Geheim van de Marang

Het Geheim van de Marang
De vergeefse dwaaltocht van een vruchtenfreak (1)
Marang-01Zeldzame, exotische vruchten proeven: dat was enkele jaren de grote obsessie van Sjon Hauser. In Zuidoost-Azië dwaaalde hij langs makopa en cirsat, rakam en jackfruit, lamyai en doerian en langs nog veel meer, op zoek naar…ja, naar wat eigenlijk? Hoe dan ook, eenmaal bij de marang aangekomen bleek zijn dwaaltocht tegelijk wel en niet vruchteloos.

Jaren geleden liet Harry Mulisch, naar aanleiding van het verschijnen van zijn biografie van de superfreudiaanse psychiater Wilhelm Reich, zijn hoofd en leren jasje weer eens op de TV zien. Bij Mies in de show, als ik me goed herinner. Het is dan zaak iets grappigs te zeggen en Mulisch besloot zijn optreden met de woorden “Eet meer Freud, dan blijf je Jung!”
Het verband tssen dieptepsychologie en fruit was voor mij toen niet duidelijker dan de symboliek in het verhaal over het eten van de verboden vrucht, de gelijkenis van banaan en kokosnoot met de mannelijke geslachtsdelen of het neurotisme van TV-econooom J.J. Peereboom.
Een aantal jaren later, tijdens mijn eerste reis door Zuidoost-Azië, werd de tot dan toe slechts met studie en disco gevulde leegte in mijn bestaan gevuld met tropisch fruit.
Niet Mulisch, maar Slauerhoff voerde mij naar het Verre Oosten. Afstuderen was toen even zinloos als het zoeken naar een geliefde in een bar of discotheek, reizen leek de enige uitweg. Maar waarheen? Hangend boven een atlas viel mijn blik op Manila en ik herinnerde mij de magische klank die Manila voor mij had gekregen na het lezen van Slauerhoffs verhaal Larrios. In dat verhaal wordt de hoofdpersoon verliefd op een donkerogige vrouw die hem toelacht vanaf het balkon van een huis in een Spaanse provinciestad, terwijl hij in een trein voorbijrijdt. Zijn verdere bestaan offert hij op aan het zoeken van deze vrouw. Twee keer ontmoet hij haar, maar raakt haar meteen weer kwijt. Uiteindelijk vindt de zwerver-zeeman haar, gesetteld in een huis in Manila. Dan blijkt zijn liefde voor haar verdwenen.
Voor mij werd Manila het startpunt van een jarenlange zwerftocht, de vergeefse omzwerving van een vruchtenfreak.

