Bloesempracht in februari in Noord-Thailand

Pterocymbium macranthum

Bloeiende Pterocymbium macranthum bij het dorp Tha Pha.

Niet alleen maar mangobloesem in februari, maar een overdadige bloemenpracht van veel boomsoorten.

In het noorden van Thailand is februari een overgangsperiode. De relatief koele winter maakt er geleidelijk — in sommige jaren tamelijk abrupt — plaats voor het warme zomerweer. Gewoonlijk is er de twee eraan voorafgaande maanden nauwelijks regen gevallen en ook in februari zijn regenbuien zeldzaam. Als gevolg daarvan begint het landschap duidelijk tekenen van uitdroging te vertonen. De meeste rijstvelden liggen er verlaten bij en blakeren in de zon, drukke wegen zijn soms gehuld in wolken stof.

In het bos zijn de blaadjes van het bamboe geel geworden, en talloze bomen, waaronder de veel voorkomende soorten teak en tueng, laten hun bladeren vallen. De bladeren van sommige boomsoorten worden eerst geel, oranje of donkerrood, net als in de bossen in de gematigde zone gedurende de herfst. Vooral de rang (Shorea siamensis), die erg algemeen is in droog dipterocarpenbos of gemengd bos met bladverliezende soorten, draagt bij tot de herfstsfeer wanneer de bladeren rood kleuren voordat ze vallen.

 

Bombax ceiba

Red silk cotton tree (Bombax ceiba).

Bosbranden zijn dan een vertrouwd beeld. Meestal verbrandt alleen de onderbegroeiing (inclusief jonge kiemplantjes) en wordt weinig schade aan de grotere bomen aangericht, waarvan vele een dikke schors hebben die goed tegen vuur bestand is. Maar zo’n bos met kale bomen en een geblakerde ondergrond lijkt niet in de verste verte op het weelderige tropische regenwoud dat bezoekers aan Thailand verwachten tegen te komen.

In kranten en tijdschriften wordt al het bos in de tropen vaak  onder de noemer ‘tropisch regenwoud’ gebracht. In feite komt regenwoud in Thailand ten noorden van de landengte van Kra helemaal niet voor en de altijd groene bossen in het noorden, zoals het bos hoger in de bergen, zijn er minder uitgestrekt dan de droge dipterocarpenbossen en de gemengde bladverliezende bossen.

Veel bos in Noord-Thailand mag dan ‘gedegradeerd’ zijn, de biodiversiteit is er niettemin nog verrassend groot. Het Doi Suthep nationaal park nabij Chiang Mai heeft zelfs meer verschillende boomsoorten dan welk ander gebied van een dergelijke omvang, met uitzondering van regenwoud.

In februari en de erop volgende warme maanden is er veel meer gaande dan alleen maar uitdroging, heiige luchten, rook en bosbranden. Veel bomen beginnen te bloeien en brengen een overvloed aan spectaculaire bloesems voort, zowel in het bos als in het in cultuur gebrachte land. Langs de wegen zijn vele prachtige, vaak inheemse boomsoorten met rijke bloesems aangeplant.

De Thai noemen februari het ‘seizoen van de mangobloesem’ omdat de mango, een van de algemeenste fruitbomen, dan bloeit. In de bossen zijn de wilde mangobomen gehuld in schuimende witte bloesems. Van een imposante mangoboom in Pai — vlak bij het vliegveld — wordt beweerd dat het de grootste van Thailand is. Een veelheid van fraaie bloesems van andere boomsoorten brengen een schakering van kleuren in het landschap.

Butea monosperma

Flame of the forest (Butea monosperma).

Een van de schoonheden van het seizoen is de kapokboom (Bombax ceiba), die in het Engels doorgaans ‘red silk cotton tree’ wordt genoemd. Als alle bladeren eind december zijn gevallen brengt hij fel oranjerode bloemen voort die wat op tulpen lijken. In het bos is hij niet erg algemeen maar hij is veel langs wegen aangeplant, zoals bijvoorbeeld Highway 1001 naar Phrao of Highway 1317 naar Mae On. De stam van de ton ngiu, zoals de Thai de boom noemen, is bezaaid met scherpe doorns en in de boeddhistische hel worden zondaars gedwongen naakt in deze bomen te klimmen — daar is de boom zeer talrijk, maar je ziet hem er nooit bloeien (meer hierover in het artikel: Boeddhistische hel).

