Boeddhistische hel-vuur, beulen en bloeddorstige honden

Een schildering van de boeddhistische hel op een buitenmuur van de dorpstempel van Mae Kampong, Mae On district, Chiang Mai

Een schildering van de boeddhistische hel op een buitenmuur van de dorpstempel van Mae Kampong, Mae On district, Chiang Mai.

Jaren geleden, toen ik nog regelmatig in Bangkok kwam, was het mijn gewoonte langs de Rama IV te wandelen. Bij het kruispunt met Phaya Thai stopte ik dan even om te verpozen bij de foto’s die bij de Ruam Katanyu in een vitrine waren opgeprikt.
Ruam Katanyu is een liefdadigheidsorganisatie die vooral verkeersslachtoffers helpt. Voor velen komt het erop neer dat deze instelling de crematie regelt en bekostigt wanneer er geen familie hun lijk komt claimen.
De foto’s brachten mij gewoonlijk in een reflectieve stemming. De meeste toonden de lijken van mensen die in het verkeer waren omgekomen of die waren vermoord: lichamen in een plas bloed, gezichten verminkt door het wiel van een vrachtauto, stukjes hersenen verspreid over het asfalt  — het was als de hel op aarde. Later begon ik mij te interesseren voor de muurschilderingen in tempels en bij de afbeeldingen van de boeddhistische hel moest ik vaak terugdenken aan die kiekjes bij de Ruam Katanyu.

Die hel had vooral veel weg van de voorstellingen in Jeroen Bosch’ drieluik Het laatste oordeel of Pieter Bruegels Dulle Griet en leerden me dat ook bij de Thais de hel geen leuke plek is om te vertoeven. Erg algemeen zijn die taferelen uit de hel overigens niet. In de meeste tempels ontbreken ze, of ze vallen in het niet bij de vele taferelen uit het leven van de Boeddha. In Chiang Mai was Wat Duang Di, een tempel verborgen in een stil hoekje van de oude, ommuurde stad, een uitzondering. In de wihan domineerden de beelden van de hel zelfs. Onder toezicht van op duivels gelijkende beulen werden ongekend gemene straffen uitgedeeld en het lijden van de gedoemden was op een levendige manier uitgebeeld, iets in de stijl van de plaatjes in een avonturenstripverhaal.

Drie afbeeldingen van de afdeling in de hel waar zondaren gedwongen worden in de kapokbomen te klimmen. Links een muurschildering in Wat Duang Di, Muang district, Chiang Mai. Midden een muurschildering in Wat Phra That Hariphunchai, Muang district, Lamphun. Rechts cementen beelden in Wat Pa, San Pa Tong district, Chiang Mai.

Drie afbeeldingen van de afdeling in de hel waar zondaren gedwongen worden in de kapokbomen te klimmen. Links: een muurschildering in Wat Duang Di, Muang district, Chiang Mai. Midden: een muurschildering in Wat Phra That Hariphunchai, Muang district, Lamphun. Rechts: cementen beelden in Wat Pa, San Pa Tong district, Chiang Mai.

Van alle folteringen was er een die veel indruk op me maakte: naakte zondaren werden gedwongen in een boom te klimmen waarvan de stam was bedekt met grote messcherpe doornen.
In Thailand is een aantal boomsoorten bedekt met stekels, maar van de bomen in de hel wordt verondersteld dat het kapokbomen (Bombax ceiba) zijn, door de Thais ton ngiu genoemd. In januari en februari brengen ze een weelde aan prachtige, knalrode bloemen voort. Als deze afvallen worden ze door de plattelanders verzameld; de bundels forse meeldraden worden gedroogd en dienen als ingrediënt in de curry kaeng khae. Maar in de hel staan de bomen nooit in bloei; ze worden doorgaans afgebeeld zonder dat er een enkel blaadje aan zit. De boom is het symbool van overspel en in de hel moeten allen die zich te veel seksuele vrijheden hebben veroorloofd zich ontkleden en in zo’n boom klimmen. Gespierde beulen met soms een sadistische uitdrukking in hun ogen gebruiken hun speer of drietand om de gedoemden te dwingen de met stekels gewapende stammen te omvatten en omhoog te klimmen, terwijl angstaanjagende zwarte honden de gedoemden opjagen.Een andere straf in de hel bestaat eruit dat de tong wordt afgesneden of uitgetrokken; dit is de boetedoening bij uitstek voor personen die gezondigd hebben met hun tong, oftewel hebben gelogen of slechte dingen hebben gezegd.

Leugenaars worden in de hel gestraft door hun tong uit te rukken of af te knippen. Een meer dan twee eeuwen oude muurschildering in Wat Dusidaram, Thonburi district, Bangkok.

