Bungarus fasciatus, de imposante, geel-zwarte Banded Krait

Banded krait uit Lamphun.

Een Banded Krait uit het district Mae Tha van Lamphun. De driehoekige vorm met de scherpe kam van de ruggegraat is goed te zien.

De onderfamilie Bungarinae van de Elapidae omvat middelgrote tot grote Afrikaanse en Aziatische gifslangen — cobra’s, kraits en mamba’s — waaronder enkele van de beruchtste killers.

Het geslacht Bungarus bestaat uit twaalf soorten kraits waarvan het totale verspreidingsgebied zich uitstrekt van India en Sri Lanka tot over het grootste deel van Zuidoost-Azië.

Deze slangen zijn ‘s nachts actief en voeden zich vooral met andere slangen. Ze hebben gespecialiseerde, vergrote giftanden voorin de bovenkaak en produceren een gif met een zeer krachtige neurotoxische werking. Drie soorten komen voor in Thailand, waarvan de tamelijk zeldzame  Red-headed Krait (Bungarus flaviceps) alleen in het zuiden. De andere twee, de Banded Krait (Bungarus fasciatus) en de Blue Krait (Bungarus candidus), zijn wijd verspreid in Noord-Thailand.

Banded Krait (Bungarus fasciatus)

Thaise naam: ngu sam liam – งูสามเหลี่ยม

De Banded Krait is een prachtige slang die een lengte van ruim twee meter kan bereiken — volgroeide dieren zijn een imposante verschijning. Het record wordt gehouden door een exemplaar van 213 cm uit India. (1) In het verleden had het dier naast cobra’s, koningscobra’s en Mangrove Snakes een belangrijke plaats in de handel in slangen uit de regio. (2)

Een forse banded krait in Bangkoks Snake Farm.

Een forse Banded Krait die wordt gehouden in Bangkoks Snake Farm.

In doorsnede is het lichaam driehoekig van vorm. Door uitsteeksels van de wervels heeft de wervelkolom een tamelijk scherpe kam. De Thai noemen het dier dan ook ‘driehoekige slang’ (ngu sam liang). De functionele betekenis van de opmerkelijke vorm is onbekend. (3)

De kleur van het dier is ook bijzonder: eigeel (soms grijsgeel) met 20-30 zwarte dwarsbanden die ongeveer even breed zijn als de gele banden ertussen. De zwarte banden lopen helemaal door over de (gele) buik en zijn daar doorgaans 3-6 ventrale schubben breed. De tamelijk korte staart eindigt in een stompe punt die vaak wat gezwollen is.

De kop is grotendeels zwart, evenals de nek, maar de supralabiale schubben (schubben van de bovenlip) en de keel zijn geel. De schubben zijn glad en lopen 15 rijen dik ter hoogte van het midden van het lichaam. De vertebrale schubben (de middelste rij boven de wervelkolom) zijn hexagonaal, sterk vergroot en breder dan lang. Een ander kenmerk waarmee de slang zich onderscheidt is dat de subcaudale schubben  (op de onderkant van de staart) over de gehele lengte van de staart ongepaard zijn.

Van de opvallende kleur en het patroon van het dier (en van andere gifslangen, zoals coral snakes) wordt vaak aangenomen dat ze dienen als waarschuwingssignaal. Predatoren zouden daardoor gemakkelijk leren het gevaarlijke dier te vermijden. Deze theorie is echter zeer omstreden omdat de beet vaak dodelijk is en er voor predatoren dan weinig lering in de praktijk te brengen is. Bovendien leven veel giftige soorten met zulke veronderstelde ‘signaalkleuren’ in de grond of erg verborgen en zijn veel predatoren kleurenblind! (4)

Details van de rugschubben met sterk vergrote vertebrale schubben (rode pijl).

Details van de rugschubben met sterk vergrote vertebrale schubben (rode pijl).

De Banded Krait is vrij algemeen in geheel Thailand maar komt overwegend voor in het laagland voor waar hij zich graag ophoudt in de nabijheid van water — vaak in de buurt van menselijke nederzettingen. Hij is zelden hogerop in de bergen te vinden. Ook in Myanmar worden de meeste dieren in het laagland gevonden (op een hoogte van 100-300 meter), vaak bij dorpen en op in cultuur gebracht land met  veel water, zoals rijstvelden. (5)

De wijfjes leggen een dozijn eieren die worden bewaakt. De jongen die uit het ei komen zijn 30 cm lang en minder kleurig dan de ouders — de bij volwassen dieren gele bandjes zijn bij juvenielen grijs.

