Logboek Doi Inthanon-Mae Sot, langs de grens met Myanmar

beek

Een beek aan de Pha Tang-loop in het Doi Inthanon nationaal park.

Chiang Mai – San Patong – Mae Win – Khun Wang – Doi Inthanon – Mae Chaem – Khun Yuam – Mae Sariang – Mae Salit – Mae Sot

Zaterdag

Het Doi Inthanon nationaal park blijft een van mijn favoriete natuurgebieden, ondanks de vele minibusjes met dagjesmensen die er over de hoofdweg  scheuren. Als het maar even kan neem ik het park mee op de route van een reisje.

Vanuit Chiang Mai ga ik het dan meestal binnen via een zij-ingang aan de noordoostkant. Dat heeft als voordeel dat je al in San Patong, 20 km ten zuiden van Chiang Mai, de drukke hoofdweg (Highway 108) achter je kan laten. Highway 1013, van San Patong naar Mae Wang en Mae Win en verder de bergen in, is voorbij Ban Kat een vrij rustige weg en gaat door mooi heuvellandschap. Hogerop, voorbij Mae Win, passeer je enkele Karen-dorpen en je bent vooral omringd door droog of gemengd dipterocarpenbos. Het aantal pot holes en andere gaten in de weg neemt geleidelijk toe. Zeventien kilometer voorbij Mae Win sla je linksaf, richting Khun Wang. Je passeert het Karen-dorp Nong Tao en daarna klim je weer hoger, zigzaggend omdat stukken weg tot gruis gereden zijn — maar tegenliggers zijn er nauwelijks. Je rijdt inmiddels door evergreen bos met hier en daar stukken dennenbos.

Een paar jaar geleden was de weg verderop tijdens het regenseizoen een vrijwel onbegaanbare modderpoel, maar nu is dit stuk juist goed geasfalteerd (en nog niet kapot gereden). Voorbij het Karen-dorp Pong Lom Laeng is er weer wat dennenbos en daarna ga je steil omhoog.

 

Dennenbos.

Dennenbos.

mock viper

De mock viper road kill.

buikzijde mock viper.

De gezwollen buik van de mock viper.

Ik heb daar al menig interessante slang gevonden, zoals een Grey Kukri Snake (Oligodon cinereus) die er de weg overstak. Nu zag ik een verse en gave road kill op het asfalt liggen. Het dier was een Mock Viper (Psammodynastes pulverulentus), een voor de soort fors en vet exemplaar. (Mock Vipers worden niet groter dan 60 cm. ‘s Avonds bleek bij vivisectie dat het een zwanger wijfje was met een tiental onvolledig ontwikkelde embryo’s. Deze soort is levendbarend, de eieren ontwikkelen zich in het moederlichaam.)
De Mock Viper (‘onechte adder’) dankt zijn naam aan zijn geprononceerde, hoekige kop en de vertikale pupil van de ogen, waardoor hij wat op een adder lijkt. Vertikale spleetpupillen zijn karakteristiek voor nachtdieren, zoals groefkopaddders (pit-vipers) en cat-eyed snakes, maar de Mock Viper is een slang die vooral overdag op pad is. Hoewel hij niet verwant is aan adders, is hij wel enigszins giftig.

Bloeiende Albizia.

Een bloeiende Albizia in de buurt van Khun Wang.

Straits Rhododendron

Straits Rhododendrons zijn erg algemeen in open terrein.

Twee kilometer hogerop bereikte ik het Royal Agricultural Research Center. Vandaar daalt de weg af naar het Hmong-dorp Khun Wang en gaat als Highway 1284 verder naar Khun Klang. Khun Wang ligt op een hoogte van ongeveer 1200 meter. Hoewel de omgeving voor een deel in cultuur is gebracht, leven er veel soorten slangen. Ik geloof dat het gebied ook voor de vogelliefhebber interessant is. Voorbij het dorp gaat de weg weer omhoog. Het omringende bos is evergreen, rond een beek is het echt wilde jungle.

Deze noordoostelijke flank van Doi Inthanon is toeristisch vrij maagdelijk. De zij-ingang van het nationaal park, 2 km van Khun Wang, is dan ook doorgaans onbemand.

Dat kwam me goed van pas toen buitenlanders bij de hoofdingang 400 baht (10 euro) entreegeld moesten betalen. Nu kunnen ze daar bij vertoon van een Thais rijbewijs ook voor het Thaise tarief van 40 baht het nationaal park binnen. Veertig baht wil ik graag neertellen, maar de binnenkomst via het noordoosten blijft gewoon veel mooier.

Vanaf die zij-ingang daalt de weg door prachtige natuur af naar Khun Klang, ook een Hmong-dorp, gelegen in het hart van het nationaal park. Het gebied tussen de beide Hmong-dorpen is een van mijn favoriete stukken natuur. Er zijn vrij veel hazenpaadjes waarover je het bos in kunt lopen. Hier en daar zijn er stukken aangeplant dennenbos. Langs de weg is een rijkdom aan varens en Straits Rhododendrons (Melastoma normale). En er is een grote verscheidenheid aan slangen.

donkere cobra

Een donkere cobra vrij hoog op Doi Inthanon.

Dit keer werd ik er verrast met een verse road kill, een donkergrijze cobra.

Waarschijnlijk behoren de meeste cobra’s in Noord-Thailand tot één enkele soort, de Siamese Spitting Cobra (Naja siamensis). Deze soort is echter al net zo variabel als de in Centraal-Thailand algemene (niet-spuwende) Monocellate Cobra (Naja kaouthia).