Als kind had ik een uitgesproken hekel aan fruit. Sinaasappels en appels waren een straf voor mij; vitamine C luidde het vonnis. De zoetzure opdringerigheid van de appel, de meligheid van de banaan en de imbeciliteit van zowel de smaak als de vorm van de peer werden door mijn omgeving  ‘gezond en lekker’  gevonden, hetgeen mij in verwarring bracht. Maar het ging hier niet om ‘echte’ vruchten, zo zou later blijken.
Hoewel ik als jongeling de mango en ananas in zekere mate waardeerde, zou ik de ware vruchten pas na aankomst in Manila leren kennen. Van vruchtenhater werd ik er fruit-fetisjist.
De makopa was de eerste nieuwe vrucht die ik leerde kennen, een roze ‘appeltje’ zo groot als een flinke aardbei. De smaak is niet zoet of zuur zoals de ons bekende appels, maar zacht, iets gefarfumeerd. Het ideale appeltje-voor-de-dorst voor de beschaafde natuur die zijn behoeften niet op overmatige wijze wil bevredigen. In Thailand heet ze chomphu en daar zag ik ze zo groot als een moorkop.
Was het toen, langs de Recto Avenue, die constant verstopt is door vijf rijen knetterende en luide disco verspreidende jeepney’s, dat mijn vruchtenmanie ontstond, nadat een beeldschone Filippino mij lachend de makopa’s overhandigde in een uit krantenpapier geplakt zakje? Op zijn T-shirt las ik de reclame voor een sigarettenmerk: HOPE. Of was het een week later, in San Fernando, bij de aankoop van chico’s bij een vriendelijk, oud marktvrouwtje, dat een rilling van affectie  compleet met piekervaring  mijn manie aankondigde?
Hoe het ook zij, aan het eind van de eerste reis bracht ik de dagen nog slechts slenterend over markten door. Vooral de geuren en kleuren van de fruitstalletjes betoverden mij. Van louter biologische nieuwgierigheid was geen sprake. De eerste aanblik van een reusachtige yam, een tropisch knolgewas, was fascinerend en gaf me het gevoel een kleine ontdekking gedaan te hebben, maar dit viel toch geheel in het niet bij de overrompelende mengeling van machteloosheid en gelukzaligheid tijdens de aanblik van drie flinke cirsats niet ver van de Borobudur op Java. Of de tedere verbazing toen ik op de markt van Pegu in Birma opeens voor een kolossale jackfruit stond.
Beide, jackfruit en cirsat, stonden weldra heivast op mijn tropische vruchten toptien. Ze verdienen nadere kennismaking.
De cirsat heet alleen in Indonesië zo. In Nederland wordt ze zuurzak genoemd, maar deze lompe naam doet toch echt tekort aan het uiterst verfijnd aroma van de slijmerige pulp die eerder zoet dan zuur is. En de sterk asymmetrische vorm van de vrucht herinnert nauwelijks aan een zak. De leerachtige, groene, van slappe stekels voorziene huid maakt dat ze door de meeste toeristen voor een soort groente wordt gehouden. Het wat woeste, lompe uiterlijk en de zeer fijne smaak maken haar tot één van mijn favoriete vruchten., maar ook haar betrekkelijke zeldzaamheid heeft daar mee te maken.
Als attente fruitjager kom je haar overal tegen, van Sri Lanka tot de Filippijnen, maar steeds in kleine hoeveelheden. Nergens wordt ze in het groot gekweekt.
De jackfruit is de olifant onder de vruchten. Ze kan een gewicht van 40 kg bereiken. Als een vreemdsoortig gezwel hangt de jackvrucht aan een korte twijg langs de stam van de jackboom. Wanneer ze rijp is, wordt ze, net als wat vaak met volwassen olifanten gebeurt, afgeslacht. Dit is het best te aanschouwen op de weekendmarkt in Bangkok. Deze ‘Koning der Markten’ ligt op een grote vlakte die omringd wordt door het Koninklijk Paleis, het Ministerie van Defensie, het Nationaal Museum, de Nationale Schouwburg en de beroemde Thammasat Universiteit. Door de week worden er slechts wat vliegers opgelaten of er groeperen zich tanks voor een nieuwe putsch, maar in het weekend doet half Bangkok er zijn boodschappen.(2) De vruchtenafdeling neemt er weliswaar een bescheiden plaats in, maar de variatie van mijn geliefd ooft is er groter dan waar ook.
Een bus stopt aan de paleiszijde van de markt. De nu ervaren fructofiel stapt uit. Volg mij. Eerst worstel ik mij door het gedrang tussen de stalletjes waar kleding, keukengerei, posters, kitschsieraden, rubberbeestjes, boeddhabeelden, amuletten en andere dode materie worden verkocht. Na een kwartier bereik ik een cluster van stalletjes volgeladen met gebakken kikkers, vogeltjes, orgaanvlees, vissausen, potten met trasi of kruiden. De eerste groenten doemen op. Wanneer het beeld ten slotte gedomineerd wordt door de groentestalletjes, verschijnen de eerste vruchten. Ik herken hetzelfde begerige, nerveuze gevoel dat mij overvalt als ik in Amsterdam een pornowinkel binnenstap. Zo nonchalant mogelijk sla ik de vruchten gade. Donkere ogen achter stapels ramboetans en manden santols loeren mij aan. Ik blijf staan bij de koopwaar van een dikke vrouw: vandaag heeft ze weer rakams. Ik neig tot hyperventilatie. De vrouw herkent me nog van de vorige keer. “Farang (westerling) houdt van rakam,” denkt ze. Ik koop ‘krueang kilo’. Haar glimlach doet me blozen, maar de koopdaad maakt me toch rustiger. Met een pond van de oervruchten slenter ik verder. Ja, voor mij is de rakam de oervrucht, omdat de smaak (die iets wrangs en primitiefs heeft) me doet denken aan een noot. De schil is fijn geschubd en lijkt op een reptielenhuid. De vorm is die van een afgeplatte ui. Ze staat hoog in aanzien bij mij, mede weer door haar zeldzaamheid. Eigenlijk is ze alleen in Indonesië erg algemeen. Daar heet ze salak.

