De Grote Leraar—Achan Man Bhuridatta

Achan Man Bhuridatta (1870-1949)—Vader van de zwerfmonniken (1)

01-Man-a01: (links) Achan Man in meditatie, (rechts) in het midden van tien van de bekendste heilige monniken van Thailand.

Achan Man (“Leraar Man”) is een van de bekendste en invloedrijkste monniken uit de Thaise geschiedenis. Hij was een vipassana meditatiemeester van het hoogste kaliber en is de vader is van de traditie van de ‘zwerfmonniken’ in Thailand. Hij propageerde de ascetische praktijken bekend als dhutangas en wijdde zich geheel aan kammatthana, meditatie die tot doel heeft elke vorm van begeerte, haat en begoochelingen uit het hart te verdrijven—om daarmee alle bruggen te verbranden die de geest verbinden met de cyclus van het zich herhalende geboren worden en sterven.

Man werd de Grote Leraar van vele volgelingen, van wie er tallozen op hun beurt uitgroeiden tot beroemde monniken en meditatiemeesters, zoals Lung Pu Khao, Luang Pu Thet, Luang Pu Cha en Luang Ta Maha Bua.
De laatste schreef een uitgebreide biografie over zijn meditatieleraar, die sterk de nadruk legt op Man als leraar en inspiratiebron van de gedachte de Dhamma altijd als leidraad te nemen. Het boek staat bol van superlatieven over Achan Man en diens buitengewone gaven. (2) Na Mans dood in 1949 groeide zijn faam nog gestaag. In de introductie van de Engelse vertaling van de biografie wordt gesteld dat Man vrijwel unaniem wordt beschouwd als een ‘nationale heilige’.
Wie zich voor de vele aspecten van het Thaise boeddhisme interesseert zal veelvuldig op Achan Man stuiten. Toch kan Mans populariteit bij de hedendaagse Thaise boeddhisten niet tippen aan die van enkele andere magisch begaafde ‘supermonniken’. Je ziet Mans portretten en beelden nog overal. De heilige is gemakkelijk te herkennen aan zijn scherpe gelaatstrekken en zijn dunne play boy-snorretje. De populariteit van de beweging der zwerfmonniken is inmiddels grotendeels teloor gegaan door de opmars van een sterk gecommercialiseerde verering van magisch begaafde heiligen.

Wie zich verdiept in het leven van Achan Man en diens buitengewone gaven, moet in zekere zin bereid zijn te accepteren dat de wereld die we waarnemen met behulp van onze zintuigen slechts een klein deel van de experimentele werkelijkheid vormt. Dat er een spiritueel universum van deva’s en brahma’s (‘goden en engelen’) is, valt buiten de reikwijdte van onze beperkte zintuiglijke faculteiten. Voor Mans leerlingen was het een ‘feit’ dat hun leermeester kon communiceren met niet-menselijke wezens en voortdurend in contact was met wezens die verkeerden in de hogere en lagere sferen van de kosmos— de geesten die waakten over territorium, de naga’s, yakkha’s, allerlei andere soorten geesten en zelfs de bewoners van de hel.

KADER: DHUTANGAS & KAMMATTHANA
Dhutangas is het Pali-woord waarmee de (strenge) ascetische praktijken worden aangeduid waaraan Man en zijn volgelingen zich strict hielden. De Thaise verbastering ervan is thudong en thudong-monniken zijn de zwerfmonniken die deze ascese in de praktijk brengen.
Kammatthana (letterlijk: ‘basis van werk’) is een Pali-term waarmee een specifieke oriëntatie wordt aangeduid die wordt nagestreefd door boeddhistische monniken die zich tot taak gesteld hebben zich aan een sobere, meditatieve levenstijl te onderwerpen. Het is een benadering van de meditatie die gericht is elk aspect van hebzucht, haat en zelfbedrog uit het hart (de geest) te verdrijven en daarmee alle bruggen te vernietigen die de geest verbinden met de cyclus van zich herhalende geboorte en dood.
In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw verspreidden de dhutanga-kammatthana-praktijken zich geleidelijk over Thailand dankzij de grote reputatie van Achan Man. Gedurende de laatste jaren van Mans leven begonnen deze praktijken erkenning te krijgen bij de hoge kerkvaders van de boeddhistische Sangha. Tegelijkertijd werd het prakticeren in de Isan steeds moeilijker door de strijd tussen de Thaise strijdkrachten en het communistische verzet, en daaropvolgend door de razendsnelle ontbossing in de regio.