‘s Nachts jaagt de slang vooral op andere slangen, zoals Sunbeam Snakes, Striped Keelbacks en Yellow-bellied Water Snakes. Vaak munt hij het op relatief grote dieren en ondanks zijn sterke gif kan het dan lang duren voordat de prooi wordt overmand in wat een strijd op leven en dood lijkt. Dit is levendig door Mell is beschreven: ‘Als hij een grote Ptyas of Coluber bij de kop heeft gepakt, zullen deze dieren die nog niet vergiftigd zijn, zich om hem heen winden. Je denkt dat hij zal stikken, hij wordt tegen de wand aan geslagen, je hoort het kletsen en dreunen en je denkt dat beide dieren elkaar de kop inslaan. Maar na uren heeft de flegmatieke moordenaar toch de sympathiekere en meer temperamentvolle buit opgevreten.’ (6)

Overdag is het doorgaans een sloom en verlegen dier dat zijn kop onder de windingen van zijn lichaam verbergt. Het bijt dan zelden. Als het ‘s nachts actief is raakt het echter gemakkelijk geïrriteerd en is dan vrij snel geneigd te bijten. Vaak bijt hij zich vast en maakt kauwbewegingen en kan op die manier veel gif injecteren. (7)

Een banded krait tijdens een demonstratie in Bangkoks Snake Farm.

De Banded Krait is overdag buitengewoon dociel. Assistenten verbonden aan Bangkoks Snake Farm vertonen dan ook geen enkele vrees voor de dieren.

Over de agressiviteit van deze slang zijn de meningen echter verdeeld. Vaak is men hierover ook nogal ambivalent — voer voor psychologen. Die ambivalentie wordt het duidelijkst geïllustreerd door de woorden van een Nepalese Gurka: ‘De krait is een ‘goede’ slang omdat hij nooit bijt, maar als hij bijt dan ga je dood.’ (8)

In oudere bronnen wordt vooral het dociele karakter van de slang benadrukt. In de jaren veertig stelde Malcolm Smith nog dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van mensen die door een Banded Krait zijn gebeten en dat men in Birma zelfs meent dat hij niet giftig is. (9)

Ook Tweedie, wiens ervaringen in de jaren veertig en vijftig vooral in Maleisië waren opgedaan, merkte op dat de Banded Krait ‘extremely inoffensive’ is en herhaalde de woorden van Smith, maar voegde eraan toe dat een Maleise bewoner van Kelantan hem verzekerde dat de krait niet giftig is. (10) Een bladzijde eerder had hij evenwel gesteld dat kraits wel bijten bij extreme provocatie, wanneer men erop stapt of ze ruw aanpakt, en dat het gif erg toxisch is en bij mensen die gebeten worden vaak de dood veroorzaakt. (11)

Edward Taylor, die vooral in Thailand onderzoek deed, slaagde er in de jaren zestig niet in de krait tot een beet te provoceren, zelfs niet wanneer hij een dier plaagde of verwondde — de krait drukte de kop slechts tegen de grond of verborg deze onder de windingen van zijn lichaam. (12)

Ook de Indiase herpetoloog R. C. Sharma benadrukt dat de Banded Krait een ‘uiterst dociel en vriendelijk’ dier is (13), terwijl de tegenstrijdigheid tussen het vriendelijke gedrag en het gevaar van deze slang weer tot uitdrukking komt in de woorden van de Maleisische expert Lim Boo Liat: ‘buitengewoon weinig agressief …maar beten door deze slang zijn tamelijk gewoon.’ (14)

Dat deze slangen wel degelijk bijten was al aan het begin van de twintigste eeuw door Felix Kopstein op Java gedocumenteerd, waar de Banded Krait weling genoemd wordt. (15) Hij concludeert er verstandig uit dat men ‘met slangen nooit voorzichtig genoeg [kan] zijn en voor ieder, die er niets mee te maken heeft, geldt slechts één raad: niet aanpakken! Noch levende, noch schijnbaar doode! Een slang, die een paar stokslagen gekregen heeft, zal dikwijls langen tijd verdoofd neerliggen, om tot bewustzijn terug te keeren, zoodra  men haar aanpakt. Slangen zijn geen speelgoed en gifslangen wel allerminst een geschikt object voor liefhebberij.’ (16) Op grond van documentatie uit India voegt hij eraan toe: ‘Niettegestaande de Bungarus-soorten [in India] waarschijnlijk alle even weinig agressief en bijtlustig zijn als onze welang en weling, heeten toch zij het te zijn, die op één na het grootste aantal ongelukken in Br. Indië op haar geweten hebben.’ (17)

