Dipterocarpen, dominerende boomsoorten in Zuidoost-Azië

Dipterocarpus alatus along the Chiang Mai-Lamphun Road.

Dipterocarpus alatus aan de weg van Chiang Mai naar Lamphun.

In het verleden was teak een hoofdbestanddeel van Noord-Thailands en Birma’s bossen met overwegend bladverliezende boomsoorten. In de tweede helft van de 19e eeuw werd de intensieve exploitatie van de teakbossen een cruciale factor bij de politieke ontwikkelingen in de regio. Rond het midden van de 20e eeuw waren vrijwel alle grote teakbomen gekapt en tegenwoordig bestaat het meeste ‘teakbos’  uit aanplant van nog tamelijk jonge bomen. Deze dramatische ontwikkeling suggereert dat teak (Tectona grandis) de dominante boomsoort in het natuurlijk bos van de regio was. In feite was dat niet zo en was teak beperkt tot het laagland en de meer vochtige hellingen vrij laag in de heuvels.

Boomsoorten uit de familie van de dipterocarpen (Dipterocarpaceae) waren toen net zo opvallend en talrijk als teak en ze zijn nog steeds een dominant aspect van de flora. Voor de lokale economie waren de dipterpcarpen ooit van groot belang. Sommige soorten leverden uitstekend timmerhout, terwijl uit andere harsen werden geëxtraheerd.

In het noorden zijn ze een belangrijk element in evergreen bos en in gemengde bladverliezende bossen. In de droge bossen kunnen ze er zelfs  helemaal de toon aangeven. Een aantal soorten dat er niet groeit, zoals de bekende meranti (Shorea curtisii), komt veel voor in het tropisch regenwoud in Zuid-Thailand, Maleisië en Indonesië. Terwijl dipterocarpen het bos in tropisch Azië domineren, ontbreken ze volledig in tropisch Afrika en Amerika.

Droog diperocarpenbos tijdens het regenseizoen.

Droog diperocarpenbos tijdens het regenseizoen in het district Mae Sot in Tak.

Herfstkleuren in droog dipterocarpenbos.

In december kleurt Shorea siamensis rood.

Ze zijn genoemd naar de tweevleugelige (di-ptero) zaden (carps) van de vertegenwoordigers van het geslacht Dipterocarpus — die lijken een beetje op de zaden van esdoorns maar zijn meestal groter. De soorten van andere geslachten hebben echter vijf- of zesvleugelige, kleinere zaden.

Sommige soorten kunnen uitgroeien tot imposante bomen van vijftig meter met een rechte stam die tot 30-35 meter boven de grond onvertakt blijft. Grote exemplaren worden door de locale bevolking vereerd.

In Chiang Mai zijn de bomen van de soort Dipterocarpus alatus (in het Thai heten ze yang na / ยางนา) het bekendst, zoals de reus die naast het heiligdom met de stadspilaar op het terrein van Wat Chedi Luang staat. De majestueuze bomen waarmee een groot deel van Highway 106 naar Lamphun is geflankeerd behoren ook tot deze soort.

Dipterocarpus costatus

Dipterocarpus costatus in het Nam Nao nationaal park, Phetchabun.

De boom naast de stadspilaar was in 1796 geplant, nadat Chiang Mai als gevolg van chronische oorlogen decennia lang verlaten was en de stad door koning Kawila opnieuw werd gesticht. De afgelopen decennia heeft de kruin veel geleden onder de ouderdom van de boom terwijl stormen deze ook hebben toegetakeld. Maar voorheen was het een waarlijk indrukwekkend exemplaar — met onder de enorme hoofdtakken een aantal grote honingraten. De bomen aan de Lamphunweg waren niet eerder geplant dan het begin van de twintigste eeuw. Op een plaatje in het reisverslag van A. Neis uit 1884 ontbreken ze nog.

De Thaise naam van de boom slaat op het hars (yang) dat in het verleden uit de stam werd geëxtraheerd. Omdat rubber ook yang genoemd wordt, worden deze dipterocarpen soms ‘rubberbomen’ genoemd; de bomen in de rubberplantages in het zuiden  behoren echter tot de exotische (geïntroduceerde) soort Hevea brasiliensis (in het Thai yang para genoemd), een boom die tot de niet-verwante Euphorbiaceae behoort.

