a young Englishman in Thailand in the 1920s. Oxford University Press, Singapore, 1986 [1935].

3. Welke delen van deze plant gegeten wordt komt ter sprake in Christiane Jacquat. Plants from the markets of Thailand. Editions Duang Kamol, Bangkok, 1990: p. 111.

Er is minstens een dozijn Amorphophallus-soorten bekend uit Thailand. Op de website van de International Aroid Society zijn alle soorten die bekend zijn te vinden (www.aroid.org/genera/amorphophallus) maar ik heb niet kunnen uitmaken welke de soort is die bij Pratu Pha (en in veel ander bos in Noord-Thailand) domineert. De meeste plantenboeken houden de soortnaam bij de bespreking van de buk ook in het midden en spreken steeds wijselijk over Amorphophallus ssp.

De vaak stinkende bloeiwijze van de buk bestaat uit een kolf die gewoonlijk is omgeven door een langwerpig schutblad. De kleine bloempjes ontwikkelen zich tot (vaak fel gekleurde) bessen die als maïskorrels aan de kolf zitten. De 2,5 meter lange bloem van de soort Amorphophallus titanum geldt als de grootste onvertakte bloeiwijze in het plantenrijk.

4. Reginald Le May. An Asian Arcady. The land and peoples of Northern Siam. White Lotus, Bangkok, 1986 [1926]: p. 254-255.

5. Craig Robson. A field guide to the birds of Thailand. New Holland Publishers, London, 2002: p. 192.

6. Simon Gardner, Pindar Sidisunthorn and Vilaiwan Anusarnsunthorn. A field guide to forest trees of Northern Thailand. Kodfai Publishing Project, Bangkok, 2000: p. 366.