Alting von Geusau en de Akha van Noord-Thailand

Alting von Geusau en de Akha van Noord-Thailand.
Een Nederlandse jonkheer en ex-priester onder de geboren verliezers in de derde wereld.

portret Leo

Leo Alting von Geusau in 1985.

De weg naar de Akha’s in de Gouden Driehoek liep met een grote boog: via een dissertatie over kinderdoop en Calvijn, het Vaticaanse Concilie, twee hoogleraarschappen in New York en een donderspeech. Sjon Hauser spitte zijn leven door. Over de eenheid scheppende diarree in India, bergvolkeren die als apen worden afgeschilderd en zijn inzet voor het behoud van de rijke Akha-cultuur. (1)

Op Songkran daalt een Toyota-truck vanuit het in de heuvels gelegen Akha-dorp Ban Saen Charoen af naar het Thaise districtsplaatsje Mae Suai. Wolken roodbruin stof waaien op achter de wagen. In de laadbak beschermen dr Leo Alting von Geusau, zijn Akha-vrouw Deuleu, een achttal andere Akha’s, een Engelse studente antropologie en ik hun bagage met plastic. In de Thaise plaats zullen we drijfnat gegooid worden — Songkran is het Thaise waterfestival waarmee het traditionele.
Dan bemerkt Deuleu dat bij haar haar echtgenoot de gulp openstaat. Daarop geattendeerd merkt Von Geusau op dat hij bereid is terug te vechten met alle middelen en er wordt even hartelijk gelachen.

Meestal is de Nederlandse antropoloog echter doodserieus en hij kan in ernst uren vertellen over de scherpe tegenstellingen tussen de machtige Thaise laaglanders en de etnische minderheden in de bergen. ‘Terugkomen vanuit mijn Akha-dorp in de de Thaise maatschappij is voor mij steeds weer een cultuurshock,’ heeft Von Geusau me eerder verteld. De uitspraak wordt geloofwaardig door onze eerste ontmoeting sinds drie dagen met laaglanders: geen dorpelingen met emmers water, maar enkele zwaar bewapende Rangers (een Thaise paramilitaire organisatie) die onze wagen aanhouden en de Akha’s beginnen te fouilleren. Misschien dankzij de aanwezigheid van drie blanken en het feit dat het een feestdag is, gaan de intimidaties niet verder en mogen we weldra weer doorrijden.

Van Geusau’s betrokkenheid bij de Akha’s ontstond door een toeval. In 1974, tijdens een bijeenkomst van antropologen in Mexico, ontmoet hij een jonge vrouw  die bijzonder sterk lijkt op zijn vrouw Soey, die het jaar daarvoor op tragische wijze is overleden. Zijn echtgenote was van Hakka-Chinese afkomst en aarzelend vraagt Von Geusau: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar bent u soms een Hakka?’ ‘Nee,’ antwoordt de vrouw die een Lahu uit Birma is, ‘maar in mijn land hebben we wel Akha’s.’
Vanaf dat moment is Von Geusau geobsedeerd door de Akha’s, een volk dat de bergachtige terreinen van Zuid-China, Noordoost-Birma en stukjes von het noorden van Thailand, Laos en Vietnam bewoont — totaal zo’n 700 000 zielen. In tegenstelling tot de meeste etnische minderheden in de regio is er van het Akha-volk nog weinig studie gemaakt. Von Geusau leest alles wat hij over het volk kan vinden, maar de bronnen raken weldra uitgeput.

Houten beelden bij ingang Akha-dorp.

Houten beelden bij de ingang van een Akha-dorp.

Nu, twaalf jaar later, is hij één van de zeer weinige Akha-experts onder de antropologen. Von Geusau heeft de Akha’s wel als de ‘geboren vereliezers’ getypeerd. ‘Sinds Thai-krijgers in de negende eeuw het oorspronkelijke woongebied van de Akha’s in Zuidwest-China bezetten, zijn de Akha’s met andere volkeren geleidelijk uit de vruchtbare laaglanden naar minder aantrekkelijke berggebieden vertrokken om slavernij te ontlopen. Wanneer je hun teksten, gezangen, rituelen en cultuur analyseert, dan valt er één aspect vooral in het oog: de nadruk die ze leggen op de minderheidspositie, hoe ze onafhankelijkheid tegenover sterkere machten konden behouden in een vrij bar bergklimaat.’

