Adolf Verkuyl

Coverplaat Verkuyl- Terugsterven!-41985 – Adolf Verkuyl: ‘Terugsterven moeten we !!’

Professor ingenieur Herman Verkuyl volgt vanuit zijn landhuis in Thailand het wereldgebeuren. De voormalige Nederlandse houtvester bezint zich op ontbossing, de anti-Vietnamhetze en de overbevolking. ‘We moeten terug naar twee miljard mensen, met alle acceptabele middelen.’
Sjon Hauser zocht hem op, noteerde zijn filosofie en schetste zijn leven.

SJON HAUSER

Aan de weg langs het paleis in Bogor staat een klein ‘monument’ dat de Naald wordt genoemd. Toen president Soekarno daar op zekere dag voorbijreed, merkte hij op tot zijn medepassagier professor Soekanto: ‘Welke Hollander heeft daaronder wel zijn hond begraven? Ik zal het maar eens laten opruimen.’ Zij spraken Nederlands met elkaar. ‘Dat moet u liever niet doen,’ antwoordde Soekanto, ‘het heeft een belangrijke betekenis. Professor Verkuyl heeft het me eens uitgelegd, maar ik ben het weer vergeten.’ Waarop de president reageerde met: ‘Als ik dat snuit weer zie, zal ik het hem vragen.’
Soekarno dacht ongetwijfeld aan professor Johannes Verkuyl, toen buitengewoon hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Jakarta, die af en toe contact met hemzocht. Door Soekanto werd evenwel een ander bedoeld: prof. ir. Adolf Herman Verkuyl, die in de jaren vijftig te Yogyakarta en Bogor bosbedrijfsregeling, forestsurvey en industrial planning doceerde.
Dolf Verkuyl is door de jaren aan die naamsverwarring gewend geraakt. Eens kwamen hij en zijn vrouw in Endau (Maleisië) terecht, schreven zich in bij het plaatselijke hotel en trokken zich terug op hun kamer. Het was hun niet bekend dat er kort daarvoor een zendingsbijeenkomst was gehouden. Het gerucht verspreidde zich dat ‘professor Verkuyl weer terug is’. Een paar uur later stond er een deputatie van de kerkeraad in de lobby, die hem te spreken vroeg. Dolf Verkuyl schudde handen met de vriendelijke heren: ‘Wat kan ik voor u doen?’ Toen hem gevraagd werd de eerstvolgende predikbeurt waar te nemen ging hem een licht op. Hij zette de zaak recht en er werd braaf gelachen—van preken was geen sprake meer. Voor de oosterling lijken alle Europeanen op elkaar.

Verkuyl-01Om op de Naald in Bogor terug te komen, deze vormt het uiteinde van een basislijn, waarvan het beginpunt een kilometer terug ligt: een gaatje in een tegel in de voorgalerij van het Paleis. Die basislijn fungeerde ooit als vaste referentie bij het meetwerk waarmee geheel Java is gekarteerd.
Als Dolf Verkuyl na zijn bosbouwstudie te Wageningen in 1938 naar Indië vertrekt, zijn kleine stukken van Java nog zelden belopen. Verkuyl zal een paar witte plekjes op de kaart invullen, zoals het ongerepte natuurbos van Meru-Permisan op Oost-Java, dat hij als houtvester in dienst van het Boswezen doorkruist. Na de trektocht door de jungle stelt hij in zijn rapport dat dit unieke stuk natuur met de laatste Javatijgers beschermd moet worden. Die aanbeveling wordt na de oorlog door de Indonesische regering opgevolgd. Het Meru-Betiri natuurreservaat is onlangs door prins Bernard bezocht.
Andere opdrachten brengen Verkuyl naar Kangean, een groep paradijselijke eilandjes waar de bevolking tijdens het planten en oogsten van de rijst in de schaduw van reusachtige kesambibomen leeft. Op een van die reizen daarheen vergaat de veerboot, de Ruth, op een rif en dobberen Verkuyl en de andere passagiers een nacht en een dag in zwemvesten in een ruwe zee. Die schipbreuk van de Ruth komt ook ter sprake in A. Alberts’ In en uit het paradijs getild. Alberts spreekt van ‘het ellendige gouvernementsvaartuig’ maar Verkuyl heeft geen rancunes tegen het schip.

