Achan Chuan en Phu Thok

01-Chuan
01-Balustrade rond Phu Thok.                                                                   TEKST & FOTO’S © SJON HAUSER

Achan Chuan Kunlachettho (1920-1980) en de heilige berg Phu Thok

02-Chuan-870
02: ■1. Beeld van Achan Chuan in een kapel van Wat Phu Thok aan de voet van de kalksteenberg Phu Thok. ■ 2. Phu Thok. De foto’s zijn gemaakt in februari 2002.

De engelen die Achan Chuan een zandsteenrots schonken

Uit: Mekong. Van de Gouden Driehoek naar Vietnam (1):

De prehistorische mens was al door het woeste, desolate landschap [van Noordoost-Thailand] geboeid en kwam er om te jagen of om met oker of runderbloed de rotswanden te beschilderen. Aan de rebellen van de Communistische Partij van Thailand bood het jarenlang bescherming. En het rotslandschap was favoriet bij zwefmonniken die erdoorheen trokken om te mediteren—zoals Achan Chuan, wiens voorouders uit Laos kwamen en als krijgsgevangenen naar Amnat Charoen waren gedeporteerd.

Als phra thudong (zwerfmonnik) maakte Achan Chuan lange tochten door de wildernis, overnachtte in de jungle en mediteerde in grotten. In 1958 voerde zo’n tocht hem naar Nong Khai, de plaats van waaruit zijn voorouders ooit dieper Thailand in waren gedreven. Vandaar zakte hij in een boot de Mekong af tot in de buurt van Bueang Kan. Daar leefde hij ‘tussen de tijgers, beren en krokodillen’.
Op een dag kreeg Achan Chuan tijdens een diepe meditatie een visioen. In de lucht zag hij twee kastelen. Hij vloog ernaartoe, cirkelde eromheen en was getroffen door hun schoonheid: de enorme muren bestonden uit goud en edelstenen. Toen hij uit zijn meditatie herrees, zag hij in de verte twee rotsen van roze zandsteen, twintig kilometer van de Mekong. Van Phu Thok, de kleinste met een omtrek van een kilometer, was hij gecharmeerd. Op de beboste top leefden gibbons en het was er koel. Achan Chuan besloot zich er te vestigen.
Deze roze berg lag in een zogeheten ‘roze zone’—een gebied dat door communisten was geïnfiltreerd. De dorpelingen waren aanvankelijk nogal schuw, misschien omdat de beroemde monnik ooit voor communist was uitgemaakt. Maar geleidelijk wist Achan Chuan hun vertrouwen te winnen. Hij hoorde hun alledaagse problemen aan en gaf adviezen, hielp met de aanleg van een weg en de bouw van een waterreservoir.
Later kreeg Achan Chuan een droom waarin de engelen die Phu Thok bewoonden, hem de rots schonken. In 1971 besloot de monnik ballustrades rond de rots te bouwen. Een Amerikaanse architect vond dat te gevaarlijk en zag meer heil in een kabelbaantje. Maar eigenwijs ging Achan Chuan toch aan de slag, bijgestaan door enkele andere monniken en een groepje dorpelingen. Het resultaat is een indrukwekkende spiraal van een vijftal houten balustrades rond de loodrechte rotswand, onderling verbonden door trappen.

Deze spirituele zandsteenrots was mijn bestemming (…) toen ik het slapende Bueng Kan uit reed. Een halfuur later kwam Phu Thok in zicht. De roze zandsteen leek te gloeien in de stralen van de nog laag staande zon. Aan de voet van de berg stonden de tempelgebouwen te midden van de bloeiende heesters en perken met sierplanten. Ik klom de berg op.
Halverwege de top rustte ik even uit in de koelte van de boven mij hellende rotswand en toen drong het pas goed tot me door wat voor bijzondere plek Phu Tok is. Het was bijna onvoorstelbaar dat de honderden meters stellages van planken en balken met eenvoudige middelen waren gebouwd.
In de verte zag ik Phu Wua liggen, een berg waar Achan Chuan in 1966 samen met andere monniken vertoefde. Een uit het Noord-Vietnamees luchtruim terugkerende bommenwerper dropte er eens zes bommen, waarvan er vijf niet ontploften. Achan Chuan schreef dat laatste toe aan ‘Het Drievoudige Juweel’ van het boeddhisme dat de monniken op Phu Wua vertegenwoordigden en dat hun bescherming bood. Later arriveerden er Amerikanen in een helikopter om de bommen te ontmantelen.
De zwerfmonniken werd het bestaan in die dagen niet gemakkelijk gemaakt. Twee jaar eerder had het Thaise leger op een andere berg een kluizenaarsoord platgebrand. De fruitbomen werden gekapt, de groenten uitgetrokken en de waterkruiken kapotgeslagen om te voorkomen dat de communisten ze zouden gebruiken. Nadat Achan Chuan eenmaal Phu Thok had gevonden, werd hij niet meer opgejaagd.