Het dier was gemakkelijk als cobra te herkennen aan het paar stippen in de hals en een wat lagere band van vijf of zes iets donkerder ventrale schubben. De donkergrijze rug had een aantal dunne, licht gekleurde dwarsbandjes. Een teken op de nek in de vorm van een monocle of bril was nauwelijks te onderscheiden.

Ik was dit soort donkere cobra’s met vage dunne bandjes al vaak vrij hoog in de bergen (op circa 1200 m) tegengekomen: onder andere op Doi Suthep en in de bergen van Doi Saket en Wiang Haeng. Maar ook in het laagland zijn donkere cobra’s te vinden, al zijn cobra’s er in Noord-Thailand vaker beige of licht bronsgroen — de lichte kleurvariëteiten kom je evenwel ook wel hoog in de bergen tegen.
Of er sprake is van één enkele zeer variabele soort, verschillende ondersoorten of misschien toch meerdere soorten, ik zou het niet weten.

Wel weet ik dat deze Noord-Thaise spuwcobra moeilijk aan het spuwen te krijgen is. Als ik er een op de weg zie doe ik uit voorzorg de klep van mijn helm omlaag, maar ik heb nooit meegemaakt dat zo’n dier een straal gif op mij afvuurde of in mijn richting sproeide. Ik heb er zelfs moeite mee gehad de dieren te provoceren hun karakteristieke dreighouding aan te nemen. Misschien beschouwen ze mij als een niet al te grote bedreiging, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een blaffende en aanvallende hond —  al menig Noord-Thaise hond is blind geworden door het gif van een spuwende cobra. Bij spuwende cobra’s zit het gaatje van de holle giftand aan de voorkant van de punt, bij niet-spuwende soorten aan de onderkant. Als er gif in je ogen gesproeid wordt is het goed uitwassen van je ogen met schoon water doorgaans voldoende om een ernstige aandoening te voorkomen.

Deze cobra ging bij de Mock Viper in het mandje voorop de motorfiets.

kaart Doi InthanonEen kilometer verderop loopt een hazenpad vanaf de weg door weelderige natuur naar een bergbeek. Ik wilde er weer eens rondkijken en parkeerde mijn scooter langs de weg. Terwijl ik het pad afliep hoorde ik het zeurende gepiep van een nest jonge vogels die gevoerd worden. Ik sloop verder tot een open plek en zag een groene vogel vanaf een kale aarden wand van een afgekalfde berghelling opvliegen en in het bos verdwijnen. Middenin de wand was een rond gat: daarin zat het nest. Waarschijnlijk was de vogel een Blue-bearded Bee Eeater (Nyctyornis athertoni), de grootste bijeneter in Noord-Thailand. Een veiliger plek voor een nest was nauwelijks denkbaar, 4 tot 5 meter boven de grond. De gladde aarden wand moet zelfs voor de beste klimmers onder de slangen een probleem zijn.

Ik haalde mijn camera tevoorschijn, zoemde in op het gat en bleef zo wachten. Na een paar minuten streek  een van de ouders neer tegen het gat en hoorde ik het gepiep van de jongen opklinken. Maar het zachte gezoem dat mijn camera bij het scherpstellen maakt (ik stond op een afstand van 10-15 m verscholen achter de struiken) was voor de bijeneter genoeg om op te vliegen. Bijna ademloos zat ik nog een klein half uur met camera in de aanslag te wachten. De batterij liep langzaam leeg, maar de vogel liet zich niet meer zien. Pas toen ik bij mijn motorfiets terug was, moet hij of zij de kust weer veilig geacht hebben, want ik hoorde het gepiep van de jongen weer opklinken.

Alles bij elkaar heb ik in zes jaar tijd maar een miserabele verzameling foto’s van vogels bij elkaar weten te schieten. Met grote zoomlenzen en statief zou het resultaat ongetwijfeld beter zijn geweest, maar voor het maken van vogelfoto’s moet je kennelijk vooral een ijzeren geduld hebben — en dat heb ik niet.

gat in de wand

Het nest van een bijeneter in een aarden wand. De vogels 'graven' het zelf met hun snavel.

blue-bearded bee eater

De Blue-bearded Bee Eater. Foto: Rungrong Chuknongkhon. Met dank.

Een blue-bearded bee eater road kill gevonden op de weg van Mae Chaem naar Khun Yuam.

Een Blue-bearded Bee Eater road kill op de weg van Mae Chaem naar Khun Yuam.

Bij Khun Klang eindigt Highway 1284 en komt er uit op Highway 1009, de hoofdweg van Chomthong naar de top van Doi Inthanon, Thailands hoogste berg (2565 m).

Na een hapje In het Hmong-dorp ging ik een hapje eten en zorgde voor een volle tank, en daarna begon ik aan de circa 10 km lange Pha Tang-loop door het park. Ongeveer een kilometer voorbij Khun Klang takt een smalle asfaltweg zich af van de hoofdweg naar de top. Deze weg gaat door prachtig bergbos op een hoogte van 1500-1800 meter. Hij maakt een lus en je komt uiteindelijk weer dicht bij de hoofdweg uit. Verkeer is er beperkt tot een enkele motorfiets. Auto’s kunnen de ‘loop’ niet maken doordat er halverwege een slagboom over de weg is. Op een motorfiets of scooter kun je er echter net langs.

Het was al laat in de namiddag toen ik mijn motorfiets in de berm parkeerde om foto’s te maken van een struik die hier weelderig groeit en bloeit, Mussaenda sanderiana uit de familie der Rubiaceae. Deze in de bergen erg algemene struik doet denken aan de (niet-verwante) kerstroos, met het grote verschil dat de opvallende schijnbloemen bij de kerstroos donkerrood zijn en bij Mussaenda spierwit.

prinia

De Hill Prinia uitvergroot.