De grote meerderheid van de Akha’s woont in China en Birma. In Thailand, waar zo’n 25.000 Akha’s leven, doet Von Geusau antropologisch onderzoek naar het slecht begrepen volk. Niet op de traditionele, afstandelijke wijze, maar door deel te nemen aan hun leven en hun groeiende problemen: armoede, ziekten en discriminatie. Zo leidt hij er een door de Novib gesteund project.

In Noord-Thailand worden de Akha’s door (Noord-Thaise) laaglanders voortdurend van hun vee beroofd of door ambtenaren van het land verdreven waarop zij rijst en andere gewassen verbouwen. Het volk wordt wel ‘semi-nomadisch’ genoemd, maar dat is op zijn minst een sarcastische typering wanneer men weet dat vrijwel alle bewegingen van het Akha-volk door de agressie van machtigere volkeren is opgelegd.

Posters en foto’s van rijkelij met borduur- en zilverwerk getooide Akha-vrouwen zijn niet meer weg te denken uit de toeristenindustrie, die een enorme bijdage tot het nationale budget levert. Maar tegelijkertijd worden die ‘primitieve stammen’ tot zondebok gemaakt voor talloze problemen in het koninkrijk.

Autoriteiten hebben er een handje van alle ontbossing en erosie in het land aan etnische minderheden in de bergen toe te schrijven, terwijl die vaak juist hetbeste weten hoe ze een bergachtig terrein produktief kunnen maken zonder het milieu onherstelbare schade  toe te brengen. In de ogen van velen zijn de bergvolkeren allemaal papavertelers.
De arrogantie en onwetendheid waarmee sommige Thaise autoriteiten en de toeristenindustrie over de bergvolkeren praten is een zaak waarover Von Geusau zich dag en nacht ergert.

In zijn woning aan de Ping in Chiang Mai, vlak bij de toeristische Night Bazar waar zijn vrouw The Golden Traingle People’s Art and Handicraft runt, vertelt Von Geusau zijn levensverhaal. Dat begint bij zijn adellijke grootvader die tijdens Troelstra nog Minister van Oorlog was en later als directeur van de posterijen op de fiets naar zijn werk reed en postkantoren in den lande bezocht. Discipline, eenvoud en liberaal conservatisme, maar ook sociale bewogenheid en een gevoel van gelijkheid van alle mensen domineren het militair-adellijke geslacht Alting von Geusau.

Als vele anderen van de generatie van Dolf Coppes, Simon Jelsma en Piet Wesseling gaat Von Geusau in de Tweede Wereldoorlog voor priester studeren. Niet omdat het clericale leven hem aantrekt, eigenlijk om het uit zijn verstarring en verburgerlijking van die tijd te halen.
‘We waren nogal pretentieus, achteraf gezien, die oorlogsgeneratie,’ zegt hij. De periode aan het seminarie te Driebergen-Rijsenburg beschouwt hij als een noodzakelijk kwaad, maar het jaar dat hij na zijn afstuderen als kapelaan in Vaassen werkt, wordt hij met de gezapigheid van een serie oude pastoors geconfronteerd en clericale rollen met sigaren en wijn.
Wanneer hij in 1951 in de gelegenheid wordt gesteld aan de St. Thomas Universiteit te Rome te promoveren, laat hij die kans niet liggen. Zijn dissertatie gaat over de geschiedenis van de kinderdoop met  speciale aandacht voor Luther, Zwingli, Calvijn en andere reformatoren. De kinderdoop heeft boeiende sociale aspecten, maar vooral het feit dat Von Geusau een grondige kennis verwerft  van het protestantisme zal bij zijn latere levensloop een grote rol spelen.

