Huilende Vlakte van Roi Et—desolate Isan pur sang

fotocompositie platteland Roi Et

Met de linkerhand opgeheven, de wijsvinger in een onderrichtend gebaar tegen de duim gedrukt, kijkt de 68 meter hoge Phra Phuttha Rattana Mongkhon Mahamuni ernstig neer over Roi Et en de Lao-boeren en –boerinnen die lijdzaam de laatste rijst planten in een oceaan van velden — tot aan de horizon waar de schrale grond met bies en uitdrogende poelen zich eindeloos uitstrekt als de Huilende Vlakte.

Hier in het hart van de Isan (het noordoosten) komen geen busladingen toeristen. Ik heb nog geen blanke gezien. Veel meer dan een marktstraatje met vlechtwerk en geborduurde kussens, een stadspark met een vijver en enkele tempels heeft de stad aan de gemiddelde toerist dan ook niet te bieden. En Phra Phuttha Rattana Mongkhon Mahamuni mag dan een van de hoogste Boeddha’s ter wereld zijn, aan het cementen gevaarte ontbreekt elk spoor van elegantie of spiritualiteit. Veel donkerbruine tegeltjes waarmee hij is bekleed, hebben losgelaten, alsof zijn gewaad door de motten is opgevreten.

Roi Et. Huilende Vlakte.Toch hadden die woorden voor mij een bijzondere klank. Op mijn derde reis door Thailand, en onstuimig verliefd op het land en er alles wellustig absorberend, las ik: ‘De boeren van Roi Et verdienen maar twaalf gulden per maand en zijn de armsten van het land.’ In hetzelfde artikel vertelt een migrant uit de Huilende Vlakte waarom hij als taxichauffeur in Bangkok werkt: ‘Thuis is er niet genoeg te eten.’ Het liefst was ik nog die dag naar Roi Et vertrokken. Honderd keer stond ik sindsdien op het punt om erheen te gaan, maar nooit kwam het ervan. Nu vijftien jaar later en wat minder bevlogen, verpoos ik er aan de voet van de lange, magere wereldverbeteraar.

Ik rij de onvruchtbare, zilte gronden tegemoet. Tussen de rijstvelden staat met bijna wiskundige regelmaat een boom op een heuveltje. Voorbij Suwannaphum begint de vlakte, zo groot als Gelderland. Desolaat? Troosteloos? Slechts bij vlagen waan ik mij in een IKON-documentaire: bij het zien van tanige boeren met stoppelbaarden, die op blote voeten langs de weg lopen, bij een oude vrouw die een magere waterbuffel naar een poel leidt waar zout op de oever is neergeslagen of bij donkerbruine jongens met een partijtje gestrikte hagedissen. (Gelukkig zonder stem die belerend zegt dat het ‘een belangrijke, aanvullende proteïnebron is’.)

 

Roi Et rijstvelden

Rijstvelden in Roi Et.

Inmiddels hebben projecten de Huilende Vlakte veranderd. Door betere irrigatie wordt veel land bebouwd. In 1981 was daarvoor nog geen vijf procent geschikt. Rijen eucalyptus doorkruisen de vlakte waardoor deze wat van haar weidse karakter heeft verloren. Weinig boeren vinden de aanplant overigens een zegen. De eucalyptus is een zuiplap. Het grondwater is gedaald en in het water van de diepere putten is het bodemzout opgelost.

Niettemin meende de overheid dat het tijd werd de vlakte een nieuwe, positievere naam te geven. Er werd een prijsvraag uitgeschreven, maar de Lao-boeren protesteerden: ze waren eraan gehecht dat hun bestaan is verbonden met huilen. Uiteindelijk verkondigde ook Boeddha dat het leven uit lijden bestaat.

Bij Ban Ku sla ik van de hoofdweg af. Over een smalle macadamweg rij ik naar het westen waar slechts rijst, bies en horizon is. Hier kan ik me de wanhoop van de Kula’s wel voorstellen. Rond 1900 zouden deze Birmese handelaren in kapok, kleding en vee er zijn verdwaald. Toen aan de desolate, onvruchtbare vlakte geen eind kwam, barstten ze in huilen uit. ‘Vlakte van de Huilende Kula’s’ werd later verbasterd tot Huilende Vlakte. Geen spoor is van het legendarische volk over. Alleen een stokoude man kan zich nog herinneren dat zijn vader een Kula-handelaar was. Hij woont in deze contreien, maar ik ben al tevreden als ik de Ku Ka Sing zal weten te vinden.