De roze rots wordt nu als heilig beschouwd. In de eerste plaats omdat hij als het ware uit het diepste innerlijk van de beroemde Achan Chuan is ontsproten, maar ook omdat hij door engelen wordt bewoond. Het beklimmen van de rots via de spiraal van ballustrades is te vergelijken met het devoot rondjes lopen om zeer vereerde pagodes. Bij elk hoger niveau dat ik bereikte, leek de gewijde sfeer intenser te worden. Ik voelde me uitverkoren om op deze schitterende, afgelegen plek te zijn, waar zelden of nooit een toerist komt.
Maar aan mijn reizigerseuforie kwam een eind toen ik tegen een stuk rotswand aankeek waarop met krijt een hart met een pijl was getekend. Ernaast beeldden eenvoudige krabbels waarschijnlijk een paar billen met neervallende drollen uit. De artiest van deze vermoedelijk recente rotskunst had er ook nog in forse blokletters zijn naam onder geschreven: Dirk Mak. Leuk, zo’n nazaat van Rembrandt in de geglobaliseerde wereld!
Toen ik een halve omgang verder was, kon ik het tempelterrein met de lotusvormige stoepa in de diepte zien liggen. Een kwartier later bereikte ik het einde van de balustrade. De rotswand was hier minder steil en ging over in bos. Een bord met een afbeelding van een cobra waarschuwde bezoekers voor slangen. Ik klauterde omhoog, de ‘jungle’ bestond overwegend uit bamboe en er was geen gibbon meer te bekennen. Het uitzicht was subliem, maar Phu Thok was te laag om de Mekong in het oosten te kunnen onderscheiden.
Bij de afdaling passeerde ik een sobere, houten kapel die onder een overhangende rotswand was getimmerd. Er was een altaar met een boeddhabeeld, maar er waren ook een menselijk skelet en de kies van een olifant geëtaleerd, kennelijk om de vergankelijkheid van het leven te illustreren. Aan de muur hing een Chinese wandplaat met een afbeelding van een tijger bij een reeks portretten van Achan Man, de grondlegger van de beweging van ronddolende monniken, van wie Achan Chuan een leerling was.
Achan Man zou door een tijger zijn aangevallen, maar door zijn spirituele uitstraling ging het dier er als een haas vandoor.
Aan de overkant in Laos wemelde het zelfs van de gevreesde man-eaters en ook daar had hij met succes de kracht van de Dhamma (leer van Boeddha) aangewend om de wilde dieren te onderwerpen. Het eenzaam de nacht doorbrengen in het bos was het middel bij uitstek om angst te overwinnen. Omdat de tijger zeer gevreesd is, werd het een symbool voor het ‘wilde’ dat getemd moest worden, vooral het ‘innerlijke wilde’, namelijk onze angsten en begeerten.

03-Chuan-870
03: ■ 1. Een deel van de loopbrug met balustrade rond Phu Thok. ■ 2. Uitzicht vanaf Phu Thok. De foto’s zijn gemaakt in februari 2002.

Aan de voet van de rots veegde een noviet zo fanatiek bladeren op een hoop, dat ik even meende dat hij speed geslikt had. ‘Eat to live, but not live to eat’, stond op een bord aan een boom.
Ik liep door naar de lotusvormige pagode. Aan de buitenkant beeldden bas-reliëfs van terracottategels het leven van Achan Chuan uit. Binnen was de pagode ingericht als museum: Chuans bezittingen waren wat soberder dan die van collega Thet in Nong Khai. Er stond ook een spuugbak waarin hij zijn speeksel opving dat hij niet mocht inslikken bij strenge ascese. Het opmerkelijkst was echter de ingedeukte ijzeren bedelnap. Die droeg Chuan bij zich toen hij in 1980 in het vliegtuig zat dat bij Bangkok neerstortte. Met andere monniken was hij op weg naar de hoofdstad om de verjaardag van koningin Sirikit bij te wonen. Het Drievoudige Juweel behoedde hen dit keer niet voor de ondergang.

