Ficussen—imposante wurgbomen van tropisch Azië

Ficus elastica in Chiang Mai

Een grote Ficus elastica nabij de Chiang Mai poort in Chiang Mai.

Een jongedame voelde zich tot een bepaalde vrucht aangetrokken. Ze plukte hem en at ervan. Vervolgens presenteerde ze de vrucht aan haar vriend die er ook van proefde. En alsof er een hallucinerend middel in het spel was ‘gingen de ogen van hun beiden open en beseften ze dat ze naakt waren.’ Waarop ze snel bladeren van dezelfde fruitboom gingen plukken om zichzelf mee te bedekken.

Aldus begon een lange geschiedenis van preutsheid, seksuele frustratie en aanverwante ellende als een basisbestanddeeel van de westerse cultuur. Die fruitboom was, zoals we allemaal weten, de gewone vijgenboom (Ficus carica), de eerste plant die in de Bijbel wordt vermeld — in totaal wordt hij er 57 keer in genoemd.

Deze vijgenboom komt oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië maar is ook genaturaliseerd in het Middellandse Zeegebied waar hij sinds mensenheugnis een belangrijke voedselbron is. Behalve dat de boom volgens de christenen de schaamte introduceerde, wordt er over beweerd dat hij Maria te hulp kwam toen zij met haar kindeke Jezus op de vlucht was voor de soldaten van Herodes. De boom opende zijn stam zodat moeder met kind zich erbinnen kon verschuilen totdat de achtervolgers de razzia staakten.

Een verwante soort, Ficus ruminalis, speelde een beslissende rol bij de stichting van Rome: het op de Tiber dobberende wiegje van Romulus en Remus bleef op de plaats van het latere Rome in de wortels van zo’n boom aan de oever steken. De boom werd door de oude Romeinen vereerd totdat na vele eeuwen hun beschaving werd doordrongen van het christendom, wat volgens historicus Edward Gibbon leidde tot de snelle neergang en val van het Romeinse rijk.

Al veel eerder werd het hout van een Afrikaanse vijgenboom (Ficus sycomorus) in het Egypte van de farao’s gebruikt voor het maken van de doodskisten waarin de mummies werden gelegd in de sarcofagen voordat die de graftomben in gingen.

neushoornvogel fouragerend in ficus

Een oriental pied hornbill foeragerend in een ficus in het Khao Yai nationaal park.

De meeste soorten van het grote geslacht Ficus (met meer dan duizend soorten) voelen zich niet thuis in een gematigd of zelfs subtropisch klimaat. Het zijn typische bewoners van de tropische gordel, met name tropisch Azië. Het is niet verwonderlijk dat een aantal een rol speelt in de folklore van de hindoes en boeddhisten, vergelijkbaar met de ‘gewone vijgenboom’ in de christelijke traditie. Met name twee soorten, de bodhi en de banyan, worden door honderden miljoenen Aziaten als heilig beschouwd.

In Thailand komen een paar honderd Ficus-soorten voor. De vereerde bodhiboom is er een van de algemeenste boomsoorten, hoewel hij er oorspronkelijk niet voorkwam. Eén grote wurgvijgenboom is er zelfs een toeristische attractie.

Alle ficussen hebben een nogal complexe manier van seksuele voortplanting met elkaar gemeen. De symbiotische relatie met vijgenwespen (Blastophaga) is essentieel voor de bestuiving.

eekhoorn in bodhi

Eekhoorn en vruchtjes bodhi.

In feite is de ‘vijg’ een massa van minuscule bloempjes (zowel mannelijke en vrouwelijke als steriele galbloemetjes) die de binnenwand van de vijg bekleden — het geheel lijkt op een vrucht.
De wijfjeswesp moet zich door een nauwe opening wurmen om binnen te komen en daarbij verliest ze niet zelden een poot of vleugel.

Eenmaal in het vlezige binnenwerk stoot ze tegen de bloempjes terwijl ze op zoek is naar een gal om haar eieren in te leggen, waarbij ze de vrouwelijke bloempjes bevrucht met het stuifmeel van een andere vijg dat nog aan haar kleeft.

De mannetjeswespen die in de gal uit het ei komen zijn vleugelloos en blind  en hun enige taak is de jonge wijfjeswespen te bevruchten zolang die nog in de vijg zijn. De mannetjes sterven zonder deze ooit verlaten te hebben.

Terwijl de vijg rijpt ontwikkelen de bevruchte bloemetjes zich tot kleine zaadjes, de vijgenpitjes.
Wanneer je vijgen doormidden snijdt kun je verschillende stadia zien.
Het wordt dan ook duidelijk dat de vijg met zijn naad aan de buitenkant en de wonderlijk vlezige textuur binnenin aan de vulva doet denken, iets dat de Italianen zich al lang realiseerden.