KADER: MEDITEREN IN HET BOS—HET ‘THUIS’ VAN DE ZWERFMONNIKEN
Achan Mans leven verwoordde het boeddhistische ideaal van de zwerfmonnik die de wereldse dingen de rug toekeert en alleen door het bos en de bergen trekt en op zoek is naar geïsoleerde plaatsen die lichaam en geest een stille en rustige omgeving bieden om meditatie te beoefenen. Het doel daarvan is om elk ‘Lijden’ te transcenderen (overwinnen). Ondanks de ontberingen en de onzekerheden was het bos het ‘thuis’ van Man en de zwerfmonniken. De wilde natuur was hun school, hun trainingsgrond en hun heiligdom. Het leven was er veilig wanneer men zich strict hield aan de principes van Boeddha’s leer.
Eind negentiende eeuw was driekwart van Thailands landoppervlakte nog bedekt met ongerept bos, en krioelde het er van de tijgers en olifanten. De mensen beschouwden het bos als gevaarlijk en angstaanjagend. Voor dorpelingen was de uitgestrekte wildernis een weinig gastvrij gebied vol wilde beesten en boosaardige geesten. Omdat deze dorpelingen er bang voor waren en zich er nooit lieten zien, waren het geschikte plaatsen voor de naar isolatie en eenzaamheid strevende zwerfmonniken. Meditatie en zelfinzicht waren de wapenen tegen de potentiële gevaren van het bos.

Beginperiode
Man werd op 20 januari 1870 geboren als eerste kind van Khamduang en Jun Kaenkaew in het dorpje Ban Khambong in het district Khong Chiam van de provincie Ubon Ratchathani—niet zo ver van waar de Mun uitstroomt in de Mekong. Hij kreeg zeven broertjes en zusjes. Op vijftienjarige leeftijd werd hij in de dorpstempel ingewijd als noviet. Hij was leergierig en kon snel Dhamma-teksten inprenten. Na twee jaar keerde hij terug naar het wereldse bestaan om in het gezin te helpen, maar op 22-jarige leeftijd, in 1893, liet hij zich in Wat Liap in de stad Ubon Ratchathani tot monnik inwijden. Hij kreeg de Pali monnikennaam Phurithatta en vestigde zich in het meditatiecentrum geleid door de monnik Achan Sao Kantasilo (1859-1942). Hoewel Man veel samen met Sao heeft rondgetrokken, is de laatste nooit een echte leraar voor Man geweest. Man ging van vroeg af aan al zijn eigen weg. Sao kon Man met zijn grillige geest niet adviseren. ‘Je citta is zo avontuurlijk met die sterke neiging naar extremen,’ had Sao hem eens gezegd. Beide monniken koesterden echter een groot wederzijds respect voor elkaar.
De naam of Phurithatta (Bhuridatta in Pali—Phurithat(ta) is de transcriptie van de Thaise verbastering ervan) was goed gekozen, bleek later. Phurithat is de naam van de incarnatie (een eerder bestaan) van de (historische) Boeddha—één van de tien laatste existenties voordat de Boeddha gereïncarneerd zou worden als prins Siddhartha, die 2500 jaar geleden in Noord-India leefde en uiteindelijk verlicht zou worden (de Boeddha zou worden) en daarna nooit meer zou worden herboren.
Deze Phurithat, de hoofdpersoon in een van de bekendste Jataka-vertelling was geen prins, edelman en zelfs geen (on)gewone lummel uit het klootjesvolk, maar een naga, een bovennatuurlijk slangachtig wezen. In de gedaante van deze naga Phurithat vervolmaakte de toekomstige Boeddha de deugd van de ‘goede moraal’.
In de boeddhistische kosmologie wemelt het van de wezens die in tegenstelling tot aardse mensen en dieren geen concreet lichaam hebben en zodoende niet door gewone stervelingen kunnen worden waargenomen. Maar dankzij Mans bijzondere gaven (te danken aan meditatie) stond hij veelvuldig in geestelijk contact met deze spirituele wezens, waaronder de ‘mythologische’ naga’s. Overigens nemen deze naga’s soms een menselijke gedaante aan. Mans confrontatie met een sjagrijnige en zeurende naga tijdens zijn verblijf in een grot bij Chiang Dao behoort tot de bekendste stichtelijke anekdotes uit het leven van de heilige.