Leugenaars worden in de hel gestraft door hun tong uit te rukken of af te knippen. Een meer dan twee eeuwen oude muurschildering in Wat Dusidaram, Thonburi district, Bangkok.

Boeddhisten beschouwen liegen of bedriegen als ernstig wangedrag. Ik kan me herinneren dat in de jaren negentig Phra Yantra, een van Thailands meest gerespecteerde monniken, werd beschuldigd van seksueel contact met vrouwen, wat een grote zonde (parachik) voor een monnik is. De als heilige vereerde monnik ontkende de beschuldigingen en noemde ze leugens en hij verwenste de personen verantwoordelijk voor deze geruchten ‘naar de hel’. ‘Ik denk dat een gewone hel niet genoeg voor is voor zulke personen, ze moeten worden gestraft in de diepste hel,’ had hij gezegd. Dat kon echter niet weerhouden dat het bewijsmateriaal tegen hem zich opstapelde en hij gedwongen werd uit de monnikenorde te treden. Nu leeft hij comfortabel in het buitenland en misschien zullen zijn gedachten zo nu en dan uitgaan maar het klimmen in de ton ngiu gedurende zijn eerstvolgende incarnatie.
Interessant aan de beulen in de muurschilderingen van Wat Duang Di was dat  ze allen hun haar hadden afgeschoren in de stijl van moderne beroepsvoetballers, terwijl hun demonisch voorkomen verder versterkt werd door  hun grote, wat uitstekende hoektanden. In muurschilderingen in andere tempels hebben ze soms horens en lijken dan vooral op de duivels in de christelijke kunst. De gezichten van de veroordeelde mensen drukken de verschrikkingen die ze te verduren hebben waarachtig uit en zijn angstaanjagend voor wie er naar kijkt.

Aan de zondaars worden verschillende straffen uitgedeeld in de hel. Veel gebruikt zijn onder meer het doormidden zagen en het koken in een grote pot. Links een reliëfsculptuur op een houten paneel in Wat Buppharam, Muang district, Chiang Mai. Rechts een deur van zwart lakwerk gedecoreerd met een afbeelding in goudverf in een tempelgebouw van Wat Suthat, Bangkok.

Aan de zondaars worden verschillende straffen uitgedeeld in de hel. Veel gebruikt zijn onder meer het doormidden zagen en het koken in een grote pot. Links: Een reliëfsculptuur op een houten paneel in Wat Buppharam, Muang district, Chiang Mai. Rechts: Een deur van zwart lakwerk gedecoreerd met een afbeelding in goudverf in een tempelgebouw van Wat Suthat, Bangkok.

De boeddhistische kosmologie van de Thais is gegrondvest in de Traiphum Phra Ruang (‘De Drie Werelden’), een van de oudste Thaise literaire werken, waarvan verondersteld wordt dat ze voor het eerst in de veertiende eeuw uit de Pali kanon en commentaren is samengesteld, maar de oudste versie die bekend is dateert van de achttiende of begin van de negentiende eeuw. Dit klassieke werk weidt uit over de structuur van het metafysische universum. Volgens de Traiphum verblijven alle wezens in een van de vele regionen van de Drie Werelden, die corresponderen met de 31 niveaus of sferen van wedergeboorte.

De Eerste Wereld, de laagste, wordt de Kumaphum of Wereld van Begeerte genoemd en bestaat uit 11 regionen. In deze wereld worden de wezens geregeerd door gevoelens, begeerte en hun vorm (lichaam). In deze wereld verkeert de mensheid, en wel op het op vier na laagste niveau, met vier niveaus van schepsels met minder verdiensten beneden zich en zes niveaus van goddelijke wezens boven zich. Het allerlaagste niveau is de hel of  Niraya, die onder de Thais populair narok of narokaphum wordt genoemd.

Er zijn allerlei soorten hel, die verschillen wat betreft de intensiteit en frequentie van de pijn die er geleden zal worden. De ergste en langdurigste hel is de Avici hel. In het boeddhisme bestaat er niet iets dat te vergelijken is met het Laatste Oordeel in het christendom, waarbij beslist wordt of iemand naar hel of hemel gaat. Alleen karma telt.

Phra Malai op bezoek in de hel

De monnik Phra Malai predikt tot de gedoemden tijdens zijn bezoek aan de hel. Wat Duang Di, Chiang Mai.

Als een wezen (een ‘drager van bewustzijn’) sterft en bijzonder veel slecht karma heeft vergaard gedurende het afgelopen leven, daalt het af naar de hel om daar een nieuw leven ‘op te pakken’. In tegenstelling tot het christendom is het verblijf in de hel slechts tijdelijk. Na in de hel gestorven te zijn, wordt men op aarde herboren als mens, dier of geest, of kan zelfs herboren worden in de hemel.

