Gemberplanten in Thailand

Detail bloem Alpinia

Detail bloem Alpinia.

Gemberplanten in Thailand

Tientallen, misschien wel meer dan honderd boeken zijn er geschreven over Thaise orchideeën. Deze bijzondere planten zijn zelfs een belangrijk exportproduct van Thailand. Veel minder bekend zijn de Thaise gembers, of juister, de gemberachtigen.
Tijdens wandelingen door het bos zie wel regelmatig orchideeën, vooral op de bomen, maar meestal zijn ze niet in bloei.
De spectaculaire bloemen van gemberachtigen zijn veel algemener en geven overal op verrassende wijze kleur aan het groen van het tropische bos.

Gemberplanten vormen een hoofdbestanddeel van verschillende vegetatietypen en soms bestaat de hele onderbegroeiing van bos grotendeels uit het dichte loof van gemberachtigen.
De wortelstokken van verschillende gecultiveerde gemberachtigen zijn bovendien niet weg te denken uit de Thaise keuken.

De familie der Zingiberaceae (gemberachtigen) vormen met de bananen (Musa), Strelitzia, Heliconia en Costa de min of meer duidelijk omlijnde orde der Zingiberales binnen de eenzaadlobbigen. De naam ‘gember’ (en het Engelse ‘ginger’) is waarschijnlijk van Indiase oorsprong. Deze meerjarige planten hebben alle een aantal kenmerken met elkaar gemeen, zoals bladeren met een penni-parallelle nervatuur, en de aanwezigheid van luchtkamers en kiezelcellen in de bladeren en stengels.

Dok din

Kaempferia in het deciduous forest

De gemberachtigen onderscheiden zich onder meer door hun bloembouw. Ze zijn ook gekenmerkt door excretiecellen die naast etherische oliën niet-vluchtige verbindingen bevatten, zoals harsen, kleurstoffen en scherpe stoffen. Het gaat vooral om stoffen van de terpeen- en fenylpropaan-biosyntheseweg. (1a) De gemberachtigen vormen een grote familie van zo’n 50 geslachten en 1300 soorten, wijd verspreid in de tropen van Zuid- en Zuidoost-Azië, met het centrum van de soortenrijkdom in Indo-Maleisi?.
Meestal worden ze onderverdeeld in vier onderfamilies: de Hedychiceae, Zingibereae, Alpinieae en Globbeae. Vrijwel het hele jaar vind je wel gemberplanten in bloei.

In de populaire informatie bestemd voor toeristen wordt het bos in Noord-Thailand vaak ‘tropisch regenwoud’ genoemd. Dat is onzin, echt ‘tropisch regenwoud’ komt in heel Noord-Thailand niet voor, maar wel zijn er andere soorten dicht evergreen bos, al verschillen die kwa soortensamenstelling aanzienlijk van bijvoorbeeld tropisch regenwoud op Sumatra.
Een groot deel van het Noord-Thaise bos is deciduous, dat wil zeggen dat veel van de bomen er ‘bladverliezend’ zijn en een deel van het jaar (januari-maart) vrijwel kaal zijn. Vaak wordt dit bos gedomineerd door een aantal soorten dipterocarpen (zie de artikelen:  Dipterocarpen en Dipterocarps).

Veel berghellingen zijn begroeid met  het open dry diperocarp forest. Eind maart zijn de meeste bomen ervan helemaal kaal en heeft de schaarse, verdorde onderbegroeiing het moeten afleggen tegen de frequente bosbranden (al of niet aangestoken door de locale bevolking). De stammen van de bomen zijn vaak zwart geblakerd, maar dankzij hun dikke vuurbestendige schors overleven de meeste boomsoorten van dit bostype een brandje met gemak. In april, vaak nog voor de eerste regen van betekenis, begint dit landschap van de verschroeide aarde tot leven te komen. De talrijke boomsoort Dipterocarpus tuberculatus begint zijn rode bladknoppen te produceren en uit de kale bodem steken gemberbloemen hun kop de lucht in nog voordat de planten hun bladeren hebben gevormd.

