Logboek Doi Ang Khang—langs de Birmese grens naar Fang

eikenbloesem

Eikenbomen in volle bloei op Doi Ang Khang.

Maart en april waren dit jaar (2011) ongekend regenachtig en koel. Van een heet en droog seizoen was eigenlijk geen sprake. En terwijl je normaal de koperen ploert vervloekt rond eind april, wanneeer het kwik naar de veertig graden kruipt, verlang je er nu naar dat de zon weer eens achter de wolken tevoorschijn komt.


Door al die regen ziet de natuur er ongekend groen uit voor de tijd van het jaar en dat nodigt uit weer eens eens op de scooter te stappen, de bergen in. Voor veel slangen moet de tijd rijp zijn uit hun lethargie te komen en zich vaker te laten zien.

Ik had het berggebied ten noorden van Doi Chiang Dao op het oog, waar ik al zo’n maand of acht niet was geweest. Helaas is de weg naar Chiang Dao niet meer zo interessant als voorheen. Hij is nu voor het grootste deel vierbaans en omgeven door betonnen muurtjes en voorzien van een betonnen ‘middenberm’ — wat interactie met de natuur beperkt. Tot Mae Taeng is het nu zelfs een drukke weg. Vlak voor Chiang Dao splitst deze Highway 107 zich en daar sloeg ik linksaf om de tak om het plaatsje heen te nemen. Vanaf de weg heb je dan een goed uitzicht op Doi Chiang Dao (2225 m), een van de hoogste bergen van Thailand. Volgens velen is het ook de mooiste berg in het noorden. Vanwege zijn knoestige, rotsachtige contouren is hij wel vergeleken met een reusachtige molaar.

De omleiding van de H107 gaat twee keer over een stuk moeras. Ik stopte er om me op de brug even in de rijzende zon op te warmen en de vogelgeluiden op me af te laten komen. Het vertrouwde gebrul van de Greater Coucal (Centropus sinensis) blijft fascinerend. Het heeft weinig van een normaal vogelriedeltje, maar lijkt daarentegen op het duet van gibbons, al is dat laatste doorgaans wel wat luider.

greater coucal

Een Greater Coucal in glijvlucht over moeras bij Chiang Dao.

Ik heb het gevoel dat het woe-woe-woe van de coucal soms ook een soort samenzang is. Een paar keer vloog een coucal over het moeras, in een prachtige strakke glijvlucht, om in een van de dipterocarpen van het omringende bos neer te strijken. Deze fraaie, chocoladebruin met zwarte vogel zo groot als een ekster is echter niet snel en wendbaar in de lucht. Ook al omdat hij zich vaak op wegen begeeft om daar, net als kraaien, van allerlei kadavertjes te vreten, wordt hij vaak geschept of overreden door auto’s en is een van de algemeenste ‘roadkills’ in Thailand. Weinig vogelsoorten voelen zich in zoveel verschillende milieus thuis als de greater coucal en de roep van deze vogel is dan ook een soort leidmotief tijdens mijn verkenningen van de Thaise natuur.

Overigens is er ook een Lesser Coucal (Centropus bengalensis), sterk lijkend op zijn broer en ook een algemene vogel in Thailand, maar aanzienlijk kleiner. Ik ben er nooit zeker van welke van de twee ik in het vizier heb, maar ga er vanuit dat het meestal de grote is.

Na een kilometer of acht komen de vrij recente omleiding van de H107 en de oude tak door het stadje weer bij elkaar om richting Fang verder te lopen. Daar begint ook Highway 1178 die in pal noordelijke richting naar de Birmese grens gaat. Na 4 km gaat deze weg door Muang Ngai, een plaats bij uitstek geschikt om je tank vol te gooien. Achter de hoofdstraat staat een stoepa ter nagedachtenis van koning Naresuan de Grote (1590-1605) die er met zijn leger tijdens een veldtocht had gebivakkeerd (zie het artikel: Naresuan the Great ).

takhap

Een takhap van bijna 20 cm.

gehoornde rups

Een gehoornde rups met grote 'ogen'.