Hill prinia in het riet.

De Hill Prinia tussen het riet.

Bloeiende Mussaenda met opvallende witte schijnbloemen.

Bloeiende Mussaenda .

In aangrenzend struikgewas met veel riet waren enkele kleine vogeltjes druk kwetterend in de weer. Bij dit soort kleine, beweeglijke diertjes in het duister van dicht struikgewas kun je het maken van een foto wel vergeten. Terwijl ik ze met mijn kijkertje in de hand benaderde, bleek één vogeltje niet schuw te zijn en de neiging te hebben goed zichtbaar in het licht te poseren, op een tak of geklampt aan een rietstengel. Mijn camera bracht hem ook niet van de wijs en verdomd: het werden een paar voor mijn doen fatsoenlijke kiekjes — deze oppepper had ik wel nodig na de blamage met de bijeneter. Een paar dagen later, thuis, leerde Craig Robsons A Field Guide to the Birds of Thailand me dat het een Hill Prinia (Prinia atrogularis) was.

Het was al tegen de avond en tamelijk donker toen ik in dicht bos aan het eind van de lus onbewust stopte voorbij een ‘tak’ die er op de weg lag. En ja hoor, terwijl ik schuin naar achter keek, bleek die tak heel langzaam vooruit te schuiven. Ik kende het fenomeen. Zo stil mogelijk zette ik de motorfiets op de standaard (wat op steile hellingen niet makkelijk is) en sloop met camera in de aanslag naar de tak: een bruine slang. Het dier rook onraad en begon terwijl ik foto’s maakte langzaam opzij te kruipen. Het was een van mijn favoriete soorten, de Arrowhead Snake (Plagiopholis nuchalis). Ik ben zo vrij hem vanwege het pikzwarte pijlvormige teken op de kop Arrowhead, want de doorgaans gebruikte Engelse namen Assamese Mountain Snake of Common Bloth-necked Snake vind ik maar niets.

Plagiopholis-1Plagiopholis 2Plagiopholis 3Plagiopholis 4Plagiopholis 5Deze dieren nemen als ze zich bedreigd voelen een defensieve houding aan die sterk lijkt op die van cobra’s: ze richten het voorste deel van hun lichaam op en verbreden de nek daarbij.

Dit exemplaar was echter bijzonder verlegen. Ik stond inmiddels op een halve meter van het dier te fotograferen, maar het verhief zich nog steeds niet. Daarentegen rolde het zich langzaam op en verschool kop en nek met het opvallende pijlteken onder de windingen van het lichaam. Ik vond het machtig interessant. Om hem de volgende dag bij goed licht in een leukere omgeving te fotograferen, ving ik de slang en borg het op in een netje — dat was een koud kunstje bij dit verlegen diertje.

Takken en takkenbosjes geofferd bij een boom aan de bergbeek.

Takken en takkenbosjes geofferd bij een boom aan de bergbeek.

Een prachtige bergbeek aan het begin van de Pha Tang-loop.

Een prachtige bergbeek aan het begin van de Pha Tang-loop.

Een paar honderd meter verderop stopte ik nog even bij een prachtige bergbeek en stelde me voor hoe ik hier op een nacht met laarzen aan en vergezeld van een vriend bewapend met een goede schijnwerper op zoek zou gaan naar de Yunnanese Keelback (Sinonatrix yunnanensis) en andere zeldzame slangen die hier misschien voorkomen.

Aan de beek stond een boom waar tot mijn verbazing mensen takken en takkenbosjes hadden geofferd, zoals dorpelingen op het traditionale nieuwjaar in april doen bij de bodhiboom (Ficus religiosa) op het terrein van hun dorpstempel.

Een nog jonge Hmong-vrouw liep in vol ornaat door het schemerdonker de weg af, ze had de hele dag op een verborgen veld of haar boomgaard gewerkt en was nu op weg naar huis, waarschijnlijk woonde ze in Khun Klang.

Ik reed terug naar de hoofdweg en volgde die een vijftal kilometers in de richting van de top. Bij een controlepost sloeg ik af naar Mae Chaem. Het was al pikdonker in het dichte bos bij de driesprong. Een paar minuten later vond het zonnige weer van de afgelopen middag zijn uiteindelijke neerslag in een apocalyptische regenbui. Het noodweer maakte de steile afdaling niet gemakkelijker. Een half uur later bereikte ik als een verzopen kat Mae Chaem en nam er ‘moe doch voldaan’ mijn intrek in een van de bungalows van het Mae Chaem Hotel, gelegen aan een drassig braakliggend veld waar kikkers en padden een oorverdovend gejengel voortbrachten.

Ik had bij een kruidenier twee flessen lao khao 35 degree (een pittig Thais destillaat) gekocht en vulde daarmee een plastic ‘thermosfles’ om daarin  de cobra en wat andere slangen te stoppen, zodat ze niet zouden verrotten.

De Mock Viper verdween ook in het destillaat, maar eerst verloste ik deze hoogzwangere dame van een dozijn embryo’s. Schattig, die slangenfoeten: de eidooier nog groter dan het lijfje met zijn buitenproportioneel grote ogen. Ik vond het wonderlijk dat het oog al zo vroeg in de ontwikkeling een duidelijke spleetvormige pupil vertoont. Maar de embryonale ontwikkeling is één groot wonder: bedenk alleen maar dat de aanleg van een anus de eerste zichtbare verandering is in een verder nog niet gedifferentieerd kluitje cellen.

mock viper foet

Een Mock Viper foet met dooierzak.

 

dozijn foeten

Een dozijn foeten met dooierzak.