Karen kinderen met gemberbloemen

Karen-kinderen verkopen gemberbloemen in de provincie Tak.

gemberbloemen

De bloemen van Kaempferia candida zijn eetbaar.

Eind april en begin mei kan de bodem van zulk bos bezaaid zijn met de kleine bloemen van een Kaempferia-soort met witte en lila bloemblaadjes waarvan de buitenste dun en langwerpig zijn en op sporen lijken. Dit bloemetje wordt door de Thais wel dok din genoemd (‘aarde bloem’) maar deze naam wordt ook gegeven aan hele andere bloemen die op de ‘kale bodem’ ontspruiten, zoals de purperblauwe bloemen van het parasitaire plantje Christisonia siamensis (zie het artikel: Parasitaire planten). Het geslacht is genoemd naar de Duitse arts en avonturier Engelbert Kaempfer (1651-1716), de eerste westerling die in Siam (Thailand) planten verzamelde zou hebben (1b).

In Gingers of Thailand van Kai en Supee Larsen (2) worden 17 soorten Thaise Kaempferia onderscheiden. Een bijzonder fraaie soort met witte bloemen en een geel hartje is K. candida waarvan een exemplaar uit Birma wordt beschreven in N. Wallichs Plantae asiaticae rariores (1829). Bijzonder aan deze plant is dat de lange wortels eindigen in knollen. De aquarel van deze plant (bloemen en wortelstelsel) in het 19e-eeuwse werk is in zijn geheel gereproduceerd in het boek van de Larsens. (3) Daarnaast staat er een foto van de bloemen van deze ‘Birmese soort’ in de Gingers of Thailand met het onderschrift dat de plant onlangs ook is gevonden in de (Thaise) provincie Kanchanaburi. (4)

Een paar jaar terug, in het voorjaar (maart), kwam ik in de provincie Tak kinderen tegen die de bloemen van een Kaempferia-soort verkochten. Ze zeiden dat je ze rauw kunt eten, maar ook kunt bakken. Ik heb een bordje van ze gekocht en de bloemen gebakken in een omelet: ze smaakten voortreffelijk. Het moet de soort K. candida zijn geweest, die toen nog maar net in Thailand was ontdekt!

Ook talrijk in het ontluikende Noord-Thaise deciduous forest zijn de prachtige bloemen van enkele Curcuma-soorten. Het algemeenst is de soort die zijn op plastic gelijkende samengestelde bloem laat zien nog voordat de bladeren verschijnen.

In feite bestaat de samengestelde ‘bloem’ uit een soort kegel van bloemknoppen waarvan de bovenste schutbladen (bracts) fel gekleurd zijn (bij deze soort purper). Als de knoppen zich openen komt een klein bloemetje tevoorschijn (bij deze soort geel en buisvormig). De bloeiwijze lijkt veel op die van C. domestica die veel gekweekt wordt voor de aromatische wortels (turmeric).

Er zijn 34 soorten Curcuma bekend uit Thailand. De naam Curcuma is afgeleid van het Arabische woord ‘kurkum’ dat verwijst naar de gele kleur van de rhizoom (wortelstok) van de gekweekte turmeric.

Een van de fraaiste soorten is Curcuma alismatifolia. De bracten van het steriele bovenste deel van de samengestelde bloem (de coma) zijn fel roze, terwijl de kleine bloemetjes een paars gekleurde lip hebben.

In het regenseizoen wordt het grasland op de karige rotsheuvels in de provincie Chaiyaphum in Noordoost-Thailand geheel bedekt met deze roze bloemen en ze vormen er een toeristische attractie. Maar ik geloof niet dat de soort in Noord-Thailand voorkomt.

Curcuma parviflora

Curcuma parviflora

In juli en augustus, middenin het regenseizoen, is de bloeiende C. parviflora met zijn bescheiden witte ‘bloemen’ zeer talrijk in open deciduous forest in het noorden.