Voorbij Muang Ngai kun je nog een laatste blik werpen op Doi Chiang Dao, daarna verdwijnt de berg uit zicht en gaat de weg door een ‘community forest’ met veel teak, bamboe en lianen. Ik stop er graag om even door het bos te struinen — dat gaat gemakkelijk doordat het vrij open en vlak is. Het is ook opvallend rijk aan termietenheuvels. Waarschijnlijk valt dit soort bos in de categorie ‘mixed deciduous’ (gemengd bladverliezend). Dat is voor de vogelliefhebber interessant en er komen ook de nodige soorten slangen voor. Ik weet dat het onderdak biedt aan onder meer twee soorten ‘cat snakes’ en drie soorten ‘wolf snakes’, maar dat zijn alle nachtdieren. Voor de overdag actieve slangen, zoals de Common Bronzeback (Dendrelaphis pictus) en Mountain Bronzeback (Dendrelaphis subocularis), was het waarschijnlijk nog iets te vroeg en ik stapte dus weer vrij snel op de scooter.

Een paar km verder, bij het dorp Mae Cha, begint Highway 1322 die in westelijke richting de bergen in klimt naar Wiang Haeng, terwijl de H1178 in noordelijke richting verder gaat door het laagland. Een groot deel van H1322 ligt op aanzienlijke hoogte, met links ervan een natuurreservaat en rechts een nationaal park. Er komen een aantal zeldzame slangen voor en ik kan het daarom nooit laten even op en neer te rijden naar Lao Wu (15 km vóór Wiang Haeng) om het asfalt te screenen op verse roadkills en overstekers. Zo ook deze dag, maar anderhalf uur later was ik weer terug bij de driesprong, zonder vondst van betekenis gedaan te hebben. Ik had geconstateerd dat de aan de weg wonende Lisu’s in het afgelopen jaar weer heel wat bos hadden gekapt om er bouwland van te maken. (Meer over de Lisu’s langs Highway 1322 in het artikel Lisu Road, Lisu villages along Highway 1322 to Wiang Haeng ).

eikenbloesem

De uitbundige bloesem van een ton ko (Fagaceae).

detail bloesem

De bloesem van dichtbij bekeken.

Terug in Mae Cha reed ik weer verder op de H1178, in noordelijke richting. De weg gaat bij het dorp over de Ping, dat hier nog maar een luttel beekje is. Tot aan Rin Luang, zo’n twintig kilometer noordelijker voert de rit door een strook laagland omgeven door glooiend heuvellandschap en af en toe grillig kalksteengebergte. De rijstvelden langs de weg maken geleidelijk plaats voor velden met maïs.

Een paar kilometer vóór Rin Luang is een afslag naar de ingang van het Chiang Dao nationaal park waar zich  ook de fraaie Sri Sangwan-waterval bevindt. Rin Luang is een tamelijk groot Lisu-dorp, aan één kant helemaal begrensd door kalksteengebergte. Bij een controlepost splitst de weg zich. De linkertak zet zich voort als H1178 en gaat in westelijke richting door heuvels en bergen en komt iets ten noorden van Wiang Haeng weer uit in een dal. De rechtertak gaat als Highway 1340 naar Arunothai, een groot dorp dichtbij de grens met Myanmar (Birma). Een aanzienlijk deel van de bewoners bestaat uit de nakomelingen van Kuomintang (KMT)-Chinezen die rond 1960 in Thailand neerstreken. Een paar km ten oosten van de plaats gaat H1340 steil de bergen in en passeert na ongeveer tien kilometer een ander ‘KMT-dorp’, Sin Chai. De weg gaat daarna verder omhoog en aan je linkerhand heb je een schitterend uitzicht op het kalksteengebergte dat de grens met Myanmar vormt. Je passeert twee andere KMT-dorpen, Tham Ngop en Pha Daeng, die ook aan de andere kant door karst zijn omgeven. Hoe deze voormalige aanhangers van Tsjang Kai-Sjek hier beland zijn is een heel verhaal en daarover ga ik hier niet uitweiden. (1)

Een overvloed aan Straits rhododendron.

Een overvloed aan Straits Rhododendron.

Straits rhododendron — detail van de bloem.

Straits Rhododendron — details bloem.

Ik hoop in deze buurt altijd dat er een Cave Racer (Orthriophis taeniurus) zal oversteken. Deze fraaie en forse slang is vrij zeldzaam en komt vrijwel uitsluitend in en rond grotten voor — één keer heb ik hier een roadkill van deze slang gevonden. Die hoop bleek weer ijdel, wel kroop er heel wat ander gedierte over de weg (of had er gekropen). Deze dag constateerde ik een groot aantal doodgereden of overstekende takhaps, roodbruine duizendpoten die 25 cm lang worden. Het zijn vrij snelle monstertjes die gevreesd worden vanwege de uiterst pijnlijke beet die ze met de ‘giftang’ aan hun kop kunnen toebrengen. Ze gebruiken die tang om prooi (zoals insecten) te doden of zich te verdedigen. Tijdens mijn tochtje op de ‘Lisu Road’ had ik een grote takhap gevangen. Dat ging overigens erg gemakkelijk: je houdt een geopende plastic bus voor het dier en hij kruipt erin. Het was een echte takhap-dag.

