Helden en heldinnen—Thaise mythes en geschiedvervalsing

beeld Ya Mo

Het standbeeld van Ya Mo in het centrum van Khorat.

In het hart van Khorat (Nakhon Ratchasima) in de Isan (Noordoost-Thailand) staat het standbeeld van Ya Mo. Ze was de vrouw van een voormalig gouverneur.

Een heldin kun je wel zeggen, want ze leidde in 1827 een opstand tegen een bezettingsleger uit Laos dat met list onschadelijk werd gemaakt. Ze mobiliseerde de vrouwen van de stad en instrueerde hen de vijand tot een orgie over te halen. Toen alle soldaten dronken waren, sneden de vrouwen hen de hals door. Khorat werd bevrijd.

Honderden bewoners brengen dagelijks nog offerandes  van bloemen en wierook aan het monument. Vermogende burgers laten er zelfs klassiek uitgedoste schoonheden voor de geest van Ya Mo dansen.

Enkele jaren geleden deed een historica onderzoek naar Ya Mo (‘Grootmoeder Mo’). Wat bleek? In de oude bronnen werden over de heldin en het verraderlijke galgenmaal in de stad met geen woord gerept. Er was slechts een regel over een Mevrouw Mo te vinden in een kroniek uit 1869 en daarin staat alleen dat ze een reserve-eenheid van vrouwen leidde.

De onderzoekster concludeerde dus dat Ya Mo een mythe is. Vermoedelijk was die mythe al in de 19e eeuw in het leven geroepen, maar werd ze na de afschaffing van de absolute monarchie (in 1932) nieuw leven ingeblazen met het vervaardigen van het standbeeld (voltooid in 1934) om de bevolking duidelijk te maken dat ook ‘gewone vrouwen’ voor het land van betekenis kunnen zijn.

De bewoners van Khorat waren aan hun heldin gehecht geraakt en waren de historica niet dankbaar voor haar speurwerk. In tegendeel, ze werd voor landverraadster uitgemaakt.

 

Ya Mo

Het standbeeld van Ya Mo in Khorat.

Een standbeeld van twee heldhaftige zusters, die het eiland eind achttiende eeuw tegen een Birmees invasieleger hadden verdedigd, staat middenop Phuket waar het in 1966 werd onthuld.

Net als bij de verzetsdaden van Ya Mo was er list in het spel, maar over de aard ervan bestaan verschillende versies. De vrouwen van het eiland zouden zich als mannen hebben gekleed om bij de vijand de indruk te wekken dat ze over een enorm verdedigingsleger beschikten. In de bronnen, zoals de Thalang -kroniek, wordt daarover echter niets vermeld.

Opmerkelijk vaak zijn er vraagtekens geplaatst bij de officiële Thaise geschiedenis en werden mythen doorgeprikt. Maar zelden dringen de kritiek en de verbeterde inzichten door tot de schoolboekjes.

Zodoende blijft een hoop historische flauwekul gemeengoed. Ook de handleidingen voor Thaise reisgidsen blijven daarvan verstoken, zodat de toerist nogal wat onzinnigheden op de mouw gespeld krijgt. En veel Thais voelen zich zelfs beledigd wanneer bij de mythen vraagtekens worden geplaatst.

Ram Khamhaeng

Sukhothai wordt algemeen gezien als de bakermat van de Thaise beschaving. De ruïnes bewijzen dat het een prachtige stad was. Maar bijna alles wat erover wordt beweerd berust op de Steen van Ram Khamhaeng uit de 13e eeuw. Eindeloos vaak worden passages uit de in steen gebeitelde inscripties aangehaald. Zoals: ‘In het water zit vis, op de velden staat rijst…de koning heft geen belasting op zijn mensen…Wie handelen wil in olifanten, hij handele!…Wie handelen wil in goud en zilver, hij handele!’

Je komt ze zelfs tegen in hotellobby’s en de advertenties van Thaise bedrijven.

Een standbeeld van Ram Khamhaeng, de derde koning van Sukhothai die de steen met inscripties liet vervaardigen, is inmiddels onthuld te midden van de talloze ruïnes. Daar zit hij dan op zijn troon: ‘Een heldhaftig krijgsman, een wijs staatsman, een ver vooruitziende geleerde en een briljant diplomaat,’ volgens een geschiedenisboek.

Dagelijks staan honderden toeristen voor het beeld terwijl een gids met pathos vertelt dat Ram Khamhaeng vrijhandel voorstond en dat zijn rijk zich tot ver over het Maleis schiereiland uitstrekte. En dat niemand minder dan de koning zelf het Thaise alfabet had uitgevonden.

