Antonin Cee-Tussen eigen en ander

Boekbespreking
Verhalen over Thailand—Literair debuut van Nederlander Antonin Cee
cocer boekAntonin Cee, Tussen Eigen en Ander
Verkoopprijs: € 14,95 (exclusief verzendkosten). Aantal pagina’s: 144. ISBN: 978-90-484-2763-5
Te bestellen bij: Free Musketeers

Nederlandstalige fictie gesitueerd in Thailand is er weinig. Bij het verschijnen van de verhalen van de Nederlander Antonin Cee waren mijn verwachtingen dan ook hoog gespannen, te meer omdat ik de auteur ken en vermoedde dat hij een goed verhaal in zijn mars had.

Ik ken hem als iemand die geobsedeerd is door de culturele kloof tussen de Thais en de westerlingen, een fascinerend thema dat slechts summier wordt uitgediept in de vooral Engelstalige fictie over het Land van de Glimlach—een stapel romannetjes en verhalen die je al gauw naar Bangkoks bordelen en a go go bars meezeulen en waar de banaliteit en oppervlakkigheid vaak vanaf straalt. Vrijwel altijd zijn ze geschreven vanuit de wereld van een westerling die er woont of op bezoek is, op gespannen voet met de Thaise cultuur leeft, maar die tweespalt wordt zelden interessant uitgewerkt—meestal geeft de schrijver zich volop over aan beschrijvingen van hoe zot het er allemaal is, soms afkerig, maar vaak vol sympathie en met overgave. ‘Hey man, this is Thailand!’ hoor je de auteurs voortdurend tussen de regels door schreeuwen.
Ik herinner me dat ik bijna 25 jaar geleden met Cee in een café in Chiang Mai een pilsje dronk en hij zich hardop afvroeg wat er nu eigenlijk in ‘die koppies van de Thais rondgaat’. En de jaren daarop kreeg ik de indruk dat Kiplings beroemde adagium ‘East is East and West is West’ hem dag en nacht kon bezighouden.
Het gebeurt niet vaak dat westerse schrijvers van Thailand-literatuur zich gedreven verplaatsen in de wereld van hun Thaise personages. Ik vind dat het Cee goed afgaat en dat is een prestatie.
De vijf verhalen in zijn debuut Tussen eigen en ander tellen elk ongeveer dertig pagina’s en spelen zich af in Thailand — alleen in het laatste verhaal belanden we ook over de grens in Cambodja.
In twee verhalen is de hoofdpersoon zelfs een Thai en ontvouwt zich stap voor stap de dramatische levensgeschiedenis vanuit diens gedachtenwereld. In De minotaurus graast rubber waarmee de bundel begint, is dit een arme rubberplanter in het zuiden van het land, in Een verwarde vrouw, het derde verhaal, de dochter van een kleine ambtenaar uit het noorden die met een schatrijke Sino-Thai uit Bangkok trouwt en met hem in Bangkok een luxueus maar eenzaam leven zal gaan leiden. De boer en de jonge vrouw worden realistisch en geloofwaardig geportretteerd. Soms had ik het gevoel, vooral bij de rubberboer, dat ik te maken had met vertaald proza van een Thaise schrijver als Khamsing Srinawk, Chart Korbjitti of Wimon Sainimnuan, waarin de problemen en het leed van de hoofdpersonen — doorgaans met een goede inborst maar gedoemd het onderspit te delven — gedetailleerd uit de doeken worden gedaan. Ze leven in een vijandige Umwelt van door en door slechte en onbetrouwbare mensen. In de verhalen loopt het dan ook slecht met hen af: de rubberboer wordt door gewelddadige intimidatie gedwongen een deel van zijn plantage — resultaat van jarenlang zwoegen en zweten — af te staan aan corrupte ambtenaren, de Noord-Thaise vrouw raakt door het overspel van haar echtgenoot zo gefrustreerd dat zij uiteindelijk het ‘heft in eigen hand neemt’ en in razernij de ultieme wraak neemt — een daad die in Thailand bekend staat als ‘de ganzen voeren’.

