Calloselasma rhodostoma, de gevaarlijke Malayan Pit-viper

Een volwassen exemplaar van de Malayan pit viper tussen de afgevallen bladeren. Laag op Doi Suthep in bos met overwegend blad verliezende boomsoorten. Muang district, Chiang Mai.

Een volwassen Malayan Pit-viper tussen de gevallen bladeren, laag op Doi Suthep in bos met overwegend blad verliezende boomsoorten. Mueang district, Chiang Mai.

Karakteristiek voor de soorten in de grote familie der Crotalidae is de aanwezigheid van een gepaard ‘pit organ’ dat zich op de snuit tussen de ogen en neusgaten bevindt. Het ziet eruit als een gat en de opening ervan in de bovenlip is meestal goed te onderscheiden. In het Engels heten deze slangen daarom pit-vipers, in het Nederlands groefkopadders.

In de groef bevindt zich een warmtegevoelig orgaan dat deze slangen in staat stelt ‘s nachts warmbloedig prooi te localiseren of overdag koele plaatsen te vinden om te rusten.
De Bushmaster (Lachesis) uit Zuid-Amerika is een groefkopadder die een lengte van 3,5 meter kan bereiken, maar geen van het dozijn soorten dat in Thailand voorkomt wordt langer dan 130 cm. De Amerikaanse ratelslangen behoren ook tot deze familie, maar in Thailand komen geen soorten voor met een ratelorgaan in hun staart.

Net als de gewone adders hebben de groefkopadders grote, holle giftanden die tegen het gehemelte zijn opgeborgen en bij een beet naar voren toe worden uitgeklapt. De meeste soorten produceren een bijzonder krachtig gif dat vooral een hemotoxische werking heeft, zoals het bevorderen of tegengaan van de bloedstolling of het afbreken van weefsel. Sommige soorten bezitten echter ook neurotoxinen, zoals de in Noord-Thailand algemene Pope’s Pit-viper.

Het geslacht Calloselasma wordt door één soort vertegenwoordigd, de beruchte Malayan Pit-viper.

Malayan Pit-viper (Calloselasma rhodostoma)

Thaise naam: ngu kapa –  งูกะปะ

Deze tot 1 meter lange bruine goefkopadder is een van de gevaarlijkste slangen van Thailand. Hij is wijd verbreid over het gehele land en op sommige plaatsen erg algemeen, zoals in Zuid-Thaise rubber- en oliepalmplantages en in droog en open bos in delen van Noord-Thailand en het Noordoosten. De rugkleur varieert van licht rozeachtig bruin tot tamelijk donker bruin. Over de gehele lengte lopen twee rijen donkere, driehoekige vlekken die met een punt tegen de middellijn aan liggen, ofwel alternerend, ofwel met de punten tegen elkaar. Gewoonlijk zijn die vlekken omgeven door een lichte rand. De schubben zijn in tegenstelling tot vele andere Thaise groefkopadders glad.

Het lichaam is enigszins zijdelings afgeplat. De kop is groot en trapeziumvormig en steekt heel duidelijk af tegen de relatief dunne nek. In het Thai heet de slang ngu kapa, een naam die slaat op de vorm van de kop die aan het ijzer van een bijl doet denken. (Kapa is afgeleid van kapak bodoh, wat in het Maleis ‘bijlvormig’ betekent — in Maleisië heet de slang ular kapak bodoh.) Meestal ligt de slang ergens opgerold met de kop rustend op de windingen van het lichaam en de snuit iets opgericht. De witte kin en een kenmerkende lichte lijn die van het oog naar de achterkant van de kop loopt zijn dan goed te zien. Ook duidelijk is de driehoekige opening (de groef) van het warmtezintuig tussen oog en neusgat.

Het patroon van donkere driehoekjes op de rug zorgt voor een perfecte schutkleur tussen de droge, gevallen bladeren in een bos. Daar liggen ze dan ook vaak verscholen. ‘s Nachts zijn ze ‘actief’ en dan liggen ze doodstil te wachten tot er prooi (bij voorkeur warmbloedige dieren zoals muizen) in de buurt komt. Dan slaan ze meedogenloos toe vanuit de hinderlaag.

Hetzelfde exemplaar als in de bovenstaande afbeelding, kruipend. Het markante patroon van donkere driehoeken gerangschikt rond de ruggegraat is goed te zien.

Hetzelfde exemplaar als in de bovenstaande afbeelding, kruipend. Het markante patroon van donkere driehoeken gerangschikt rond de ruggegraat is goed te zien.