De katholieke kerk is inmiddels aan het gisten en vele priesters proberen zich uit hun clericaal isolement te bevrijden. Wanneer Von Geusau in 1955 kapelaan te Leeuwarden wordt, zal hij zich tot een leidinggevend figuur binnen de oecumenische beweging in het noorden ontwikkelen. Hij leidt er de gesprekken tussen predikanten en katholieke priesters, maar in zijn hart gaat zijn belangstelling toch bijna nog meer uit naar de buitenkerkelijke humanisten, de ‘asocialen’ of mensen die hij bij zijn werk in gevangenissen leert kennen: ‘Van die mensen kon ik veel leren. Ik voelde me eigenlijk nooit thuis in het clericale kader. Toch waren er in Groningen vele aardige en open mensen onder de geestelijkheid, zoals bisschop Nierman en Vicaris Van Dijk, aan wie ik in feite het verdere verloop van mijn leven heb te danken.’

Mede dankzij zijn vaste voet in de oecumenische beweging wordt hij in 1961 door De Gelderlander naar het congres van de Wereldraad van Kerken in New Dehli gestuurd. Deze gebeurtenis zal een brug naar de derde wereld slaan. ‘Dat was een geweldige openbaring. De jonge kerken uit de derde wereld hadden een sterke stem. De profetie van de vrijzinnige predikant Hans Hoekendijk, dat er een tijd zal komen dat de christenen in de derde wereld naar Europa zullen komen om het christendom te prediken, leek waarheid te worden. Ik ontmoette er vele mensen van de media en theologen zowel uit Nederland als de derde wereld, Filipijnen, Latijns-Amerika…Bovendien waren we met zijn allen aan de Indiase diarree wat een enorme eenheid schiep.’

dansende Akha-meisjes

Dansende Akha-meisjes in vol ornaat, Ban Iko Sam Yaek.

De KRO vraagt Von Geusau theologisch adviseur te worden gedurende het Tweede Vaticaanse Concilie dat in 1962 in Rome begint. Rome was toen nog een bolwerk van censervatisme, maar de nieuwe paus, Johannes XXIII, een Italiaanse boerenzoon, stond ervoor open allerlei tot dusver verboden vraagstukken aan de orde te stellen.
Met een groep Nederlandse theologen, onder wie prof. Schillebeeckx en De Grijs die wat problemen met Rome hebben, wordt besloten iets meer dan een persbureau te beginnen: een documentatiecentrum waar aan de pers, theologen en de ongeveer zeventig Nederlandse bisschoppen in de derde wereld achtergrondinformatie zal worden verschaft over de rijke scharkering van theologische, politieke en sociale meningen in de wereld. Von Geusau: ‘Zoiets was nog nooit gedaan, omdat iedereen gewend was naar Rome te luisteren en dus weinig van andere landen en opinies afwist. Het effect was overweldigend. Binnen enkele maanden werd ons gevraagd deze stencils in zes talen te vertalen.

Mensen over de hele wereld kwamen ons vragen stukken te vertalen en uit te delen onder de drieduizend deelnemers aan het Concilie. Ons centrum kreeg naast de KRO nu ook hulp van de Nederlandse bisschoppen en later ook van Douwe Egberts en C&A.’

Het documentatiecentrum groeit snel uit tot een soort commune waarin priesters uit de derde wereld, journalisten en bisschoppen een steeds grotere rol spelen. Von Geusau: ‘Aanvankelijk stonden vraagstukken als de onfeilbaarheid van de paus of het celibaat  nog centraal, maar al heel gauw vielen de puur theologische  dingen in het niet bij de sociale problemen in de derde wereld. Tegelijkertijd werd ook duidelijk dat wij in het Westen veel van de mensen uit de derde wereld te leren hadden. Het was de meest fantastische bijeenkomst die je je maar kon voorstellen en ik beleefde er mijn “bekering tot de derde wereld”.’
Het concilie sluit in 1965 weliswaar af met een paar zure noten, maar uit wat aanvankelijk een stencilapparaat in een hotelkamer en een met stencils volgeladen VW was, heeft zich met als motor het werkwonder Jeanne van Tol, het Internationaal Documentatie Centrum (Idoc) ontwikkeld. Weldra zijn er Idoc-basisgroepen in New York, vijf Latijns-Amerikaanse, en vier Europese landen. Tegen het eind van de jaren zestig gaat het zich steeds meer op de derde wereld richten en op de spirituele, charismatische en sociaal-ploitieke groepen. Von Geusau: ‘Ik kwam in 1962 naar Rome met het idee daar drie maanden te zijn. Het werden tien jaar, die mijn leven een nieuwe richting zouden geven.’

