Bergvolkeren in Noord-Thailand — misverstanden, vooroordelen

Akha-dorp in Fang

Een Akha-dorp in de bergen in het district Fang, Chiang Mai.

Wie bij het Noord-Thaise plaatsje Mae Suai de bergen inrijdt, belandt in een volkenkundig openluchtmuseum. In een gebied van 400 vierkante kilometer liggen zo’n vijftig dorpen van vijf verschillende bergstammen en ook nog dorpen van Ho-Chinezen, Shans en Thais. Deze volkeren hebben elk hun eigen taal, klederdracht en gewoonten. Zo verschilt de Karen-taal meer van de Yao-taal dan Russisch van Nederlands. Sommige dorpen van bergvolkeren zijn een toeristische attractie. Er wordt nogal wat onzin over hen beweerd.

Vanuit een bergdorp ten noordwesten van Mae Suai brengt een korte wandeling door de velden en het bos (als er nog iets van over is) je in een totaal ander dorp. Lisu-hutten gebouwd op de kale bodem hebben dan bijvoorbeeld plaatsgemaakt voor Akha-paalwoningen met een kruisvormige nok. De vrouwen dragen geen gewaden met kakelbont Lisu-applicatiewerk, maar korte zwart-rode pakjes en imposante Akha-mutsen getooid met zilveren munten en geverefde kippenveren. Weer even lopen en je stuit op een Lahu-dorp van vooral cementen huizen waar de vrouwen hun traditionele kostuums hebben ingeruild voor bonte sarongs met bloemmotieven.

 

Veel Hmongs zijn kool gaan verbouwen, zoals de bewoners van Khun Sathan in de provincie Nan.

Veel Hmongs zijn kool gaan verbouwen, zoals de bewoners van Khun Sathan, Na Noi district, Nan.

De kool uit de Hmong-velden rond Khun Sathan worden in pick ups naar de markten in het laagland gereden.

De kool uit de Hmong-velden rond Khun Sathan worden in pick ups naar de markten in het laagland gereden.

Je zou denken dat er veel toeristen in deze wonderlijke etnische smeltkroeg neerstrijken, maar dat is niet het geval. Toeristen komen er zelfs weinig en van een ‘bedreiging van de locale cultuur door het toerisme’ waarover nogal eens gelamenteerd wordt is dan ook geen sprake. Dit geldt ook voor de meeste andere bergstreken in Thailand. En eigenlijk zou je ook niet anders verwachten waar meer dan een half miljoen mensen verspreid leven over een berggebied vier keer zo groot als Nederland.

Er bestaan wel dorpen die door toeristen worden platgelopen, maar die staan meestal aan een hoofdweg — ze vormen maar een kleine fractie van het totaal aantal dorpjes met een bevolking die overwegend tot de etnische minderheden behoort. Dat alle vijf dorpen van de ‘lange nek-Karen’ toeristische trekpleisters zijn, zegt veel over de zucht naar vreemd en exotisch.

 

Karen-vrouw met toerist.

Een 'verbroedering' tussen bergbewoner en toerist in het Karen-dorp Muang Phaem in Pang Mapha, Mae Hong Son.

Verkoop geweven stoffen in Karen-dorp.

Zodra een groep toeristen op een trektocht in het Karen-dorp Muang Phaem arriveert, stromen de locale vrouwen naar de hut waar de de nacht doorbrengen om hun weefproducten te koop aan te bieden.

Wel zijn er heel wat dorpen waar zo nu en dan — iets in de orde van een paar keer per maand — groepen trekkers neerstrijken. De gevolgen zijn doorgaans miniem: enkele huishoudens hebben wat extra inkomsten door hun hut voor de overnachting te verhuren, andere door bier en frisdranken te verkopen. Van ‘culturele pollutie’ is geen sprake. Coca cola, het symbool van de westerse consumptiecultuur, was er zonder toerisme ook wel gekomen, zoals de niet-toeristische dorpjes bewijzen. Toch ergeren de westerlingen zich daaraan, ze hadden een wat ‘onbedorvener’ dorp verwacht. Tegelijkertijd loopt men er met gêne rond, voelt zich een rijke indringer en weet zich moeilijk een houding te geven.

Ook valt het met de zedenverwildering wel mee. Bergmensen komen echt wel over de schok heen wanneer toeristen wat bloter rondlopen dan bij hen de norm is. Als een westerse toeriste in de bosjes achter een hut haar behoefte doet en een loslopend varken de warme hap onder haar billen komt opslobberen, is haar cultuurschok beslist groter. In de gemeenschappelijke slaaphut wordt naar aanleiding daarvan gediscussieerd over de vraag waarom er onvoldoende toiletten zijn. Men stooort zich opeens aan deze achterlijkheid, terwijl men anderszins juist teleurgesteld is dat de dorpen niet meer zo primitief zijn als men graag had gezien: huizen van cement en golfplaat, veel dorpelingen in dezelfde kleren als de Thais en zelfs hutten met televisie. Talloze scooters en pick ups getuigen er bovendien van dat het dorp ook over een weg te bereiken is, terwijl de trekkers een moeilijk begaanbaar, steil bospad hebben moeten beklimmen.