Op andere dagen wemelt het opeens van de miljoenenpoten of grote zwarte schorpioenen. Soms verandert de weg in één groot knekelhof van regenwormen (niet persé gedurende regenbuien) — de wormen kunnen hier een respectabele lengte van 30 cm bereiken. En dan heb je de rupsentijd: vooral een bepaalde soort harige rups pioniert dan massaal op de wegen. Hij lijkt een enorme haast te hebben en behalve dat hij in moordend tempo met zijn kleine ‘pootjes’ trippelt, gooit hij zijn lichaam ook nog eens in kleine hoepeltjes.

De gember Alpinia.

De gember Alpinia.

Alpinia: detail bloem.

Alpinia: detail bloem.

Bij Pha Daeng vond ik wel een andere, fraaie rups met grote ‘geschilderde ogen’ op zijn kop en een hoorn op het achterlijf.
In dit dorp bevindt zich sinds kort een mooi gelegen guesthouse, annex restaurant, het Happy House. Dat is misschien een goede plek om een keer te overnachten en de omgeving wat rustiger te verkennen. Mogelijk is het Kuomintang Museum in het nabijgelegen Tham Ngop ook een bezoek waard, ooit was daar het hoofdkwartier van een KMT-generaal. (2) En misschien zitten de grotten hier vol cave racers.

Voorbij Pha Daeng slingert de weg verder omhoog en wordt het bos steeds dichter. Inmiddels moet ik me op een hoogte van 1100-1300 meter hebben bevonden, op de zuidhelling van Doi Ang Khang. Het bos wordt er gedomineerd door ‘eiken en beuken’, soorten van de familie der Fagaceae, waarvan enkele algemene uit de geslachten Castanopsis en Lithocarpus volop in bloei stonden. De berghellingen waren dan ook rijkelijk getooid met de geheel met crèmekleurige bloesems bedekte kruinen. De vruchten zien er meest uit als tamme kastanjes (met stekelig bolster) of eikels en worden in hartje regenseizoen (juli-september) op grote schaal verzameld: je vindt deze ma ko dan vaak te koop op de markten.

orchidee

Een bloeiende orchidee op een boomstam.

De vegetatie direct langs de weg wordt gedomineerd door de ‘Straits rhododendron’ (Melastoma normale), struiken met lila-roze bloemen. Overvloedig was ook de  bloeiende Alpinia, een manshoge gemberplant met een toorts van pulvormige, witte bloemen met een oranje hart. Ik zag dat hier en daar een boom getooid werd met de lieflijke bloemen van een orchidee.

Ik parkeerde mijn scooter langs de weg om een stuk te lopen en van die bloemenpracht te genieten. Een paar keer volgde ik een hazenpaadje het bos in. Toen viel mijn oog op een heftig kronkelende, dunne slang in de struiken, een tamelijk forse Oriental Whip Snake (Ahaetulla prasina). Het was niet ver van de weg en ik dacht daarom dat deze groene zweepslang was aangereden en hier kronkelend zijn doodsstrijd voerde.

Het bleek echter dat hij een forse agame (‘leguaan’) had gegrepen en daarmee een partijtje worstelde. Met zijn lichtbruine kleur met donkerbruine vlekken was de agame bijna niet te zien tussen de verdorde, gevallen bladeren. De slang had zich in de nek van de hagedis vastgebeten, de agame beet terug en trappelde met de poten, maar werd weldra wat rustiger. Na twintig minuten — de agame bewoog bijna niet meer — begon de slang de prooi iets te verslepen en maakte daarbij een aantal hoepelvormige kronkels — om kracht te zetten, zo kwam het me voor. Tegelijkertijd maakte hij talloze kauwbewegingen en leek het of hij de agame in een andere greep probeerde te krijgen zonder deze de mogelijkheid te bieden te ontsnappen. Vijf minuten later had hij zich inderdaad op de kop van de hagedis vastgebeten. De agame leefde nog steeds en bewoog zo nu en dan de poten of opende de bek. Ik had echter de indruk dat het (vrij zwakke) gif van de zweepslang toch geleidelijk was beginnen te werken.

strijd1

De agame is achter de nek gegrepen.

strijd2

De slang wrikt en weegt totdat...

strijd 3

...hij de kop tussen zijn tanden heeft.