 

beeld Ram Khamhaeng in het Sukhothai historisch park.

Het beeld van koning Ram Khamhaeng in het Sukhothai historisch park.

Toen historici voorzichtig hun twijfels uitten omtrent de authenticiteit van de Steen van Ram Khamhaeng werd dat regelrecht als heiligenschennis opgevat. Maar er waren te veel gekke dingen met de inscripties aan de hand om de kritiek te negeren.

In allerlei details verschilden ze van andere inscripties uit de Sukhothai-periode. Erg vreemd is dat ze drie stadswallen van Sukhothai vermelden, terwijl opgravingen lieten zien dat de derde wal pas eeuwen na Ram Khamhaeng is gebouwd.

Een onomstotelijk bewijs is niet geleverd, maar veel historici menen nu dat de Steen van Ram Khaemhaeng een vervalsing is, mogelijk uit de 19e eeuw. Waarmee dus vrijwel alles wat over Sukhothai en Ram Khamhaeng wordt beweerd op losse schroeven komt te staan. Maar de meeste Thais laten de gevleugelde woorden op de steen niet in de steek en geloven nog heilig in alle grote daden van de koning.

Vrijheidslievende lieden

Waar woonden de Thais vóór Sukhothai. De klassieke opvatting is: in Nanchao. Dit ‘Thais rijkje’ in Zuid-China werd in 1253 door de Mongolen onder de voet gelopen. De Thais trokken daarop naar het zuiden want ze waren op hun vrijheid gesteld en duldden geen overheersers. Thai zou zelfs ‘vrij’ betekenen. Al zo’n drie decennia is echter duidelijk dat Nanchao nooit een Thais rijkje was, hoewel er mogelijk ook wat Thais woonden. Bovendien hadden veel Thais zich al eerder ten zuiden van China gevestigd. Daar waren geen horden binnendringende Mongolen voor nodig geweest. Toch blijft de Nanchao-theorie populair.

Ban Chiang

Bij opgravingen in de Noordoost-Thailand bleek dat er duizenden jaren een volk gewoond heeft dat prachtig aardewerk maakte en brons vervaardigde. Hun cultuur staat bekend als ‘Ban Chiang’, genoemd naar een plaatsje in de provincie Udon Thani waar veel vondsten zijn gedaan. Toen dateringen van het brons op een hoge ouderdom wezen, bracht dit de nationalistische gemoederen in beroering. Slogans op Ban Chiang T-shirts suggereerden zelfs dat de Thais de uitvinders van het brons waren.  Het was een zeer voorbarige conclusie. Bovendien: waren die Ban Chiang-mensen wel Thais? Voor de komst van de Mongolen zaten de Thais toch hoog en droog in China? Men zag er kennelijk geen probleem in dat de Thais eerst vanuit Thailand naar China trokken, om er eeuwen later weer terug te keren.

Bij metingen van geraamten bleek ook dat de Ban Chiang-mensen groter waren dan de huidige Thais. Wat hier en daar tot de kletspraat heeft geleid dat Thais van ‘reuzen’ zouden afstammen.

Chauvinisme

Natuurlijk, over de Nederlandse geschiedenis wordt ook onzin beweerd. Het is onwaarschijnlijk dat Willem van Oranje met vier enorme kogels in zijn lichaam nog zijn patriottische afscheidswoorden sprak, om nog maar te zwijgen over het jongetje dat zijn vinger in een gat in een dijk stak en daarmee de overstroming van het land wist te voorkomen. Maar de meeste Nederlanders nemen die verhalen graag met een korreltje zout.

Naresuan

Koning Naresuan de Grote in de gelijknamige film.

De Thais nemen echter wel erg gemakkelijk een loopje met hun geschiedenis terwijl het ontzenuwen van mythen op veel weerstand stuit. Een rol speelt daarbij wellicht dat in de Thaise cultuur met zijn ingebouwde hiërarchie van ‘respect voor de meerdere’ het uiten van kritiek wordt ontmoedigd. De oudere generatie van historici bestond bovendien voor een deel uit de hoge adel en de nieuwe lichting historici meden het om met hen de degens te kruisen.

Daarnaast was een sterk groeiend nationalisme vanaf het begin van de twintigste eeuw een geschikte voedingsbodem voor het ontstaan van nationale helden, waarbij de historische waarheid er niet zo veel toe deed. Kritiek daarop werd door de chauvinisten steeds vaker gezien als ‘staatsondermijnend’.