Marang-02Ik neem mij voor deze middag mijn koopdrift van vruchten de baas te blijven. In mijn hotelkamer liggen immers nog een zak ramboetans, een paar flinke goeaves en een santol. Vruchten laten rotten is een doodzonde, het bespeuren van een rotte plek in een blimbing maakt mij soms zwaarmoedig.
Een Duitser koopt ‘Orangen’, niet wetend dat het tangerinen zijn. Ik sta op het punt het hem uit te leggen, maar vind het toch beter dat mijn kennis geheim blijft.
Via de manggistans en de watermeloenen bereik ik daarna de slachtplaats van de jackfruit, tegenover de universiteit (waar enkele jaren geleden linkse studenten werden afgeslacht door paramilitaire groeperingen die drie jaar ‘democratisch experiment’ welletjes vonden).
In het Maleis heet deze gigantische vrucht nangka, de Filippino noemt haar lanka, maar voor de Thaise vrouwen die hier de gele zaadrokken uit de opengereten vruchtlichamen scheppen, is zij de khanun. De smaak van de zaadrokken is uniek, heeft iets vanilleachtigs. In een Nederlands plantenboek kan men lezen dat ze smaakt zoals een sedert lang niet gereinigd wittemuizenhok ruikt en Europeanen zouden de vrucht daarom zelden eten. Ik heb nooit witte muizen gehouden, maar overtuigt u zich zelf van de zalige smaak van de jackfruit. In sommige toko’s in ons land is ze ingeblikt te koop. Let op het bijschrift ‘op zware siroop’, anders loopt u het risico met een blikje onrijpe jackfruit thuis te komen. De onrijpe vrucht is weliswaar een onmisbaar ingrediënt van de nasi gudeg in delen van Java, maar u zult de melige smaak waarschijnlijk niet waarderen.

Wanneer men, zoals ik, al vele maanden op Aziatische markten heeft doorgebracht, dan wordt de ontdekking van een nieuwe vrucht een steeds zeldzamere gebeurtenis. Je spreekt de belangrijkste talen inmiddels een beetje en de aankoop van fruit geschiedt steeds routineuzer. Doet de verveling zijn intrede? Het einde van een rage? Nee, de fruitmanie wordt nu op een ander niveau beleefd. Het is nu zaak van vruchten de vele verschillende rassen en variëteiten te leren onderscheiden; aan de speurtocht naar de grootste doerian, de gaafste zuurzak en de grootste berg ramboetans komt voorlopig nog geen eind. Reisschema’s worden afgesteld op de ligging van boomgaarden. Je reist naar centraal Sri Lanka voor de woodapple, naar Noord-Sumatra voor de marquiza en naar Kuala Lumpur voor de blimbing. Je zorgt op tijd terug te zijn in Chiang Mai om de oogst van de longan (lamyai) niet te missen. Je bent inmiddels expert. Praatjes met marktlui leveren nauwelijks nog nieuwe informatie op. In de schaarse boekjes over tropische vruchten begin je steeds meer fouten te ontdekken. Maar de betovering die er van het fruit uitgaat blijft bestaan. Tropische vruchten blijven een onuitputtelijke bron voor . . . ja, voor wat eigenlijk? Een bron voor ontroerende ogenblikken?