De abortus had ik met keizerssnede verricht onder het toeziend oog van de Assamese mountain snake, die op een matje voor de televisie (ontbreekt in zelfs het meest sobere Thaise hotekamertje niet) nog een paar rondjes in zijn netje kroop en daarna opgerold tot rust kwam.

Ook de cobra ging onder het mes vanwege zijn dikke buik. Dit was geen zwanger wijfje, maar het dier had een volle buik van een maaltijd. Weldra peuterde ik een gedeeltelijk verteerde skink (een soort hagedis) uit zijn maagdarmkanaal. Ik wil namelijk graag weten wat slangen zoal eten. Daarna verdween de cobra ook in de sterke drank.

Een uur later had ik gedouched en droge kleren aangetrokken. Buiten was het droog. Ik hoefde niet lang te zoeken naar een aardig restaurantje — daar smaakte een grote fles Leo-bier me minstens zo goed als het eten.

Natuurliefhebbers moeten vroeg uit de veren en ik heb dan ook de gewoonte om ‘s ochtends rond half zes snel op mijn kamer te ontbijten voor ik weer op de motorfiets stap. Het ontbijt stel ik meestal na het avondeten samen in een 7 Eleven-winkel (als die er is): een blikje koffie, een energiedrankje (bij voorkeur Lipovitan), een  broodje met een zoete vulling, en wat nootjes (daarnaast ook nog een blikje bier om voor het slapen gaan te drinken). Maar de mij bekende 7 Eleven-winkel van Mae Chaem grenst aan een PTT-pompstation en er wordt daarom geen bier (en andere alcoholische drankjes) verkocht om het drankgebruik bij bestuurders van voertuigen tegen te gaan. Geen wonder dat er onlangs honderd meter verderop, om de hoek, een nieuwe 7 Eleven was verrezen — daar kon ik mijn biertje wel krijgen.

Zondag

Twee lege flessen lao khao liet ik de volgende morgen achter in de prullenbak toen ik mijn kamer verliet. De schoonmaaksters van menig hotel en guesthouse zullen inmiddels denken dat ik een zware alcoholist ben. Ik zat al om zes uur op de motorfiets, op de Highway 1263 richting Ban Na Chon. De weg voert eerst door akkers en vervolgens door dry dipterocarp forest. De zondagochtend is de ochtend bij uitstek is om verse roadkills te vinden van nachtdieren. Want op de Saturday Night en heel vroeg op de zondagochtend is er nogal wat verkeer van lieden die laat zijn uit geweest: mannen die in de provinciestadjes gezopen hebben of naar de hoeren zijn geweest, kamnans die hun mia noi (bijvrouw) hebben bezocht, enzovoorts.
Op het traject tot Ban Na Chon lagen inderdaad de nodige lijken van ‘s nachts actieve slangen die zich in droog bos thuis voelen, zoals de House Wolf Snake (Lycodon capucinus) en de Malayan Pit-viper (Calloselasma rhodostoma) — de laatste is een bijzonder gevaarlijke groefkopadder.

Waar een aantal grote geestenhuizen onder oude bomen aan een beek staat, maakte ik een korte wandeling. Rond zeven uur was ik in het dorp Ban Na Chon en verbaasde me erover dat ook hier (zoals in steeds meer afgelegen plaatsen in Noord-Thailand) een koffiehuisje langs de weg was gerezen en er reclame voor accommodatie werd gemaakt.

Ik sloeg er linksaf om Highway 1263 verder te volgen. De weg klimt de heuvels in en je belandt na een kilometer of acht in vlakker land waar de kaalslag fenomenaal was. In de verte zie je scherpe scheidingen lopen tussen het bos en de rai (akkers), een grens die zich wellicht elk jaar verder verplaatst ten koste van het bos. Over een maand zullen de glooiende hellingen hier met jonge maïs beplant zijn.

tueng-zaailing.

Een tueng-zaailing.

Pavicetta indica.

Pavicetta indica.

orchidee

Een orchidee op een tueng.

Enkele kilometers verder in de richting van Khun Yuam zijn de heuvels weer bebost: overwegend ‘droog dipterocarpen’ bos met de tueng (de boomsoort Dipterocarpus tuberculatus) nogal dominant. Deze soort is volgens de Field Guide to Forest Trees of Northern Thailand de meest voorkomende boomsoort in Chiang Mai en dat wil ik graag geloven. Hij is te herkennen aan zijn ruwe schors en knoestige, grillige stam en hoofdtakken waarop talloze epifyten (waaronder nogal wat soorten orchideeën) zich thuis voelen. In het voorjaar produceert hij een rijkdom aan grote groene bladeren die lijken op teakbladeren. Aan de jonge zaailingen van één of een paar jaar oud ontstaan dan enkele bijzonder forse bladeren. Op markten worden ze wel gebruikt als verpakkingsmateriaal.

De ondergrond van het bos bestaat vooral uit kale bodem, maar er ontspruit een verscheidenheid aan planten, zoals verschillende gembersoorten en de struik Pavicetta indica, die in mei en juni zijn fraaie clusters witte, naaldvormige bloemen tentoonspreidt. (Je vindt meer over dipterocarpen en droog dipterocarpenbos in het artikel: Dipterocarpen, dominerende boomsoorten in Zuidoost-Azië).

Indian roller.

De Indian Roller.

kingfisher met slang.

De White-throated Kingfisher.

Ik zat me onderweg al weer op te winden over de schuwheid van sommige vogels, met name de Indian Roller (Coracias benghalensis) en de White-throated Kingfisher (Halcyan smyrnensis). De eerste is verwant aan de in Nederland zeldzame scharrelaar, de laatste aan de bekende ijsvogel (Alcedo atthis), maar de naam ‘ijsvogel’ is voor de Thaise soort niet zo op zijn plaats. Deze prachtige vogels zijn vrij algemeen en zitten graag op electriciteitsleidingen. Ze trekken zich niet veel aan van een passerende motorfiets.