Begin twintigste eeuw was het groeiende nationalisme een afspiegeling van een wereldwijde tendens, maar in Thailand werd het zeker ook aangewakkerd door de nog altijd bestaande dreiging van kolonisatie door een grote wereldmacht. Thais nationalisme en vaderlandsliefde werden in feite geïntroduceerd door koning Rama VI (1910-1925) die tijdens zijn studie in Engeland onder de indruk was gekomen van de nationalistische symbolen, zoals een volkslied en nationale vlag, en organisaties die vaderlandsliefde hoog in het vaandel dragen, zoals de Boy Scouts. Hij voerde de huidige rood-wit-blauw-wit-rode vlag in die aansloot bij de vlaggen van de Europese grootmachten en die de ‘primitieve’ rode vlag met een olifant erop verving. Bovendien wekte de nieuwe vlag geen associaties op met het communisme dat met de Russische revolutie van 1917 aan de weg begon te timmeren. (Na de Tweede Wereldoorlog werkte het  communistisch gevaar, dat de buurlanden reeds in zijn greep nam, als een belangrijke katalysator voor Thais chauvinisme.)

Phibun Songkhram

Tijdens het lange bewind van veldmaarschalk Phibun Songkram, voor wie Mussolini een lichtend voorbeeld was, en die behoudens een onderbreking van een paar jaar regeerde van  1938 tot 1957, nam een door de staat gedirigeerd ultranationalisme soms dwaze vormen aan. De burgers werden gedurende Phibuns ‘Culturele Revolutie’ aangemoedigd allerlei (vaak westerse) gewoonten over te nemen om ‘modern’ over te komen en respect af te dwingen in het buitenland. Daaronder viel het dragen van hoeden en het geven van een afscheidszoen wanneer man en vrouw elkaar tijdelijk verlieten. De Thaise groet ‘Sawatdi’ dateert ook van die tijd. Tegelijkertijd had Phibun een Groot Thailand voor ogen dat zich uitstrekte tot ver buiten de toenmalige grenzen en dat alle gebieden in buurlanden omhelsde waar Thaise volkeren woonden, zoals de Shan-staat in Myanmar.

Onder Japanse voogdij wist hij dit even te verwezenlijken. Tijdens Phibuns bewind werden overal in het land monumenten en standbeelden neergezet om te getuigen van Thailands grote verleden en ook in die tijd werden nogal wat historische feiten uit de losse hand aangevuld met chauvinistische verzinsels.

Koningshuis

Het koningshuis was toen nog van ondergeschikte betekenis, want de dictator zag zichzelf als de onbetwiste Leider. Maar zijn opvolger spoorde koning Bhumibol, die in 1946 de troon had bestegen, juist aan zich vaak in het openbaar te vertonen. Terwijl de koning werd gepromoot als het vlaggeschip van de natie, kwamen diens grote persoonlijke kwaliteiten aan het licht. Toen men in 1973 tegen de militaire dictatuur rebelleerde, koos de koning de kant van het volk. Steeds meer werd hij als een god vereerd, terwijl het koningshuis een heilig huisje werd.

Koningin Suriyothai — de filmaffiche.

Koningin Suriyothai en haar verwanten — de filmaffiche.

De Birmese legerleider in de film Suriyothai maakt een weinig sympathieke indruk.

De Birmese legerleider in de film Suriyothai maakt een weinig sympathieke indruk.

Elke Thai heeft wel een portret van hem in huis hangen. Als een Thaise bokser een wereldtitel heeft veroverd staat er steevast iemand achter de zwetende kampioen om een portret van de koning hoog te houden. Heel de wereld kan dan zien hoezeer de Thais hun koning liefhebben. Natie, koningshuis en boeddhisme versmolten tot een heilige drie-eenheid. Vooral het koningshuis is tegenwoordig sterk verbonden met de nationale trots van de Thais.

Behalve dat Thailand bij Thaise successen (bokskampioenen en Misses Universe) baadt in een roes van overwinning, kan Thais chauvinisme ook oplaaien wanneer de nationale trots wordt gekrenkt.

