Gewone kukrislang

kukri snake

Een kukrislang uit droog dipterocarpenbos in Sop Moei, provincie Mae Hong Son.

In Noord-Thailand komen een stuk of vijf soorten kukri-slangen voor. Een ervan behoort tot de algemeenste slangen van de streek.
Tot nu toe heb ik er nauwelijks over geschreven, behalve vijf maanden geleden, maar dat was terzijde van de vondst van juist een zeer zeldzame variëteit van de op zich al niet erg algemene Oligodon cinereus (de Engelse naam “Grey Kukri Snake” is zo slecht gekozen dat ik hem liever niet gebruik.)

juveniele kukri snake

Een jonge Oligodon fasciolatus uit Pang Mapha in Mae Hong Son met een scherp getekend masker en duidelijke lengtestrepen en dwarsbalken.

Nu meer over die heel algemene slang, de (Common) Banded Kukri Snake. Het is een beige slang met een variabel bruin patroon die meestal niet groter is dan 80 cm en zich veel in het laagland ophoudt. Het dier heeft een zekere voorkeur voor plaatsen waar mensen wonen, zelfs middenin steden zoals Chiang Mai en het liefst met water in de buurt, al is het beslist geen waterslang. Deze slang heeft een karakteristiek patroon op de kop dat doorloopt over de nek, een soort complex boevenmasker. De voorste band ervan gaat dwars over de snuit en de ogen (witte pijl op de foto hiernaast). De band daarachter (rode pijl) is gebroken en de twee pootjes ervan buigen wat af naar achteren. De derde band (lichtblauwe pijl) is het grootst en V-vormig en begint tussen de opening in de tweede band; de twee pootjes ervan lopen breed uit naar achteren tot ver in de nek en vervagen aan de zijkant bij de buikzijde. Waarschijnlijk wordt deze slang vanwege dit masker door veel Thais voor een cobra gehouden, hoewel een monokelvormig- of brilvormig teken op de verbrede nek van een cobra er toch echt heel anders uitziet en bovendien bij cobra’s vaak ontbreekt. (Heb je het slangennieuws over cobra’s van de vorige maand gemist, dan kun je dat nu lezen in: Cobra van Noord-Thailand—Naja siamensis .)

teeth kukri snake

Onder- en bovenkaak van een kukri-slang.

De Thais die wat meer van slangen afweten noemen de gewone kukri ngu pi kaeo — de ‘fluit’-slang — want het lichaam is bezaaid met een dozijn vlindervormige, donkere dwarsbalkjes (foto boven: gele pijlen) die op rergelmatige afstand van elkaar liggen en aan de gaten van een traditionale Thaise fluit (pi kaeo) doen denken.Verder zie je op de foto dat aan elke kant van het lichaam twee bruine lengtestrepen lopen, die bij de wervelkolom wat breder dan die aan de zijkant van het lichaam. Het dier op de foto is een jonkie dat de weg over kroop. Ik zette zachtjes mijn schoen op zijn staart en meteen beet hij er fel in. Het zijn felle dieren en de volwassen dieren kunnen gemene wonden toebrengen. Soms ontbreken de dwarsbalken en bij oudere dieren vervaagt het patroon (met of zonder balken) een beetje. Veel wat oudere slangen hebben een netwerk van korte donkere zigzaglijntjes over hun lichaam dat soms duidelijker is dan de balken en strepen. En er schijnen regionale verschillen te zijn. In Noord-Thailand hebben de meeste dieren wel lengtestrepen, maar niet altijd dwarsbalken. In Centraal- en Noordoost-Thailand ontbreken de lengtestrepen meestal en zijn de dwarsbalken vaak markant en ronder dat bij de Noord-Thaise dieren.
Rechts zie je het gebit van een kukri snake. In de bovenkaak zitten maar een paar tanden (bij veel andere soorten wel meer dan twintig) en de Latijnse naam Oligodon van het geslacht waar de meer dan 70 soorten kukri slangen toebehoren betekent dan ook ‘weinig tanden’. De achterste tand is echter sterk vergroot en dolkvormig en daarop berust de Engelse naam van deze dieren: een ‘kukri’ is het wat gekromde, grote mes dat de Nepalese ghurka’s traditioneel bij zich dragen. En het is met de vergrote achterste tanden dat deze felle beestjes pijnlijke wonden kunnen toebrengen. In de natuur dienen die ‘kukri’-tanden waarschijnlijk vooral voor het opensnijden van de taaie schaal van reptieleneieren. Als daarmee een flinke scheur in een ei is gemaakt steekt de kukri slang zijn kop naar binnen om de voedzame inhoud op te slurpen.
De Britse herpetoloog Malcolm Smith noemde het ‘hoogst venijnige schepsels’. De Amerikaan Edward Taylor, die in de jaren zestig van de 20e eeuw onderzoek deed naar de rijkdom aan slangen in Thailand, ving regelmatig een Oligodon fasciolatus en vond het ook geen leuke dieren: ‘Ik vond deze slangen erg omplezierig om mee om te gaan want ze bijten snel. Zelfs wanneer je de kop in je hand houdt, heeft de slang de neiging de achterkant van de bovenkaak naar opzij te drukken en te bijten, waarbij het de achterste tanden schijnen te zijn die door het vlees dringen en hevig bloeden veroorzaken.’
Dat heftige en langdurige bloeden en het langzaam genezen van de wondjes wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het gif dat deze dieren in gifklieren produceren en dat bij de beet in de wond komt (al is de kukri-tand geen echte, holle giftand waar de gifklier op uitkomt). Erstige verschijnselen zijn niet bekend, maar ook duizeligheid en hoofdpijn zijn beschreven als gevolg van een beet van kukri slangen.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s