In het wild is Dipterocarpus alatus weinig algemeen, maar de erop gelijkende Dipterocarpus turbinatus (yang daeng / ยางแดง) en Dipterocarpus costatus (yang pai / ยางปาย) zijn wijd verspreid en kunnen zelfs dominant zijn in evergreen bos op hoogten van 600 – 1100 meter.

De twee bomen die boven de andere uit torenen in de mooie aquarel van M.R. Smansnid Svasti op de omslag van A Field Guide to Forest Trees of Northern Thailand zijn yang pai en yang daeng. Je kan veel exemplaren van Dipterocarpus costatus zien langs de weg op Doi Suthep, vooral de laatste twee kilometer vóór Wat Phra That Doi Suthep. Forse exemplaren van Dipterocarpus turbinatus staan onder meer ter hoogte van het dorp Sop Poeng aan de weg naar Pai en maakten vroeger kennelijk deel uit van het natuurlijke bos daar.

Krabak in Tak.

De voet van de enorme krabak in Tak.

Krabak in Tak.

De stam van dezelfde woudreus.

In het verleden werd deze soort vaak geëxploiteerd voor het winnen van de hars. De Duitse botanicus Carl Gustav Hosséus die van 1904-1906 door de bossen van het noorden struinde, schrijft hierover: ‘Als je zo’n bos betreedt verliest de prachtige stam van de dipterocarp veel van zijn aura, want bij bijna alle oudere exemplaren zit er een meter boven de grond een diep zwart gat in dat erin gebrand is en tot een paar meter daarboven is de stam zwart van de roet. Hier practiseert de lokale bevolking zijn roofbouw op de natuur. Gewoonlijk graven ze de stam in het droge seizoen uit zodat er een oliereservoir onderaan het gat ontstaat. Omdat de olie dikker wordt bij contact met de lucht maakt men een vuurtje op de grond zodat de gestolde olie weer vloeibaar wordt. Ze verzamelen de olie dan in tinnen vaten. De op deze manier gewonnen olie wordt vooral gebruikt in de binnenlanden en is nauwelijks geschikt voor de export.’

Voor lokaal gebruik was deze yang-olie echter van groot belang. Het werd verbrand voor verlichting en het was de basis voor inkt, verfstoffen, lak en vernis. Boten werden gebreeuwd met het hars en als conserveringsmiddel werd bamboe ermee behandeld. Daarnaast vond het toepassing in de traditionele geneeskunde en kon het worden gebruikt als brandstof. In één jaar kon een middelgrote boom 20 – 30 liter olie leveren. Het tappen en branden maakten de bomen gevoelig voor aantasting door insecten en voor de storm. Op den duur stierven de meeste en vielen om.

 

Dipterocarpus obtusifolius.

Dipterocarpus obtusifolius: bloem en blad.

Dipterocarpus tuberculatus.

Dipterocarpus tuberculatus: bloemen en blad.

Shorea siamensis.

Shorea siamensis: jonge zaadjes.

Dipterocarpus costatus.

Dipterocarpus costatus: bloem.

Nog algemener en talrijker zijn Dipterocarpus obtusifolius (yang hiang/ยางเหียง) en Dipterocarpus tuberculatus (tueng/ตึง of yang phluang/ยางพลวง), en twee soorten van het geslacht Shorea, Shorea siamensis (rang/รัง) en Shorea obtusa (teng/เต็ง), met vijf- en zesvleugelige zaden. In het noorden domineren deze vier soorten de zeer algemene droge dipterocarpenbossen, maar geen ervan bereikt de hoogte van de yang daeng of yang pai of verkrijgt een stam die ermee te vergelijken is. Met name de tueng is zeer talrijk en is waarschijnlijk de algemeenste boomsoort in de provincie Chiang Mai. Vanwege zijn algemeenheid onderscheidden botanici al sinds 1900 een vegetatiecomplex dat ze ‘eng bossen’ noemen (eng is de Birmaanse naam voor Dipterocarpus tuberculatus). Omdat die op arme laterietgronden groeien, werden  ze ook ‘laterietbossen’ genoemd, maar tegenwoordig worden ze gewoonlijk geclassificeerd als ‘droog dipterocarp’.