Omdat ze zowel bij deze jacht als ter zelfbescherming helemaal vertrouwen op hun camouflage, zijn ze weinig geneigd weg te kruipen bij onraad (zoals bijvoorbeeld een cobra bijna altijd wel doet). Maar als de bedreiging binnen hun bereik komt, zullen ze niet nalaten uit te vallen en te bijten. Volgens Kopstein die in het begin van de twintigste eeuw gifslangen op Java bestudeerde, werd deze soort op Java vooral gevreesd ‘vanwege de heftigheid en woede, die ze aan den dag legt, zoodra men haar stoort.’ (1)

Het gebeurt vaak dat iemand het dier niet ziet en erop stapt of zijn voet er vlak naast zet. Vooral in Zuid-Thailand worden op die manier veel mensen gebeten.  De rubbertappers dragen tijdens hun werk in de vroege ochtend als het nog donker is rubberlaarzen — dat is vooral als bescherming tegen slangenbeten, in het bijzonder van deze groefkopadder. Het gif dat bij een beet wordt ingespoten heeft een krachtige hemotoxische werking. Een muis van honderd gram die door een volwassen exemplaar wordt gebeten en met de giftanden in zijn lijf wordt vastgehouden is doorgaans binnen tien seconden morsdood. Meestal houdt de slang de prooi zo een paar minuten in bedwang waarna hij deze naar binnen begint te werken.

Als hij grotere dieren aanvalt, laat hij vaak meteen weer los. Dit is een verstandige strategie die voorkomt door de beten van bijvoorbeeld een knaagdier gewond te raken. De prooi zal in de meeste gevallen toch in korte tijd bezwijken als gevolg van het ingespoten gif. De slang volgt het geurspoor van het prooidier; waarschijnlijk speelt het warmtezintuig in de groef op de kop ook een rol bij het localiseren van warmbloedige dieren in het donker. Dan wacht hij tot het dier volledig is bezweken en begint deze vervolgens te verorberen.

Bij de mens veroorzaakt een beet een aanzienlijke zwelling. Daarnaast ontstaan er donkere, vaak pikzwarte blaren en sterft het aangrenzende weefsel af. Wanneer de beet niet (deskundig) behandeld wordt, zijn sterfgevallen als gevolg van complicaties (uitgebreid gangreen, bloedingen in vitale organen) algemeen.

Volgens Merel Cox komen er meer slangenbeten in Thailand en Maleisië op rekening van deze dan van elke andere soort. (2) Graham and Round menen dat de Malayan Pit-viper samen met de Russell’s Viper verantwoordelijk is voor de meeste beten door gifslangen in Thailand, omdat ze op de grond leven en wijd verspreid zijn in het laagland en niet geneigd zijn te vluchten wanneer ze benaderd worden. (3) In Zuid-Thailand of peninsulair Maleisië is deze slang waarschijnlijk de nummer één wat het aantal toegebrachte beten aangaat.

Een Malayan pit viper in karakteristieke rusthouding.

Een Malayan Pit-viper in karakteristieke rusthouding.

In Cambodja is deze slang de belangrijkste killer. Wanneer zich een gangreen begint te ontwikkelen moet vaak het been (soms de arm) waarin is gebeten worden geamputeerd om het leven van het slachtoffer te redden. In sommige streken verliezen meer mensen een been als gevolg van de Malayan Pit-viper dan van landmijnen. De dodelijke beet is daar een ‘reality of life’. De meeste mensen worden er in de rijstvelden en de rubberplantages gebeten. (4)

Aangezien veel plattelanders menen dat een gebeten ledemaat sowieso geamputeerd wordt, zijn ze bang naar een ziekenhuis te gaan en geven ze de voorkeur aan de behandeling door een magiër of met lokale middelen. Tot die laatste behoort het insmeren van de wond met een mengsel van waterbuffelstront, kikkerbloed en fijngekauwde kruiden. Vaak wordt er ook een magische steen op de wond gelegd om het gif eruit te krijgen. Deze behandelingen kunnen veel kwaad doen en een op zich niet dodelijke beet veranderen in een levensgevaarlijke infectie met gangreen. (5)

De situatie in Noord-Thailand is beslist niet te vergelijken met die in Cambodja en zelfs niet met die in Zuid-Thailand. Toch komen beten door deze slang er regelmatig voor.

plastic zak met slang

Een levensgevaarlijke Malayan Pit-viper wordt in een plastic zak gedragen.

De meeste Thai weten niet dat Malayan Pit-viper een zeer gevaarlijke slang is. Op de foto staan twee jongemannen met een plastic zak bij zich aan het hek van mijn woning. In de zak zit een slang die ‘s middags door een dronken man is gevangen bij de Huai Kaeo waterval aan de voet van Doi Suthep, een populaire picnicplaats. De slang blijkt een Malayan pit viper te zijn. Niemand bij de waterval wist dat het een levensgevaarlijk dier is.