Voor Verkuyl is Nederlands-Indië aanvankelijk ook een paradijs. Men heeft er de ruimte en de vrijheid, zeker als houtvester. Maar later merkt hij op: ‘Als je niet blind bent of een geboren meeloper, moet je wel tot de slotsom komen dat die zogenaamde vrijheid zeer betrekkelijk is geweest, niet in de laatste plaats door het bedrieglijke en schijnheilige dat eraan verbonden is. Ook wil de mens in zijn diepste wezen niet vrij zijn. Hij wil zich geboren voelen in zijn Umwelt, zijn volk, familie en geloof.’
Door de gehele mobilisatie in december 1941 komt aan Verkuyls burgerwerkzaamheden een eind als hij zich bij de Afdeling Veldartillerie van het Knil (Koninklijke Nederlands Indisch Leger) te Malang voor actieve dienst meldt. Het bestaan blijft echter avontuurlijk. Op een gloednieuwe 1200 cc Harley Davidson scheurt hij over Oost-Java. Als er geruchten zijn dat de Japanner niet vies is van een handgemeen met getrokken messen, geeft majoor Stenger, de commandant van A-I-Veld, hem opdracht iedere man van de afdeling van een jachtmes te voorzien. Verkuyl gaat alle ijzerhandelaren in Soerabaya af, totdat er geen jachtmes meer in de Oost-Javaanse hoofdstad te vinden is.
De gedachte aan serieus verzet tegen de ‘Nip’ blijkt echter een illusie. Via Singapore belandt luitenant Verkuyl na lange marsen door het hogerop gelegen terrein in 1943 in het krijgsgevangenenkamp Chungkay aan de Birma-spoorlijn. Hij heeft malaria, maar de koortsen verdwijnen. Ook aan dysenterie wil hij niet sterven. Hij wordt zo mager dat zijn ruggegraat van voren door zijn ingewanden heen is te toucheren. Hij blijft op de been. Een ernstig scotoom (blinde plek) in beide ogen maakt hem echter praktisch blind, waardoor hem een tijdlang het geestdodende baantje van messenslijper in de keuken te beurt valt. In die keuken krijgt de voormalige ‘messenkoning van Malang’ menig mes in de hand dat hij zelf eens in Soerabaya had gekocht.
Vrienden liggen om hem heen weg te kwijnen.Het kampleven zal Verkuyls denken blijvend beïnvloeden,maar leidt niet tot Jappenhaat. de overlevende van de kampen in 1985: ‘In zeker opzicht moeten we de Nip echt dankbaar zijn. Zonder hem zaten we nu nog in Indië te dokteren.’
Wat poëtischer schrijft hij in een gedenkschrift daarover: ‘De Nederlandse Maagd, zwanger ver over haar tijd, werd middels de samoerai-snede verlost van een prachtig kind. Dat althans danken we vroedvrouw Hirohito.’

In het na-oorlogse Bangkok, waar de Nederlandse ex-krijgsgevangenen nog maandenlang in barakken worden opgeborgen, krijgt Verkuyl het voor elkaar een avondje te gaan stappen met een dochter van de Maharadja van Shillong (Assam). Als in een droom beklimmen ze bij volle maan—samen met haar chaperonne en zijn vriend Sluimers, het latere hoofd van Antara in Amsterdam, wiens politieke opvattingen veel invloed op Verkuyl hebben gehad—de grote prang vande Tempel van de Dageraad (Wat Arun). Indra, de Vedische godheid van het luchtruim boven elke trap in een niche gezeten op zijn driehoofdige olifant, heet hen zwijgend welkom. Het vergezicht over de maanovergoten rivier en stad is overweldigend.

Lees verder, download dan het hele verhaal als PDF (gratis!). Download here Adolf Verkuyl-1985  (1.4 MB)