Alting von Geusau in hutVon Geusau drijft zelf steeds verder weg van de Institutionele Kerk, die in het Westen vaak weer terugvalt tot conservatisme. Ook zijn studies in godsdienstfilosofie en antropologie dragen hiertoe bij. Door tussenkomst van Hans Hoekendijk wordt hij in 1972 gasthoogleraar aan het Union Theological Seminar in New York. Hij doceert oecumenische theologie, maar het accent ligt duidelijk op de bevrijdingstheologie.
Daarna wordt hij in 1974 assistant professor in de godsdienstfilosofie aan de Long Island University, waar zijn interesse voor Azië — met name confucianisme en taoïsme — zich kan ontplooien. Die belangstelling is aangewakkerd door zijn Chinese Hakka-vrouw Soey, die aquarelkunstenares is. Maar zijn voornaamste doel in New York is herscholing in de antropologie. ‘De colleges aan de New School for Social research waren in de late middag en avond. Het was half zes op en drie uur naar bed, een druk bestaan.’

Als eind 1973 zijn vrouw in de achtste maand van haar zwangerschap sterft breekt de zwaarste tijd in Von Geusau’s leven aan: ‘Na de dood van mijn vrouw was die éne god, zoals mij die vroeger werd onderwezen, er niet meer. Het leven in de jungle van New York werd een hel van eenzaamheid. Ik had bovendien tijdelijk geen job meer en kon nergens troost vinden. De omgang met de mensen in New York is onpersoonlijk. Je mag er niet huilen. Ik was er meneer X en mijn vroegere wereldbeelden waren ingestort. Het was een enorme cultuurshock.
Wie me redden waren enkele zwarte en derde-wereldvrienden en het Nederlandse schilder-schrijvers-echtpaar Frederic en Claske Frank. En mijn studie: stoer doorzetten! Maar als je als theoloog  antropologie studeert lijkt eerst alles op zijn kop te staan, totdat je na wat duizelingen ontdekt dat de theologie vaak de dingen op zijn kop zet door van God en de westerse kerk uit te gaan en niet van de natuur, de mens, zijn cultuur en de betekenis die hij daaraan geeft.’

Akha-dorpje

Een Akha-dorp in de bergen van Chiang Rai.

In hetzelfde jaar dat Von Geusau in de ban raakt van de Akha-cultuur bezoekt hij in Houston een bijeenkomst van elite-religieuze leiders van vier wereldgodsdiensten. Aangespoord door een aantal vrienden houdt hij een uiterst kritische voordracht. ‘Ik ergerde me aan die godsdienstige technieken  die voor de rijken betsemd zijn. Acg, wat kan het me ook schelen, dacht ik.  Ik stelde wat die mooie elite-ideeën eigenlijk voor de bevrijding van de mensen in de derde wereld te betekenen hadden, en dat soort dingen. En ik vroeg of de sprekers werkelijk de wereldgodsdiensten konden vertegenwoordigen.
Mijn woorden  maakten echter een grote indruk op een rijke kunstverzamelaarster, Dominique de menil, die het congres georganiseerd had. Ze vroeg me meteen of ze me kon helpen. Daarna heeft haar Rothko Chapel Foundation in Houston me financieel gesteund bij het voltooien van mijn studie en mijn eerste veldwerk bij de Akha’s. Zonder die speech was mijn leven waarschijnlijk heel anders gaan lopen.’

In 1977 arriveert Von Geusau in Chiang Mai, Noord-Thailand. In een Akha-dorpje nabij de Birmese grens zal hij onderzoek verrichten naar de symboliek en rituelen van het volk. In werkelijkheid is zijn research erop gericht de minderheidsaspecten, dus de sociale en politieke dimensies van het Akha-denken te ontleden. Maar zou hij dat aanduiden, dan zou hij zich bij de Thaise autoriteiten onmiddellijk verdacht maken als ‘communist’. In die tijd, vlak na de val van Saigon en een opbloei van de activiteiten van de guerilla’s van de Communistische partij van Thailand, werd een oude mythe nieuw leven ingeblazen — de mythe dat de bergvolkeren alle communistische infiltranten zijn. Een groot deel van dein Noord-Thailand werkende antropologen werd toen door de CIA gesteund.

