Cobra van Noord-Thailand—Naja siamensis

Naja siamensis uit Tha Song Yang, Tak

Naja siamensis uit Tha Song Yang, Tak

Wanneer ik een willekeurige Thai een even willekeurige slang laat zien en vraag of hij weet hoe het dier heet, dan is de kans groot dat hij antwoordt: ‘Ngu hao!’ (‘sissende slang’, oftewel cobra).

Kennelijk weten weinigen hoe een cobra eruit ziet. Wel weet iedereen dat de beet ervan dodelijk kan zijn. Voor velen symboliseert de cobra op huiveringwekkende wijze het ‘levensgevaarlijke’ in de natuur dat in een klein hoekje verscholen zit en onverwachts kan toeslaan — geen addertje maar een ‘heel grote gemene adder’ in het gras.

Slangen in Thaise spreekwoorden betreffen vrijwel steeds cobra’s. Zoals het begrijpelijke: ‘Steek je vingers niet in de bek van een cobra’. Of het racistische: ‘Als je opeens met een cobra en een Indiër wordt geconfronteerd, dood dan eerst de Indiër.’
Dat laatste spreekwoord heeft zo’n beetje de betekenis van: mensen zijn nog het allerminst te vertrouwen.

Cobra Chiang Dao

Een juveniele Naja siamensis uit Chiang Dao. De soort onderscheidt zich van de Monocled Cobra door het langwerpige frontaalschild (met sterretje).

In de jaren negentig van de vorige eeuw zorgde premier Banharn Silpa-archa voor wat opschudding door in functie dit spreekwoord te gebruiken — niet zo tactvol in een land met een grote gemeenschap Indiërs.

Banharn zelf stond bekend als de ‘wandelende geldautomaat’ vanwege het gemak waarmee problemen glad streek door onder tafel  stapels bankbiljetten aan te bieden.
Hij was als zoveel andere Thaise politici van Chinese komaf en dat laatste speelde ook mee dat hij niet langer dan een jaar de scepter zwaaide.
De oppositie wist te achterhalen dat Banharns naturalisatiepapieren niet in orde waren en hij dus wettelijk helemaal geen premier kon zijn. Dit betekende overigens niet dat hij voorgoed uit de politiek werd verbannen.
Hij is nog steeds een van de hoofdrolspelers, vooral dankzij zijn ongemeen krachtige greep op het electoraat van de provincie Suphanburi in Centraal-Thailand.
In Thaise slangenlectuur kom je wel eens ‘Suphanburi cobra’s’ tegen, maar dat zijn niet de Noord-Thaise cobra’s waar ik het over had — zo, we zijn weer terug bij het eigenlijke onderwerp.

Cobra Lampang

Een lichtbruine oversteker in het district Mueang Pan van Lampang.

De Thaise preoccupatie met cobra’s suggereert dat de dieren heel algemeen zijn. In Noord-Thailand zijn ze dat niet — ik kan zeker vijftien slangensoorten opsommen die algemener zijn. Maar zeldzaam zijn cobra’s ook niet. Dit jaar, vooral in juli en augustus, kwam ik er op mijn motorfietstochtjes door de natuur opmerkelijk veel tegen, zowel dieren die over de weg kropen, als exemplaren die dat  ook hadden gedaan, maar de overkant niet levend wisten te bereiken: de verkeersslachtoffers, beter bekend als roadkills en in wetenschappelijke literatuur doorgaans met het acroniem DOR (dat staat voor ‘dead on road’) aangeduid.
Hoe zien ze eruit? De dieren die je in het Noord-Thaise laagland of laag in de heuvels tegenkomt zijn 40-100 cm lang en weinig opvallend van kleur: beige, lichtbruin, bronskleurig of donkergrijs (bijna zwart). Wanneer ze kruipen zie je meestal geen duidelijke tekening of een vaag, licht gekleurd V- of U-vormig teken op de nek. Kijk je goed, dat zie je dat de nek wat breder is dan de rest doordat het vel er slap bijhangt.

monocle

Naja kaouthia uit Chanthaburi met duidelijke monocle.

Val je een dier dat de weg oversteekt lastig dan probeert hij snel de berm in te vluchten. Maar blokkeer je zijn vluchtroute en zwaai je met iets, dan neemt de cobra meestal zijn typische defensieve houding aan: het voorste deel van het lichaam wordt opgeheven en de nek wordt uitgespreid tot een ‘lepel’. Vaak sist het dier even.

Je kan dan zien dat de voorkant van de nek (bij mensen heet dat een hals) meestal licht gekleurd (crèmekleurig) is met één of twee paar duidelijke zwarte stippen aan de zijkant. Ook is er een vage, wat donkerder band (zie eerste foto) en soms een tweede, vergelijkbare maar nog onduidelijker band wat lager. Er wordt aangenomen dat alle cobra’s in het grootste deel van Noord-Thailand tot deze variable soort behoren: de Siamese Spitting Cobra (Naja siamensis).