Praktische tips: de weg naar Phu Thok
Phu Thok bevindt zich in de buurt vn het dorpje Ban Kham Khaen in het district Si Wilai in de provincie Bueng Kan. Vanaf de provinciehoofdstad Bueng Kan is het bijna vijftig kilometer naar Phu Thok. Ga vanuit Bueng Kan Highway 212 op in oostelijke richting (richting Bung Khla). Na bijna dertig kilometer sla je rechtsaf de Rural Road 3009 op (Thang Chonnabot Bueng Kan 3009). Na ongeveer 15 km sla je rechtsaf. Vandaar is het nog maar een paar kilometer naar de 200 meter hoge zandsteenberg. Aan de voet ervan ligt Wat Chedi Khiri Wihan, ook wel bekend als “Wat Phu Thok”. Kamala Tiyavanich (1997. p. 379, noot 73) schrijft dat Phu Thok een “must see” is voor pelgrims op Dhamma-tours.

Achan Chuan Kunlachettho (1920-1980)—een biografische schets (2)

00-teaser-ChuanChuan werd geboren in een dorpje in het huidige district Amnat Charoen in de Isan. Hij kwam uit een groot gezin. Zijn voorouders waren Lao-krijgsgevangenen die naar Siams Noordoosten waren gedeporteerd. Zijn vader zou later dorpshoofd worden en Chuan ontving voor die tijd ruimschoots onderwijs: zes jaar lagere school. Toen Chuan zestien was stierf zijn vader. Een jaar eerder had Chuan een thudong monnik (zwerfmonnik) ontmoet aan de rand van het bos bij zijn dorp. Hij had gehoord dat zulke monniken vaak amuletten uitdelen. In de hoop een amulet te krijgen of een mantra te leren ging hij water voor de monnik halen. Maar in plaats van een amulet gaf de monnik hem een kopie van het boekje Trisaranakhom geschreven door Achan Sing. De monnik adviseerde Chuan de instructies in het boek op te volgen en te gaan mediteren.
In 1941 liet Chuan zich in de dorpstempel inwijden tot monnik. In die tijd hadden de discipelen van Achan Man al vele ‘forest monastries’ gevestigd in het noordelijke deel van het Noordoosten. Chuan voelde zich aangetrokken tot het leven van de zwerfmonniken en wilde daarom switchen naar de Thammayut-orde, maar de abt van zijn dorpstempel weigerde toestemming te geven. Chuan trad daarop uit de orde. In zijn burgerbestaan werd hij handelaar in zijden stoffen. Op reis van dorp naar dorp liep hij malaria op en werd doodziek. Hij legde de eed af opnieuw monnik te worden wanneer hij snel zou herstellen. Aldus geschiedde. Hij liet zich tot monnik inwijden in de Samranniwat Forest Monastery van de Thammayut-orde in de huidige provincie Amnat Charoen.
Chuan ontmoette de befaamde Achan Man in 1945. De tempel waar Chuan verbleef, kreeg dat jaar bezoek van een hoge Thammayut-monnik (Seng Pusso) die op weg was naar Achan Man in Sakon Nakhon. Chuan werd gevraagd Seng Pusso te vergezellen. Met de auto ging de rit naar Sakon Nakhon en vandaar gingen ze per ossenkar en te voet verder naar de samnak (‘hermitage’) waar Achan Man verbleef—in de buurt van Ban Nong Phue in het district Phanna Nikhom. Achan Man verbaasde zich over de lichte huidskleur van Chuan en meende dat hij een Chinees was, en geen Lao zoals de anderen. Chuan moest uitleggen dat hij een ‘volbloed Lao’ was. (3)
Veel zwerfmonniken in de traditie van Achan Man hebben een close encounter met een wild beest of een boze geest ervaren als een doorbraak in hun ontwikkeling om angst te overwinnen.
Voor Chuan was dat een ervaring met een olifant in het jaar 1951. Hij vertoefde aan de rand van het Dong Ban Mo in het district Wanon Niwat (in de provincie Sakon Nakhon). Olifanten, tijgers en beren bevolkten toen nog veel bos in het Noordoosten. Dorpelingen hadden voor de zwerfmonniken hutjes in het bos gebouwd. Chuan verbleef er samen met een andere monnik.
00-teaser-ChuanOp een nacht werd Chuan gewekt door de herrie van een kudde wilde olifanten. In het donkere bos zag hij de kudde in zijn richting komen. De leider van de kudde, een reusachtige stier, stopte zes of zeven meter voor Chuans kutti. Het dier trompetterde luid en begon het struikgewas te pletten en op de bodem te stampen. Om zijn angst te beteugelen dwong Chuan zichzelf ertoe met compassie en medelijden aan de olifant te denken. Het richten van zijn geest daarop moet een sterke kracht hebben gehad, want binnen enkele seconden werd Chuan rustug, terwijl de olifant trompetterde alsof het ergens door geraakt was—het was een explosief geluid dat door het bos galmde. Daarop liep het dier terug, het bos in. Chuans ervaring lijkt te pleiten voor Achan Mans leerstelling dat de geest die gebaseerd is op Dhamma is uitgerust met een soort vermogen tot zelf-bescherming. Deze geest blijft standvastig, ondanks aanvallen van angst, en gaat over in moed. (4)
De ontmoeting met een gevaarlijk dier wordt in de traditie van Achan Man dan ook gezien als ‘een gelukkige omstandigheid’, een goede gelegenheid de strijd tegen de angsten te testen. In dezelfde zin moet het voor zwerfmonniken als een goede kans gezien worden wanneer ze toevallig op een lijk stuiten. Dat laatste overkwam Chuan toen hij in 1943 op weg was naar Ubon Ratchathani. Terwijl hij door bos liep, werd hij een enorme stank gewaar—in een sloot lag een lijk. Het was een smerig lijk, een week of zo al dood, en in een verregaande staat van ontbinding. In de ingewanden krioelden de maden en wormen. Chuan dacht: ‘Ik ben bij een schat beland die moeilijk te vinden is. Ik dien deze te gebruiken als een onderwerp voor meditatie.’ En de monnik ging zitten in de buurt van het lijk en begon te mediteren.