In sommige muurschilderingen worden de verschillende soorten hel uitgebeeld als vierkante hokken waarin vele mensen zijn ondergebracht als in een gevangeniscel.  Maar voortschrijdend naar een hoger niveau — van dieren via mens en mindere godheden naar de ‘Brahma Goden’ — worden de wezens vormlozer, terwijl de ruimte waarin ze bestaan steeds grenzelozer wordt. Degenen die veroordeeld zijn tot het laagste niveau in de hel, zitten zodoende dicht opeengehokt in de cellen. Het omhoog stijgen in de kosmische hiërarchie brengt ook een grotere onafhankelijkheid en zelfvoorziening met zich mee. Terwijl de lichamelijkheid afneemt verminderen de basisbehoeften en kan het wezen zelf voorzien in wat nog nodig is. De wezens die op niveaus beneden de mensheid leven, zoals de asuras (demonen) op niveau 4, de preta’s (geesten) op niveau 3, en de dieren op niveau 2, worden echter nog meer dan de mens geregeerd door begeerte en basisbehoeften.

Interessant in dat opzicht is dat de preta’s, de doden die ons verlaten hebben (vergelijkbaar met de phi of geesten in het populaire Thaise boeddhisme), afhankelijk zijn van de offerandes van hun verwanten die boven hen leven op het aardse niveau. Maar deze preta’s zijn voortdurend gefrustreerd en bezig hun honger te stillen en hun dorst te lessen. In oude muurschilderingen worden ze vaak vlakbij de folteringen in de hel afgebeeld: magere wezens met een grote buik en dun mondje, die symboliseren dat ze niet in staat zijn hun honger te bevredigen. Vanwege hun angstaanjagende voorkomen komen ze vaak als spoken voor in Thaise griezelfilms. Preta’s worden ook in de hel gemarteld. Van de vreemde figuren die soms zijn afgebeeld, zoals de kruising tussen een mens en een kikker, of mensen met de kop van een hond of een koe, wordt aangenomen dat het ook preta’s zijn. Ze lijken soms sterk op de freak monsters in de schilderijen van Jeroen Bosch. Een aardige selectie ervan is onder meer te vinden in de muurschilderingen van de bot (inwijdingshal) van Wat Dusidaram in Thonburi, die dateren uit de tijd van koning Rama I (1782-1809).

Links een schematische voorstelling van de verschillende kosmische regionen in een negentiende-eeuwse muurschildering in Wat Pa Paet, Mae Chaem district, Chiang Mai. Rechts merkwaardige, op kikkers lijkende preta’s in een muurschildering in Thonburi’s Wat Dusidaram.

Links: Een schematische voorstelling van de verschillende kosmische regionen in een negentiende-eeuwse muurschildering in Wat Pa Paet, Mae Chaem district, Chiang Mai. Rechts: Merkwaardige, op kikkers lijkende preta’s in een muurschildering in Thonburi’s Wat Dusidaram.

Een andere algemene straf in de hel bestaat eruit met andere zondaars in een grote ketel gekookt te worden boven een vuur. Gewoonlijk gebeurt dit onder toezicht van de beulen, die soms hun drietand gebruiken om in de soep te roeren. Dat is onder meer te zien in een 19e-eeuwse muurschildering in de wihan van Wat Buak Khrok Luang, een dorpstempel een paar kilometer buiten Chiang Mai. Andere beulen zijn bezig een van de mensen die gaar gekookt zijn te verorberen. Ook opvallend zijn de verdoemden die in tweeën worden gezaagd.

Vaak wordt onderscheid gemaakt tussen hete en natte hellen. De hete hel wordt gedomineerd door vuur. De omgeving van de plaats waar de zondaars worden gemarteld bestaat vaak uit een enorm inferno en vele veroordeelden worden simpelweg in de vlammen gegooid. Vaak zie je grote, gemeen ogende roofvogels door de lucht vliegen en soms hebben ze een veroordeelde in hun snavel om die boven het vuur los te laten. Andere roofvogels maken het degenen die seksueel gezondigd hebben onmogelijk in de top van een kapokboom even op adem te komen en hun wonden te likken. Meedogenloos hakken ze met hun snavel op hun naakte lichamen in.

In de meeste afbeeldingen van de hel is ook Phra Malai aanwezig. Dankzij zijn bovennatuurlijke krachten wist deze aharant monnik uit Sri Lanka naar de hel af te dalen om daar de wijsheden van de Boeddha te prediken. Terug in de mensenwereld vertelde hij over wat hij in de hel had gezien aan de familieleden van de verdoemden, zodat die verdiensten zullen maken ten bate van de noodlijdenden in de hel.

Beulen in de hel verslinden de gekookte mensen.