Phra Narai

Toen eind jaren tachtig van de vorige eeuw de restauratie van de Prasat Phanom Rung, een oud Khmerheiligdom op Thais grondgebied (in de provincie Buriram), zijn voltooiing bereikte, richtte zulk chauvinisme zich tegen de Verenigde Staten van Amerika. De Khmers tooiden hun tempels ooit met magnifieke basreliëfs van zandsteen, een geliefde prooi van antiekrovers. Soms dook de ontvreemde Khmerkunst weer op in musea. Een prachtige bovendorpel die Phra Narai (de god Vishnu) voorstelt, was in de jaren zestig van de Prasat Phanom Rung verdwenen. Jaren later werd hij ontdekt in een museum in Chicago. Toen de tempel gerestaureerd was, eisten de Thais dit kunstwerk terug. Het museum weigerde: uiteindelijk had men het voor veel geld van een antiekhandelaar gekocht. Steeds feller begon Thailand Amerika te beschuldigen van het plunderen van zijn nationale culturele erfenis. De popgroep Carabao wist er zelfs een hit mee te scoren: ‘Geef ons de Phra Narai terug… en neem dan gelijk Michael Jackson mee terug naar huis.’ De verontwaardiging was groot en Amerika werd in de felste bewoordingen veroordeeld. Dat de honderden kilo’s zware steen Thailand nooit had kunnen verlaten zonder dat de nodige autoriteiten een oogje hadden toegeknepen (en een handje opgehouden) werd niet gezegd. En vreemd genoeg zag men Khmerkunst opeens als nationale erfenis, terwijl Thais ‘traditioneel’ niet zo’n hoge dunk hebben voor de Khmers waarmee ze vaak oorlog hebben gehad.

Een gevechtsscene uit Suriyothai.

Een gevechtsscène uit Suriyothai.

bloed

Bloed vloeit rijkelijk in de film Suriyothai.

Oorlogen met Birma

Maar de ‘traditionele vijand’ van de Thais zijn toch vooral de Birmezen, tenminste nadat prins Damrong in 1917 een boek publiceerde dat zich helemaal toespitste op de (vele) oorlogen tussen Thailand en Birma. Thai rop phama (‘Onze oorlogen met de Birmezen’) werd een buitengewoon populair geschiedenisboek. Verschillende keren hadden de ‘agressieve’ Birmezen Thailand onder de voet gelopen. In 1767 vernietigden ze zelfs de oude hoofdstad Ayutthaya, ooit de indrukwekkendste stad van Zuidoost-Azië. De val van Ayutthaya wordt nog steeds als bijzonder traumatisch ervaren. Vaak schrijven de Thais die vernedering toe aan moreel verval en aan de lafheid van de laatste koning.  In werkelijkheid viel dat wel mee en heeft Ayutthaya maanden tegen een enorm invasieleger stand weten te houden.

De oorlogen met Birma hebben natuurlijk ook vele helden opgeleverd. Legendarisch is koning Naresuan die in 1593 de Birmese kroonprins tijdens een duel op de rug van een olifant versloeg. Koning Naresuan  was berucht om zijn krijgsdaden en wist Thailand van het Birmese juk te bevrijden. Maar veel details omtrent zijn leven en zijn heldendaden zijn nogal dubieus; ze zijn alleen bekend uit kronieken uit de 19e eeuw en ontbreken in oudere bronnen.

Naresuans zuster prinses Suphankanlaya, over wie de oude bronnen nauwelijks reppen, heeft inmiddels een vaste plaats als heldin naast deze koning gekregen. Volgens een recente versie van de gebeurtenissen die tot de heldendaden en het koningsschap van Naresuan zouden leiden, werden Naresuan en een broertje tegelijk met deze zuster naar de Birmese hoofdstad overgebracht nadat de Birmezen Thailand hadden veroverd. De prinses werd een gemalin van de Birmese koning Bayin Maung. Zij wist hem over te halen haar broers naar Ayutthaya te laten terugkeren — zij zou als ‘gijzelaar’ achterblijven. Later zou Naresuan vanuit Ayutthaya de Thaise strijd tegen de Birmezen leiden, wat leidde tot Thaise onafhankelijkheid en de dood  van de Birmese kroonprins tijdens het beroemde duel — waarop de vertoornde Bayin Maung zijn haise gemalin Suphankanlaya liet doden.

In het licht van de (nog te komen) gebeurtenissen was Suphankanlaya’s besluit als gijzelaar achter te blijven dus een toonbeeld van opofferingsgezindheid en dit maakte haar in deze nieuwe versie een superheldin. Deze is echter een recent ‘verzinsel’ dat aanzienlijk verschilt van oudere versies. In feite was hij door een bekende Thaise monnik de wereld in geholpen, nadat de geest van de prinses hem zou hebben bezocht terwijl hij mediteerde.