Cee

Antonin Cee

In de drie andere verhalen staan westerlingen centraal, tezamen met hun ideeën over de verschillen tussen de Thai en westerlingen, tussen de Thaise en de westerse cultuur. In het verhaal Begoochelingen zit Cee letterlijk op zijn praatstoel, of juister, de vier hoofdpersonen die in een openluchtbarretje in een achterafsteeg in Chiang Mai bijeenzitten.
Twee jonge Nederlanders, begin twintig en voor het eerst in Thailand op vakantie, drinken er een margarita. De een heeft zijn haar oranje geverfd en wordt in het verloop van het verhaal ‘oranjeman’ genoemd, de ander is een lange slungel met jeugdpuistjes. Terwijl ze vanaf hun barkruk uitkijken op de binnenplaats van een tempel en euforisch de Thaise cultuur opsnuiven, ontspant zich een karakteristiek gesprek waarin ze elkaar gemakkelijk weten te vinden.
Beiden zijn verrukt over het ontspannen leven in Thailand, zo heel anders dan die gestreste toestanden in Nederland. ‘Bij ons is iedereen zo agressief. Voor het minste of geringste willen ze meteen op de vuist,’ zegt een van hen. Ze zouden wel voor altijd in Thailand willen blijven, maar op een gegeven moment raken de centen op en zullen ze weer naar huis moeten.
De twee zitten alleen aan de bar, op de Thaise schoonheid die er bedient na, en een oudere westerling die aan een tafeltje Thaise whisky met soda drinkt en de ijsklontjes met een vinger door zijn drankjes roert—kennelijk iemand die al wat langer in Thailand vertoeft. Het is niet alleen het serene gerinkel van de tempelbelletjes dat de oranjeman en de slungel bekoort, ook maken de borsten van het bedienende meisje indruk. ‘Daar wil je wel wat mee,’ zegt de een. ‘Hoe oud denk je dat ze is? Dat is moeilijk te zeggen hier. Maar die glimlach maakt me gek. Wat een heerlijk land,’ antwoordt de ander.
De conversatie neemt een andere wending wanneer blijkt dat het Thaise ‘meisje’ vrijwel accentloos Nederlands spreekt. Ze vertelt 41 te zijn en 20 jaar in Amsterdam gewoond te hebben, waar ze was getrouwd met een kunstschilder. En ze was naar Thailand teruggekeerd na het overlijden van haar man, terwijl hun kinderen in Nederland bleven. Ze heeft het gesprek tussen de magere en de oranjeman helemaal gevolgd en laat voorzichtig weten dat de twee een te mooi beeld van Thailand hebben. ‘Wat jullie menen te zien bestaat helemaal niet (…) Jullie stoppen domweg je eigen wensdromen in deze maatschappij (…) jullie hebben een mythe om Thailand geweven.’ Maar ze geeft ook toe dat de Thaise toeristenindustrie deze mythe koestert en promoot. Tiet, zo heet de jeugdig ogende dame achter de bar, weidt vervolgens uit over de vermeende ‘Thaise ziel’ die de Thais door het Westen is aangepraat  (‘een verborgen vorm van kolonialisme’) en vervolgens met liefde door de Thais zelf werd gekoesterd.
Het is in deze fase van Tiets betoog, op een moment dat de twee jonge Nederlanders de drank beginnen te voelen, dat de zwijgzaam voor zich uit starende, stevig doordrinkende en kettingrokende vijftiger — ook Nederlander, zo blijkt — zich in de conversatie mengt: ‘Hoor eens, om het maar meteen te zeggen, ik ben het hier eigenlijk beu als koude pap.’
De man valt Tiets uiteenzetting bij, maar draaft verder. Westerlingen hebben nooit iets anders gedaan dan op zoek te gaan naar ‘dat andere’ buiten henzelf, orakelt hij. De filosoof Cee lijkt in de persoon tot leven te zijn geroepen: ‘Dat Europa van ons heeft altijd aan de vacht van Azië gehangen op zoek naar een voedende tepel.’ En de cultuurhistoricus Cee laat vervolgens van zich horen: ‘Met alles wat we daar vonden, het scheepsroer en het kompas bijvoorbeeld, konden we pas echt de wereld in. Maar juist daarmee hebben we onze eigen zuivel gemaakt. De wereld een nieuw gezicht gegeven.’
Dat altijd maar op zoek zijn met die kritische westerse geest leidde tot natuurwetenschap, tot zicht op de werkelijkheid, orakelt hij verder. En hij laat de jongens weten dat die daar ook mee bezig zijn, dat ze ook op zoek zijn.
Oranjeman en de slungel zijn weinig ingenomen met de bemoeizucht en betweterij van de man, te meer omdat zich juist een behaaglijke, erotisch getinte sfeer tussen de twee jongens en de barvrouw is ontstaan, met vooruitzicht op een triootje—en dat wordt nu door die zwartkijker onderbroken. De man blijft echter ongestoord doordrammen. Zwart Afrika en de Batavieren haalt hij erbij om zijn stelling kracht bij te zetten, terwijl hij de Thais verwijt na-apers van de westerse cultuur te zijn en zich in feite kruiperig en jaloers jegens westerlingen te gedragen. Het is begrijpelijk dat de twee zich daaraan flink storen, maar het verhaal neemt een plotselinge wending als de lange, die vier margarita’s eerder die middag nog te kennen gaf de agressie in Nederland te verafschuwen, op de man toeloopt om hem een klap op zijn bek te geven.