Ik haal mij het afgelopen voorjaar in Noord-Thailand voor de geest. De omgeving van Lamphun is er het centrum van de longan-boomgaarden. Ik ben net in Chiang Mai aangekomen en zit er ‘s avonds na mijn maal in een restaurant zo onopvallend mogelijk onder tafel een rangsat te pellen. Jongens aan een andere tafel proberen mijn aandacht te trekken. Met hun sympathieke glimlach en hun literfles Mae Khong-whisky slagen ze erin mij aan hun tafel te krijgen. Ze verstaan mijn Engels en gebrekkig Thais nauwelijks. Er wordt ten slotte slechts bijgeschonken en geglimlacht. De volgende morgen word ik in een Thaise boerderij, een paalwoning, wakker. Met bonkende koppijn sluip ik door het huis, waar iedereen nog lijkt te slapen. Ik daal de trap af: het huis blijkt middenin een longan-boomgaard te liggen. Van de meeste bomen zijn de hoofdtakken met palen gestut opdat zij niet onder het gewicht van hun vruchten zullen bezwijken. Een bloeiende longan-boomgaard in de vroege ochtendzon, een ontroerend moment voor een vruchtenfreak. Een kleine hond, het enige teken van leven op de boerderij, kijkt me verbaasd aan als ik een arm om de stam van een boom sla.
Even later verschijnt er een man met een verweerd gezicht in de ingang van het huis, bovenaan de trap. Ik stuntel in mijn beste klukkluk-Thai: “Goedemorgen, uw longanbomen staan er prachtig bij.” Ik word begrepen, een trotse boer lacht overal op dezelfde manier.

Als fruittoerist voel je je vaak eenzaam. Met andere toeristen kom je zelden in contact. De strandtoeristen, de ruïne- en souvenirjagers en de sekstoeristen laten zich zelden op mijn markten of in de boomgaarden zien. Met de sekstoeristen voel ik mij nog het meest verwant, maar hun platvloersheid irriteert mij. Wanneer ik een toerist op een markt tegenkom, word ik meestal jaloers of vijandig. Het is alsof zij mijn gewijde grond vertrappen. Maar ook aan de toeristen in mijn hotel erger ik mij vaak, bij voorbeeld als ik met een zak vol doekoe’s binnenkom en ze vragen quasi-geïnteresseerd wat dat voor ‘dingen’ zijn.
Mijn contacten met de bevolking zijn meestal ingetogen, maar daarom niet altijd oppervlakkig. Ik herinner mij de ernstige blik van de jongen in Rangoon. Terwijl ik zijn partijtje zuurzakken betast bespeur ik zelfs angst bij hem, angst dat ik ontdek dat al zijn vruchten een beetje murw zijn. De schaamte daarover probeert hij te verbergen door zijn geruite Birmese sarong, de lonyi, opnieuw rond zijn smalle heupen te schikken. Opgelucht lacht hij als ik toch een vrucht koop.
Honderden uren breng ik als fruitfreak alleen op de verre markten door, starend naar een mand met ananassen of de gespierde meloensjouwers met hun vlassige snorretjes en hun rustige oogopslag. Of gewoon maar wat slenterend, vaak achtervolgd door nieuwsgierige kinderen, terwijl je voordurend wordt aangesproken door opdringerige verkopers.
De vroege avond is eenzaam. Deze breng ik meestal door in mijn hotelkamer, waar ik een schets of een aquarel van een bijzondere vrucht maak. Soms bestudeer ik de pitten van een vrucht; in mijn tas heb ik zelfs een apart vakje voor pitten.
Later op de avond zijn het de donkere ogen van de jongens in het licht van de petroleumlampen bij de eetstalletjes die mij al evenzeer fascineren.
Hoe langer je van huis weg bent, des te meer ga je over jezelf nadenken.  Wat doe ik hier eigenlijk zo ver van huis? Je zoekt een verklaring voor je gedrag, je vindt haar niet. Je besluit met je gewoonte te breken en neemt je voor de volgende morgen slechts historische monumenten te bezichtigen. Maar ‘s middags blijk  je weer rond te hangen op een markt. Komt er dan nooit een eind aan mijn tocht?
Steeds vaker bespeurde ik een ongeduld, maar ik begreep niet waarvoor. Iets binnen mij was aan het breken.  Dat was vier maanden geleden op mijn laatste reis. Ik was juist begonnen aan één van mijn grootste missies: de doerian van Davao.
Davao is een van ‘s werelds grootste fruitcentra, gelegen op Mindanao, het zuidelijke probleemeiland van de Filippijnen. Er liggen kolossale plantages van Del Monte en Dole, de massamoordenaars van mijn vruchten. Heb je eenmaal een verse ananas in Penang geproefd, dan haal je het niet in je hoofd het ingeblikte product te eten. Een ingeblikte vrucht heeft iets triests, net als een foet op sterk water.
Van de vruchten die uit Davao komen is vooral de doerian beroemd, zo beroemd dat er in het centrum van Davao City een standbeeld van deze grote, met grove stekels gewapende vrucht is geplaatst. (Kunt u zich een grote marmeren kers op het dorpsplein van Tiel voorstellen?) De stekels maken dat het sjouwen met een doerian naar je hotelkamer geen pretje is. Bovendien stinkt ze. Maar ondanks deze eigenschappen wordt de doerian in het oosten vrijwel unaniem als de Koning der Vruchten beschouwd. De Filippino drukt zijn liefde voor deze vrucht als volgt uit: “The durian smells like hell, but tastes like heaven.”
De diep in de vrucht verscholen, roomkleurige pulp heeft een uniek aroma. Misschien is ze iets te krachtig van smaak. Mij smaakt ze het best gecombineerd met wat kleefrijst. Natuurvorser Alfred Russel Wallace reisde meer dan honderd jaar vóór mij door het Oosten. Hij ontwikkelde er niets minder dan een evolutietheorie, alleen Charles Darwin was hem met de publicatie van een soortgelijke theorie voor en werd er wereldberoemd mee. (3) Deze Wallace raakte bij de Dajaks op Borneo verslaafd aan de doerian. Hij schreef later dat het eten ervan een sensatie is en een reis naar het Oosten zou alleen daarom al de moeite waard zijn.