Chauvinistische films

De afgelopen vijftien jaar werden enkele Thaise films over helden uit de vaderlandse geschiedenis enorme successen die miljoenen Thais naar de bioscoop trokken. Een paar jaar geleden was dat de film Naresuan, maar al eerder werd Suriyothai het grootste kassucces uit de Thaise filmgeschiedenis. Het drie uur durende epos over deze Thaise koningin, echtgenote van koning Chakkraphat (1548-1569), eindigt dramatisch op het slagveld waar zij zich opofferde door zich voor de zwaarden van de Birmese vijand te werpen om de koning te redden.

standbeeld Singburi

Het standbeeld van de helden van Bang Rachan in de provincie Singburi.

Bang Rachan filmaffiche

De filmaffiche van Bang Rachan.

In Bang Krachan, uit ongeveer dezelfde tijd, zijn de bewoners van een dorp in de buurt van Ayutthaya de helden. Heldhaftig en hardnekkig, maar vergeefs, boden ze weerstand aan de vijand. Waarschijnlijk zijn vrijwel alle details over deze volkshelden in de film verzinsels, maar al veel eerder was in de provincie Singburi een groot standbeeld onthuld dat een aantal van de verzetshelden levensgroot in brons uitbeeldt. Hoewel het uiterlijk van deze helden — mochten ze ooit geleefd hebben — in de twintigste eeuw volslagen onbekend was, en postuur en gelaatsstrekken dus de creaties van de beeldhouwer zijn, heeft de regisseur van de film de grootste moeite gedaan om zijn acteurs op die beelden te doen gelijken — alsof hij daarmee de geloofwaardigheid van het verhaal wilde vergroten. De slotscène van het epos is één lange serie bloederige taferelen op het slagveld waarbij de dorpelingen ‘kanonnenvlees’ worden voor de Birmese overmacht — afgespeeld in slow motion. Voor vele Thais waren de beelden alsof ze zelf een beetje stierven. Birmese vrienden die een video-CD van de film ooit bij me thuis bekeken waren minder sentimenteel en stelden aan het eind slechts met de nodige instemming: ‘Birma heeft gewonnen!’

 

standbeeld in Thachilek

Het standbeeld van de Birmese koning Bayin Maung in het plaatsje Thachilek in Myanmar aan Thaise grens.

Een andere volksheld uit het verleden is kickbokser Khanom Tom. Ook over zijn heldendaden bestaan twijfels, maar nadat de Thaise bokser Somluck Kamsing op de Olympische Spelen in Atlanta goud wist te halen, was de tijd rijp om ze te verfilmen — met Somluck in de hoofdrol. Bijna dagelijks konden de Thais op de televisie genieten van een lange serie waarin Somluck en zijn makkers de brute en verraderlijke Birmese soldaten de pan in hakten.

De serie werd uitgezonden door de omroep van het Thaise leger. De Birmese autoriteiten protesteerden heftig, maar ondertussen bouwden ze wel bij twee grensposten een standbeeld van Bayin Maung, hun koning die in 1569 Thailand had veroverd.

En toen men in Thailand begon met de opnames van de film Thao Surani over Khorats heldin Ya Mo, dreigde Laos met repressailles wanneer de film de nationale trots van Laos zou kwetsen. En zo houdt men de geschiedenis — al dan niet verdraaid — levendig.

Opgeklopt chauvinisme gecombineerd met de onwil historische feiten onder ogen te zien kan echter een gevaarlijke combinatie zijn. Dat bleek in 2011 toen schermutselingen aan de Thais-Cambodjaanse grens bij de beroemde Kha Phra Wihan Khmer-tempel oplaaiden en een twintigtal soldaten en burgers sneuvelden.

©SJON HAUSER: TEKS EN FOTO’S

Een kortere versie van dit verhaal verscheen in Te Gast in Thailand (10e druk) Informatie Verre Reizen, Nijmegen, 2004: p. 33-36.

Enkele bronnen:

Chris Baker. Prince Damrong and Phra Phraison Salarak. In: Prins Damrong Rajanubhab. The chronicle of our wars with Burmese. Hostilities between Siamese and Burmese when Ayutthaya was the capital of Siam. White Lotus, Bangkok, 2001.

Damrong Rajanubhab. The chronicle of our wars with the Burmese. Hostilities between Siamese and Burmese when Ayutthaya was the capital of Siam. White Lotus, Bangkok, 2001 (oorspronkelijke Thaise versie uit 1917).

Irene Stengs. Celebrating the monarchy. Globalisation, nationalism and the increasing virtuality of Thai kingship. Paper, Amsterdam, 2001.

Barend J. Terwiel. Civilising the past: nation and knowledge in Thai historiography. In: Comparative Asian Studies, vol. 21 (2001): 97-111.

Ka F. Wong. Visions of a nation. Public monuments in twentieth-century Thailand. White Lotus Press, Bangkok, 2006.