Bungarus fasciatus is in zijn gedrag nauwelijks van candidus te onderscheiden. Ook hij houdt van snelle, sprongachtige bewegingen en toont zich overdag in ‘t geheel niet bijtlustig.’ (18) Kopstein gaat echter niet verder in op de aanzienlijke circadiane verschillen in prikkelbaarheid bij deze soort en waarschijnlijk realiseerden de auteurs van de oudere bronnen zich niet dat het gedrag van het dier letterlijk dag en nacht verschilt. Dit verklaart de tegenstrijdigheid tussen het benadrukte dociele gedrag (meestal overdag bestudeert) en het ruime aantallen beten door deze slangen (veelal ‘s avonds en ‘s nachts). Een ervaren handelaar in wilde dieren drukte zich in dit opzicht genuanceerd uit: ‘ [Banded Kraits] zijn erg schuw en verstoppen hun kop onder hun lichaam wanneer ze gehinderd worden. ‘s Nachts zijn ze wat agressiever. Om ze over te huizen til ik ze met een stok op, maar wel een beetje voorzichtig, want ze kunnen onverwachte dingen doen.’ (19)

Die opmerkelijke toename van de prikkelbaarheid bij het vallen van de duisternis en dat overdag de bijtlust ook kan worden opgewekt door de krait met amfetamine te behandelen is de clou van een moordzaak in Jef Geeraerts’ detective De Cu Chi case (20): zie het kader hieronder.

textboc De Cu Chi caseMeestal is de beet niet pijnlijk en veroorzaakt nauwelijks lokale symptomen. De beet moet echter altijd als buitengewoon gevaarlijk worden beschouwd omdat het krachtige neurotoxine relatief snel de ademhaling kan verlammen. Meestal treden na vijf of zes uur de neurotoxische symtomen op, maar het kan ook al eerder. Binnen enkele uren kan de dood zelfs optreden.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s

Voetnoten:

1. Sharma, R. C., 2003. Handbook Indian Snakes. Zoological Survey of India, Kolkata: 186.

2. Anoniem, 1976 [1975]. Ik was handelaar in wilde dieren. Gaade, Amerongen: 99.

3. Mattison, Chris, 1999 [1995]. The Encyclopedia of Snakes. Blanford, London: 130. Deze kam is hecht vergroeid met de huid, zodat de laatste moeilijk is los te prepareren zonder beschadigingen.

4. Mattison, 1998, ibid. : 130.

5. Leviton, Alan E., Guinevere O.U. Wogan, Michelle S. Koo, George R. Zug, Rhonda S. Lucas, and Jens V. Vindum, 2003. The dangerously venomous snakes of Myanmar. Illustrated checklist with keys. Proceedings of the California Academy of Sciences, 54 (no. 24): 407–462 (p. 422).

6, Melle in Kopstein, 1930. De Javaansche gifslangen en haar beteekenis voor den Mensch. Nederlansch-Indische Natuurhistorische Vereniging, Weltevreden: 64.

7. Anoniem, 1976, ibid.: 100.

8: Taylor, Edward H., 1965. The serpents of Thailand and adjacent waters. The University of Kansas Science Bulletin, vol. 45 (No. 9): 609-1079 (p.625). Waarschijnlijk bedoelde de Gurka een Bungarus caeruleus.

9: In Taylor, 1965, ibid.: 625. Dit lijkt in strijd met het feit dat de soort in Birmese folklore beschouwd wordt  als de ‘Mother of Poison’ waarbij de andere slangen hun gif komen halen. In: Sjon Hauser, 2002. Snakes: tourist attraction, gourmet food and potential killers. Guidelines Chiang Mai, mei 1998: 12-14; 22 (p.22) naar een persoonlijke mededeling van Stanley Aiklone Kham Mwe.

10. Tweedie, M. W. F., 1953. The Snakes of Malaya. Gouvernment Printing Office, Singapore: 91.

11: Tweedie, 1953, ibid.: 90.

12: Taylor, 1965, ibid.: 625.

13. Sharma, 2003, ibid.: 187.

14. Lim Boo Liat, 1990. Venomous land snakes of Malaysia. In: Snakes of medical importance (Asia-Pacific region) (P. Gopalakrishnakone and L. M. Chou, eds.), p. 387-417 (p. 407). Venom and Toxin Research Group, University of Singapore.

15. Kopstein, 1930, ibid.: 42-62

16: Kopstein, 1930, ibid.: 55.

17. Kopstein, 1930, ibid.: 62. Bungarus fasciatus wordt op Java ‘weling’ genoemd, Bungarus candidus heet er ‘welang’ maar in Kopsteins tijd maakten de inlanders weinig onderscheid tussen die twee soorten.

18. Kopstein, 1930, ibid.: 63.

19. Anoniem, 1976, ibid.: 100.

20. Jef Geeraerts, 1993. De Cu Chi case. Manteau, Antwerpen.