Als Von Geusau een paar maanden in zijn eerste Akha-dorpje woont, verschijnt de Border Patrol Police die de Akha’s een tekenfilm laat zien die het door communisten bedreigde koninkrijk tot thema heeft. De bergmensen worden erin aangespoord de koning tegen het dreigend gevaar te helpen. Von Geusau: ‘Maar voor dit thema wordt het verhaal van de Ramakian gebruikt, de in Thailand populaire versie van het hindoe-epos Ramayana. Als zijn vrouw ontvoerd wordt door zijn machtige vijand, moet koning Ramade hulp inroepen van het ‘apenrijk’, een ongemanierd, bevlooid en sukkelig volk uit de bergen, onder leiding van de nobele aap Hanuman. Dankzij het apenleger, dat inderdaad ook de bergstammen uit die tijd moest voorstellen, kan Rama zijn vijanden verslaan.
De anti-communistische tekenfilm gebruikte dit thema om de bergmensen tegen het communisme aan te sporen, maar de Akha’s begrepen dondersgoed dat die apen henzelf voorstelden en liepen al snel weg uit de voorstelling. Zeker is waar dat vroeger en nu de bergstammen waarop wordt neergekeken ook enigermate gevreesd worden wegens de mogelijkheid tot rebellie en wegens hun magische krachten.’

Akha in theeplantage

Akha-vrouwen aan het werk in een theeplantage. Mae Salong, Chiang Rai.

Al in de oudste Chinese teksten blijken de Chinezen de bergvolkeren te vrezen, te meer omdat die op hun waterbronnen zitten. Het lijkt of dit klassieke thema vandaag de dag nog ongewijzigd geldt. Als in Thailand de boel overstroomt, dan krijgen de heuvelstammen er de schuld van. Maar als het kurkdroog is krijgen ze net zo goed de schuld. Ze worden voortdurend aangewezen als de hoofdschuldigen van de ontbossing, terwijl de schade die hun shifting cultivation (wissellandbouw) aan het milieu aanricht — voornamelijk als ze gedwongen worden papavers te telen — in het niet valt bij de vernielingen door migrante Thaise boeren, die omdat het laagland overbevolkt is, beginnen hun landbouwgronden hogerop te zoeken. En dan praten we niet eens van de Royal Forestry die het resterende bos kapt voor de houtindustrie.
In 1979 gaat in Thailand een speelfilm — Khon Phu Khao, eind 1985 ook in Nederland op de tv te zien geweest — in roulatie die het leven van de bergminderheden op eerlijke wijze en met sympathie zou weergeven. Von Geusau: ‘De Thais vonden zo’n film al geweldig en de film werd enorm gepropageerd. We wisten precies waar hij was opgenomen: op Doi Tung, een Akha-dorp waar ook de Novib werkt. We wisten ook dat eerst iedereen was gevraagd mee te werken. Maar toen ze zagen dat de film onder meer over “tweelingenmoord” ging, was de belangstelling voorbij. Toen werden opeens allemaal Thais ingezet als hoofdpersonen en figuranten. We gingen later met een heel stel Akha’s de film bekijken. Dit zou het moeten worden. Het eerste half uur hebben ze zitten lachen — ze dachten dat het een komedie was. Maar ze werden steeds stiller, want het bleek serieus bedoeld te zijn. Tenslotte werden ze boos, erg boos. De hoofdpersoon, een Akhaman, werd afgeschilderd als een enorm sullige en stomme man, die zich door iedereen liet beroven.’
In een boze brief daarover in de Bangkok Post eindigt Von Geusau: ‘Het resultaat van de film, die een krachtig middel had kunnen zijn om informatie te geven over de pluriformiteit van cultuur in Thailand, was in feite discriminerend en etnografisch leugenachtig.’