Een aantal maanden later ziet een Akha-man in Chiang Mais Mae Taeng district in het bos een slang opgerold op de grond liggen. Hij wil het dier grijpen, maar wordt in zijn hand gebeten. Vervolgens slaat hij de slang met een stok dood. De slang bleek op een twintigtal eieren gelegen te hebben. De man neemt het dode dier mee naar zijn dorp. Geen van de dorpelingen kent deze slang. Ondertussen is zijn arm pijnlijk en enigszins gezwollen. De hand kan hij nog maar moeilijk bewegen, terwijl de huid  de kleur aanneemt als bij een bloeduitstorting. Een lokale genezer behandelt de beet, niet meer dan een schaafwond, met kruiden die hij fijn gekauwd heeft, het slachtoffer is niettemin bang te zullen sterven. Er wordt geen poging gedaan hem naar een ziekenhuis te vervoeren. De slang wordt door de dorpelingen opgegeten. Na vier dagen kan het slachtoffer zijn hand weer normaal gebruiken en is de verkleuring en zwelling van de arm vrijwel verdwenen.  Ik laat hem later plaatjes van slangen zien en hij identificeert de slang die hem gebeten heeft als een Malayan Pit-viper. De beet moet oppervlakkig geweest zijn en er was kennelijk erg wenig vergif in de wond gekomen. Wanneer de slang veel vergif had ingespoten had hij de beet misschien niet overleefd. Waarschijnlijk worden vergelijkbare gevallen als deze, maar met ernstige gevolgen of dodelijke afloop, zelden of nooit gerapporteerd.

Een Malayan pit viper in gevangenschap die een muis heeft gegrepen.

Een Malayan Pit-viper in gevangenschap die een muis heeft gegrepen.

In tegenstelling tot de levendbarende groene groefkopadders legt de Malayan pit viper eieren. Het wijfje bewaakt de 15-25 eieren op de grond door er haar lichaam erom heen te wikkelen. Na zes weken komen de eieren uit.

De pas geboren slangetjes zijn circa 15 cm lang. De top van hun staart is opvallend crèmekleurig en wordt misschien gebruikt om prooi te lokken.

Bij oudere dieren is de staart rozeachtig lichtbruin. Hij wordt vaak wat omhoog gestoken. Bij gevaar veroorzaakt de vibratie ervan een zacht gezoem en tussen de droge bladeren  een licht geratel. Wanneer Thai een inheemse slang ngu krading noemen, wat ‘ratelslang’ betekent (6), bedoelen ze waarschijnlijk deze soort, hoewel een ratelorgaan, zoals bij echte ratelslangen, in de staart ontbreekt.

Deze slang is wijd verspreid in Noord-Thailand waar hij droog bos laag in de heuvels prefereert.

De evolutie van slangengif

Het gif van deze slang bevat een substantie die defibrinering van het bloed bevordert en daarmee de bloedstolling gedurende een periode van een week of langer na de beet tegengaat. Men heeft die anti-stollingsfactor weten te isoleren; deze wordt nu gebruikt als een specifiek middel (Arvin) tegen thrombose. (7)

Wolfgang Wüster van de Universiteit van Wales en andere onderzoekers hebben het gif van deze groefkopadder onderzocht en vonden dat — net als bij andere gifslangen  — de samenstelling van de proteïnen een enorme geografische variatie vertoont.

Ze vergeleken het patroon van die variatie met de geografische variatie in het dieet van de onderzochte dieren en vonden een significante correlatie: veranderingen in het dieet kwamen overeen met wijzigingen in de proteïnen in het gif, wat wijst op een snelle verandering in de proteïnensamenstelling als reactie op dit dieet. (8)

Deze bevindingen steunen de wapenwedloop hypothese van de co-evolutie van dieet en prooi-specifieke vergifactiviteit. Joe Slowinski formuleert dit als volgt: ‘Prooi is voortdurend bezig weerstand tegen slangengif aan het ontwikkelen om de gifstoffen ineffectief maakt. Dit oefent een enorme druk uit op de slangen om deze resistentie te omzeilen door hun gifstoffen te veranderen. De druk is zo groot dat zo’n beetje elke wijziging die de volgorde van de aminozuren van gifproteïnen veranderen zullen worden begunstigd door de natuurlijke selectie. Maar dan ontwikkelt het prooi natuurlijk opnieuw resistentie, enzovoort.’ (9)