Ook in het verhaal Per voorhoofd een stip komt zo’n ambivalente kentering voor. En ook in dit verhaal zitten we lange tijd met twee Nederlanders in de kroeg, nu in Bangkok, waar beiden al jaren wonen en werken. De mannen zijn aanzienlijk ouder dat de twee groentjes in Begoochelingen. Ze zijn door de wol geverfd en de kroeg waar ze belanden is een stuk vunziger dan het barretje in Chiang Mai.
Spier, de ik-persoon, is leraar Engels op een meisjesschool en was in Thailand beland nadat hij op een sombere herfstdag genoeg van Nederland kreeg en in het vliegtuig naar Bangkok stapte om zijn leven een andere draai te geven. ‘Het had net zo goed Hongkong kunnen zijn of Kuala Lumpur,’ blikt hij mijmerend terug. ‘Het maakte me allemaal niet zoveel uit. Als het maar flink ontheemde.’

Jaap, de andere Nederlander, is een praatjesmaker en een kletskous. Hij heeft iets op zijn lever dat hij Spier wil vertellen, maar het duurt een tijd voordat hij ter zake komt. Eerst laat hij zich door een van de  barmeisjes onder tafel pijpen. Daarna moet hij zo nodig laten weten dat hij goed doorheeft hoe het in Thailand toegaat, dat de seksueeel gefrustreerde mannen uit Rotterdam of het Roergebied er listig door de Thaise dames worden bediend. Jaap is niet erg te spreken over de Thais: ‘Ik heb nog nooit van mijn leven mensen ontmoet, die zo vervreemd zijn van hun eigen zielenroerselen.’ En wat later haalt hij instemmend het werk van een antropoloog aan die stelt dat de Thai doodsbang zijn naar binnen te kijken. Ze houden alles goed afgedicht, als het er maar mooi uitziet. Gezichtsverlies daar zijn ze bang voor, maar verder kennen ze geen enkel schuldgevoel.  ‘Oost ontmoet west. Hier hebben ze het lak aan elke vorm van waarheid. De waarheid weet je wel , waar wij zo hoog van opgeven (…) ze hebben het concept nooit ontdekt, zoals Indianen het wiel nooit hebben uitgevonden. (…) Hier stellen ze het zonder oprechtheid (…) en zie, dat werkt ook prima. Iedereen belazert iedereen.’
Het blijkt allemaal slechts een inleiding te zijn wanneer Jaap eindelijk begint te vertellen wat er loos is: dat hij Thailand goed zat begint te worden. Hij wil verkassen, misschien wel terug naar Amsterdam, dat hij begint te missen. Zijn werk als freelance fotograaf levert nauwelijks wat op, geld voor een ticket naar Europa heeft hij niet eens. Maar een nieuwe baan bij een contractbureau voor werk in de bouw in het Midden-Oosten zal daar gauw verandering in brengen.