Gedurende de eerste maanden die Man als monnik onder de hoede van Achan Sao doorbracht, bezigde hij vooral de techniek van het eindeloos herhalen (voor de geest roepen) van het woord “buddho”—wat na zekere tijd tot kalmte in het hart leidde. Hij had vaak dromen en visioenen die hij aan een grondige analyse onderwierp.
Al op de tweede bladzijde van Luang Ta Maha Bua’s biografie over Man komt één bepaalde droom uitvoerig aan de orde: Man komt vanuit een jungle op een open veld waar een enorme boomstam ligt weg te rotten. Dan verschijnt er een witte hengst. Man bestijgt het dier en wordt bij een prachtige Traipitaka-kast (kast waarin de heilige boeddhistische boekwerken worden bewaard) gebracht. Wanneer Man de kast wil openen, schrikt hij wakker. Mans interpretatie van deze belangrijke droom doet gedeeltelijk nogal Freudiaans aan. Hij bracht die rottende boom in verband met zijn eigen levenscycli. Net zoals die boom nooit meer nieuwe wortels zou krijgen en opnieuw tot leven zou komen, zo zou Man voorbestemd zijn niet meer herboren te worden—oftewel, hij zou de weg tot het Nirwana kunnen vinden. Maar om dat te bereiken moest hij volharden in de Dhamma, die gesymboliseerd wordt door de Traipita-kast. Alleen bij volharding zal ‘de kast geopend’ worden en het verworven inzicht in de Dhamma tot het gewenste resultaat leiden. Deze droom was dus vooral ook een nimitta, een soort voorteken (voorspellende droom) en aanmoediging in de Dhamma te volharden om verlichting te bereiken.

Sindsdien voerde Man zijn ascetisch en mediterend bestaan fanatieker dan ooit. Hij volgde de dhutanga-regels strict op: ging gekleed in een gewaad van afgedankte lappen, at één maaltijd per dag, at het eten direct uit zijn bedelnap, leefde vooral in het bos en in grotten. ‘Alles wat hij deed was gericht op het nobele streven de kilesas (lusten, verleidingen) in hem te vernietigen. In zijn hart was geen plaats voor arrogantie of verwaandheid…. hij stond altijd klaar om te vechten, en de kilesas bij elke gelegenheid aan te vallen,’ schrijft zijn biograaf Maha Bua.

Vele jaren zwierf Man door het Noordoosten. Vooral in het noordelijk deel van de regio (Nakhon Phanom, Sakon Nakhon, Udon Thani, Nong Khai en Loei) vond hij geschikte plaatsen om afgezonderd te mediteren. Soms belandde hij vanuit Nakhon Phanom  in Tha Khaek in Laos. Altijd was hij er op gespitst zijn meditatie te verbeteren en zich te bezinnen op de vele ‘fenomenen’ die zijn citta ervoer. In feite socialiseerde hij weinig met andere monniken. Niettemin zochten steeds meer zwerfmonniken toenadering tot Man die zich geleidelijk ging ontwikkelen tot de Grote Leraar.

Later bezocht hij Bangkok, waar hij vertoefde in de Thammayut-tempels Wat Pathumwan en Wat Boromaniwet. Talloze monniken afkomstig uit het Noordoosten hadden in die dagen hoge posities binnen de Sangha. Van Bangkok trok hij naar Lopburi, en vanuit Lopburi bereikte hij in 1913 de Sarika Grot waar een voor hem belangrijke stap in zijn geestelijke ontwikkeling plaatsvond.

Verblijf in de Sarika Grot
Achan Man bracht enkele jaren door in de Sarika Grot aan de voet van de huidige Khao Yai (Grote Berg, nu een nationaal park) in de provincie Nakhon Nayok, zo’n 150 km ten noordoosten van Bangkok. In zijn lijvige biografie over Achan Man wijdt Luang Ta Maha Bua bijna twintig bladzijden aan deze voor Mans spirituele ontwikkeling belangrijke periode. Het is vooral in deze jaren dat Man de angst voor gevaarlijke dieren en boze geesten overwint. In de biografieën van andere ‘verlichte zwerfmonniken’ komen vaak soortgelijke levensepisoden voor.
Toen Man in de buurt van de grot arriveerde, waarschuwden omwonende dorpelingen hem dat het in de grot levensgevaarlijk is vanwege een reusachtige geest die deze bewaakt tegen indringers. Maar Man laat zich niet van de wijs brengen. (3)
‘Zo goed als ik me kan herinneren,’ schrijft Maha Bua, ‘arriveerde hij [Man] eerst bij Ban Gluay, het dorp dat het dichtst bij de grot lag en dicht genoeg voor een ronde met de bedelnap [om eten op te halen]. Omdat hij het gebied niet kende vroeg hij dorpelingen om hem naar de Sarika Grot te brengen. Zonder te aarzelen waarschuwden ze hem dat het een heel bijzondere grot was met talloze bovennatuurlijke krachten, en ze stelden dat geen enkele monnik daar waarschijnlijk kon verblijven wanneer die niet volkomen ‘puur’ was.’