Maar als je stopt, zijn ze een en al wantrouwen. Als ze niet al gevlogen zijn, dan vliegen ze zeker op wanneer je je kijkertje of camera tevoorschijn haalt. Pas op een meter of honderd voelen ze zich veilig en met mijn vrij eenvoudige camera (en zonder statief) wordt een foto dan niet beter dan het plaatje van de Indian Roller hierboven. De vogel eet kennelijk graag insecten en maakt allerlei acrobatische duikvluchten om ze te vangen. Verder produceert hij een nogal macaber gekrijs. De White-throated Kingfisher vind ik nog schichtiger. Slechts één keer heb ik er een redelijk op de foto gekregen, maar dat dier zat op een electriciteitdraad met een slang in zijn bek. Dat was laag in de bergen van Doi Saket.

Zouden vogels hier zo schuw zijn omdat er nog steeds zoveel op wordt gejaagd? Vooral in de bergen schieten de lokale mannen met hun geweer op alles wat beweegt en groter is dan een hommel, terwijl hun zonen hetzelfde doen met hun onafscheidelijke katapult.

De enige manier om een goeie foto van de Indian Roller of een kingfisher te maken is dus ergers verscholen te zitten en het geluk hebben dat een vogel in de buurt neerstrijkt.
Wil je weten hoe je in Nederland vogels bespiedt en er prachtige foto’s van maakt, ga dan naar Pim Julsings website www.natuurverslaving.nl .

Na een kilometer of twintig lag de weg al op een hoogte van minstens 800 meter en was het bostype veranderd: de boomsoorten waren overwegend evergreen. Die verandering zag je ook aan de road kills.

Ik was gestopt bij een stinkend lijk van een Green Cat Snake (Boiga cyanea), waarschijnlijk niet doodgereden op de zaterdagavond, maar een avond eerder. Deze groene slang kan bijna twee meter worden. Je vindt hem niet in laagland en ook niet laag in de heuvels in het droog dipterocarpenbos. Alleen in vochtig, groen bergbos voelt hij zich thuis! Tenminste, in Noord-Thailand: in Zuid-Thailand en de provincies Chanthaburi en Trat met hun hoge neerslag en overvloedig tropisch regenwoud is het juist een algemene slang in het laagland.

Niet ver van de green cat snake lag ook een groene vogel, een Blue-bearded Bee Eater, dezelfde soort als de vogel met het holennest op Doi Inthanon die zich een dag eerder niet meer liet zien toen hij me eenmaal in de gaten had.

Palgiophalis nuchalis.

De Arrowhead Snake wil er vandoor gaan.

Plagiopholis defensief.

De slang in dreighouding.

Terwijl ik dode vogel bekeek hoorde ik in de verte het duet van gibbons. Gibbons waren een eeuw geleden zeer talrijk in Noord-Thailand maar zijn dat nu absoluut niet meer — ik was dan ook aangenaam verrast. Coucals, bruin-zwarte vogels zo groot als eksters, maken een geluid dat aan gibbonzang doet denken, maar de lange, hoge uithalen van gibbons ontbreken daarin. Het geschreeuw dat ik nu hoorde was echt van gibbons afkomstig!

Wat verderop achtte ik het bostype geschikt om de avond ervoor gevangen Arrowhead Snake weer los te laten. In een strook gras langs de weg wilde hij er rap vandoor gaan, zijn pijl als het ware achterna rennend, en ik moest hem bij zijn staart grijpen om dat te voorkomen. Het was niet meer het verlegen diertje van de vorige avond, maar nog steeds wilde hij zich niet echt opheffen en zijn nek uitspreiden. Nadat ik hem op een gekapte boomstam had gelegd en hem daar wat jende, lukte dat beter en dat leverde een paar aardige foto’s op.

Op een hoogte van 1000 – 1200 meter passeerde ik twee Hmong-dorpen waarvan Pang Ung het grootste is en enige bekendheid geniet vanwege een groots opgezet koninklijk project. Rond de dorpen was hier en daar dicht dennenbos dat er minstens dertig jaar geleden geplant moet zijn.

Amaniet.

Amanita pseudoporphyria.

Jonge amanieten.

Jonge amanieten.

Schima wallichii.

Schima wallichii.

Een paar kilometer voorbij Pang Ung dook ik weer even het dichte bos in. Hier stonden veel bomen van de soort Schima wallichii (uit de familie van de theebomen) en lag de bodem bezaaid met de witte bloemen ervan. Ik stuitte er op een flinke verzameling knolzwammen (amanieten), paddestoelen met een slechte reputatie omdat een aantal soorten dodelijk giftig is. Sommige soorten zijn echter zo smakelijk dat de Thais ze niet kunnen laten staan, wat wilde paddestoelen eten tot een soort Russisch roulette maakt. De soort die hier in grote aantallen zijn ‘vruchtlichamen’ boven de grond stak was waarschijnlijk Amanita pseudoporphyria, een giftige soort. (Meer over Thaise paddestoelen in het artikel: Thai mushrooms.) Door het geknield fotograferen van de paddetoelen hadden de bloedzuigers me weten te vinden.

Het was al na het middaguur toen de lucht betrok en het noodweer losbarstte. Ik was op tijd bij een sala (wachthuisje) om er te schuilen. Na een half uur miezerde het alleen nog wat en stapte ik weer optimistisch op de motorfiets, maar door nieuwe stortregen was ik in de kortste tijd doorweekt en zo daalde ik geleidelijk verkleumend af naar het dal van Khun Yuam. Daar scheen de zon.

