Het verjaardagspartijtje

Alikruik Literair, Alikruik 2, 1974

HET VERJAARDAGSPARTIJTJE
Een kort verhaal van Joop Bakker

Verjaardagspartijtje-01(tekeningen: René Demets)

Wat doe je, als je ten gevolge van overmatig koffie- en sigarettengebruik de diarrhee ten prooi bent gevallen en je zit je op de WC in je ouderlijk huis te pletter te schijten en je hoort door het openstaande raampje je vader vanuit de tuin je naam schreeuwen?
Je denkt dan dat je vader zich een arm heeft afgezaagd of een middelgrote spijker in het hoge, nog gladde voorhoofd heeft geslagen.
De gedachte aan de vinger die overhaast door het van dunne poep doorweekte WC-papier gestoken wordt, de poep die aan je nieuwe lichtblauwe broek komt, die strakke broek waar je uitscheurt als je hem snel omhoog hijst en probeert dicht te maken en tenslotte de teleurstelling dat je je vader in de tuin aantreft, nog ontroerd door de Schoonheid der Natuur, die hem zojuist weer een van Haar facetten heeft laten zien: een grote vlinder, prachtig roodbruin met op iedere vleugel een grote, intens blauwpaarse stip – ik antwoord direkt: ‘Een dagpauwoog, pa, die komt hier wel vaker voor’ – mijn vader die daarna zijn blik weer laat varen over de al dan niet bloeiende heesters in zijn vruchtbare tuintje en nog altijd in het bezit van twee harige armen en een regelmatig gladgeschoren gezicht dat niet ontsierd wordt door bloedstroompjes die hun oorsprong vinden op het voorhoofd recht boven de plaats op de neus waarin het brilmontuur twee roze schrijnende plekjes gedrukt heeft, al die gedachten zijn er de oorzaak van, dat ik even met al mijn kracht druk, ondanks mijn bekendheid met het halsstarrig karakter van diarrhee.
Vervolgens kijk ik omhoog naar het raampje, maar mijn vader, in paniek in de tegen de buitenmuur staande rozenstruik geklommen, met de kop van de uit zijn hoofd stekende spijker tegen het ruitje krassend, mijn vader is daar niet.
De rozenblaadjes bewegen zachtjes in de wind. De rest van de wereld is heel lichtblauwe lucht.
Ik vind mijn rust terug, rust die men slechts op WC’s vindt.

De WC bij mijn ouders is een van de mooiste WCs die ik ken. Ofschoon enkele jaren geleden de smalle, lichtbruine houten, bijna verschimmelde bril met prachtige lichtroze verbleekte rubberdopjes eronder door een grotere zwarte van plastic is vervangen en onlangs de muren pastelkleurig zijn geschilderd, heeft deze WC weinig van zijn vroegere bekoring verloren.
Alles is er nog even mooi: het witgekalkte waterreservoir vol roestige plekken, het plastic doortreksnoer met kegelvormige handvat – het snoer hangt nooit helemaal recht omlaag, weerspannig als plastic is, zit er altijd een lichte knik in; en hoe bezinnend is die ellips niet die het handvat beschrijft als je er een tik tegen geeft, waarbij je steeds denkt dat het handvat de muur even zal schampen, ondertussen de prachtigste blauwgrijze schaduwen verstrooiend; de bruine en witte tegeltjes met hun evenzovele barsten, de donkergele tegels, speelplaats van pissebedden en standplaats van een WC-borstel met een steel waarvan de verf grotendeels is afgebladderd, het onbegrijpelijke leidingensysteem met diverse kraantjes – mijn vader zou me zo kunnen uitleggen hoe dit werkt en hij zou dan vertellen dat het eigenlijk een heel eenvoudig principe is, zich daarbij beroepend op Pascal en andere ook op de ULO onderwezen wetenschappers – maar God! laat dit onbegrijpelijk voor me blijven – de rechtermuur met het bubbletje dat nu door de verflaag heenschemert, het plastic bakje met kamferballetjes hoog aan de muur, het kleine spiegeltje met de rol WC-papier eronder hangend, grijs geribbeld papier met hier en daar een klein rood of blauw plekje, en tenslotte de N.V.V.-kalender, ieder jaar, iedere maand anders, daarmee de onvergankelijkheid van het interieur benadrukkend.