Vijgen aan een Ficus

Rijpende vijgen aan korte twijgen aan de stam van een Ficus-soort.

Trossen vijgen

Trossen vijgen van de in Noord-Thais bos algemene soort Ficus semicordata.

De ‘vruchten’ van tropische vijgen hebben in het algemeen weinig of geen economische waarde. Maar een woudreus vol rijpende vijgen is als een enorm openluchtrestaurant dat vele soorten dieren aantrekt, zoals neushoornvogels, makaken, gibbons, binturongs, civetkatten en eekhoorns.

In India worden zowel de bodhi (Ficus religiosa) als banyan (Ficus benghalensis) sinds de oudheid vereerd. Het vereren van bomen is mogelijk een van de eerste en meest voorkomende vormen van religie. Onder de ‘stempels’ van de oude Indus -beschaving van Mohenjodaro is er een waarop een gestileerde bodhiboom staat met de koppen van twee eenhoorns die uit de stam steken.

De bodhi en enkele andere Ficus-soorten zijn van belang doordat ze hout leveren dat geschikt is voor het maken van jukken voor het vee, goedkope meubels, kisten, enzovoorts. In India wordt de bodhiboom ook wel ‘paardenstandplaats’ genoemd omdat het een goede, schaduwrijke plaats is om paarden vast te binden.

Het belang van vijgenbomen en het taboe erop ze te vellen komt ook aan de orde in de Ramayana, het beroemde hindoe-epos. Daarin roep Ravana uit: ‘Ik heb nooit een enkele vijgenboom omgehakt…hoe kan het dan toch dat deze ramp mij treft?’

De bodhi is vaak geassocieerd met de god Vishnu: de boom wordt beschouwd de godheid zelf te zijn, maar tegelijkertijd meent men dat Vishnu onder een bodhi is geboren. De god Krishna, een van de vele incarnaties  van Vishnu, beweert ook: ‘Van de bomen ben ik de bodhi.’ De banyan wordt echter als een incranatie van de god Shiva beschouwd.

bladeren bodhi

De nieuwe bladeren van de bodhiboom (Ficus religiosa) die gedurende het hete seizoen korte tijd zijn bladeren verliest.

Een bodhiboom waar de mensen tijdens het Thaise nieuwjaar in april versierde palen tegen hebben geplaatst.

Een bodhiboom waartegen de mensen tijdens het Thaise nieuwjaar in april versierde palen hebben geplaatst.

In het boeddhisme traden bodhi en banyan beide nog meer op de voorgrond. In Bodhgaya, in Noord-India, bereikte prins Siddhartha de verlichting terwijl hij zat te mediteren onder een bodhiboom.

De prins, die afstand had gedaan van de wereld, werd daarmee de Boeddha en sindsdien wordt de soort Ficus waaronder hij mediteerde de bodhi- of bo-boom (‘verlichtingsboom’) genoemd. De affiniteit van het boeddhisme met bomen wordt ook gesuggereerd door Siddhartha’s voorafgaande geboortes: 43 van de 550 keer was hij een deva (een soort lokale geest) van een boom. Voordat hij deze wereld voor altijd zou verlaten, liet Boeddha zijn favoriete discipel Ananda een stekje van de originele bodhi uit Bodhgaya in Sravasti planten. Boeddha zelf zou gezegd hebben: ‘Wie de bodhi vereert zal evenveel beloond worden als wie mij vereert’ — al lijkt dit in strijd te zijn met zijn gebruikelijke gereserveerdheid jegens verering.

De bodhi was het favoriete vereringsobject van koning Ashoke. Gedurende zijn bewind in de derde eeuw vóór Christus verbreidde het boeddhisme zich over het grootste deel van India en werd de heilige bodhi vaak op gebeeldhouwde reliëfs in tempels afgebeeld.

In Thailand wordt de bodhi ton pho genoemd. Minstens één zo’n boom staat gewoonlijk bij een boeddhistische tempel en sommige kunnen een aanzienlijke omvang hebben. De boom is gemakkelijk te herkennen aan zijn hartvormige bladeren met lange, dunne punten. Doordat de bladstengels dun zijn bewegen ze gemakkelijk in een zuchtje wind en maken dan een kenmerkend ratelend geluid.

In India wordt de boom pipal genoemd. Geïntimideerd door de voortdurend ratelende bladeren, noemden de christenen in Zuid-India de pipal de ‘boom van de duivel’. Behalve de luidruchtige bladeren en de grijsachtige schors hebben pipal (bodhi) en de Europese populier weinig met elkaar gemeen. Beide namen vinden hun oorsprong echter waarschijnlijk bij het Sanskriet woord pippala.

tempelschildering van bodhi

Een tempelschildering van een bodhi. Goudverf op lak. Wat Buppharam, Chiang Mai.