Waar de bewoners niet vriendelijk en gastvrij zijn of lopen te leuren met borduurwerkjes krijgt een bergdorp al gauw het etiket ‘bedorven door het toerisme’ — alsof men in Nederland elke buitenlander zwaaiend op de koffie uitnodigt.

Als er animo voor bestaat onder de toeristen die in het Lahu-dorp Pha Mon de nacht door brengen zullen de dorpelingen dansjes in hun klederdracht opvoeren. Pang Mapha district, Mae Hong Son.

Als er animo voor bestaat voeren de bewoners van Pha Mon dansjes in klederdracht op voor de toeristen. Pang Mapha, Mae Hong Son.

 

massage

Vermoeid van de trektocht krijgt een toerist een massage in het Lahu-dorp Pha Mon. Het halve dorp is dan aan het masseren.

Westerse toeristen trekken vaak met de vreemdste ideeën en gevoelens rond in de Thaise bergen. De ambivalentie straalt er vanaf: ze hunkeren naar primitief en exotisch, maar, als puntje bij paaltje komt, gaat er toch niets boven comfort en de eigen normen. De povere informatie over bergvolkeren, die inspeelt op die hunkering, heeft tot de verwarring bijgedragen.

‘Hollanders, de langste mensen op aarde, leven beneden zeeniveau, moeten hun molens laten draaien om hun voeten droog te houden, en dragen daarom ook klompen. Het zijn geboren vissers die als de vangst ontoereikend is tulpenbollen eten en de vrouwen voor seks in de etalages aanbieden. Ze roken voortdurend marihuana die ze zelf kweken en de politie schijnt dat niet te interesseren.’

Een absurde typering van ons volk? Toch wordt op vergelijkbare wijze over bergvolkeren geschreven. Met name de Akha’s krijgen doorgaans een bizar en negatief oordeel. In een reisgids lezen we: ‘De Akha zijn klein van gestalte en zien er vaak onfris uit. Veelal hebben ze honden bij zich die worden gehouden voor de slacht. In regeringskringen beschouwt men de Akha als de meest primitieve groep. Ze telen papavers. Ze kunnen lezen noch schrijven en het schijnt hun ook niet te interesseren.’

De meeste Akha’s die ik ken kunnen wel lezen en schrijven. Hond, een delicatesse, eten ze niet vaker dan de Vietnamezen of Filipino’s dat doen. En enkele andere volkeren telen beslist grootschaliger papavers.

Ook over andere stammen wordt veel kletskoek verkondigd. Een reisgids beweert over de Lisu’s dat ‘de vrouwen het niet gemakkelijk hebben, want ze worden als slaven behandeld.’ Terwijl dit volk traditioneel juist bekend staat om zijn egalitaire samenleving en Lisu-mannen nogal eens klagen dat ze door hun vrouw worden geslagen!

 

houthakken in Lisu-dorp.

Je ziet in bergdorpen nog volop traditionele activiteiten, zoals hout hakken voor de haard. Hier in het Lisu-dorp Nong Khem, district Chiang Dao, Chiang Mai.

dakbedekking maken

In een Akha-dorp in het district Fang, Chiang Mai, is een vrouw bezig panelen voor de dakbedekking te maken door gras te bundelen.

Voor nuances lijkt geen ruimte te bestaan: ‘De Karen zijn animisten’ (behalve dan het grote deel dat christen of boeddhist is) en ‘de Lisu-dorpen liggen hoog in de bergen’ (behalve de vele in de dalen). Vaak suggereert zoiets dat hun gewoonten gestandaardiseerd en onveranderlijk zijn. Toeristen beschouwen veranderingen dan al gauw als ‘verval van cultuur’. Terwijl de Nederlander in vijftig jaar is veranderd van een godsvrezende kerkbezoeker in een atheïst die vaker Chinees dan hutspot eet, zien weinigen dit als culturele verloedering. Maar een kratje coca cola in een bergdorp…nee dat hoort niet.

Migratie

Wat die Akha’s, Lisu’s en andere volkeren dan wel zijn? Het is vrijwel onmogelijk ze in een paar zinnetjes te kenschetsen zonder ze schromelijk te kort te doen. Dat de meeste in de bergstreken wonen is één van de weinige dingen die ze met elkaar gemeen hebben. Verder hebben vele een woelige geschiedenis achter de rug, en nog steeds is hun bestaan aan snelle veranderingen onderhevig. De Karens (het grootste bergvolk) wonen al een paar eeuwen in westelijk en Noord-Thailand, terwijl de Lawa’s waarschijnlijk de oerbewoners zijn, nog vóór de komst van de Thais.

De Hmongs, Yao’s, Lahu’s, Akha’s en Lisu’s verschenen sinds de tweede helft van de 19e eeuw op het toneel, nadat veel volkeren op drift waren geraakt tijdens de catastrofale chaos van de Panthay Opstand in Zuid-China. De laatste grote golf arriveerde na 1962 toen bergstammen massaal het geweld van de militairen in buurland Birma (nu: Myanmar) ontvluchtten.