Recent onderzoek van het vergif van verschillende, verwante soorten van het addergeslacht Echis in relatie tot hun dieet geeft steun aan deze theorie (10), waarbij ook naar voren komt dat sterke selectie plaatsvindt op de vermindering van de productie van sterke vergiffen wanneer het vangen van de geprefereerde prooi dat toestaat, omdat de vergifproductie immers een metabolisch kostbare investering is. (11)

Het is begrijpelijk dat de sterke geografische verschillen in de samenstelling van vergif en de snelle veranderingen in de loop van de tijd grote consequenties hebben voor de effectiviteit van antiveninen. (12)

©Sjon Hauser: tekst, foto’s en kaartwerk

Kaart van Noord-Thailand met erop aangegeven waar ik de Malyan pit viper heb gevonden.

Kaart van Noord-Thailand met de plaatsen waar ik de Malayan Pit-viper heb gevonden.

Voetnoten:

1. Kopstein, Felix, 1930. De Javaansche gifslangen en haar beteekenis voor den Mensch. Nederlansch-Indische Natuurhistorische Vereniging, Weltevreden: 97. Kopstein meent dat ook de lange giftanden van de Oelar Tanah (de Javaanse naam van de slang) en het tamelijk lang opensperren van de bek daarbij een rol speelt. Verder merkt hij op dat de onverwachte bewegingen van het dier schrikwekkend werken. ‘Zoodra men een Ancistrodon rhodostoma aanvat, springt ze op, waarbij ze een oogenblik werkelijk geheel los van den grond is.’ Niettemin meent hij dat er niet veel dodelijke ongelukken met deze slang gebeuren, al haalt hij een aantal gevallen uit de oudere literatuur aan. Kopstein, 1930, ibid.: 97-107.

2. Cox, Merel, J., 1991. The snakes of Thailand and their husbandry. Krieger, Malabar, Florida: 370.

3. Graham, Mark and Philip Round, 1994. Thailand’s vanishing flora and fauna. Finance One, Bangkok: 139.

4. Volgens Nikolai Doroshenko, die aan het hoofd staat van een centrum voor de behandeling van slangenbeten in Kampong Som ten noorden van het Tonle Sap,  worden er naar schatting 800 mensen elk jaar al gebeten in die provincie alleen, van wie meer dan de helft sterft als gevolg van de beet of de ineffectieve behandeling. In zuidelijk Vietnam met een ophiofauna vergelijkbaar met Cambodja menen autoriteiten dat slangenbeten de op twee na belangrijkste doodsoorzaak zijn onder de plattelandsbevolking (na malaria en ondervoeding). In: Reilly, David, 2005. Nature’s landmines. Phnom Penh Post, 28 January-10 February 2005: 16.

5. Reilly, 2005, ibid.: 16.

6. Bijvoorbeeld, in de informatie van een klein museum bij de ingang van het Phu Phra Bat Historical Park in de provincie Udon Thani Province wordt de Malayan Pit-viper, die er algemeen is, ‘rattle snake’ genoemd. Aan de andere kant wordt rattle snake in een veel gebruikt Engels-Thai woordenboek vertaald met ngu chong ang — dit laatste is evenwel de gebruikelijke naam voor de koningscobra. Modern Thai-English dictionary, 1995. Thai Watthanaphanit, Bangkok: 615.

7. Lim, Boo Liat, 1990. Venomous land snakes of Malaysia. In: Snakes of medical importance (Asia-Pacific region) (P. Gopalakrishnakone and L. M. Chou, eds.), p. 387-417. Venom and Toxin Research Group, University of Singapore.

8. Daltry, Jennifer C, Wolfgang Wüster and Roger S. Thorpe, 1996. Diet and snake venom evolution. Nature, 379, 8 February 1996: 537-540; Wüster, Wolfgang, Jennifer C. Daltry, Roger S. Thorpe, 1999. Can diet explain intraspecific venom variation? Reply to Sasa. Toxicon 37: 253-258.

9. Slowinski, Joe, 2000. Striking beauties: venomous snakes. California Wild 53 (2), Spring 2000.

10. Barlow, Axel, Catherine E. Pook, Robert A. Harrison and Wolfgang Wüster, 2009. Coevolution of diet and prey-specific venom activity supports the role of selection in snake venom evolution. Proceedings of the Royal Society B 276: 2443-2449.

12. Fry, Bryan G., Kenneth D. Winkel, Janith C. Wickramaratna, Wayne C. Hodgson, and Wolfgang Wüster, 2003. Effectiveness of snake antivenom: species and regional venom variation and its clinical impact. Journal of Toxicology 22 (1): 23-34.