De afgevallen bloemen worden veel verzameld om het dozijn vlezige meeldraden te drogen en later als ingrediënt voor de heerlijke Noord-Thaise curry kaeng khae te gerbuiken. Eigenlijk kondigt deze boom vooral de bloemenpracht van februari aan, want in deze maand zelf zijn de meeste kapokbomen al weer uitgebloeid.

De ‘gewone’ kapokboom bloeit ook deze tijd van het jaar, maar heeft minder spectaculaire, witte bloemen. In tegenstelling tot de red cotton silk tree is deze niet inheems, maar eeuwen geleden geïntroduceerd voor het kapok in de ovale zaden, dat onder meer gebruikt wordt om matrassen en kussens op te vullen.

De meest uitbundige bloesem is wellicht die van de ‘flame of the forest’ (Butea monosperma), een tamelijk kleine boom die door de Thai thong kwao wordt genoemd. In februari is hij vrijwel kaal en zitten de takken dicht bepakt met clusters knaloranje bloemen. In de natuur is hij niet bijzonder algemeen maar hij is veel aangeplant in dorpen en langs wegen.

 

Congea tomentosa

Shower of orchids (Congea tomentosa).

De bloem is een kunstwerk op zich en wordt zeer gewaardeerd om haar schoonheid. De onderste petalen zien eruit als de snavel van een papegaai; de boom wordt daarom in het Engels ook wel ‘parrot tree’ genoemd. De kleine flower peckers (Dicaeum spec.) zijn vaak kwetterend in een bloeiende flame of the forest aan het foerageren. Als er in februari een crematie is, worden er van de bloemen versieringen gemaakt. Je ziet de mannen van een gemeenschap dan de mooiste takken van de bomen in de buurt afbreken, terwijl de vrouwen in de dorpstempel bijeenkomen om de bloemen (vooral die nog in de knop zitten) aaneen te rijgen — later zal de kist van de overledenen ermee worden getooid.

In India wordt de boom als heilig beschouwd omdat het samengestelde blad uit drie blaadjes bestaat die de heilige drie-eenheid van Brahma, Vishnu en Shiva voorstelt. De bloemen worden op grote schaal aan de goden geofferd.

Op de beboste berghellingen zijn het vaak de vele tiger’s claws en Bauhinea die met hun rode en witte bloesems het palet bepalen, terwijl een bijna altijd aanwezige klimplant vegen van zacht lila toevoegt aan de panorama’s.

Gluta usitata.

Gluta usitata.

De tiger’s claw (Erythrina stricta), in het Engels ook wel coral tree (‘koraalrode boom’) genoemd, is een zeer algemene middelgrote boom. De stam en takken van de jonge bomen zijn net als de red cotton silk trees bezaaid met scherpe doornen. De bloeiwijze bestaat uit puntige scharlaken bloemen waarvan een cluster doet denken aan de klauw van een tijger. Vaak bloeit de boom uitbundig terwijl er geen blad meer aan zit. Er komen heel wat vogelsoorten op de bloemen af, zoals de minivet, waarvan de mannetjes dezelfde felle kleur hebben als de bloemen. In de stad Chiang Mai is de boom voor zover ik weet niet aangeplant, maar een verwante soort is er vrij algemeen langs een paar beken te vinden. De donkerrode bloemen zijn minder opvallend tussen het dichte bladerdek. In Centraal-Amerika worden schors en zaden van verwante soorten door vissers gebruikt om het water te vergiftigen — vis raakt erdoor ‘verdoofd’ en kan dan gemakkelijker worden gevangen.

De overdadige witte bloemen van Bauhinea variegata zijn werkelijk schitterende creaties — alle bloembladen zijn wit, maar de uitstekende bovenste heeft een paars hartje van waaruit talloze paarse lijnen waaieren. Ze doen denken aan de bloemen van bepaalde soorten orchideeën en deze vrij kleine boom staat daarom ook wel bekend als de orchid tree. (De geslachtsnaam is genoemd naar de Bauhins, twee Franse broers, beiden arts, met een grote belangstelling voor botanie.) De bladeren bestaan uit twee lobben, maar tijdens de bloeitijd zijn de bomen vrijwel bladerloos. De boom is algemeen in het gehele noorden, maar hij is  bijzonder talrijk in de heuvels en bergen langs Highway 1095, met name tussen Pai en Pang Mapha. Toen ik onlangs een foto van zo’n prachtig Sneeuwwitje langs de weg maakte, plukte een Lahu-vriend achteloos een paar bloemen en begon ze op te eten. ‘Nog lekkerder met nam phrik (een scherpe dipsaus),’ zei hij. Er zijn talloze soorten wilde Bauhinia in het noorden — sommige niet groter dan struiken — maar van Bauhinia variegata is de bloesem het weelderigst. Een andere prachtige soort met paarse bloemen (Bauhinia purpurea) is veel aangeplant langs wegen, maar deze bloeit in oktober.