Ondertussen verstoorde een kolonne  mieren de schanspartij. Ze muntten het vooral op de kop van de agame, maar voelden zich ook tot de lippen van de slang aangetrokken. Die liet zich niet van de wijs brengen. Ik vroeg mij ondertussen af  hoe de forse hagedis ooit in het dunne lijf van de slang (met vrij kleine kop en zeer dunne hals) zou moeten verdwijnen.

Ik liet de twee weer even met rust. Toen ik tien minuten later terug was, zat de kop van de agame al voor de helft in de wijd opengesperde bek van de slang. De scherpe uitsteeksels op de agamekop vormden kennelijk geen probleem. De mieren waren dat evenmin, die gingen gewoon mee naar binnen. De agame bewoog niet meer en was waarschijnlijk inmiddels aardig dood.

Bij al het geworstel en gewurg was de keel, hals en het voorste deel van de zweepslang wijd uitgezet, waardoor de zwarte en witte huid tussen de schubben zichtbaar is en een opvallend blokjespatroon vormt.

strijd 4

De agame is vrijwel dood en zit onder de mieren, de slang begint de kop naar binnen te werken.

Tijdens het verorberen van prooidieren heeft dit patroon weinig nut, het dier is dan sowieso erg kwetsbaar. Maar als de slang zich normaal (zonder agame in de bek) bedreigd voelt, gooit hij zijn lichaam in een aantal bochten en maakt zich dik waardoor dit opvallende patroon eveneens zichtbaar wordt — dan kan het een effectief middel zijn om eventuele belagers af te schrikken.

Een slang die prooi vangt en verorbert zie je niet elke dag in het wild, maar het goed fotograferen ervan werd me niet gemakkelijk gemaakt. De strijd vond plaats op een steile helling vol dicht struikgewas. Er was geen klein boompje dat met houvast bood en ik moest me vastgrijpend aan rietstengels overeind houden — soms begaven die het en gleed ik omlaag. Af en toe moest ik stekelige ranken wegtrekken die het maken van een goede foto belemmerden. En de mieren hadden mijn enkels inmiddels gevonden.

Het voorste deel van de slang maakte voortdurend samentrekkende bewegingen die er kennelijk voor zorgden dat de prooi naar achteren schoof, terwijl hij zijn kop steeds iets verder over de agame heen wrikte om deze vervolgens naar achteren te drukken. Zo te zien gebeurde dit vooral met de achterkant van de kaak waar zich bij deze slang de vergrote giftanden bevinden.

strijd 5

Het voorste deel van de kop zit erin, daarna komt de achterkop met stekels.

Nadat de kop en voorpoten van de agame (en de meeste mieren) naar binnen waren, werd duidelijk dat de klus bijna geklaard was. De agame schoof steeds sneller naar binnen. Af en toe sperde de slang zijn bek wijd open, misschien om te ventileren en wat meer lucht te krijgen: de luchtpijp begint bij slangen voorin de bek zodat ze niet verstikken als prooi de keel verstopt, maar dat lange, dunne rietje naar de long (een slang heeft maar één echte, langwerpige long) moet natuurlijk niet dichtgeklemd worden.

Twintig minuten later werden de achterpoten en het begin van de staart van de agame ook naar binnen gesleept. Ik weet niet hoe lang slang en hagedis al in gevecht waren (ik denk maar heel kort), maar de tijd vanaf het moment dat ik ze  bespeurde totdat de prooi vrijwel levensloos was, moet ongeveer 40 minuten zijn geweest. En de zweepslang had vervolgens ongeveer een uur nodig de prooi naar binnen te werken.

Terwijl er nog een stukje agamestaart uit zijn bek hing, tilde ik de slang naar het gras van de berm om hem wat beter te kunnen bekijken. Hij reageerde al weer fel, ook al kon hij met zo’n volle maag niet zijn karakteristieke dreighouding aannemen.

Bijna twee uur waren verstreken en de zon stond al laag. Die tijd waren misschien twee of drie auto’s en scooters gepasseerd. Eén keer was er een jager met een geweer langs gelopen en die scheen niet de geringste belangstelling te tonen voor wat zo’n vreemdeling in de struiken deed.