Links: Beulen in de hel verslinden de gekookte mensen. Wat Buak Khrok Luang, Muang district, Chiang Mai. Rechts: een selectie aan preta’s geschilderd door Nai Akhom in een van de kleine wihans van Wat Hariphunchai, Muang district, Lamphun.

De hel is vaak geschilderd op de muur achter het altaar met het belangrijkste boeddhabeeld, waar het deel uitmaakt van de grafische representatie van de Traiphum. Deze verzameling taferelen moet niet verward worden met het veel vaker afgebeelde tafereel van de Boeddha die Mara (het Kwaad) onderwerpt. Dit is een zeer beroemde episode uit Boeddha’s leven, waarin een leger van demonen onder leiding van Mara wordt verslagen en ten onder gaan (soms worden verscheurd door krokodillen of enorme vissen) in de waterstroom, die de Godin van de Aarde teweegbrengt door haar lange haar uit te wringen.

Tamelijk uitvoerige helse taferelen zijn nog te vinden in de muurschilderingen uit de vroege Rattanakosin periode (vroege 19e eeuw) die de tand des tijds hebben overleefd. In die tijd was de Traiphum nog de onbetwiste bron waarin de boeddhistische beginselen uit de doeken werden gedaan en natuurlijke fenomenen werden verklaard. In het midden van de 19e eeuw kwamen veel westerlingen naar Thailand en kreeg de Traiphum competitie van andere (westerse) denksystemen. Dit viel samen met een hervorming van de boeddhistische monnikenorde waarbij de nadruk kwam te liggen op strict ritueel en kanoniek fundamentalisme. Sommige leden van de  lekenelite die nauw contact hadden met de westerlingen, streefden er net als de hervormingsgezinde monniken naar het boeddhisme te zuiveren van bijgeloof en vreemde mythen.  De meest invloedrijke figuur met een levendige belangstelling voor westerse cultuur was  Mongkut, een prins die, voordat hij in 1851 de troon besteeg als Rama IV, jarenlang in de monnikenorde had doorgebracht. Hij en zijn volgelingen ontkenden het bestaan van hemel en hel en verwierpen alles binnen de religie dat aanspraak maakte op een bovennatuurlijke oorsprong.  De verklaringen die de Traiphum voor natuurlijke verschijnselen gaf, zoals de bewegingen van planeten en de biologische processen, kwamen op losse schroeven te staan door de verklaringen die de westerse wetenschap te bieden had. In 1867 publiceerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken zelfs een boek dat de verklaringen in de Traiphum aanviel en alternatieve verklaringen uit de metereologie, geologie en astronomie bood.

Een helse beeldenpartij op het terrein van een tempel in Chaiyaphum.

Een helse beeldenpartij op het terrein van een tempel in Chaiyaphum.

De neergang in prestige van de Traiphum en de centralisatie van de Sangha (monnikenorde) in het begin van de twintigste eeuw had waarschijnlijk tot gevolg dat de hel en andere aspecten van de Traiphum voortaan afgewezen werden als mogelijke thema’s voor tempelmuurschilderingen. Zo nu en dan werden taferelen uit de hel echter vervaardigd voor locale tempels. Behalve de tamelijk recente muurschilderingen in Chiang Mais Wat Duang Di, zijn ook de muurschilderingen in een kleine wihan van Lamphuns Wat Phra That Hariphunchai alle gewijd aan Phra Malais bezoek aan de verschillende hellen (en hemelen) van de boeddhistische kosmos. Ze zijn het werk van Nai Akhom en werden door hem vervaardigd in 1960. Nai Akhom heeft in meer dan honderd tempels muurschilderingen gemaakt, maar de opdracht voor Wat Phra That was de enige waarvoor hij het verhaal van Phra Malais bezoek aan de hel moest uitbeelden, wat een aanwijzing is dat dit als thema al weinig populair was. Exemplarisch voor deze trend is het lot van de unieke hellebeelden in Wat Duang Di. Tijdens een recente renovatie van de wihan werden ze simpelweg uitgewist door de muren wit te kalken.

Die toegenomen afkeer voor helse afbeeldingen hangt mijns inziens ook samen met het groeiende taboe wreedheden nadrukkelijk uit te beelden. Twintig jaar geleden behoorden weekbladen zoals Atchayakam and 191, die rijk geïllustreerd waren met de meest afschuwelijke foto’s van lijken, tot de best verkopende tijdschriften in het land. De mensen smulden ervan, maar nu zijn ze zo goed als verdwenen en nu moeten we het doen met een onduidelijk kiekje van een lijk op de voorpagina van een lokale of landelijke krant. Bij deze neergang heeft de westerse kritiek op Thaise sensatielust en slechte smaak en de expliciete kritiek op zulke publicaties waarschijnlijk een rol gespeeld — net als de westerse kritiek op het Thaise bijgeloof in de negentiende eeuw.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s