Betel pruimen – arecanoot als oeroud genotmiddel

 

strengen betelnoten

Strengen met schijfjes gedroogde betelnoot.

Het gebruik van de betelpruim, traditioneel genotmiddel in Azië, werd door de kolonialen veracht en bestreden. Nog steeds is het op zijn retour — de monden bloedrood van het gekwijl zijn zeldzaam geworden. Jammer, want vergeken bij de meeste drugs is de pruim tamelijk onschuldig.

Je kan geen drug bedenken of het gebruik ervan heet schrikbarend om zich heen te grijpen. Behalve dan de betelpruim. Dit traditioneel narcoticum van het oosten heeft het loodje gelegd tegen de Camel safari en de Colgate smile, tegen de kretek en de blikjes ijskoffie, tegen de heroïne, speed, extasy, lijm en kauwgom.

Jammer, want ik zag ze graag: de vrouwtjes met hun bloedrode lippen en zwarte tanden, die bedachtzaam brokjes arecanoot met een likje kalk in het blad van een peperplant tot een pruim vouwen. Door westers imperialisme is een hele drugscultuur naar het museum van volkenkunde verhuisd en geen participerend antropoloog die zich erom bekommert.

Eeuwenlang was de pruim in Azië onontbeerlijk voor harmonieus sociaal contact. Zowel prinsen als horigen fêteerden er hun gasten mee. Iedereen pruimde betel, bijna voortdurend. Aan de geesten werd royaal betel geofferd. Voor de koloniaal  was er echter niets smeriger en verachtelijker. Wanneer de Victoriaanse tut Elizabeth in Orwells Burmese Days de van het pruimen roodgekleurde tanden van een inlander als tinfolie ziet glimmen, krimpt de ineen van ontzetting.

Natuurforser Alfred Wallace schreef over de bewoners van de Watubela Eilanden: ‘Alle kleine kinderen, zelfs die nog maar net kunnen lopen, hebben een smerige rode massa tussen hun lippen, wat zelfs nog walgelijker is dan wanneer ze sigaren roken — wat ze soms al doen terwijl ze nog aan de borst zijn.’

vrouw Myanmar

Een vrouw in Myanmar maakt kant-en-klare betelpruimen.

Het pruimen veroorzaakt een gerieflijke speekselvloed waarvan de gebruiker zich zo nu en dan kwijlend en spugend ontdoet. Nadat Pasteur en Koch ziektekiemen in de lichaamssappen hadden aangetoond, meenden de Hollanders in Indië dat het pruimen behalve afstotend ook onhygiënisch was. Met groot succes stimuleerden ze daarop het roken van sigaretten als gezond alternatief. Zelfs in het niet-gekoloniseerde Thailand begon men de pruim met vies en primitief te associëren. Tot groot verdriet van zijn moedertje liet dictator Phibun Songkhram er rond 1940 alle arecapalmen kappen.

Een groot gezondheidsprobleem is het betelpruimen echter nooit geweest. De tandslijtage door de kalk wordt ruimschoots gecompenseerd door sterk tandvlees, een frisse adem en de worm dodende eigenschappen. Een verhoogd risico voor mondkanker, dat is alles. Wat de narcotische effecten betreft, is er niets onschuldiger: licht activerend en euforisch. Geen verkeersdoden, amok en onthoudingsverschijnselen.

Het kreeg zelfs de goedkeuring van de vader van de moderne psychiatrie. Ik bedoel niet die aan cocaïne en Schimmelpenninck-sigaren verslaafde fantast uit Wenen, maar Emile Kräpelin. In 1904 constateerde hij op Java dat het ‘geen stoornissen van welke aard dan ook schijnt te veroorzaken’.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s.

Een iets andere versie van dit verhaal verscheen als column in de Volkskrant van 22 september 2001.

Meer uitvoerige informatie over het betel pruimen in het Engelstalige artikel: Betel quid. Areca nut, narcotic in decline (in voorbereiding).