Ik vraag een boer de weg. Hij wijst dat ik rechtdoor moet gaan. Dat had hij ook gedaan als ik naar Bangkok of de Keukenhof had gevraagd. Tot mijn verbazing doemt na tien kilometer het bescheiden Khmer-heiligdom van roodbruin zandsteen op. Ik neem plaats op de basis van lateriet. De demon Rahu staart mij vanaf de schitterende bas-reliëfs op de bovendrempels met zijn bolle ogen aan. Ooit stal hij de amrita, het elixer van de onsterfelijkheid van de goden, maar hij werd door de zon en de maan gezien. De god Vishnu sloeg woedend zijn hoofd eraf. Omdat de lippen de amrita al hadden beroerd, was Rahu’s hoofd onsterfelijk geworden. Zonder lichaam, als een planeet, jaagt Rahu wraakzuchtig achter de zon en de maan aan om die te verzwekgen. Soms lijkt dat even te lukken; wij noemen dat zons- en maansverduisteringen.

 

Moerasachtig land.

Een deel van de vlakte dat onder water staat.

In de elfde en twaalfde eeuw eeuw bereikte het Khmer-rijk zijn grootste omvang en van die tijd dateren de meeste tempels in het noordoosten. Mogelijk was de grond er toen vruchtbaarder en hebben de landbouwpraktijken van de Khmers bijgedragen tot de verschraling. In de vorige eeuw, nog vóór het avontuur van de Kula’s, was de streek vrijwel onbewoond en begonnen de Siamezen het te herbevolken met Lao-krijgsgevangenen uit het gebied ten oosten van de Mekong, het huidige Laos. De nakomelingen van deze slaven worden nog steeds als minderwaardig beschouwd, als primitieven die kleefrijst, kikkers en rauwe vis met hun handen eten.

Ku Ka Sing wordt in geen reisgids genoemd. Het geeft me voldoening op zo’n afgelegen plak te zitten, maar er is iets niet pluis met dit gevoel. Nogal wat buitenlanders lijken het noordoosten te vereren. ‘De Isan is pas het échte Thailand,’ hoor je ze zeggen met een ondertoon van: ‘Daar komen die domme toeristen niet!’ Of: ‘Ik sta heel dicht bij de onbedorven, gewone mensen.’ Vaak heb ik iemand met pathos horen verkondigen dat hij het liefst in ‘eenvoudige Isan restaurantjes’ eet. In gedachten zag ik hem een balletje kleefrijst met zijn handen in een sausje van scherp gekruid gehakt dopen en vooral genieten van de verbazing en bewondering die dit oogst. Ik kan me behoorlijk aan die aanstellerij ergeren; ik herken het zo goed bij mijzelf.

Het bijzondere aureool waarmee Roi Et en de Huilende Vlakte — mijn Shangri-La — zo lang waren omgeven, had ook een tijd lang te maken met het verlangen ver weg van huis bijzonder te zijn onder de ‘nobele wilden’ en net zo te leven als zij.

Gelukkig bevinden de meeste Isan-aanbidders zich netjes bijeengepakt in de kolonies van buitenlanders in Bangkok, Phatthaya, Chiang Mai en Phuket, waar hun narcisme al bevredigd wordt tijdens het oeverloos gezwets met andere expats.

Als ik terug in Roi Et opeens toch een blonde jongeman bespeur, welt jaloezie in me op. Hij is irritant onberispelijk gekleed en draagt een fietshelm: een mormoon. Hij is door een heel ander verlangen naar Roi Et gedreven: in het park probeert hij lijmsnuivers hun boeddha af te pakken en een Jezus-aan-het-kruis aan te smeren — bij wijze van spreken.

Geërgerd maak ik met mijn vingers een gebaar, maar niet helemaal hetzelfde als dat van Phra Phuttha Rattana Mongkhon Mahamuni.

©SJON HAUSER: TEKST EN FOTO’S

Een iets andere versie van dit verhaal verscheen in de Volkskrant van 2 november 1996.