Vlak voor het regenseizoen laat de bodhi opeens al zijn bladeren vallen. De boom staat er echter niet lang kaal bij want binnen twee weken begint hij nieuwe glimmende bladeren voort te brengen — waarmee hij het symbool voor de reïncarnatie bij uitstek is.

Prachtige, grote bodhi’s zijn op het terrein van talloze tempels in Chiang Mai te vinden, zoals Wat Phra Sing en Wat Faham. Als uiting van respect wordt vaak een gele of oranje doek rond de stam gewikkeld. Soms worden er ook boeddhabeelden onder de boom geplaatst.

De beroemdste bodhi van Noord-Thailand staat bij Wat Phrathat Lampang Luang in het district Ko Kha, ongeveer twintig kilometer ten zuidwesten van Lampang. Dit is een van de oudste en indrukwekkendste tempels in het noorden. De takken van de oude, knoestige boom worden gestut door tientallen bamboes, takken en boomstammen die versierd zijn met stroken zilver- en goudpapier.

Er wordt beweerd dat deze boom is opgegroeid uit een stekje van een beroemde bodhi in Anaradhapura op Sri Lanka. De laatste is waarschijnlijk de oudste en meest vereerde bodhi op de wereld omdat hij gekweekt is uit een stekje van de oorspronkelijke bodhi in Bodhgaya dat in de derde eeuw vóór Christus naar Sri Lanka werd gebracht.

Bodhgaya’s ‘Boom der Wijsheid’ (de oorspronkelijke boom) is om en nabij het jaar 600 na Christus gekapt tijdens een bloeitijd van het hindoeïsme.

Ficus met boeddha's Wat Fai Hin

Een grote ficus met boeddhabeelden op het terrein van Wat Fai Hin, Chiang Mai.

Van één bodhi in Thailand gelooft de lokale bevolking dat het een directe nakomeling is van de oorspronkelijke boom. Dat is de Phra Si Maha Pho in de provincie Prachinburi, niet ver van de ruïnes van Muang Si Mahosot, een van de oudste boeddhistische plaatsen van Thailand. Volgens een legende zou een monnik aan het begin van de christelijke jaartelling naar india gereisd zijn en een stekje van de Boom der Wijsheid mee terug hebben genomen naar Thailand (dat werd toen overwegend door Mon bewoond). Bij de toegangspoort tot deze enorme bodhi is op een schildering te zien dat het stekje bij de aankomst van een zeilboot uit India in een processie wordt gevoerd. Een interessant detail is dat aan de mast van het schip de moderne vlag van Thailand wappert!

In Thailand zie je ook veel bodhi’s buiten de tempelterreinen. Van oude ficussen wordt aangenomen dat er geesten in wonen. Als een offerande aan die geesten worden er vaak sjerpen in talloze kleuren om de stam gewikkeld. Sacrale objecten die beschadigd of afgedankt zijn, zoals Chinese huisaltaren, de op een hoog voetstuk staande, cementen Thaise geestenhuisjes of zelfs boeddhabeelden, worden soms onder zulke bomen neergelegd, want men meent dat het dumpen op minder geëigende plaatsen onheil kan veroorzaken. Aldus kunnen er hele verzamelingen van deze dingen bij een ficus ontstaan, tot ergernis van de overheid die ze bij tijd en wijlen opruimt. Aan de stadsgracht van Chiang Mai gebeurt dat bijvoorbeeld bij enkele bomen.

Gedurende Songkran, het Thaise nieuwjaar dat midden-april wordt gevierd, worden gevorkte stokken en palen tegen de stam van de bodhibomen geplaatst. In Noord-Thailand zijn deze stokken traditioneel takken van de jackfruit of de jujube. Soms wordt een hele bundel gevorkte stokjes geofferd aan de voet van de bodhi.

 

Ficus bij Chiang Mai poort.

De imposante Ficus altissima bij de Chiang Mai poort van Chiang Mai.

De bodhi is net als vele andere ficussen een beruchte ‘wurger’ en deze eigenschap heeft mogelijk tot zijn heiligheid bijgedragen. Tijdens het wurgen groeit hij namelijk naar beneden, wat  een symbool is voor ‘uit de hemel groeien’. Bij een bodhi die op het terrein van een tempel is geplant is die eigenschap niet duidelijk. Maar als bodhizaadjes via vogelstront in een scheur van een oud gebouw of in een holte van een boomstam belandt, zie je het kiemplantje uitlopers (‘luchtwortels’) omlaag sturen om in de aarde te wortelen. Een rots, ruïne of stam van een boom kan op die manier helemaal worden omwikkeld met die uitlopers. Als ze dikker worden versmelten ze tot een soort korset dat de gastheer lijkt te wurgen.