Marang-03Ik besloot mijn bedevaart naar het doerianbeeld zo veel mogelijk over land af te leggen. Met een minimum aan bagage en een zak vol duhats stapte ik in Manila op de nachttrein die me naar het zuiden van Luzon bracht. Daar vertoefde ik een aantal dagen op de markten van de provinciestadjes gelegen rond de perfect konische Mayon-vulkaan. Op één zo’n markt zag ik een stapel mango’s en een mandje met wat roods erin. Maar niet het rood van tomaten of makopa’s. Ik kreeg er hartkloppingen van. Deze vruchten had ik nog nooit gezien. Knalrood waren ze, zo groot als een aardbei en onregelmatig van vorm, en ze hadden een glad velletje. Deukjes erin verrieden de neiging tot murwheid. Ik wees op de vruchten en vroeg het vrouwtje van wie ze waren hoe ze heten: “Ano pangalan na ito?” Zij begreep me niet. Logisch, hier in de Bicol wordt bijna geen Tagalog gesproken. Met Engels had ik ook geen resultaat. Vervolgens wees ik op de mango’s en zei: “Ito mangga,” daarna op de onbekende vruchten: “Iyan…?” maar de naam van de vruchten werd niet ingevuld. De vrouw keek me daarentegen schichtig aan, alsof ik haar wilde bekeuren voor illegale handel. Ik haalde drie piso uit mijn broekzak, genoeg voor de aanschaf van negen mango’s, legde ze voor de vrouw neer en wees op het onbekende ooft. Zulke zeldzame vruchtjes zouden wel eens kostbaar kunnen zijn en afdingen op een onbekende vrucht, dat doet een fructofiel niet. De vrouw haalde een grote plastic zak tevoorschijn en begon de vruchten vanuit de mand in de zak over te hevelen. De angst om in het hotel te worden uitgelachen omdat ik te veel voor deze vruchtjes zou hebben betaald verdween speodig; alle pseudokersen bleken voor mij te zijn.
Met zeker vijf pond ervan en een bonkende bortskas begaf ik me naar mijn hotel. Onderweg stak ik snel zo’n vrucht in mijn mond (het wassen van vruchten had ik als fruitfreak snel afgezworen): ze smaakten nog zuurder dan aalbessen.
De teleurstelling over de matige smaak van mijn nieuwe ontdekking werd snel goed gemaakt door het resultaat van mijn navragen bij de Filippino’s in het hotel; niemand had deze vruchten ooit eerder gezien.
De volgende dag moest ik me haasten om de bus naar de veerboot te halen. Ik had geen tijd meer om de marktvrouw nog eens, met tolk, te ondervragen. Van de mensen op de veerboot waarmee ik een praatje maakte, kende ook niemand de rode vrucht. Het duurde uren voordat de volgepropte boot de tocht over de San Bernardino Straat, berucht om zijn haaien, begon. In de haven zwommen slanke, bruine, zestienjarige jongens als ratten rond de veerboot. Hun in de zon glimmende lijfjes en hun natuurlijke lach maakten me triest. Ik voelde me opeens oud, lelijk en onbeholpen op die propvolle boot, met mijn zak vruchten op schoot. Ik reageerde me af door het eten van de onbekende vruchten, waarvan een deel al iets was gaan schimmelen. Op het eiland Samar aangekomen, was de zak al half leeg. Daar nodigden vriendelijke mensen mij uit in hun huis dat afgelegen lag in de heuvels. ‘s Nachts had ik buikkrampen. Het gerommel in mijn darmen werd in de verte afgewisseld met de geweersalvo’s van regeringstroepen of guerillastrijders. Steeds maar weer spookte dat beeld van de vorige dag in mijn hoofd: die prachtige jongens zwemmend rond de boot, waarop ik giftige vruchten zit te eten.