Dit soort uitzendbureaus zijn in Thailand vaak geen zuivere koffie. Thaise boeren die de relatief goed betaalde banen in het buitenland begeren, moeten vaak een klein kapitaal vooruit betalen voor de bemiddeling en het regelen van contract, visum, vliegticket, enzovoorts. Regelmatig komen deze Man Power Services hun beloften niet na. Jaap realiseert zich goed dat zijn nieuwe werkgever de boel bedondert. Dat blijkt ook al uit het feit dat hij er als westerling alleen maar hoeft te zitten om bij de boeren die zich er aanmelden de indruk te wekken dat het een bonafide zaak is. Zijn medeplichtigheid aan dit soort zwendel weet hij gemakkeljk goed te praten: ‘Of wij aan dit soort praktijken meedoen of niet, het gebeurt toch wel. (…) Wij zijn er toch niet om deze maatschappij te veranderen, of wel soms? ‘s Lands wijs, ‘s lands eer.’
Enkele dagen later brengt Spier uit nieuwsgierigheid een kort bezoek aan het uitzendbureau dat in de Arabische wijk ligt. In het kantoor krijgt een tiental boeren klassikaal  informatie over het werk in het Midden-Oosten, aan de muur hangen enorme foto’s van bouwprojecten en posters van luchtvaartmaatschappijen. Jaap zit er in een apart kamertje achter een groot bureau een krant te lezen: inderdaad, een luizenbaantje. Hij is in een opperbeste stemming en biedt Spier een whisky aan—de fles Chivas heeft hij van zijn waarde collega’s gekregen. Jaap heeft zijn ticket al gereserveerd en  zogauw hij weer geld in zijn zak heeft zal hij zijn ticket betalen en vertrekken. ‘Die lui daar binnen,’ legt hij uit, ‘is verteld, dat ze over drie maanden kunnen vertrekken. Maar dan ben ik al weg. Hoe het verder afloopt  is de besogne van de bazen.’
Een week later wordt Spier door Jaap gebeld. Jaap is ontsteld, vertelt dat hij die ochtend naar zijn werk ging en het hele kantoor bleek niet meer te bestaan. Alles was verdwenen. Het ergste is dat Jaap nog geen cent heeft ontvangen, hij is flink belazerd. Twee dagen later belt Jaap opnieuw, nu in paniek. Hij is misschien op straat herkend door een van die boeren en is bang dat ze wraak op hem zullen nemen. Als die het gevoel hebben hun centen kwijt zijn, zijn ze tot alles in staat, meent hij terecht. Omdat Jaap geen rooie cent meer heeft en daarom niet naar een pensionnetje elders kan verkassen, stemt Spier met de nodige tegenzin toe dat hij een tijdje bij hem komt onderduiken.
Spier zal die dag echter vergeefs op zijn vriend wachten. Pas de volgende dag ziet hij hem weer, in een vrieslade in een ziekenhuis, naakt en met een rood gaatje in zijn voorhoofd.
Het is een prachtig verhaal over een Nederlander in Thailand die met boter op zijn hoofd loopt — beslist geen zeldzaam type — en met wie het verkeerd afloopt. Bijna genoegzaam dacht ik bij het lezen aan het eind: ‘Eigen schuld, dikke bult!’, het platvloerse Nederlandse gezegde dat het filosofische ‘karma’ aardig benadert.