02-Man-a02: (links) Een donker, bronzen beeld van Achan Man in een kapel op het terrein van Wat Pa Sutthawat in het Mueang district van Sakon Nakhon. De basis van het beeld is rijkelijk omgeven door boeketten kunstbloemen. (midden) Een vrouw is met twee van haar kinderen neergezegen voor Achas beeld. Ze hebben de steel van een lotusbloem in de knop tussen hun tot lotusknop gevouwen handen geklemd. (rechts) Twee brandkasten in de kapel suggereren dat bezoekers er royaal doneren. De foto’s zijn gemaakt in oktober 2002.

De demon duldde geen indringers. Zes monniken waren er al gestorven. Op de derde nacht kreeg Man buikpijn, niets ongewoons. Maar de buikpijn en de diarree werden erger en erger. Hij kreeg ook koorts en alle kracht leek uit zijn lichaam verdwenen te zijn. Man besloot niettemin zijn geest te concentreren op de pijn en zich met het therapeutische effekt van de Dhamma te genezen. Terwijl hij daarmee bezig was, verscheen er een tien meter lange zwarte man met een vier meter grote knuppel in zijn hand. De demon dreigde Man te doden wanneer hij niet vertrok. Maar Man bleef. In diepe meditatie incasseerde hij een dreun met de knuppel. Getergd ontwortelde de reus een boom en sloeg Man ermee tegen de grond. Toen Man uit de meditatie ontwaakte was de ziekte verdwenen.
Men neemt aan dat Man gedurende deze hectische periode in de Sarika Grot een ‘non-returner’ (anagami) was geworden—iemand die na zijn dood niet meer herboren zal worden. Man was toen begin veertig, ongeveer even oud als de Boeddha was toen deze verlicht werd.

Hoewel Man vaak heeft gesteld dat zijn ‘lessen’ nauwelijks voldoende zijn om leerlingen de weg te wijzen, heeft hij steeds als leraar een grote indruk gemaakt op zijn discipelen. ‘Degenen die getuige waren van zijn praktijken en die de Dhamma hoorden die hij onderwees, waren zo diep onder de indruk dat dit niet met woorden kan worden beschreven,’ schrijft Maha Bua, en hij voegt eraan toe dat ‘het beslist moeilijk zal zijn iets vergelijkbaars te vinden of te horen in onze tegenwoordige tijd.’
Tijdens samadhi (zittende meditatie) of ‘walking meditation’ wanneer Mans citta kalmte bereikte, kreeg de meditatiemeester vaak visioenen, zoals walgelijke voorstellingen van honden en gieren die vechten om het rottende vlees van een lijk. Man bezon zich altijd diep op zulke ‘mentale objecten’. Later ging hij zijn meditatie meer richten op zijn eigen lichaam, wat een enorme training vereiste maar waarmee hij later zijn citta snel in een kalme toestand wist te convergeren. Doordat Man nooit een echte leraar heeft gehad om hem bij de meditatie te begeleiden, heeft hij nogal wat moeten experimenteren om de voor hem geschikte wijze te vinden. Nogal veel tijdverspilling, en Man beklemtoonde dan ook het belang van een goede leraar.
In de jaren dat Man zijn omzwervingen begon, waren ‘zwerfmonniken’ een nieuw verschijnsel. Veel dorpelingen hadden die monniken in hun donkere, okerkleurige gewaden (gekleurd door de pigmenten uit het kernhout van de jackfruit boom) nooit gezien, maar hadden er wel griezelverhalen over gehoord. Als ze met zulke monniken in het bos geconfronteerd werden, renden ze meestal verschrikt weg. Vooral boerinnen en hun kinderen waren aanvankelijk doodsbang voor de vreemde verschijningen van de zwerfmonniken die de mensen meer angst dan devotie inboezemden.