Enkele uren gingen voorbij toen Chuan bezoek kreeg van twee dorpelingen. Chuan liet hen weten ook de nacht bij het lijk te willen mediteren, maar dat werd hem afgeraden: als de politie zou komen zouden ze denken dat de monik de moordenaar was. Chuan trok verder, maar tegen de avond bereikte hij een dorpje en bracht er de nacht door op het kerkhof. Tijdens meditatie die nacht bracht hij het lijk van de afgelopen dag voor de geest. ‘Toen mijn geest kalm was, kreeg ik een visioen van een dozijn lijken die over me heen lagen. Ik kon mijn lichaam of benen niet meer bewegen. Elke keer wanneer ik bewoog, raakte mijn lichaam de lijken. Ik mediteerde daarom door me op mijn eigen lichaam te concentreren en besefte dat dit ooit ook uiteen zal vallen, net als deze lijken…Dat process is onvermijdelijk. Deze nacht is mijn geest kalm, koel en uitgerust. Mijn geluk is niet in woorden uit te drukken.’(5)
00-teaser-ChuanHet leven van zwerfmonniken bracht talloze risico’s met zich mee. Velen werden ziek, met name malaria was een gevreesde kwaal. Moderne medicijnen kenden ze niet, traditionele kruidengeneeskunde kenden sommigen wel. Chuans vader was een ‘folk doctor’ maar zelf wist Chuan weinig van kruidengeneeskunde. In 1956 kreeg hij een ernstige infectie aan zijn duim, en er werd een lokale genezer gehaald die de infectie met succes behandelde met de wortel van een plant. (6) Veel thudong monniken geloofden dat het drinken van hun eigen urine een effectief medicijn was tegen allerlei aandoeningen.
Achan Man heeft steeds benadrukt dat veel kwalen met Dhamma genezen kunnen worden. In 1959 werd Chuan genezen na een visioen (nimit), hallucinatie of droom tijdens een malaria-aanval. Hij was toen 39 jaar en verbleef in het afgelegen Pink Forest in het district Phon Phisai in de provincie Nong Khai, ver van de bewoonde wereld (het dichtst bijzijnde gehucht was 4 km lopen). Chuan werd weer eens geplaagd door de ‘junglekoortsen’ (malaria) en heftige rillingen. Medicijnen had hij niet en hij probeerde zijn koortsen te bedwingen door te mediteren. Hij lag op zijn rug en kreeg een visioen: zijn vader die al jaren dood was verscheen voor hem en bood hem medicijnen aan—Chuan slikte ze allemaal. Chuan realiseerde zich dat het een visioen was. Niettemin nam meteen zijn kracht toe en verdween de koorts.
Uit dankbaarheid bidde Chuan en droeg al de merit (verdienste) die hij had verworven over op zijn ouders.
Tot de sterkste krachten die zwerfmonniken moesten overwinnen behoorden de seksuele verleidingen. Achan Cha, een andere beroemde zwerfmonnik, had eens bekend dat de strijd tegen de verleidingen van het vlees voor hem het zwaarst was. Ook Chuan kampte vaak met erotische gevoelens. Om niet in de verleiding van het vrouwelijk schoon te komen vertoefden de zwerfmonniken vaak ver buiten de dorpgemeenschappen waarvan ze afhankelijk waren voor hun eten. Een keer, op Doi Suthep bij Chiang Mai, werd Chuan verrast door een jonge vrouw met ontblote borsten. De verleiding die vrouw opnieuw te ontmoeten was groot en Chuan dwong zichzelf verder te trekken, naar oorden ver van deze verleidelijke vrouw.
00-teaser-ChuanHet leven van een zwerfmonnik, zo zagen we, was niet gemakkelijk. In de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw kwam daar nog eens een ‘probleem’ bij: zwerfmonniken waren verdacht en werden vaak gezien als sympathisanten van de communisten. In die tijd stond de ontwikkeling van de nationale economie hoog in het vaandel van de machthebbers, zoals dictator-premier generaal Sarit Thanarat (1957-1963) en de sterke mannen uit leger- en politiemacht die hem opvolgden. Die machthebbers zagen het practiceren van meditatie als iets subversiefs. Sarit zou gezegd hebben dat wanneer iedereen zijn ogen dicht doet om te mediteren, niemand de communisten in de gaten kan houden. In die tijd dat de vervolging van de communisten de vorm van een heksenjacht had aangenomen, was het bestaan van de thudong monniken vaak niet veilig. Voor je het wist was je als monnik verdacht, vooral omdat deze monniken vaak in aanzien stonden bij de lokale bevolking. Zelfs de hoog geplaatste, maar hervormingsgezinde (en meditatie propagerende) monnik At Phimontham, abt van Bangkoks vooraanstaande Wat Mahathat, werd van communistische sympathieën beschuldigd. Men dwong hem de orde te verlaten en hij werd van 1962-1966 gevangen gezet. Daarop terugblikkend zei Phimontham: ‘In die dagen was het erg gemakkelijk om te worden beschuldigd communist te zijn. De meest futiele dingen konden tegen je worden gebruikt, het feit bijvoorbeeld dat ik uit het Noordoosten kom, een gebied waar 90% van de bevolking uit arme boeren bestaat. Kennelijk, zo werd gefluisterd, een kweekplaats voor agitatoren. En zodoende ging ik in 1962 voor vijf jaar de gevangenis in.’ (7)
Steeds meer zwerfmonniken gingen zich daarom ergens min of meer permanent vestigen: Fan streek neer in Sakhon Nakhon, La in Mukdahan, Cha in Ubon, Waen in Phrao (in Chiang Mai), Thet aan de Mekong in Nong Khai. Maar Chuan zette zijn zwerftochten door het Noordoosten nog jarenlang voort, ondanks de risico’s. Vaak in streken die door de regering als khet si chomphu (‘roze gebieden’ oftewel: ‘communist-infested sensitive areas’) waren gebrandmerkt. Een keer werd Chuan door zwaar gewapende Border Patrol Police achterna gezeten en moest hij rennen voor zijn leven. Pas in 1969 vestigde Chuan zich bij de Phu Thok-berg in Bueang Kan (zie kader hierboven: De engelen die Achan Chuan een zandsteenrots schonken).

