Chinezen overzee

Chinezen overzee: Een Chinees heeft overal familie
dozen uit ChinaWaar je ook heengaat in de wereld, overal vind je Chinezen. En overal hebben ze het gemaakt. Zijn ze soms slimmer dan de gemiddelde mens, of beschikken ze over een ‘zakenknobbel’? Het lijkt merkwaardig genoeg allemaal te komen door waarden en tradities die in China zelf heel lang voor stagnatie zorgden.

Een blanke student aan de befaamde Stanford-universiteit kreeg een uitbrander van zijn professor vanwege zijn magere examenresultaat. Hij antwoordde: ‘Wat denkt u wel dat ik ben, een Chinees?’ Chinezen worden tegenwoordig in de Verenigde Staten nogal eens als een soort supermens gezien, terwijl iedereen in het begin van deze eeuw nog op ze neerkeek. Het was zelfs zo erg dat men liever niet wilde dat ze nakomelingen kregen.

De briljantste studenten en geleerden zijn nu vaak van Chinese komaf, zoals David Ho, de ster onder de aids-onderzoekers. Van de 5000 Chinese studenten die in 1949 (toen Mao’s communisten in China de macht grepen) in de VS asiel kregen, behoort een groot deel nu tot de toplaag van de maatschappij. Chinezen hebben in vergelijking met andere etnische groepen het hoogste onderwijsniveau en vormen het levende bewijs dat de American Dream nog steeds bestaat.
kaart migratie uit Zuid-ChinaEr wordt wel eens gezegd dat er erfelijke factoren in het spel zijn of dat Chinezen gewoon een hoger IQ hebben, maar bewezen is dat nooit. Ook zouden Chinezen een wiskundeknobbel hebben en dat zou dan verklaren waarom ze uitblinken in exacte vakken of zulke uitstekende ingenieurs zijn.

Anderen hameren erop dat die voorliefde voor exacte vakken met een taalachterstand te maken heeft, en dat ze met andere vakken juist meer moeite hebben. Eén studie heeft in ieder geval aangetoond dat scholieren in Peking bij wiskundetests hoger scoren dat scholieren in Chicago.
En dat wijst er misschien op dat het Chinese karakterschrift een goede basis is voor het abstracte denken bij wiskunde. Hiervoor pleit ook dat (Chinese) studenten op Filipijnse en Maleisische scholen met Chinees als voertaal beter in wiskunde zijn dan die op scholen waar in het Tagalog (Filipijns) of Engels wordt lesgegeven.

muurschildering Chinese jonk

Een Chinese jonk voor de monding van de Chao Phraya (muurschildering Wat Maha Phruettharam in Bangkok).

Respect voor pa en ma
Hoewel er volop naar natuurlijke talenten is gezocht, is de invloed van hun traditionele cultuur de belangrijkste oorzaak van het succes van de ‘overzeese’ Chinezen. Binnen die cultuur neemt het confucianisme, de strenge, 2000 jaar oude levensleer die respect voor ouders en autoriteiten benadrukt, een centrale plaats in. Dat verklaart meteen waarom ook Vietnamezen, Koreanen en Japanners, die net zoals Chinezen in het algemeen veel waarde aan de leer van Confucius hechten, in Amerika zo succesvol zijn. Volgens de Maleisische historicus Cheah Boon Keng, zelf van Chinese komaf en jarenlang student in de VS, dringen Chinese ouders er bij hun kinderen enorm op aan dat ze hun huiswerk maken. Dat gaat zover dat andere studenten zulke ‘bemoeizucht’ waarschijnlijk niet zouden pikken. Behalve dat pa de kids zwaar onder druk zet, bepaalt hij ook nog eens wat zijn kroost gaat studeren. Vaak zijn dat exacte en technische vakken, want daarmee kun je een betere baan krijgen.

En het is ook aan de Chinese cultuur te danken dat de studenten niet in opstand komen.  Een Chinees spreekwoord zegt dat van de honderd deugden eerbied voor de ouders de belangrijkste is en dat vind je ook terug in talloze Chinese legenden. Een ervan vertelt het verhaal van een Chinees, zijn oude moeder, zijn vrouw en zijn zoontje. Ze waren straatarm en er was niet genoeg te eten. Op een dag ontdekte de man dat zijn moeder een deel van haar eten aan zijn zoontje afstond, waardoor ze zelf bijna van de honger omkwam. Daarop besloot vader de kleine te wurgen, want een kind is vervangbaar, maar je oude moeder niet. Voordat hij tot die verschrikkelijke daad overging, spitte hij een grafje voor het kind en stuitte daarbij op een pot vol goudstukken. Het was een beloning uit de hemel voor de zoon die zijn moeder boven alle mensen eerbiedigde.