Khun Yuam geestenhuis.

Een van de geestenhuizen met gordijntjes.

Lak Muang van Khun Yuam.

De 'Lak Mueang' van Khun Yuam.

Stam Ficus.

De steunbeerwortels van een ficus.

Ik betrok er een sobere, maar ruime kamer in het houten Mit Khun Yuam Hotel aan de hoofdstraat (Highway 108 van Mae Hong Son naar Mae Sariang). Een paar jaar eerder was ik — ook na zware regenval — in Khun Yuam blijven steken en had een kamer genomen in het Ban Farang Guesthouse. Dat was me toen matig bevallen: de manager, een Thaise dame, bejegende me op de manier die me deed denken aan doorgewinterde barmeisjes  die een ‘domme, onnozele westerling’ manipuleren. En alleen de naam Ban Farang al: een soort blanke versie van ‘De negerhut van Oom Tom’.
De management van het Mit Khun Yuam Hotel was echter een en al vriendelijkheid.

In een website over Khun Yuam wordt bescheiden gesteld dat er niet veel bijzonders in het plaatsje is te zien. Ik ben het er niet mee eens. Het ‘spirituele centrum’ van Khun Yuam is beslist een van de indrukwekkendste in zijn soort in Noord-Thailand. Dorpen hebben doorgaans een plek met wat oude bomen waar een of meer geestenhuizen staan ter ere van de zogenaamde titulary spirit die over de naaste omgeving waakt en deze bescherming biedt.
In Khun Yuam staan ze op een omheind terrein aan de dorpsstraat onder een tiental imposante, grillige bomen met fors uitgegroeide steunbeerwortels. Die oude bomen lijken wel met elkaar vervlochten en je moet puzzelen om erachter te komen welke tak bij welke stam hoort. De grootste zijn ficussen, zowel heilige bodhibomen (Ficus religiosa) als een andere soort, mogelijk de banyan (Ficus benghalensis). Maar er staan ook een paar grote tamarindes. De voet van enkele bomen is begroeid met gemberachtigen (die nu hun lila bloempjes toonden), terwijl de hoofdtakken bezaaid zijn met epifyten. Bij één van de ficussen dragen ze ook vele kamvormige honinggraten. Het geestenhuis aan de straatkant is getooid met dezelfde decoraties die kenmerkend zijn voor Shan-tempels en doet met zijn gordijntjes aan een grote poppenkast denken. (Meer over banyan en bodhi in het artikel: Ficussen.)

Het hol van de koningscobra.

De ingang van het hol van de koningscobra (rode pijl).

Cactussen.

Een wildgroei van cactussen.

Kleine waterval.

De kleine Mai Sang Nam waterval.

Het was half vier in de middag toen ik er was uitgekeken. De zon scheen volop en ik kon het niet nalaten nog een stukje te gaan rijden.
Ik koerste noordwaarts. Vijftien kilometer buiten Khun Yuam kon ik een flinke Indo-Chinese Rat Snake (Ptyas korros) die de weg overstak maar nauwelijks ontwijken. Nog geen tien minuten later passeerde ik een forse bruine slang met dwarsbandjes die tegen de berm aanlag. Ik dacht dat het een verse road kill was, maar toen ik gestopt was en me omdraaide, stond er een nog jonge koningscobra (Ophiophagus hannah) geagiteerd opgericht.

Dit was voor het eerst sinds jaren dat ik weer op een levende koningscobra stuitte. Hij was goed te onderscheiden van een ‘gewone cobra’ doordat hij zich relatief hoog oprichtte en een veel minder brede ‘lepel’ (afgeplatte nek) had. Ik schatte dat het dier zo’n anderhalve meter lang was. Ik sloop er naartoe, maar de slang kroop van de weg af in de met planten overgroeide drain. Daar lag hij op twee meter voor me. Maar in de seconde die ik nodig had om mijn camera uit mijn schoudertas te halen, was hij verdwenen. Raadselachtig, hij kon onmogelijk ver weg zijn, moest hier nog tussen de planten zitten.
Maar bij een koningscobra spring je niet even tussen het struikgewas om te kijken of het dier er nog is. Ik pakte een tak die er lag en begon er voorzichtig mee door de struiken te bewegen. Er was geen koningscobra meer te bekennen. Wel legde ik een gat bloot waarin de slang waarschijnlijk zo snel was verdwenen. Daarna bleef ik nog twintig minuten op gepaste afstand afwachten, in de hoop dat de koningscobra zich weer zou laten zien. Maar net als de Indian rollers en kingfishers vertrouwde hij me voor geen cent en kwam niet tevoorschijn. (Meer over koningscobra’s in het artikel: King Cobras, the largest venomous snakes)

Twintig kilometer noordelijker klom ik over een hier en daar steil, verhard pad naar het Hmong-dorp  Microwave. Na een kilometer of vijf zat ik al vrij hoog en was het uitzicht over de bergen in het westen fenomenaal. Ik moest hier zeker eens terugkomen om er rustig in de natuur te struinen. Terug bij de hoofdweg bezocht ik nog even de kleine Mai Sang Nam waterval die is omgeven door weelderige natuur, waaronder een wildgroei van cactussen die zich er als klimplanten gedragen. Het was al donker toen ik naar Khun Yuam terugreed.