Hij komt ook in Centraal- en Noordoost-Thailand en in delen van Indo-China voor, maar daar is hij vaak sympatrisch met een andere, wat grotere cobrasoort, de Monocled Cobra (Naja kaouthia). Die is ook heel variabel, maar meestal is er op de uitgespreide nek (de achterkant van de ‘lepel’) een duidelijke monocle te zien. Verder verschilt het dier van Naja siamensis door een wat andere vorm van een bepaalde schub op de kop, het frontaalschild. Bovendien is Naja kaouthia geen spuwende cobra.

De Noord-Thaise cobra’s zijn in het algemeen spuwende cobra’s. Maar denk niet dat ze ook altijd hun gif in de richting van belagers spuwen of sproeien. In het begin had ik het vizier van mijn helm omlaag wanneer ik overstekende cobra’s ging fotograferen. Ik heb ze toch flink getreiterd, maar ik kreeg ze niet aan het sproeien. Kennelijk gaat er geen grote dreiging van mij uit. Maar ik heb vaak verhalen gehoord over honden die blind zijn geworden na een confrontatie met een cobra en kennelijk op relatief korte afstand cobragif in hun ogen gesproeid kregen.

Bij mensen veroorzaakt cobragif in de ogen doorgaans geen ernstige symptomen, maar je moet het wel meteen goed wegspoelen met veel water.

Cobra op muurschildering Li

Een cobra uit het Noord-Thaise laagland is tamelijk goed weergegeven in een muurschildering in een tempel in Li, Lamphun. Het dier is lichtbruin met een vrij vaag U-vormig teken op de lepel.

Noord-Thaise cobra’s zijn eigenlijk zeer defensief ingestelde dieren. Wanneer ze de kans hebben vluchten ze. Lukt dat niet, dan proberen ze schrik aan te jagen met gesis en een dreighouding. Ook hebben ze het spuwen van gif nog als verdediging in hun repertoir. Pas als dat niet helpt zal het dier bijten.

Omdat er kennelijk toch een risico bestaat dat ze spuwen, worden exemplaren van Naja siamensis niet gebruikt in de populaire snake shows van de ‘slangenboerderijen’ in Mae Sa Valley ten noorden van Chiang Mai. De dieren in de show zijn overwegend de wat grotere Naja kaouthia uit Centraal-Thailand.

Overigens vonden er begin oktober 2012 invallen plaats bij drie van deze slangenboerderijen. De mannen van het Department of National Parks, Wildlife and Plant Conservation confisceerden er vele ‘ illegale slangen’ en andere andere dieren, zo meldde de Bangkok Post van 3 oktober 2012. Het was een onderdeel van ‘het programma ervoor te zorgen dat de olifanten in Chiang Mai geschikte verblijven krijgen’. Wilden ze die olifanten soms in de lege slangenhokken stoppen?

In de bergen en in dicht, vochtig bos in Noord-Thailand komt nog een ander soort cobra voor. Ik ben voornamelijk juveniele dieren tegengekomen. Die zijn zwart met een zilvergrijze buik.  Op de nek is doorgaans slechts een vaag teken in de vorm van een dunne, gebroken monocle of een hoefijzer met de uiteinden omhoog. Het zou Naja kaouthia kunnen zijn, die dan kennelijk in het Noord-Thaise laagland geheel verdrongen is door N. siamensis, maar floreert in de bergen waar N. siamensis zich niet thuisvoelt. Maar het zou ook een andere soort kunnen zijn—in een klassieke studie van cobra’s in Thailand (Wüster et al, 1997) en enkele andere werken (zoals Cox et al. 1998) wordt gesteld dat N. kaouthia niet in Noord-Thailand voorkomt. En in Vogels werk over de gifslangen van Azië staat een kaartje waarin het areaal van deze soort met een knik om Noord-Thailand heenbuigt (Vogel 2006, p. 39).

Literatuur
Cox, Merel J., Peter Paul van Dijk, Jarujin Nabhitabhata, and Kumthorn Thirakhupt, 1998. A Photographic Guide to Snakes and other Reptiles of Thailand and South-East Asia. Asia Books, Bangkok.
Vogel, Gernot, 2006. Venomous snakes of Asia. Edition Chimaira, Frankfurt am Main.
Wüster, W., D. A. Warrell, M. J. Cox, P. Jintakune and J. Nabhitabhata, 1997. Redescription of Naja siamensis (Serpentes: Elapidae), a widely overlooked spitting cobra from S. E. Asia: geographic variation, medical importance and designation of neotype. Journal of Zoology, London, 243: 771-788.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s