De Thais hebben de gewoonten de Akha ‘Iko’ te noemen, wat zoiets als ‘onbeschaafde slaaf’ betekent. In Birma worden ze door de Shan en Birmanen al even denigrerend betiteld. In een populair boek over de Thaise bergvolkeren, Peoples of the Hills van Preecha Chaturahawds, ligt de nadruk op uit hun verband gerukte eigenaardigheden van een volk, zoals de gewoonte van de Akha’s om hond te eten, of het verkondigt ronduit onzin. Niet zelden domineert het beeld van Rousseau’s ‘nobele wilde’ de passages. Onder de kop ‘instinctief’ vinden we: ‘Seksueel gedrag onder de Akha’s is vrij, dramatisch (sic), en naar het schijnt instinctief.’ Onder de kop ‘leefwijze’ wordt vermeld: ‘Bezoekers hebben meegedeeld dat Akha-meisjes uitstekende massages verrichten — en hun diensten gratis verlenen!’ Het uitroepteken en de kennis van wat de Thais vaak onder een massage verstaan suggereert het valse beeld van vrije en ongebreidelde seks onder de Akha’s.

Von Geusau: ‘Hier, als in zoveel andere dingen, liggen de zaken vaak omgekeerd, heel anders dan de ‘mythen’. Akha’s zijn zeker veel strikter in seks dan de Thais, en de Thais — zeker nu — strikter dan de westerlingen. Maar de toeristenindustrie en fantasie draaiende dingen graag om.’
De mededeling in het boek dat de Akha’s ‘gelukkig zijn met het weinige dat ze hebben en vrij zijn van de wens tot verandering’ negeert volledig dat ze tot de armste bewoners van Thailand behoren. De strijd om het bestaan is zo zwaar dat er voor ‘ongebreidelde seks’ al weinig tijd over blijft.
Von Geusau: ‘Het doden van tweelingen, waar de Akha’s zo berucht om zijn, moet je niet zien als één of ander exotisch, barbaars ritueel, maar als een uiterst praktische maatregel. Een tweeling zou voor een Akha-vrouw, die vrijwel direct na de bevalling weer op het land moet werken, een ongelooflijke belasting zijn. De kans dat zo’n tweeling aan ondervoeding sterft is aanzienlijk. En voor vele Akha’s die geen missionaris of andere dienst kennen om hen te helpen is het krijgen van een tweeling nog steeds een absolute ramp.
Volgens Tibetaanse traditie (de Akha’s behoren tot de Tibeto-Birmaanse volkeren) is een kind nog geen menselijk wezen voordat het ceremonieel een naam heeft gekregen, ongeveer als de manier waarop mensen kijken naar een ongeboren vrucht die geaborteerd kan worden. Ik zou het aantal gevallen in het Westen niet willen tellen waarbij kinderen met ernstige afwijkingen bij de geboorte “dood” verklaard worden.’

In de provincie Chiang Rai in het Hoge Noorden van Thailand begon Von Geusau vier jaar terug  het Mountain People’s Culture and Development Project. ‘Dit project wil onder meer een antwoord geven op de vraag hoe het komt dat zo vele goed gefinancierde projecten bij de bergvolkeren weinig resultaat opleveren of zelfs verdere verpaupering veroorzaken. Het mag door andere mensen misschien triviaal gevonden worden, maar het ontwikkelingsproces dient te beginnen met het erkennen van de identiteit van de bergvolkeren. Veel ontwikkelingsprojecten gaan ervan uit dat bergvolkeren achterlijk zijn en de oorzaak zijn van verschillende sociale, economische en veiligheidsproblemen. Men negeert hun traditionele cultuur en probeert die te vervangen door moderne technologie.  In ons project willen we juist van hun kennis en cultuur uitgaan, omdat de bergmensen vaak zelf het beste weten wat goed voor ze is.
Het gaat er niet om op romantische manier het verleden te bewaren — “stammen” in  reservaten worden soms een soort dierentuinen. De beslissingen worden door de bergmensen zelf genomen.
Het project wil achttien Akha-studenten in een Akha Cultureel Centrum in het laagland de kans voor een studie op een Thaise school geven. De studenten worden bovendien door oudere Akha-mannen onderwezen in Traditioneel Akha-recht en de gewoonten die de Akha’s over de eeuwen sterk gemaakt hebben, zoals landbouwkundige kennis en de traditionele medische kruidenkennis.
De Akha’s hebben een rijke traditie en vele ongeschreven wetten die vastgelegd zijn in een groot aantal teksten en liederen die mondeling  worden overgedragen. Tegelijk geeft ons project de kans aan vier of vijf Thaise studenten om zich via training en het leven in Akha-dorpen te specialiseren in bergculturen en hun ontwikkelingsproblemen. Zo snijdt het mes aan twee kanten. We kweken Thais die goed op de hoogte zijn van de cultuur van de bergvolkeren en ontwikkelen Akha’s vanuit hun eigen achtergrond. Maar het is natuurlijk niet zo eenvoudig als het klinkt. Het is ontzettend moeilijk om Thais en bergmensen als gelijken in een project te hebben.’