In de jaren twintig waren de zwerfmonniken van de Isan een flinke beweging geworden met Man algemeen beschouwd als hun leraar en leider. Dorpelingen raakten vertrouwd met de mannen in het roestbruine gewaad en ze begonnen deze serieuze en toegewijde zwervers te respecteren. Aan de andere kant was de groeiende beweging een doorn in het oog van de Sangha-leiders in Bangkok. Met de Sangha Wet van 1902 vielen de zwerfmonniken onder de controle van de Sangha-bureaucraten in de grote steden van het Noordoosten en in Bangkok. Die wet was een van de vele maatregelen in de tijd van koning Chulalongkorn (bewind: 1868-1910) die dienden om alle gewesten van Siam onder sterk centraal bestuur van Bangkok te plaatsen. In de jaren twintig van de twintigste eeuw ontstonden er conflicten tussen de zwerfmonniken en de hoge ‘kerkvaders’. Die laatsten beschouwden de thudong monniken als ongedisciplineerde zwervers. De hoge kerkvaders hechtten groot belang aan boekenkennis, officiële scholing, staatsexamens en rangorde. Meditatie vonden ze onbelangrijk. Uan Tisso, een Thammayut-monnik zlef afkomstig uit de Isan, was de hoogste kerkelijke gezagdrager in de monthon Nakhon Ratchasima (zo ongeveer de huidige provincie Nakhon Ratchasima met omliggende provincies) had zelfs een grote minachting voor de zwerfmonniken. Hij beschouwde ze als lui en onwillig om te studeren, en in die zin vormden ze een obstakel bij het in het gareel van het staatsboeddhisme brengen van de Isan.

03-Man-a03: ■ 1. Verkeersborden circa 40 km buiten de stad Sakon Nakhon die de richting aangeven voor mensen die het museum van Achan Wan Uttamo of Luang Pu Fan Acharo willen bezoeken. Zowel Wan als Fan behoorden tot de belangrijkste leerlingen van Achan Man, en groeiden ieder op zijn beurt uit tot vereerde heiligen. Het museum van Achan Man bevindt zich op het terrein van Wat Pa Sutthawat in Sakon Nakhon en trekt dagelijks vele bezoekers die aan Man hun eer willen betonen. De foto is gemaakt in oktober 2002. ■ 2. Een bericht in de Bangkok Post van 5 juli 1991 dat er blijk van geeft dat de tempelinkomsten van Wat Pa Sutthawat tot conflicten tussen de monniken en de abt hebben geleid.

KADER: ‘SIGHTSEEING ACHAN MAN’
Talloze plaatsen in Thailand zijn gewijd aan Achan Man.
Op het terrein van de ‘forest temple’ Wat Pa Sutthawat bevindt zich een klein museum dat de bezoeker informeert over het leven van de heilige. Inmiddels is deze voorheen in het bos gelegen tempel opgeslokt door de buitenwijken van Sakon Nakhon, een provinciehoofdstad in het Noordoosten.
Man begon meditatie te beoefenen onder leiding van Achan Sao in de provincie Ubon Ratchathani. Later werd daar een ashram gesticht, Phu Lon, in een mooi stukje afgelegen natuur — een bezoek waard om een indruk te krijgen van Mans beginjaren.
Man is een aantal jaren abt geweest van Wat Chedi Luang in het hart van de wiang (oude ommuurd stad) Chiang Mai. In een fraaie, kleine wihan ( achter de gigantische, geruïneerde en bedroevend slecht gerenoveerde chedi) bevindt zich een wassen beeld van de meditatiemeester.

UIT: SJON HAUSER, LANGS DE MEKONG (2003):
Een bezoek aan Phu Lon, een door Man gestichte ashram, maakt duidelijk hoezeer de inzichtmeditatie van de zwerfmonniken verweven is met het ruige rotslandschap rond de Mekong. De heuvel ligt in een afgelegen districtwaar tanige boeren je nog verbaasd aanstaren vanuit hun velden. Overal jagen kinderen er met katapults op vogeltjes en strikken hagedissen. Als er nog ergens ‘onbedorven platteland’ is, dan moet het hier zijn.
De ashram lijkt geheel verlaten. Meditatiecellen zijn er met leem en keien tussen de zandsteenrotsen gemetseld. Bij een overhangende rots staat vermeld dat Man er placht te mediteren. In een modern ingerichte kapel tref ik een wassen beeld van de heilige naast dat van zijn collega Achan Sao. Maar de pootafdrukken van een tijger die ergens horen te zijn, kan ik niet vinden. Achan Man zou hier ooit door een tijger zijn aangevallen, maar door de spirituele uitstraling van de monnik ging het dier er als een haas vandoor.
Dit soort legendes rond beroemde zwerfmonniken illustreert treffend dat een hoofdfunctie van het eenzaam in de natuur leven was om de angst te overwinnen.(4)