Op deze WC was het waar mijn moeder lange tijd mijn bips afveegde en mij berispte wanneer ze bemerkte dat ik speelde met m’n pik, toen nog plassertje geheten, die daarbij een enkele maal een voor toen nog ongekende afmeting aannam.

De kalenderplaat laat me twee zeilboten zien met lelijke felgekleurde ballonzeilen. Onder de plaat, die reeds aangeeft dat het zomer is, de verdeling van de maand juli. Om de datum van vandaag is een cirkeltje getrokken en daarnaast is mijn voornaam geschreven in het houterige, toch wel wat artistieke handschrift van mijn moeder. Vandaag ben ik jarig, éénentwintig jaar ben ik geworden en ik zit me leeg te poepen.

Uit de voering van mijn broek steekt een pluizig draadje, pluizig als de haartjes op mijn dijen. Mijn pik ziet er wat verkreukeld uit doordat mijn nieuwe broek heel strak zit. Ik schuif het vel over mijn eikel helemaal terug en breng mijn vingers naar mijn neus. Ik ruik de lucht van kattevoer.

Ik kijk weer naar de kalenderplaat: het fletsblauwe water wordt lichtgroen. Eén zeilboot slaat om en zinkt. De bemanning verdrinkt. De andere zeilboot krijgt een groot bruin zeil terwijl het felgekleurde ballonzeil als een nevelsluier in de zon vlucht, de zon die loodrecht boven het schip staat.
Ik lig in het diepe maar toch zonovergoten ruim. Het is windstil, ons oude maar degelijke schip dobbert reeds dagen hier rond in de tropische binnenzee zonder veel vooruit te komen.
Hij komt uit de kajuit. Hij is slank, gespierd en glanzend bruin. Verlegen knikt hij naar me. Hij probeert het te doen voorkomen dat hij nog duf is. Langzaam trekt hij z’n net niet perfekt strak zittende, vroeger zwarte, nu versleten grijze corduroybroek uit. Met ernstige bruine ogen (het hadden ook grijze of blauwe kunnen zijn) kijkt hij naar zijn lichtbehaarde benen.
Hij duikt in zee.

Even later trek ik hem aan boord, waarbij zijn natte haar tegen mijn borst aankomt, zodat ik het gevoel krijg ook te hebben gezwommen. Hij gaat naast me liggen om zich door de zon te laten drogen. Waterdruppeltjes in zijn heel dunne vlassige snorretje parelen in de zon. Zijn natte lange donkerblonde haar kleeft op z’n schouders. Hij is achttien en even groot als ik.

Het ruim is versierd met oosterse wandkleden en tropische planten. Golfjes klotsen zachtjes tegen het schip. Ik doe alsof ik lees. Als zijn donkerbruine zwembroek droog is richt hij zich half op. Hij steunt daarbij op één arm, waardoor de spieren ervan en van de misschien te tengere schouderstreek gespannen worden. Ernstig kijkt hij me aan.
Ik doe nog steeds alsof ik lees. Ik lig op m’n rug. Het boek houd ik met bijna gestrekte armen boven mijn hoofd. Ik wacht nog vijf tellen en daarna nog eens drie. Dan leg ik het boek opzij en kijk hem recht in zijn ernstige, bijna treurige ogen. Een beo landt op de mast en begint te kwetteren. Het lijkt even op Roxy Music. De vogel vliegt weer op.

Gelijktijdig krijgen we een erectie, onze zwembroeken vallen als flarden uit elkaar terwijl onze pikken zich in elkaar verstrengelen. Heel zachtjes houden we elkaar vast bij de schouders en als we onze handen over elkaars rug naar de billen laten glijden verschijnt er een glimlach op zijn gezicht, waardoor het haar op mijn borst verschroeit, waardoor er donshaartjes op mijn bovenlip groeien, waardoor een goudbruine glans over mijn lichaam verschijnt zodat littekens onzichtbaar worden, mijn gelaatstrekken worden zachter en jonger, mijn haar wordt dikker en begint te golven. Mijn pik neemt de ongeloofwaardige afmetingen aan van de zijne en we smelten ineen tot een Eeuwig Orgasme, waarbij golven sperma het oude jacht doen zinken.

Oude, lelijke mensen blijven slechts achter aan koelere kusten. Opgestroopte broekpijpen geven hun kale witte kuiten prijs waarmee ze onwetend door het zeeschuim waden.

Ik veeg m’n kont af en trek door.

JOOP BAKKER