Deze migranten leefden tamelijk geïsoleerd en werden door de Thaise overheid met rust gelaten. Begin jaren zeventig veranderde dat toen vele Hmongs zich hadden aansloten bij de communistische guerillastrijders en men de bergstammen ging zien als een bedreiging van de Thaise natie. Ook zette Nixon, vanwege de groeiende heroïneverslaving in Amerika, de Thaise regering onder druk om de papaverteelt te bestrijden. De bergvolkeren waren als probleemgroep ontdekt en de overheid bemoeide zich steeds vaker met hen. De bergstreken werden toegankelijker gemaakt door de aanleg van nieuwe wegen. Allerlei nieuwe gewassen werden geïntroduceerd om de papaverteelt te vervangen. Met Thais onderwijs hoopte men loyale burgers te maken.

 

telefoneren in Nam Rin

De publieke telefoon in het Lisu-dorp Nam Rin, district Pang Mapha, Mae Hong Son.

Aan de andere kant  bleef het voor bergvolkeren moeilijk het staatsburgerschap te verwerven, ook voor de honderdduizenden die in Thailand waren geboren en getogen. Zonder de juiste papieren en met een matige beheersing van het Thais, waren velen in een kwetsbare positie wanneer ze met de laaglanders in contact kwamen. En met de betere wegen namen die contacten juist toe. Vaak werden bergmensen na tijdelijk werk in het laagland afgescheept met een paar centen en konden nergens op steun rekenen. Voor een identiteitskaart moesten ze smeergelden, vaak grote bedragen, aan districtsambtenaren betalen.

Conflicten over land

In de jaren tachtig begon de overheid de opiumteelt hard aan te pakken. Papavertelers (lang niet alle bergstammen) moesten nu wel andere gewassen gaan verbouwen. Waar men koos voor kool, bonen of tomaten nam de ontbossing in rap tempo toe, omdat er veel meer grond voor nodig was dan voor papavers. Tegelijkertijd trokken veel landloze Thaise boeren de bergen in om maïs te verbouwen. Bij conflicten over het land delfden de ‘illegale’ bergvolkeren meestal het onderspit. De vervangende landbouw bleek bovendien zeer kwetsbaar. Men had altijd te maken met hoge transportkosten naar de markten in het laagland. Bovendien moest men zich vaak voor kunstmest en bestrijdingsmiddelen in de schuld steken. In de jaren negentig werden bovendien veel gebieden met bergvolkeren tot nationaal park uitgeroepen. Op slag mocht er geen boom meer worden omgehakt. In veel van die gebieden werden de bergvolkeren gedwongen te verhuizen en zich ergens anders te vestigen waar de grond onvruchtbaarder was. Problemen genoeg.

Door het onderwijs, radio en televisie en tochtjes naar de steden realiseerden veel jongeren zich dat dat ze niet de rest van hun leven als boer of boerin wilden zwoegen op de berghellingen. Maar het alternatief was vaak het slechtst betaalde baantje in de stad en een huurkamer in een krottenwijk. Deze uitzichtsloze situatie zal ertoe hebben bijgedragen dat vele jongemannen aan de drugs raakten. Ook speelde mee dat ze dicht bij de grens met Myanmar heroïne en speed goedkoop konden krijgen. Het spuiten van heroïne, maar ook prostitutie en bordeelbezoek, leidde tot explosieve aidssituaties in veel bergdorpen.

Al deze ontwikkelingen stonden vrijwel los van het toerisme, maar hadden grote gevolgen voor hun cultuur. Bijvoorbeeld, door de armoede na een mislukte tomatenoogst trouwden Lisu-mannen eerder met Akha-meisjes, omdat daarvoor de bruidsschat aanzienlijk kleiner was. En jonge mannen en vrouwen die geld moesten verdienen in de steden zworen al gauw hun klederdracht af om niet voor tweederangs burger te worden aangekeken.

De modernisering heeft zeker niet alleen kommer en kwel gebracht. Er zijn bergvolkeren van hun land verdreven, maar er zijn er ook rijk geworden door de verkoop van hun land of een aantal bijzonder goede oogsten van hun cash crops. Heel wat bergbewoners bezitten nu een pick up of een scooter.

Al deze processen zijn nog volop aan de gang en verschillen per stam, per dorp en zelfs per huishouden. Het is een complex geheel dat je niet kunt vangen met een aantal stereotype vooroordelen.

©SJON HAUSER: TEKST EN FOTO’S

Een iets andere versie van dit verhaal verscheen in Te Gast in Thailand (10e druk), Informatie Verre Reizen, Nijmegen, januari 2004: p. 41-44.

Meer over bergvolkeren in een aantal verhalen in de rubriek: Bergvolkeren.

Ook komen bergvolkeren, met name Akha’s en Lisu’s uitvoerig ter sprake in mijn boeken Mekong en Thailand. Zacht als zijde, buigzaam als bamboe.

Nu te koop in Chiang Mai:

Thailand. Zacht als zijde, buigzaam als bamboe, paperback: Baht 600.

Voor aanschaf: neem contact op via deze website (ga naar CONTACT).