De tueng is gemakkelijk te herkennen wanneer je laag op Doi Suthep het Huai Kaeo-beekje bent gepasseerd. De boom heeft een tamelijk korte stam met karakteristiek knoestige en gedraaide hoofdtakken met grote bladeren. In het verleden werd er ook veel hars gewonnen uit deze boom. De gedroogde bladeren worden nog steeds op ruime schaal gebruikt als dakbedekking, terwijl je de verse bladeren soms nog op markten ziet waar ze als verpakkingsmateriaal worden gebruikt. De bladeren worden ook in de landbouw gebruikt, bijvoorbeeld om jonge aardbeiplantjes beschutting te geven.

De grote Hopea odorata van Thung Hua Chang, Lamphun.

De grote thakian (Hopea odorata) van Thung Hua Chang, Lamphun.

Sala thakian thong

Een vereerde, uitgeholde stam van de thakian thong in Bangkok.

In het hete seizoen laten veel dipeterocarpen hun bladeren vallen en zijn een aantal weken volkomen kaal. Voordat de rang dat doet, worden de bladeren in december en januari eerst oranje en rood, terwijl die van de teng geel worden. Deze soorten dragen veel bij tot de ‘herfstkleuren’ in het bos gedurende deze tijd van het jaar.

Vaak razen er branden door deze bossen, maar soorten als tueng en rang met hun dikke, kurkachtige schors zijn daar zeer tolerant voor. In gebieden met jaarlijkse bosbranden — vaak worden ze door mensen aangestoken — vervangen deze soorten dan ook geleidelijk de soorten die bosbrand minder goed verdragen. In februari ziet het droge dipeterocarpenbos met zijn kale boomtakken, verschroeide onderbegroeiing en geblakerde bodem er niet bepaald uit als het weelderige ‘tropische regenwoud’ dat buitenlanders verwachten te vinden in het noorden.

Maar eind maart, begin april ontluikt het leven weer in zulk bos. Nog voor de eerste regen valt ontvouwt de tueng zijn lichtgroene balderen uit de knoppen terwijl de knalrode zaden beginnen te rijpen.  Na de eerste regen begint jong gras te ontspruiten en veel planten, zoals gembers en de lieftallige dok din (een kleine wortelparasiet), beginnen bloemen voort te brengen op de verschroeide bodem. Sommige orchideeën op de takken van de tueng en andere boomsoorten beginnen dan ook te bloeien.

Een andere, tamelijk algemene evergreen dipterocarp is de takhian thong/ตะเคียนทอง (Hopea odorata) die een hoogte van vijftig meter kan bereiken. Grote exemplaren zijn tegenwoordig zeldzaam omdat de meeste gekapt zijn vanwege hun uitstekende hout, dat in de handel bekend staat als ironwood (‘ijzerhout’). Het was de houtsoort bij uitstek voor het maken van de lange peddelboten voor de bootraces waarvan er in Noord-Thailand vele op het terrein van tempels bewaard worden.  Die boten worden uit één enkele stam verkregen door deze uit te hollen. Men geeft de voorkeur aan takhian thong boven teak omdat het hout fexibeler is en minder geneigd tot splijten.

Van de koninklijke barken die uit een enkele sam van deze boomsoort zijn gemaakt, wordt gezegd dat het de grootste ‘dugouts’ ter wereld zijn. Drie van zulke barken, maar onvoltooid, worden bewaard in de Sala Rua Boran nabij Wat Dusitaram in Bangkok’s Bangkok Noi district — de grootste is 42 meter lang en 1,25 meter breed.

Sadet Mae Takhian Thong, de (vrouwelijke) geest die in de boom huist, krijgt er wierook, bloemen, zoetigheden en vruchten door de mensen uit de buurt aangeboden. Aangezien de nymfen die in de thakian thong wonen als bijzonder invloedrijk worden beschouwd, vinden er uitgebreide rituelen plaats om haar goed te stemmen wanneer zo’n boom gekapt wordt en er een peddelboot voor de races uit wordt gehakt.

Van de talrijke andere dipterocarpen is de phayom/พะยอม (Shorea roxburghii) ook het vermelden waard. Deze boom kan 40 meter hoog worden. Het hout ervan is zeer waardevol waardoor hij in de natuur niet meer erg algemeen is. Het is een prachtig gezicht wanneer hij in februari bedekt is met dichte clusters van crèmekleurige bloemetjes. De boom wordt als heilig beschouwd door boeddhisten vanwege de associatie met de geboorte van de Boeddha. In India wordt de boom sal genoemd. Toen Maya Devi, de moeder van prins Siddhartha, op reis was om haar ouders te bezoeken, ging ze een keer onder zulke bomen uitrusten. Terwijl ze haar armen uitstrekte om wat bloemen te plukken, werd Siddhartha geboren, waarop de salboom een regen van bloemetjes op de baby liet neerdwarrelen. Men meent ook dat de Boeddha in een bosje van salbomen is gestorven.