In slapende districtsplaatsjes is het soms moeilijk om een plek te vinden waar je in een beetje aardige entourage kunt dineren en een fles bier drinken. Restaurantjes zijn er genoeg, maar vaak zit er geen klant of sluiten ze al vroeg in de avond. Zo ook in Khun Yuam. Schuin tegenover het politiekantoor was een nieuw ‘hotelletje’ geopend (was me tenminste nooit eerder opgevallen) annex restaurant. De tafeltjes waren er bedekt met witte kleedjes alsof het gespecialiseerd was in verfijnde Franse gerechten. Maar er zat geen mens en er was zelfs geen bediening te bekennen. Tot het PTT-pompstation aan de zuidkant, waar het plaatsje ophoudt, zag ik geen plek om nog een uur aangenaam te vertoeven. Gelukkig was er aan de noordkant van Khun Yuam, iets voorbij de driehoekige ‘rotonde’ het Khrua Krathueng met voortreffelijk (en goedkoop) Thais eten en genoeg klanten (nogal wat chauffeurs van vrachtauto’s en Hmongs met hun pick ups) om je niet opgelaten te voelen.

Maandag

De circa honderd kilometer van Khun Yuam over Highway H 108 naar het zuidelijker gelegen Mae Sariang gaat grotendeels door de dalen van riviertjes en door lage  heuvels bedekt met droog dipterocarpenbos. In het laag gelegen bos domineert vaak de teak.

blue krait

De rugzijde van de blue krait road kill.

buikzijde blue krait.

De buikzijde van hetzelfde exemplaar.

grote vertebraalschubben,

Vergrote schubben.

Dertig kilometer ten zuiden van Khun Yuam werd ik verrast door de road kill van een Blue Krait (=Malayan Krait, Bungarus candidus), een van de gevaarlijkste Thaise slangen en geen alledaagse vondst. Dit was een fors dier, nog tamelijk gaaf en waarschijnlijk in de afgelopen nacht aangereden. De beet van deze slang is vaak dodelijk omdat het venine een zeer sterk neurotoxine bevat. En dit forse exemplaar zou met een beet beslist veel gif hebben ingebracht.

De (inmiddels beroemde) slangenonderzoeker Joe Slowinski was tien jaar geleden door een 30 cm groot exemplaar van een verwante Bungarus-soort in Myanmar gebeten en stierf 30 uur later. Deze blue krait is goed te onderscheiden van andere (ongevaarlijke) slangen met zwart-witte bandjes door zijn sterk vergrote ‘vertebrale’ schubben boven de wervelkolom. Dat zie je echter niet zonder er met je neus bovenop te zitten, beschouw daarom alle zwart-wit (en geel-wit) gebande slangen beter als potentieel zeer gevaarlijk! (Meer over de Blue Krait en de dood van Joe Slowinski in het artikel: Bungarus candidus.)
Bij het fotograferen van de slang besefte ik dat de (levens)gevaarlijke soorten op mijn tochtje de afgelopen dagen goed waren vertegenwoordigd: cobra en koningscobra, Blue Krait, verschillende Malayan Pit-vipers en enkele groene pit-vipers.

Teakbos rijk aan lianen.

Teakbos rijk aan lianen.

groot blad jonge teak

Een groot blad van een teakzaailing.

Bloem gemberplant.

Bloeiwijze van Curcuma spec.

dok din

De kleine bloem van de dok din.

Verderop nodigde fraai teakbos me uit een wandeling te maken. Honderden gemberplanten ven het geslacht Curcuma stonden in bloei op de kale bodem.

Maar ik zat al weer gauw op de scooter want ik had een beetje haast. Mae Salit wilde ik het liefst voor het middaguur bereiken, want tussen Mae Ngao en Mae Salit wordt een groot deel van de weg verbreed. Tijdens een stortbui — zoals de laatste dagen zo vaak in de middag — verandert zo’n bergweg waaraan gewerkt wordt in een gevaarlijke glijbaan van modder.

In Mae Sariang stopte ik alleen om te tanken en sloeg er de Highway 105 naar Mae Sot op. Veertig kilometer verderop negeerde ik het prachtige omringende bos van het Mae Ngao nationaal park. Toen ik de brug over de Mae Ngao (-rivier) was gepasseerd, bevond ik me in het (langgerekte) district Tha Song Yang van de provincie Tak. Het was een stralende ochtend en het moet tussen 10 en 11 uur zijn geweest  toen ik een grote groene slang uit de bermvegetatie zag opdoemen. Het was een prachtige Red-tailed Rat Snake (Gonyosoma oxycephalum) die langzaam de weg op kroop. Ik zette mijn motorfiets langs de weg, haalde mijn camera tevoorschijn en liep rustig naar de slang.

Deze grote soort vertrouwt op zijn omvang en kracht. Terwijl de enigszins verwante, bruine Ptyas korros (Indo-Chinese Rat Snake) al in een flits in het bos zou zijn verdwenen, kroop deze bijna twee meter lange red-tailed rat snake schijnbaar ongestoord verder de weg op. Pas toen ik hem met camera stoorde nam hij traag een defensieve houding aan door het zijdelings wat afgeplatte voorste deel van het lichaam in een paar bochten te slingeren.

Bos.

De habitat van de Red-tailed Rat Snake in Tha Song Yang.

red-tailed rat snake

De Red-tailed Rat Snake heeft zich op een boomtak genesteld.

Bogor 1980

Auteur met Red-tailed Rat Snake, Bogor, 1980.

Ik bezat echter al genoeg foto’s van deze imposante soort met het asfalt van een weg als achtergrond. Daarom trok ik hem aan zijn staart. Met het gewenste resultaat: hij draaide zich om en kroop de berm in en — zoals een echte boomslang betaamt — klom hij in de eerste de beste boom die hij tegenkwam. Daar nestelde hij zich op een lage tak waar ik hem prima kon fotograferen. Hij stak regelmatig zijn metaalblauwe tong uit om geurmonsters van de omgeving te nemen. Toen hij hoger de boom in wilde, probeerde ik dat te voorkomen door hem bij zijn staart tegen te houden en merkte ik wat een kracht het dier had.