Over het aanmoedigen van het kweken van koffie als vervangend marktgewas in plaats van opium is Von Geusau sceptisch. ‘Koffie vraagt een technologie die de bergmensen in staat van verarming niet kunnen betalen. Zo’n vervangend gewas moet het eigenlijk net als opium alleen goed doen in de bergen om concurrentie met de laaglanders uit te sluiten. Voor gewassen zoals koffie die veel zorg vereisen is het nodig dat men land bezit. En dat is voor de bergmensen niet mogelijk omdat ze niet als Thaise staatsburgers worden erkend. Bovendien helpt dit soort projecten de groepen die zich al aardig weten te redden — en vergeet niet dat niet meer dan tien procent van de hooglanders papavers teelt.’

Beschouwt Von Geusau zich als een soort alternatieve antropoloog-ontwikkelaar? ‘O nee, ik voel me helemaal geen ontwikkelaar. Hoewel ik erg veel medisch — mede dankzij wat steun van Memisa-Mundi — en soms andere hulp geef, samen met mijn vrouw Deuleu, voelen we ons geen helpers. Ik zeg wel eens: “Ik ben hier gekomen en blijf om ontwikkeld te worden.” Als antropoloog, maar ook als mens, leer ik nog iedere dag van de Akha en andere bergmensen. Deze archaïsche culturen hebben over de eeuwen in situaties van politieke en economische marginalisatie in een moeilijk klimaat een enorme wijsheid opgebouwd.

Von Geusau met vrouw Deuleu.

Leo Alting von Geusau met zijn vrouw Deuleu in 1986.

Als overlevenden hebben ze geleerd in kwetsbare situaties met de natuur, met de mensen, met politieke uitbuiters en met onzichtbare kracht om te gaan. Daar is weinig animisme bij, zoals de Thais en de missionarissen de bergmensen graag willen brandmerken. Het is eerder een heel gedetailleerde, praktische en kosmische filosofie. In deze visie zijn de mensen in hun samenleving deel van de natuur of de kosmos. En die wordt niet beheerst door ‘Een Grote Oorzaak’, maar door een veelheid van krachten en wetten, waar je je dan als mens steeds moet proberen in te passen. Het is een oude wijsheid die de Akha’s niet graag prijsgeven. Ik zal er mijn verdere leven voor nodig hebben om die op te schrijven.

Ik probeer niet, zoals missionarissen, een westerse boodschap naar de Akha’s te brengen. Ook probeer ik ze niet te ontwikkelen. We hebben eigenlijk een relatie van uitwisseling, zoals die ook het leven van de Akha’s overheerst. Zij leren mij te leven en mens te zijn. Ik probeer hen te helpen met medicijnen en een paar dingen waarmee ze misschien een grotere kans tot integratie hebben. Het is geen gemakkelijk leven. De definitieve beslissing  om mijn leven verder met hen te delen heeft me enige tijd in een dal van twijfel gebracht. Maar dat is nu één van die contradicties waarvan de Akha-wijsheid vol is: het is de moeilijkste en tevens gelukkigste tijd van mijn leven geworden.’

©SJON HAUSER:TEKST EN FOTO’S

Een wat andere versie van dit verhaal verscheen in Onze Wereld oktober 1986, p. 28-31.
Meer over Alting von Geusau en de Akha in het artikel: Akha Swing Festival, ethnic culture in the mountains .