Na mijn herstel besloot ik mijn reistempo te verhogen en ik bezocht slechts een aantal markten op het eiland Cebu. De beroemde mango’s van Cebu en de reusachtige jackfruits maakten weinig indruk meer. Ik voelde me te gespannen om er echt van te genieten. Een week later arriveerde ik in Davao City. De rijkdom aan vruchten daar viel mij bijzonder tegen. De bezichtiging van het doerian-monument was beslist niet het hoogtepunt van mijn reis. De mensen waren onvriendelijk. Jongens glimlachten niet naar me, maar lachten me uit. Ik wilde weer gauw terug naar Manila, maar de eerstvolgende vlucht ging pas over vier dagen. Het werden vier dagen van verveling, ergernis en schaamte, middenin het vruchtenparadijs. Ik probeerde mijn tijd nuttig door te brengen met uitstapjes naar bezienswaardigheden, die, voorzover aanwezig, moeilijk te vinden waren. Ik voelde me te paranoïde om de weg te vragen en liep soms uren door de gloeiende zon, zonder te weten waarheen. In mijn hotelkamer stond ik lang voor de spiegel, ontevreden over mijzelf. Mijn behaarde armen, de blauwige glans van mijn gezicht, dat ik twee keer per dag schoor, wat moest dat er afzichtelijk uitzien door de bruine ogen van de Filippino.
Op de vierde dag maakte ik een dagtochtje naar Digos. Twee uur lang zat ik zwetend, ingeklemd op een houten bankje, in de hobbelende bus. De passagiers roddelden over mij, lachten me uit. Ik durfde niet meer voor me te kijken. Waar was mijn vroegere reisallure gebleven? Wat schifte er toch in mij?

Marang-04Op mijn kaart lag vlakbij Digos de Mt. Apo, met zijn drie kilometer de hoogste berg van de Filippijnen. Ik kon de berg niet vinden! Ik durfde er niet naar te vragen; ik was belachelijk.
Op de terugweg naar Davao City stopte de bus in een dorpje. Voor een hut sleepte een slanke, gespierde jongen met bananenbladeren. Zijn lichaam glom boven zijn jeans. Hij draaide zich naar de bus toe; het was de mooiste jongen die ik sinds maanden had gezien. Zijn ernstige blik en zijn schoonheid schiepen een afstand van lichtjaren tussen ons. Ik sloeg uit wanhoop mijn handen om mijn hals om mijn borstharen te bedekken die boven mijn T-shirt uitstaken, daarbij mijn behaarde armen juist exposerend.
Ik wilde uitstappen, om te kotsen of te huilen, of om ook met bananenbladeren te gaan slepen, maar de bus reed alweer verder. Zou ik de vlucht naar Manilla uitstellen en morgen hier terugkomen om de jongen te zoeken. Maar dat zou belachelijk zijn, zoiets had ik nooit gedurfd. Ik voelde me een tragische filmfiguur. Iets van Bogarde in Dood in Venetië en iets van De Klokkenluider van de Notre-Dame.
Waar kon ik troost vinden? Blanke toerist klampt in de bus een Filippino aan en bekent hem: “Ik word oud en lelijk,” starring Sjon Hauser.
In Davao City aangekomen, begaf ik me naar de markt, maar alleen om me vol te gieten met tuba, een pittige kokosdrank. Toen ik een uur later, dronken, in de laatste zonnestralen van de dag naar mijn hotelkamer liep, passeerde ik een fruitstalletje, waar naast ananassen een mij volkomen onbekende vrucht lag.
“Moet dat nou,” dacht ik, “op mijn oude dag nog nieuwe vruchten ontdekken?” Ik vroeg hoe het lompe, borstelig behaarde geval heette. Het was een marang. In een oud fruitboek was ik de naam al eens tegengekomen. Op het eerste gezicht leek de vrucht verwant aan de jackfruit. Ze kostte twee piso. In mijn hotelkamer sneed ik het geval ruw doormidden. Het grootste deel van het binnenwerk was verrot. Het was alsof ik in mijn eigen ziel keek. Deze marang was een lompe, behaarde vrucht, rot van binnen. Precies zoals ik. Ik klapte de vrucht dicht en liet haar van ooghoogte in de plastic prullenbak vallen. Een straal van het stinkende pus schoot daarbij omhoog. Hier eindigde mijn fruitmanie.