Deze soort is niet giftig maar wil, zo lieten kenners in Zuid-Thailand mij weten, in een kwade bui nogal eens te bijten. Dat is mij nooit overkomen, maar ik ben dan ook vrij voorzichtig.

Sweet memories
De Red-tailed Rat Snake was een van de eerste slangen die ik op reis in Zuidoost-Azië tegenkwam. Dat was in 1980 in de botanische tuin van Bogor op Java. Een groene slang kroop er over een pad. Indonesiërs schreeuwden opgewonden iets van ular binosa!! (‘gifslang!’) en er kwam weldra een autootje aan (ik geloof dat het een bemo was) dat een paar keer over het dier heen reed totdat het  morsdood op het wegdek plakte en ieder tevreden zijn kant op ging. Met een vriend bleef ik achter bij de ‘levensgevaarlijke gifslang’. Er ging bijna een siddering door me heen toen ik hem in mijn handen had (voor de zekerheid hadden we de toch al geplette kop eraf gesneden). En met een brandende kretek sigaret in mijn mond en de slang wat om mij heen gedrapeerd liet ik me fotograferen: Sjors en Sjimmie in de jungle. Ik sleepte het dier mee als een trofee. De volgende dag vloog ik vanaf Jakarta naar Kuala Lumpur met de dode slang in mijn handbagage. In mijn hotelkamertje aan de ‘good old’ Jalan Abdul Rahman begon het dier te stinken. Door de rigor mortis was hij trouwens in een weinig fotogenieke knoedel veranderd. In een nabijgelegen park trok ik de knoedel zo goed als het kon uiteen en wikkelde de salng om de tak van een boom. Op afstand wachtte ik nog even de reactie van de mensen af die door het park kuierden.
Vele jaren later, toen ik net iets van de slangen in Thailand begon te leren, begreep ik uit de kiekjes gemaakt in Bogor en KL dat het helemaal geen gifslang was maar een onschuldige ‘Red-tailed Rat Snake’!
Meer over deze prachtige slang in het artikel: Gonyosoma oxycephalum, de Red-tailed Rat Snake .

Moei river

De Moei, met uitzicht op kalksteenbergen in Myanmar.

Mae La

Het Mae La-kamp tussen Tha Song Yang en Mae Ramat.

waterbuffels

Waterbuffels in een poel langs Highway 105 nabij Tha Song Yang.

Ik vervolgde mijn tocht en bereikte weldra het stuk waar de weg werd verbreed. Het bleef gelukkig droog zodat slippartijen me bespaard bleven. Geleidelijk daalde ik af naar het dal van de Moei, over tientallen kilometers de grensrivier met Myanmar. Waar Highway 105 de oever van de Moei volgt heb je een mooi uitzicht op de kalksteenbergen aan de overkant in Myanmar.

Ik was vanuit Mae Sariang met een volle tank vertrokken, maar in Mae Salit, zo’n 115 km zuidelijker is die al weer bijna leeg. Tanken is in Mae Salit dus een vaste prik — een energiedrankje eveneens. Mae Salit is niet meer dan een gehucht, maar er is accommodatie, waaronder het Per & pron Resort, prachtig gelegen aan de Moei. Een overnachting daar is een aanrader, temeer omdat de omgeving de nodige bezienswaardigheden heeft te bieden (zie daarvoor het artikel: Top vijf verbazingwekkende accommodatie, nummer 3).

Ik had echter Mae Sot als eindbestemming. Wanneer je stevig doorrijdt, bereik je dit binnen twee uur, want de weg verkeert in een goede conditie en gaat overwegend door laagland.
Maar het rustieke landleven noopte me steeds weer te stoppen en rond te kijken. Bovendien kun je hier overstekende cobra’s en cave racers verwachten en een kruissnelheid van 40-50 km is dan ideaal om die nog te kunnen opmerken.

Ongeveer 20 km voor Mae Ramat passeer je het enorme Mae La vluchtelingenkamp, honderden ‘schilderachtige’ bamboehutjes met daken van tueng-bladeren. Dan gaat de weg nog even de beboste heuvels in. Een een paar km voor  Mae Ramat daal je weer naar laagland af dat tot Mae Sot vrijwel geheel in cultuur is gebracht.

map Mae Hong Son-loop

De onmisbare kaart op reis in Chiang Mai en Mae Hong Son.

Mae Sot

Ik vind Mae Sot een van de aardigste Noord-Thaise plaatsen en breng er graag een paar dagen door.  ‘Little Burma’ zou je het kunnen noemen. De economie rust er helemaal op de handel met buurland Myanmar (Birma), terwijl vele duizenden Birmezen overal als goedkope arbeidskrachten te vinden zijn: ze bewerken het omringende land, bedienen in de restaurants en staan aan de benzinepompen.

In het stadje is een behoorlijke keuze aan accommodatie. Het DK (Duang Kamol) is mijn favoriete plek, met prima kamers met ventilator voor 250 baht. In het stadje zelf en in de omgeving is veel te zien. En het is de springplank naar het 160 km zuidelijker gelegen Umphang, het centrum van schitterende natuurgebieden.
Voor een uitvoerige beschrijving van de bezienswaardigheden op de route Mae Sot-Umphang zie het artikel: Death highway to Umphang. In het artikel Mae Sot meer over de bezienswaardigheden in en om dit stadje.

©SJON HAUSER: TEKST, FOTO’S EN KAARTWERK