04-Man04: Het interieur van een kleine wihan op het terrein van Wat Chedi Luang in het centrum van Chiang Mai met een wassen beeld van Achan Man. Man was enige jaren abt van deze tempel Maae ondernam toen ook vele zwerftochten naar afgelegen natuur in het Noorden. De foto’s zijn gemaakt in maart 2009.

Uan probeerde de zwerfmonniken uit de provincies te verdrijven die onder zijn gezag vielen. Dorpelingen werd verboden de zwerfmonniken aalmoezen te geven en konden gearresteerd worden wanneer ze het wel deden. De acties tegen de zwerfmonniken bereikten in 1926 een climax. Vele zwerfmonniken werden toen gedetineerd, onder wie belangrijke discipelen van Achan Man, zoals Sing, On, Fan en Pin. Ze werden aanvankelijk als criminelen behandeld, maar later gingen de autoriteiten met hen onderhandelen. Waarschijnlijk heeft dit tot een pijnlijk schisma geleid binnen de beweging. Een aanzienlijk deel was bereid zich in tempels te vestigen en het boeddhisme te propageren volgens de normen en regels van de Sangha in Bangkok. Vele anderen waren nauwelijks bereid hun bestaan als zwerfmonniken in te ruilen voor een plaats in de gevestigde hiërarchie van boekenkennis. Man zelf keerde deze problemen de rug toe en vertrok wat later naar Chiang Mai. In Mans biografie wordt geen woord gerept over dit schisma binnen de beweging, maar in de biografieën van sommige discipelen worden de problemen van 1926 wel aangeroerd.

In Noord-Thailand bleef Man veel zwerven en mediteren (zoals in grotten bij Chiang Dao), hij zou in geen tien jaar meer naar de Isan terugkeren. Maar in Chiang Mai werd Man ook benoemd tot abt van de respectabele Thammayut-tempel Wat Chedi Luang. Hij kreeg de Noord-Thaise jaren veel bezoek van zijn (voormalige) discipelen, in 1937 onder andere van Fan en On. Al eerder was Thet in Noord-Thailand neergestreken. Thet zou er vooral zwerven en mediteren in gebieden bewoond door bergvolkeren.

In de jaren dertig slaagde de Centrale Sangha erin vele (ex-)discipelen van Man te paaien om het kerkelijk gezag in de Isan te versterken. De dorpelingen werden op die manier afgesneden van hun lokale tradities. Het vereren van geesten werd bijvoorbeeld als dom bijgeloof afgedaan.

NOTEN
(1) Een beknoptere levenschets van Achan Man is te vinden in Hauser, 1997 (p. 65-68)
(2) Acariya Maha Boowa Nanasampanno, 2004.
(3) In de biografieën van Luang Pho Khun, de (voormalige) thudong monnik die rond het jaar 2000 de populairste Supermonnik van Thailand was, wordt ruim aandacht geschonken aan Khuns magische triomf over de geesten in het bos van Phu Khao Khwai in Laos—de beschrijving van deze levensepisode vertoont verbluffende overeenkomst met Mans confrontatie met de reusachtige geest in de Sarika-grot (naar Kitiarsa, 2012, p. 87-88).
(4) Uit Sjon Hauser (2003): p. 42-43.

REFERENTIES
Acariya Maha Boowa Nanasampanno, 2004. Venerable Acariya Mun Bhuridatta Thera. A Spiritual Biography. Forest Dhamma Books, Wat Pa Baan Taad, Udon Thani, Thailand.
Hauser, Sjon, 1997. Spotlights op Thailand. 14 onderwerpen uitvoerig belicht. Vieng travel, Bangkok.
Hauser, Sjon, 2003. Langs de Mekong. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.
Keyes, Charles F., 1999. Buddhism Fragmented: Thai Buddhism and Political Order since the 1970s. Keynote. 7th International Conference on Thai Studies, Amsterdam, 4-8 July, 1999: 1-44.
Kitiarsa, Pattana, 2012. Mediums, Monks, and Amulets. Thai Popular Buddhism Today. Silkworm Books, Chiang Mai.