Veel vijgenbomen beginnen hun leven boven de grond en profiteren er van het relatief overvloedige zonlicht. En ze hoeven dan niet te investeren in een sterke stam die normaal nodig is om omhoog te groeien. De boom die de Boeddha steunde bij het verlicht worden, is dus vaak een soort parasiet op andere bomen. Uiteindelijk begeeft de gastheer het, niet zo zeer door de wurggreep, maar doordat zijn kroon met bladeren wordt overgroeid door het loof van de bodhi en zodoende in de competitie om het licht het onderspit delft.

Terwijl bomen in de gematigde streken een stam hebben die goed te onderscheiden is van de wortels — de overgang kan zelfs histologisch worden geverifieerd — vervagen zulke verschillen bij tropische soorten zoals de bodhi met zijn ‘stam van wortels’ — alsof deze Boeddha’s leerstelling dat alle waarnemingen slechts illusie zijn willen illustreren.

De banyan heeft zelfs een nog verwarrender groeipatroon doordat hij verschillende stammen kan ontwikkelen! Vanaf zijn horizontale takken worden vele zachte luchtwortels naar beneden gezonden. Nadat die in de grond verankerd zijn worden ze dikker en verhouten en uiteindelijk worden het een soort stammen die de boom in staat stellen verder horizontaal uit te groeien en opnieuw luchtwortels te laten vallen, nu nog verder van de oorspronkelijke stam.  Op deze manier kan er een boom ontstaan met honderden onderling verbonden secondaire stammen die een gebied zo groot als een half voetbalveld kan beslaan.

Een kroniekschrijver van de campagnes van Alexander de Grote (ca. 325 vóór Christus) maakte bij de Indus melding van een banyan die zo groot was dat een heel leger in zijn schaduw kon bivakkeren. Een andere indrukwekkende banyan is bekend uit Madras waar hij op het landgoed van de Theosofische Vereniging staat. Hij is de afgelopen eeuw beschadigd door stormen en begint bovendien door ouderdom uit elkaar te vallen. In de botanische tuin van Calcutta staat een banyan die een gebied met een omtrek van bijna 400 meter in beslag neemt. De centrale stam die aan schimmelinfectie leed was al in 1925 verwijderd. Een nog grotere banyan staat in een afgelegen deel van Andhra Pradesh.

Volgens de boeddhistische folklore zat prins Siddhartha in de buurt van Bodhgaya onder een banyan toen de jongedame Sujata, een koeienmelkster, hem gekookte rijst bracht — volgens sommige versies had ze  room van duizend koeien gebruikt en bood ze het hem aan op een gouden schaal. Na deze maaltijd begaf de prins zich naar de Boom der Wijsheid om er verlicht te worden. Een paar weken daarna zat Boeddha opnieuw onder een banyan en kreeg er bezoek van de god Brahma, die hem ertoe overhaalde de door hem ontdekte waarheden aan de mensheid te verkondigen.

De banyan komt oorspronkelijk niet in Thailand voor. De verwante Ficus benjamina (in het Thai ton sai genoemd) is echter wel inheems en ook deze soort kan ook een enorme omvang bereiken. Thailands grootste staat een paar kilometer buiten de beroemde Khmertempel van Phimai in de noordoostelijke provincie Khorat en is een toeristische trekpleister. De oospronkelijke stam is inmiddels door de bliksem getroffen en heel wat zijstammen zijn vervangen door cementen pilaren. Een wat kleiner maar gezonder exemplaar staat in het nabijgelegen district Chakkaret temidden van schilderachtig platteland — daar komen zelden bezoekers.

Voor zo ver ik weet staan er niet zulke spectaculaire ficussen in of rond Chiang Mai, maar er zijn diverse schoonhdeden van bescheidener formaat. Behalve de reeds genoemde bodhi’s staan er verscheidene indrukwekkende exemplaren van Ficus elestica binnen de wiang (oude, ommuurde stad), één bijvoorbeeld 200 meter ten oosten van de Chiang Mai poort. Deze soort werd vroeger geweekt om zijn latex totdat dit rond 1900 vervangen werd door de latex van de productievere Hevea uit Zuid-Amerika (niet verwant aan de ficussen) dat nog steeds de voornaamste grondstof voor rubber is.

Voor wie aan de atmosfeer wil proeven van Boeddha die onder een ficus mediteert biedt Wat Fai Hin de beste ambiance.  Deze tempel is prachtig gelegen aan de voet van Doi Suthep en grenst direct aan een beboste helling. Bij de ingang staat een forse Ficus waarvan een aantal zijtakken bedekt is met varens en orchideeën. In de schaduw van het dichte gebladerte zijn drie bijna levensgrote vergulde boeddhabeelden geplaatst — twee in de positie van meditatie, de derde van overwinning op Mara.  Behalve de zang van vogels en het gejengel van de cicades is het er helemaal stil  — de spirituele aspiratie en de natuur zijn hier met elkaar versmolten.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s