Marang-05De volgende dag, in Manila, liep ik wat door het Rizalpark. Relnichten probeerden mijn aandacht te trekken met hun gekunsteld gedrag. “Parlez-vous français?” kirden ze op een afstand. Ze hadden hun beste jaren al achter zich. Misschien hadden zij vroeger ook wel gezwommen rond het veer naar Samar of met bananenbladeren gesleept in een dorpje in Mindanao.
Een week later in Thailand, in Chiang Saen, op een bankje onder een tamarindeboom aan de oever van de Mekong, probeerde ik mijn gedachten verder te ordenen. Het uitzicht op het onbekende Laos stemt tot reflectie. Ik wilde een verband leggen tussen mijn vruchtenmanie en mijn verlangen naar verre, onbereikbare jongens in het oosten, niet de jongens in de bars van Manila of Bangkok, maar de stille jongens met hun geheimzinnige oogopslag op de markten in Rangoon, Hat Yai, Banda Aceh. Zijn zij niet puur als het hart van een doerian, fris als een makopa en oprecht als een goeave?
En symboliseert het rotten van een vrucht niet het oud en lelijk worden van de mens?
Rond om de bank, waarop ik deze gedachten ontwikkelde, lagen talrijke vertrapte tamarindes, een van de zuurste vruchten.
Terug in Nederland herlees ik Slauerhoff. Bij Freud zoek ik naar de symboliek van vruchten in dromen. De film Dood in Venetië is opnieuw in roulatie; ik volg de oude componist door de steegjes van de Italiaanse stad terwijl hij achter de beeldschone jongen aan loopt. Ik graaf diep in mijn verleden en verplaats mij in de kinderwagen in een groentenwinkel. Met een armpje kom ik net bij een appel die me meteen weer wordt afgepakt. “Mag niet, mamma boos, mamma veel verdriet!” Ik moet mezelf forceren mijn vage ideeën over de oorzaken van mijn fruitmanie op papier te zetten, ik geloof zelf nauwelijks in wat ik opschrijf, ik blijk geen Wallace te zijn, noch een Slauerhoff of een Mulisch. Het verband tussen mijn vruchtenmanie en mijn libido blijft even onduidelijk en mysterieus als het Verre Oosten. (3)

Noten:

(1) Dit verhaal verscheen eerder in Avenue, juni 1982: 109-113.

(2) Niet veel later, ergens in de jaren tachtig, werd deze reusachtige markt van het oude centrum van Bangkok verhuisd naar een buitenwijk in het noorden: naar Chaturak.  Daar is de Weekend Markt nog steeds te vinden.

(3) Het eind van het verhaal was in de oorspronkelijke versie ongeveer als volgt:
‘Ik raffelde mijn essay af en liet het lezen aan een vriend van mij, een literair en filosofisch aangelegde psychotherappeut. Zijn oordeel was vernietigend: kut met peren!’
Deze zinnen werden door de redactie van Avenue geschrapt.

Meer over tropische vruchten—weliswaar wat prozaïscher—in:

over kokosnoten: Kokospalmen, levensboom van Zuidoost-Azië  .
over de doerian: Doerians, vruchten die hemels smaken maar hels stinken  .
over mango’s en verwante vruchten: Mangomania—a delicious fruit of the hot season  .
over de longan, litchi en ramboetan: Litchi, longan and rambutan—fruits from a soapy family  .