De kleine bloemtjes die uit de bracten tevoorschijnkomen zijn met hun franjevormige gespleten lila lip zeer sierlijk.

Deze algemene plant heet in het Thai krachieo khao. Zowel de jonge bladeren als de bloemen worden wel gegeten. (5)

Op de foto links zie je hoe de bloeiwijze van Curcuma parvifora eruit ziet. (Augustus 2011, deciduous forest, Omkoi District, Chiang Mai.)

Alpinia
Een algemene verschijning aan het begin van het regenseizoen (vooral in april en mei) zijn de forse, witte bloemen van de al even forse planten van het geslacht Alpinia. Ze worden gemakkelijk twee meter hoog.

Een aantal soorten wordt ook wel ‘shell gingers’  genoemd vanwege de glanzend witte knop gevormd door de bracten. Daarbinnen zit het bloempje opgesloten. Uiteindelijk breekt dat  door de glanzende bracten heen.

Wijd verspreid en zeer algemeen is de soort Alpinia zerumbet.

A. zerumbet

Alpinia zerumbet

Alpinia malaccensis

Alpinia malaccensis

Daarvan zijn de ‘porseleinen’ bloemknoppen langwerpig en is de gele bloemlip rood geaderd. Deze soort is erg algemeen, maar om hem te zien moet je wel wat hoger de bergen in— tot waar het evergreen bos begint.

Laos (in het Thai: kha) bestaat uit de sappige aromatische rhizomen van de veel gekweekte soort Alpinia galanga. Deze kha is onmisbaar voor de tom yam en enkele andere Thaise gerechten. De bloeiwijze van A. galanga ziet er echter heel anders uit dan die van Alpinia zerumbet.

Een bijzondere verschijning op de bodem van het vochtige bos zijn de bloemen van de gemberachtigen uit het geslacht Etlingera. De knalrode Etlingera araneosa wordt door de Thai put doi genoemd (‘rafflesia uit de bergen’). Hij komt in heel Thailand voor maar is niet bijzonder algemeen.

Veel algemener zijn de bloeiwijzen van Zingiber, harde ‘geschubde’ kegelvormige structuren die van mei tot oktober aan een korte steel uit de bodem verschijnen. Van boven naar beneden openen de schubben zich om een klein, sierlijk bloempje prijs te geven.

Zingiber

Zingiber spec. Tha Song Yang District, Tak.

Hedychium coccineum

Hedychium coccineum op Phu Chi Fa, Chiang Rai.

De bekendste soort (Zingiber zerumbet) is knalrood. In het Thais heet hij krathuea daeng (‘rode krathuea’) of krathuea pa (‘bos krathuea’). De stengel en bloemen worden al sinds mensenheugnis gebruikt als middel tegen voedselvergiftiging, koorts, e.d.

Tot de gemberachtigen met de meest sierlijke bloemen behoren de planten van de geslachten Hedychium en Globba.
Sommige Hedychium-soorten lijken op lelies en ze worden daarom ook wel gemberlelies genoemd.

Ze hebben niets mysterieus meer zoals de gembersoorten die als rode knoppen uit de bodem van het bos tevoorschijn komen, maar hebben opvallende en uitbundige bloemen die hoog boven de grond worden gedragen. Een van de fraaiste soorten is Hedychium coccineum met oranje of rode bloemen (zie foto hierboven).
Vrij algemeen is de witbloemige Hedychium ellipticum met witte bloemen. Op sommige plaatsen in de bergen kunnen deze heel algemeen zijn en soms vormen ze een bijna aaneengesloten geheel in open plekken in het bos, zoals nabij de top van Doi Pui (de hoogste piek ten westen van Chiang Mai). Sommige soorten zijn epifyten.

epifytische Hedychium

Een epifytische Hedychium-soort, Doi Suthep, Chiang Mai.