Yang na, Lamphun Road.

Yang na-bomen langs de weg van Chiang Mai naar Lamphun.

Ya Na, Wat Chedi Luang.

De vereerde Dipterocarpus alatus naast Chiang Mais heiligdom met de stadspilaar.

 

idem

Dezelfde boom met op de voorgrond het heiligdom.

In Chiang Mai stonden tot een aantal jaren geleden prachtige phayom-bomen rond de Phayom-markt aan Suthep Road. Ze waren een vreugde voor iedereen, vooral wanneer ze in bloei stonden, maar ze zijn opgeofferd aan het verbreden van de weg.

Sommige soorten dipterocarps kunnen uitgroeien tot ware reuzen. Veel dorpjes in Thailand hebben een vereerde yang to (‘Grote Yang-boom’) en rond een aantal ontstonden de afgelopen decennia heftige disputen: ondernemers die uit waren op winst wilden de bomen vellen vanwege het kostbare hout, maar de dorpelingen kwamen in opstand tegen die plannen. Vaak staan er iets buiten een dorp enkele kolossale yang bij elkaar en wordt de locale geest die over het dorp waakt daar vereerd in een klein heiligdom.

In het verleden werden vele gehuchten omringd door pa yang (yang-bos) of pa tueng (tueng-bos), wat nog is terug te vinden in vele plaatsnamen. Historicus Ron Renard suggereert echter dat in tenminste een deel van de namen met pa yang, ‘yang’ eigenlijk betrekking heeft op de Karen (in het Noord-Thai yang genoemd) die al in het noorden woonden voordat ze in historische bronnen genoemd worden. De Karen betaalden tribuut aan de Thaise landheren in de vorm van producten uit het bos.

Een beroemde yang van formaat torende boven een dorpje uit in de provincie Uttaradit — zo’n 10 km ten noorden van de provinciehoofdstad —  maar wist de ernstige overstromingen van 2006 niet te overleven.

Aardbeiplantjes worden beschut met bladeren van de teung. Bo Kaeo, district Samoeng van Chiang Mai.

Aardbeiplantjes worden beschut met bladeren van de teung. Bo Kaeo, district Samoeng van Chiang Mai.

dakbedekking van tueng-bladeren.

Traditionele dakbedekking van panelen van aan elkaar geregen, gedroogde bladeren van de tueng (Dipterocarpus tuberculatus).

Thailands grootste dipterocarp is een 700-jaar oude krabak/กระบาก (Anisoptera costata), het pronkstuk van het Taksin Maharat national park in de provincie Tak. Deze kolos is 50 meter hoog en aan de voet heeft de stam een omtrek van ruim 16 meter. Met zijn knoestige, verweerde steunbeerwortels lijkt de stam op een poot van een gigantische dinosaurus. Elders in Noord-Thailand is de krabak overigens een zeldzame verschijning.

Dichter bij Chiang Mai, bij Lamphuns kleine districtshoofdplaats Thung Hua Chang, staat een grote en lokaal bekende thakian thong. De kruin steekt nog duidelijk uit boven de andere bomen, maar door ouderdomskwalen heeft de reus veel van zijn vroegere glorie moeten inboeten. Ook de yang na op het terrein van Wat Chedi Luang  in Chiang Mai is gereduceerd tot een kreupele bejaarde, maar maakt toch nog indruk op bezoekers en geeft een goed beeld van de grootte die deze bomen in luttele 200 jaren kunnen bereiken.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s

Het dozijn soorten dipterocarpen dat in het noorden voorkomt wordt (met 700 andere boomsoorten) uitvoerig behandeld en geïllustreerd in A Field Guide to Forest Trees of Northern Thailand van Simon Gardner, Pindar Sidisunthorn en Vilaiwan Anusarnsunthorn. Het boek is te koop bij Dokmai Garden in Hang Dong (www.dokmaigarden.co.th) en Suriwong Book Centre (www.suriwongonline.com) in Chiang Mai.