Ik hevelde de slang ten slotte over naar struiken wat verder van de weg zodat deze daar de vertering kon voortzetten en stapte weer op mijn scooter. Een paar kilometer verder lag een veel kleinere Oriental whip snake op de weg. Die had een minder gelukkige dag: geen prooi gevonden en tegen het einde van de middag, ondanks het weinige verkeer, ook nog doodgereden. Dat was kort ervoor gebeurd: de staart kronkelde nog wat na. De spitse kop met ogen met langwerpige, horizontale pupil was nog gaaf. Dankzij de spitse snuit en de ‘sleutelgat’-pupil kan deze slangensoort, als een van de weinige, binoculair zien (diepte zien). Dat is waarschijnlijk van groot nut bij het leven in de bomen en het vangen van prooi, zoals agames. Meer over deze slangensoort vind je in het artikel: Ahaetulla prasina, de elegante Oriental Whip Snake .

strijd 6

De voorpoten volgen...

strijd 7

...en de romp en...

strijd 8

...als sluitstuk de achterpoten.

Twintig minuten later bereikte ik de top van Doi Ang Khang (op een hoogte van bijna 1900 meter). Iets lager, voorbij de top, ligt het dorp Ban Khum waar allerlei accommodatie is, waaronder het vrij luxueuze Doi Ang Khang Nature Resort, maar ook eenvoudige resorts en zelfs sobere slaapzaaltjes.

Buiten het dorp zijn er bungalows (blokhutten) van de National Park Division te huur en er is ook een terrein met voorzieningen voor kampeerders. Een goede plek om een of meer nachten door te brengen, want er lopen verschillende interessante trails door het natuurgebied. Een paar km van Ban Khum vandaan liggen twee dorpen van kleurrijke etnische bergvolkeren: het Lahu-dorp Kop Dang, en No Lae, een van de weinige Palong-dorpen in Noord-Thailand. Daarnaast zijn er Koninklijke Projecten waar het kweken van alternatieve, milieuvriendelijke gewassen wordt gestimuleerd.

De steile afdaling naar het oosten.

De steile afdaling van Doi Ang Khang naar Fang.

Ik gaf er dit keer echter de voorkeur aan de nacht door te brengen in Fang, een grote districtsplaats, ca. 25 km ten noordoosten van de berg. De afdaling naar het dal van Fang is berucht vanwege de steile hellingen en de vele haarspeldbochten, maar landschappelijk is deze oostzijde van de berg, vol schuimende eikenbloesem, prachtig. Wat lager beginnen de litchiboomgaarden en in het laagland aangekomen vind je overwegend tangerineboomgaarden. De weg komt uit op Highway 107 en vandaar is het nog een kilometer of tien naar het stadje.

©SJON HAUSER: TEKST EN FOTO’S

Voetnoten:

(1) Je vindt het een en ander hierover in mijn boek Mekong. Van de Gouden Driehoek naar Vietnam: hoofdstuk 4.
(2) In dit dorp is ook accommodatie: de Tham Ngop Inn is echter alleen van november – februari geopend. Zie: www.KMTChiangmai.com

Accommodatie in Fang

kaart Gouden Driehoek

De beste kaart van dit deel van Noord-Thailand.

Fang heeft opmerkelijk veel hotels, inns en resorts, de meeste aan de hoofdweg in de stad. Een klein hotel in het noorden van het stadje heeft aircokamers voor 500 baht. Het Chok Thani Hotel ligt in het centrum tegenover de 7Eleven.

 

Iets zuidelijker, in een straatje achter de Tesco Lotus, liggen Fang Villa en Kaharin Court, die gezien de vele geparkeerde Thaise auto’s kennelijk de keuze zijn van zakenlieden op bezoek in de stad: 300-500 baht per nacht.

Weer iets zuidelijker aan een zijstraat liggen het Ban Sa Bai en het PJ Sweet Home (Thaise naam: Ban Radit Phon), de laatste met gedeeltelijk roze geschilderde buitenmuren. Nog zuidelijker, iets buiten de stad, ligt het Tangerine Hotel, een groot, modern bakbeest, aan de hoofdweg.

Mijn voorkeur gaat uit naar de simpele bungalows van het Ban Din Resort aan de tak van H107 om Fang heen of het ernaast gelegen Phat Dao motel met goedkope doch propere kamers voor 200 -300 baht. Beide hebben uitzicht over de velden en daarachter statig rijzende Doi Pha Hom Pok aan de grens met Myanmar.