Ook bij het lezen van de andere verhalen heb ik me niet verveeld, ze zijn goed opgebouwd en soms zijn ze zelfs een beetje spannend. Het is boeiend te lezen welke ideeën Nederlanders er over de Thaise mentaliteit en cultuur op na houden. Soms had Cee zijn thema wat subtieler kunnen uitwerken, maar mijn zwaarste kritiek op deze interessante bundel is toch de belabberde afwerking van de verhalen.

Het aantal spel-, type- en andere fouten is zo kolossaal dat het tijdens het lezen al gauw begint te storen. Niettemin wordt in het colofon schaamteloos beweerd dat aan de uitgave de uiterste zorg is besteed. Komma’s staan vaak op de verkeerde plaats en sommige zinnen eindigen zelfs op een komma. In verschillende zinnen ben ik het hulpwerkwoord zowel voor als na het voltooid deelwoord tegengekomen, een typische fout die bij slordig tekstverwerken met de computer ontstaat. Een programma voor spellingscheck of een goede redacteur is kennelijk niet op de tekst losgelaten, gezien het voorkomen van sierraad, wierrook, vlak bij, noord Thailand, de gazen op tafel omgesmeten, nadat hij wat te drinken bestelt had, ze jasje valt open, maiskorrels, soya saus, Anchor (i.p.v. Angkor, de oude hoofdstad van het Khmer-rijk), jalousie, enzovoorts. Zelfs in de weinige Engelse woorden staan fouten (swet shop), terwijl aan de transcriptie van Thaise woorden geen touw valt vast te knopen. Minstens zo storend is dat Cee in sommige verhalen voortdurend van de tegenwoordige tijd overspringt op de verleden tijd en omgekeerd, soms binnen een enkele zin.
Verder komen er nogal wat herhalingen voor die op den duur knap storend werken. Het verhaal in Chiang Mai bestaat grotendeels uit gesprekken en het is goed dat daar wat afwisseling in wordt gebracht. Maar Cee onderbreekt de betogen wel erg vaak met de observatie dat er weer wordt bijgeschonken en met de vingers tussen de ijsblokjes geroerd. In Inheems kruid, wat taalgebruik betreft het meest pretentieuze van de vijf verhalen,  is de zon zo’n Leitmotiv. Misschien niet zo verwonderlijk, de hoofdpersoon, een jonge Nederlandse ontwikkelingswerker, heeft nog maar net de gruwelen van het bombardement van het vluchtelingenkamp waar hij werkt overleeft of hij valt in handen van  Rode Khmer-strijders. Die laatsten lijken niet veel goeds met hem voor te hebben.  Als ook dit kamp wordt gebombardeerd vlucht hij voor zijn leven door de jungle in de richting van de Thaise grens. Hij smacht naar water en de wonden over zijn lichaam schrijnen pijnlijk. Hij verkeert in een shock, heeft wellicht ook een zonnesteek en die koperen ploert boven hem maakt hem radeloos.
Tijdens zijn vlucht door de onvriendelijke wildernis—de prey vol met ‘voortwoekerende kruipers’  met hun ‘arglistige stekels’ die ‘zijn wellustige zaden uitstort’—vindt hij niettemin de tijd zijn leven te overzien, vooral ook de nachtmerrie van de aflopen dagen. Steeds weer worden zijn overpeinzingen onderbroken door opmerkingen over de stand van de zon en hoezeer hij daardoor wordt gekweld.