Gele slaven

tempelschildering Bangkok

Chinezen met staartjes in een boeddhistische tempel in Bangkok (19de-eeuwse muurschildering in Wat Maha Phruettharam, Bangkok).

Volgens Confucius zijn ouders bijna heilig, maar de andere familieleden eisen ook het nodige respect op. En tussen Chiezen met dezelfde familienaam (die tot dezelfde ‘clan’ behoren) bestaat een sterke band, die een grote rol speelde bij het overleven en het succes van miljoenen avonturiers die sinds de zeventiende eeuw China verlieten. Vaak beschouwden Chinezen elke ander Chinees als en familielid en voelen ze zich verplicht elkaar als broers en zusters te helpen. In het gezegde ‘binnen de vier oceanen, zijn alle mensen broeders’ worden met ‘mensen’ uiteraard Chinezen bedoeld. Overigens waren deze broederschap en de veelgeprezen harmonie in China zelf vaak ver te zoeken. Vandaar dat miljoenen Chinezen hun vaderland verlieten. De meeste migranten kwamen uit het zuiden. Een belangrijke uittocht vond plaats na 1644, na de val vand e Ming-dynastie.

De Manchu’s, de nieuwe heersers uit het noorden, verdreven degenen die de oude dynastie trouw bleven naar Taiwan, de Filipijnen en Vietnam. Tijdens hun veldtochten naar de zuidelijke regio’s verwoestten ze alles. Zuid-China werd een soort niemandsland en wie verstandig was, pakte zijn biezen. De Manchu-keizers beschouwden het als een misdrijf wanneer een Chinees zijn vaderland verliet. Vandaar de vreemde reactie van de keizer nadat in Batavia (Jakarta) in 1744 duizenden leden van de bloeiende Chinese gemeenschap waren vermoord. Toen de Hollandse heersers daarvoor hun verontschuldigingen aanboden, liet hij laconiek weten het helemaal niet erg te vinden. Het waren immers maar ‘onwaardige onderdanen die vanwege winstbejag hun land en de graven van hun voorouders in de steek hebben gelaten.’

overslaghandel

Overslaghandel in Bangkoks Chinese wijk.

Al gauw werd duidelijk dat Chinese migranten door hun ijver, zuinigheid en zakelijk talent uitblonken. Jan van Riebeeck, de stichter van de Hollandse nederzetting bij Kaap de Goede Hoop, vond dat één Chinees evenveel waard was als vijftig Afrikanen. Toen in de negentiende eeuw de handel in Afrikaanse negerslaven werd afgeschaft, kwam de handel in Chinese arbeiders tot bloei. De manier waarop ze in de scheepsruimen werden gepakt, verschilde weinig van het slaventransport. Bij het ronselen van ‘koelies’ in de Chinese havens ging het er vaak stevig aan toe. De Engelsen hebben daar zelfs de uitdrukking  to shanghai someone (iemand ontvoeren) aan overgehouden.

Maar verreweg de meeste Chinezen verlieten het vaderland vrijwillig. De opiumoorlog had tot veel ellende geleid, terwijl de theecultuur, de economische pijler van Zuid-China, instortte toen de Engelsen en Hollanders op Ceylon en Java hun eigen plantages gingen aanleggen. Daarnaast voerden verschillende clans in het zuiden constant oorlog. Het meest catastrofaal was de Taiping-opstand, die veertien jaar duurde en waarbij tientallen miljoenen doden vielen.

Van krantenjongen tot miljonair
De Chinese avonturiers belandden in alle uithoeken van de wereld. Het suikerriet op Mauritius werd door Chinezen gekapt, de Amerikaanse Central pacific Railroad door Chinezen aangelegd. In westerns worden de goudzoekers in het wilde westen meestal voorgesteld als Europeanen met stoppelbaarden, in werkelijkheid bestond meer dan de helft uit Chinezen.. Het was een Chinees (Lue Gim Gong) die als eerste een sinaasappel kweekte die regen vorst kon—het begin van Amerika’s citruscultuur.

Chinese winkel

Een Chinese kruidenier in Bangkok: visseblazen, gedroogde garnalen en paddestoelen.