Bauhinia variegata.

Orchid tree (Bauhinia variegata).

Congea tomentosa, oftewel de ‘ shower of orchids’ is een zeer algemene klimplant waarvan de  zacht rose bloesem de kruinen van bomen geheel kan bedekken.  Eigenlijk is die overdaad aan roze afkomstig van de stervormige bracten (schutblaadjes) waartussen een minuskuul wit bloempje is verborgen. Plaatselijk kan deze klimplant uit de familie der Verbenaceae (ijzerhartfamilie) hele berghellingen roze kleuren, zoals in het Khun Tan nationaal park tussen Lamphun en Lampang — een schitterend gezicht vanuit de trein. Ook op Doi Suthep is hij duidelijk aanwezig. Met een beetje fantasie lijkt het of de heuvels met bloeiende heide bedekt zijn! Alfred Russel Wallace, de natuuronderzoeker die in de 19e eeuw eerder dan Darwin het belang van natuurlijke selectie als de drijvende kracht bij de evolutie inzag, merkte in zijn beroemde reisverslag The Malay Archipelago op dat er in het Oosten niets te vergelijken is met de overdaad aan kleur van een bloeiend heideveld of een veld met bloeiende brem in Engeland. Maar als Wallace Noord-Thailand bezocht had, of andere delen van tropisch Azië met meer uitgesproken seizoenverschillen, dan had hij dat misschien niet geschreven. De Europese heidevelden zijn trouwens grotendeels door ingrijpen van de mens (schapenhoeders) ontstaan, net als de berghellingen  met ‘zonnebloemen’ in delen van Mae Hong Son — een toeristische attractie in november — door de grootschallige slash and burn-landbouw van de Hmong.

Thunbergia

Bengal clock vine (Thunbergia grandiflora).

De Bengal clock vine (Thunbergia grandiflora, Thaise naam: soi inthanin) is een andere algemene klimplant en diens prachtige lichtviolette bloemen, die in trossen omlaag hangen, kunnen soms ook gehele bomen kleur geven. Hij wordt veel gekweekt en lijkt op de eveneens algemene ‘laurel clock vine’ (Thunbergia laurifolia). Van deze laatste zijn de bloemen wat intenser van kleur en hebben de bladeren dezelfde vorm hebben als laurierbladeren (bij T. grandiflora zijn ze breed en enigszins gelobd: de bladeren links op de foto). De fijngemalen bladeren zouden volgens de traditionele Noord-Thaise geneeskunde een probaat middel tegen een kater zijn.

Een andere boom met een prachtige bloesem is de rak yai (Gluta usitata), net als de mangoboom uit de familie der Anacardaceae. In december zijn de kruinen schuimend wit van de trossen kleine, witte bloempjes.
Daarvan kunnen de vijf bloemblaadjes soms abrupt verkleuren van roze naar diep wijnrood en uitgroeien tot de 4-5 vleugels van een zaadje ter grootte van een erwt. De dieprode ‘bloesem’ in februari wordt in feite geheel bepaald door die droge, rode vleugels van de duizenden zaden.

The krian (Melia toosendan) is een andere, elegante boom die in februari bloeit. Duizenden kleine bloempjes worden voortgebracht in grote, losse clusters. Elk bloemetje is een lieftallig rozetje van 5-6 gebogen witte bloemblaadjes rond een relatief dikke, violette stamper. Een licht briesje doet ze als sneeuwvlokken neerdwarrelen.