In de jaren zeventig steeg het aanzien van deze ‘gevestigde’ zwerfmonniken uit de School van Man aanzienlijk en velen groeiden uit tot relatief hoge gezagdragers binnen de koninklijke Thammayut secte. Vanwege het grote respect dat de lokale bevolking voor deze monniken had, werden ze als het ware gepaaid door de overheid om de groei van het communisme te beteugelen. De koninklijke familie bezocht vele keren beroemde zwerfmonniken in het Noordoosten en geleidelijk groeide een solide band. Koning Bhumibol liet met zijn vele ‘koninklijke’ projecten op het platteland tegelijkertijd zien hart te hebben voor de boerenbevolking. Deze ontwikkelingen maken begrijpelijker dat Chuan en enkele andere bekende Isan-monniken in 1980 naar Bangkok vlogen om de verjaardag van koningin Sirikit bij te wonen. Het vliegtuig verongelukte en Chuan kwam daarbij om het leven.

NOTEN
(1) Hauser, 2008, p. 173-177.
(2) De meeste gegevens zijn ontleend aan Tiyavanich (1997).
(3) Tiyavanich (1997), p. 76.
(4) Tiyavanich (1997), p. 89-90.
(5) Tiyavanich (1997), p. 104-105.
(6) Tiyavanich (1997), p. 108.
(7) Tiyavanich (1997), p. 231.
REFERENTIES
Hauser, Sjon, 2008. Mekong. Van de Gouden Driehiek naar Vietnam. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.
Tiyavanich, Kamala, 1997. Forest Recollections. Wandering Monks in Twentieth-century Thailand. Silkworm Books, Chiang Mai.