Chemie en kruiden
Gemberachtigen worden gekenmerkt door excretiecellen die naast etherische oliën ook niet-vluchtige verbindingen bevatten, zoals harsen, kleurstoffen en scherpe stoffen. Het gaat vooral om stoffen van de terpeen- en fenylpropaan-biosyntheseweg.
Hoofdbestanddeel van de oliën typisch voor gemberachtigen zijn vaak zuurstofhoudende monoterpenen (borneol, campher, cineol, e.d.) en terpeenkoolwaterstoffen (camphen en pinen, met name zingiberen. Onder de fenylpropaanlichaampjes domineren mosterdzuurderivaten, vooral als niet-vluchtige bestanddelen. In sommige ehterische oliën komen mosterdzuur en p-hydroxymosterdzuur voor.

In Curcuma-soorten bevinden zich gele pigmenten in idioblasten (“curcumine”) die aan het kerriepoeder de gele kleur geven. In verschillende gemberachtigen, met name de gewone gekweekte gember Zingiber officinale zitten niet-vluchtige scherpe stoffen, die als fenylpropaanlichaampjes met verlengde zijketens opgevat kunnen worden. (7)

Gemberachtigen als kruiden
Vanwege deze scherpe stoffen, de gele pigmenten en de etherische oliën worden nogal wat soorten als kruid en specerij gebruikt en vinden ze veel toepassing in de kruidengeneeskunde.

Globba spec.

Een Globba-soort met gele bloemen. Deciduous forest , Khun Yuam District, Mae Hong Son.

Globba Doi Pui

Deze Globba-soort is in het regenseizoen zeer algemeen op Doi Pui.

Naast de gewone gember (Zingiber officinale) zijn Curcuma domestica en Elettaria cardamomum van belang in de keuken. De wortelknolletjes van Curcuma domestica (de ‘turmeric’) vormen gedroogd en tot poeder gemalen een hoofdbestanddeel van het kerriepoeder. De gele kleur van talloze curries komt vooral op rekening van deze turmeric (in het Thai: khamin). Elettaria cardamomum is de bron van het cardamom. En de wortelstokken van de reeds genoemde Alpinia galanga (het laos of kha) zijn in de Thaise keuken onmisbaar, voor onder meer de tom yam en tom kha kai.

In Thailand worden de knolletjes van Boesenbergia (krachai) ook veel gebruikt, bijvoorbeeld in de heerlijke groentencurrykaeng liang. De king (gewone gember) zit in veel Thais gerechten verwerkt zoals de Noord-Thaise varkensvleescurry kaeng hang le.

Larsen & Larsen
Een uitstekend en rijk geïllustreerd boek over Thaise gembers is geschreven door het echtpaar Larsen.
Met wat geluk ligt het nog te koop in de betere boekwinkels van Chiang Mai, zoals Suriwong Book Centre en Duang Kamol.

cover Larsen and LarsenEindnoten:

1a. D. Frohne und U. Jensen, 1973. Systematik des Pflanzenreichs. Gustav Fischer, Stuttgart: 233-235.

1b. Engelberts boeiende verslag van zijn reis in 1690 werd in 1727 in London gepubliceerd en in 1987 opnieuw uitgegeven in Bangkok: Engelbert Kaempfer, 1987 [1727]. A Description of the Kingdom of Siam 1690. White Orchid Press, Bangkok.

2. Kai Larsen and Supee Suksuwan Larsen, 2006. Gingers of Thailand. Queen Sirikit Botanical Garden, Mae Rim, Chiang Mai.

3. Larsen and Larsen, ibid.: 60.

4. Larsen and Larsen, ibid.: 58.

5. Christiane Jacquat, 1990. Plants from the Markets of Thailand. Editions Duang Kamol, Bangkok.

6. MacMakin, Patrick D., 1993 [1988]. Flowering Plants of Thailand. A Field Guide.White Lotus, Bangkok.

7. D. Frohne und U. Jensen, ibid.: 233-235.