Tot mijn favoriete bloesems behoren die van Pterocymbium macranthum en Firmiana colorata, die beide tot de familie der Sterculiaceae behoren. Helaas is de Pterocymbium zeldzaam.  In februari zitten de bladloze takken helemaal vol oranje, klokvormige bloemetjes met rode spikkeltjes. Ik kende een explaar dat aan Highway 1150 stond, zo’n twintig kilometer ten westen van Phrao. In bloei was deze een fenomenaal gezicht. Ik herrinner me de februaridag een jaar of tien geleden dat er een auto uit Bangkok stopte — op een van die gelukzalig sportieve dagen dat de 4WheelDrive in de bergen kan worden uitgetest — en de inzittenden uitstapten en sprakeloos naar de bloesem staarden. Inmiddels is de boom er niet meer. Maar ik weet nog een drietal te staan bij het dorpje Ban Tha Pha in Chiang Mais district Mae Taeng.

Firmiana colorata (Thaise naam: po fai) is wat algemener. De bloemetjes zijn langwerpige klokjes, bloedrood, die in trosjes aan de kale takken hangen. In april zit de boom vol met heel lichtbruine, glinsterende verdorde blaadjes waarmee ook de omgeving ligt bezaaid. In feite zijn dit de boonvormige zaden die met één enkele zaadvleugel in de vorm van een gekruld blad zijn versmolten.

tiger's claw

Tiger's claw (Erythrina spec.)

Heel zeldzaam is de in februari bloeiende Rhododendron arbora var. delavay. Die is slechts te vinden op de top van twee bergen in Noord-Thailand. Die op Doi Inthanon zijn gemakkelijk te bereiken over een verhoogd pad en staan bekend als de ‘duizend jaar oude rhododendrons’. De knoestige bomen staan in een dik tapijt van veenmos en zijn een toeristische attractie als ze in februari getooid zijn met de schitterende dieprode bloemen.

Ook Thailands twee soorten dennen staan in februari in bloei en doen dat op hun eigen bescheiden wijze. En natuurlijk veel ‘gewone planten’, zoals de Indian milkweed (Calotropis gigantea) waarvan de witte bloemen van plastic lijken te zijn en die aan menig armzalig veldje nog iets statigs geven.

Van de bloeiende grassen is het drie meter hoge tiger grass (Thysanoleana maxima) alom aanwezig. Veel dorpelingen trekken erop uit om het, als de bloeiwijze nog ‘in de knop’ zit, af te snijden om er de traditionele bezems van te maken. Overal zie je het langs de weg te drogen liggen.

Een van de meest bijzondere planten die hier genoemd moet worden is Sapria. Zonder bloem bestaat deze raffflesia nauwelijks: het is slechts een parasitaire dradenmassa die in bepaalde soorten lianen leeft. Maar ook die draden willen zich geslachtelijk voortplanten en in februari breken de vruchtbeginsels door de liaan heen om zich tot wonderbaarlijke, knalrode bloemen zo groot als een cappucinomok te ontwikkelen. Ze zijn op verschillende plaatsen op Doi Suthep te vinden.

po fai of Firmiana colorata

Po fai (Firmiana colorata).

In A Field Guide to Forest Trees of Northern Thailand van Simon Gardner, Pindar Sidisunthorn en Vilaiwan Anusarnsunthorn, worden 800 Noord-Thaise boomsoorten beschreven, waarvan dertig procent in februari bloeit.

In februari is dus heel wat meer loos dan alleen maar mangobloesem (waarvan het stuifmeel bij veel mensen ‘hooikoorts’ veroorzaakt).

Gedurende een tochtje naar de top van Doi Suthep valt er al heel wat te genieten (zie het artikel: Doi Suthep in de rubriek Natuurgebieden).

Of ga eens de andere kant op, via Mae On de heuvels in over Highway 1229, en verken het erachter liggende dal van de Mae Tha.

En op Highway 1095 van Mae Malai naar Pai zul je zeker aan je trekken komen. Prachtige vergezichten heb je daar over de berghellingen met hun vegen wit en rood van de Bauhinia en tiger claw, terwijl het donkere loof op de voorgrond gedecoreerd is met violette guirlandes van Thunbergia — Cézanne zou er onmiddellijk zijn ezel in de berm planten.

©Sjon Hauser: tekst en foto’s.

A Field Guide to Forest Trees of Northern Thailand is onder meer te koop bij Dokmai Garden in Hang Dong (www.dokmaigarden.co.th). Dokmaigarden is een privaat botanische tuin 20 km buiten Chiang Mai in het district Hang Dong. Een bezoek is de moeite waard om meer te leren over Thailands bloeiende heesters en bomen.

Prachtige schilderijen van bloemen vind je op http://paritosh.exto.nl