Terwijl Cee in de andere verhalen soms aardige beeldspraken te berde brengt, vliegt hij in Cambodja met zijn zinderend en verzengend heliofreen proza uit de bocht. ‘Daar staat de zon te brullen in een floers van spijkerhard licht, dat het bamboe doet kraken en in mijn oren rondzingt.’ En wat later: ‘Maar nu kruipt de zon steeds hoger, pulserend als een koortswond, waaruit een etterende licht op me neerslaat en mijn schrammen verder openbeitelt. De hitte steekt zijn naalden in al mijn poriën.’ (..) ‘De genadeloze zon bonst met haar vuisten tegen mijn slapen en heeft daarbinnen alles verteerd.’ En: ‘O die zon hier, die zijn zweepslag over me heen legt tot er zwarte vlekken voor mijn ogen verschijnen. (…) dit stuiterende zonlicht, waar niets tegenop gewassen is.’ Of: ‘De zon klimt alsmaar hoger en beukt met zijn trommelvuur op mijn slapen. (…) De hitte vliegt als een zwerm dol geworden vogels om me heen, borrelt in mijn aderen (…) de zon kruipt naar zijn hoogste punt nu en probeert me te vermorzelen. Ze krabt mijn ogen uit, zet mijn hoofd in lichterlaaie en laat mijn schedel kraken.’ En in de namiddag: De zon begint nu duidelijk te dalen en wordt geel als de dooier van een ei. Als een bloedzuiger klampt het licht zich aan me vast. Zo meteen gaat ze een grote wolk van uitgeklopt messing weven. (…) alles wordt blind. Dat onverdraaglijke licht gaat alles verbrijzelen en zijn menselijke masker afrukken. Het is het uur, waarop in die kolkende golven alles wordt uitgekleed, naakt en identiteitsloos achterblijft en elk onderscheidingsvermogen weggevaagd.’ (Behalve last van de zon heeft onze vluchteling ook last van stemmen, die ‘als vlooien’ in hem ‘blijven rondspringen’ en ‘hun eigen dans’ kennen.)
In zijn delirium komt hij tot het inzicht dat de Khmer die zijn opgegroeid in dat onmenselijke licht en in die meedogenloze prey wel anders moeten zijn dan hijzelf—de geografische benadering van cultuur. In zijn koortsachtige cultuurbeschouwingen schrijft hij de wreedheden van de Rode Khmer aan de prey en koperen ploert toe, maar ook aan het feit dat Kameraad Nummer 1 (Pol Pot) de mensen geïnfecteerd had met de ‘Europese neurose’ van de vooruitgang. Het staat er niet letterlijk maar ik lees hier ook: het marxisme, die voor de Khmer vreemde leer uit het Westen. In al zijn lijden is de ontwikkelingswerker zich er helemaal van bewust dat hij hier niet thuis hoort en ook beter nooit naar het Oosten had kunnen vertrekken, en al helemaal niet om zich met het leven daar te bemoeien: ‘Laat elk volk zijn eigen gang gaan.’ Het is begrijpelijk dat de jongenman naar huis verlangt, naar ‘de frisheid van de Hollandse weiden met hun kaarsrechte slootjes en in het gelid staande bomen’ en naar ‘koelte, aan die beukenlaantjes op de Brabantse turfgronden’,  maar veel van wat er door hem heen gaat is voor de lezer beslist minder duidelijk.
Ook wordt niet verklapt of hij het beukenlaantje zal terugzien. Ik denk het niet, want er vindt opnieuw een beschieting plaats: ‘Daar rolt weer de donder en de aarde rondom me spuit opnieuw hoog op. Mijn lichaam geeft een laatste gil en in de pikzwarte nacht weet ik niet zeker of het de regen is of dat het mijn laatste druppels bloed zijn, die op me neerkletteren…’ En met dit afsluitende, bombastische proza krijgt deze laatste novelle van Cee ook de genadeslag. Jammer, want in de ervaringen van ontwikkelingswerker en diens desillusies zou toch een mooi verhaal moeten zitten, zeker wanneer het zich afspeelt in een vluchtelingenkamp aan de Thais-Cambodjaanse grens.

©SJON HAUSER: tekst