Chinezen domineerden de Maleisische tinmijnbouw. In Europa groeven Chinezen tijdens de eerste wereldoorlog loopgraven aan het front. De bemanning van zeeschepen was vaak Chinees. Tijdens de crisisjaren (jaren dertig) bleven velen in Europese havens hangen. Scheepskoks begonnen er goedkope eethuisjes. In Nederland liepenzoveel Chinezen met pinda’s te venten dat ze ‘pinda-Chinezen’ werden genoemd.
heel wat van die avonturiers maakten hun fortuin. Ga maat kijken in de Chinese wijk van de Thaise hoofdstad Bangkok. In razend tempo lossen gespierde Thaise jongemannen vrachtauto’s en en sjouwen de ladingen pakhuizen in. De baas, vaak een oudere Chinees die zijn carrièreveertig of vijftig jaar geleden als koelie begon, houdt vanuit een duur ingericht kantoor alles nauwlettend in de gaten.
Van krantenjongen tot miljonair: onder de overzeese Chinezen zijn er honderden voorbeelden van. Zoals Chin Sophonpanit, die in 1911 in Bangkok werd geboren, kort nadat zijn Chinese ouders er voet aan wal zetten. In zijn jeugd werkte hij als koelie; toen hij in 1988 stierf, bezat hij de Bangkok Bank, de grootste van Zuidoost-Azië. En het winkeltje dat de twee broers Chearawanon in 1922 na aankomst in Bangkok begonnen, groeide uit tot de multinational Charen Pokphan, die nu 200 bedrijven omvat enin twaalf landen 80.000 mensen in dienst heeft. Op de lijst van ‘s werelds rijkste families staan de Chearawanons op de 65ste plaats.
Maar het beroemdst is Li Ka-shing, die in 1940 als twaalfjarige de burgeroorlog in China ontvluchtte en zijn geluk zocht in de Britse kolonie Hongkong. Twee jaar later stierf zijn vader en moest hij voor zijn moeder en jongere broertjes en zusjes zorgen. Hij gign in een fabriek werken waar plastic horlogebandjes en plastic bloemen werden gemaakt. Nu behoren gigantische plasticfabrieken tot zijn imperium en wordt hij tot de vijftien rijkste mensen ter wereld gerekend.
‘Alles wat Li Ka-shing aanraakt, verandert in goud,’ wordt over Li gezegd. Natuurlijk zullen de meeste geslaagde Chinese zakenlieden een goed ontwikkelde ‘businessknobbel’ hebben, maar professor Cheah wijst er nadrukkelijk op dat hun succes ondenkbaar was zonder de hulp die Chinezen elkaar gaven. Een zakenman mag nog zoveel talent hebben, zonder beginkapitaal komt hij niet ver. En binnen de overzeese gemeenschap waren de Chinezen onderling geen moordende concurrenten, maar vooral ‘broeders’. Op vertrouwensbasis (‘Chinezen onder elkaar’) werden soms enorme leningen afgesloten. Bankmagnaat Chin had het nooit zover geschopt als hij er na zware tegenslagen niet door zijn clangenoten bovenop was geholpen.
De conservatieve waarden van het confucianisme lijken lijnrecht te staan tegenover wat in het westen vaak gezien wordt als een vereiste om te slagen: individualisme. Historici, zoals China-expert Joseph Needham, menen dat het confucianisme in China zelf tot stagnatie heeft geleid en een wetenschappelijke en technologische doorbraak, zoals tijdens de industriële revolutie in het westen, tegenhield. Cheah: ‘China heeft zoveel voortgebracht: buskruit, enorme zeeschepen en de abacus, een ingenieus telraam. Maar gehoorzaamheid aan de keizer en de rem op het individualisme stonden een echte revolutie van het vrije denken in de weg. De leer van Confucius is wel de vijand van het vrije denken genoemd.’
Het succes van de Chinezen overzee laat zien dat die conservatieve waarden in een andere situatie juist succesvol kunnen zijn. Maar de traditionele cultuur van de Chinese migranten is over één generatie grotendeels in de Amerikaanse cultuur opgegaan. En dan, voorspelt Cheah, zal de ‘briljante Chinese student’ tot het verleden behoren. De tweede generatie Chinese vaders zullen hun kinderen niet meer zo achter de vodden zitten, maar net als alle andere vaders voor de tv hangen. En met ‘vaders wil is wet’ kon het dan wel eens gedaan zijn.
Overigens zal dan misschien, in de 21ste eeuw, wanneer een miljard Chinezen in de wereldcultuur worden opgenomen, de vraag worden beantwoord hoe westers individualisme en oosterse familiezin het verder met elkaar zullen vinden.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s

Literatuur:
Lynn Pan. Sons of the Yellow Emperor. The story of the overseas Chinese. Mandarin, London, 1991.
Hans Werner. De Chinese familie. De Fontein, Baarn, 1995.

Een iets andere versie van dit verhaal verscheen in Kijk, januari 1998: 42-45.