Aap Noot Mies 02-De dood

Aap Noot Mies 02-De dood
DE DOOD (in woord en beeld)
Thais voor gevorderden: idioom, het Thaise schrift, standaardtranscriptie, wetenswaardigheden

aa-01-ANM-De DoodFiguur 01. 1: Het gemummificeerde lichaam van de meditatiemeester Luang Pu Nob Bhuvadhi (1887-1960) in een glazen vitrine in Wat Maha Phruettharam (วัดมหาพฤฒาราม), in de buurt van het Hua Lamphong-spoorwegstation in Bangkok. 2: Het Parool, Lees die Krant! Een man is bij een dorp dodelijk verongelukt op de highway. Zijn lichaam is met kranten bedekt. Een groepje dorpelingen kijkt beduusd toe.

DE DOOD.
Het thema De Dood moet veel Nederlanders in Thailand aanspreken. Een groot aantal verblijft hier dankzij een retirement visa en heeft de beste jaren van het leven al achter zich. Waarschijnlijk geniet men nog intens van het leven, maar in het geniep loert de Dood steeds vaker om het hoekje—daar komt nog eens bij dat in de tropen de jaren dubbel tellen.
Hoe het ook zij, de dood is onlosmakelijk van het leven. ‘De Dood is groot, wij zijn Zijn lachende mond,’ schreef de dichter Rainer Maria Rilke, die inmiddels al vele jaren dood is.

aa-02-ANM-De DoodFiguur 02. 1-2: Langs de Highway: een kleine zandstoepa waarin papieren vlaggetjes zijn gestoken ter nagedachtenis van een verkeersslachtoffer en om diens geest goed uitgeleide te doen. 3: Wat me bij mijn eerste bezoek aan Thailand (1979) direct na aankomst in Bangkok fascineerde, waren de schrijnwerkers aan de Charoen Krung Road in Chinatown (Yaowarat). Ze waren gespecialiseerd in het maken van fraaie doodskisten. 4: In hetzelfde stuk van de straat zijn ook talloze bedrijven die in eendenkuikens handelen. Als je zo’n zaak binnenkijkt zie je honderden opgestapelde kartonnen dozen met eindeneieren die op het punt staan uit te komen of met kersverse eendenkuikens erin.
‘Dood en geboorte naast elkaar,’ schreef ik daarover later. Als ik in de buurt ben, ga ik er steevast even kijken. Foto 3 dateert van 1982 en werd in 1985 in Samsam gepubliceerd onder het motto ‘De één z’n dood is de ander zijn brood’. Zowel de doodskistenmakerij als de kuikenhandel floreert nog steeds in de straat.

Nu wat Thaise les over de dood:

Het gewone woord voor de ‘dood’ (het zelfstandig naamwoord) is KHWAM TAI-ความตาย, en het bijvoeglijk naamwoord is TAI-ตาย, dat ook sterven betekent. Zelden wordt dit niet gevolgd door LAEO-แล้ว; je krijgt dus meestal TAI LAEO-ตายแล้ว.
Ik heb dat aan het TAI gekoppelde LAEO altijd een beetje macaber gevonden.
Allerlei toestanden waarin de mens kan verkeren zoals MOHO-โมโห (boos) of MAI SABAI-ไม่สบาย (ziek) kunnen gewoon ‘op zich’ worden uitgedrukt, maar bij TAI (dood) komt er dus bijna verplicht LAEO (‘reeds’) achter—alsof men erop heeft zitten wachten, op die dood, zoals de Europeanen uit de Middeleeuwen die het memento mori (‘gedenk te sterven’) als lijfspreuk hadden.

Maar misschien geeft dat LAEO ook wel in zekere zin aan dat je in tegenstelling tot ziekte of boosheid niet meer vanuit de dood in een andere toestand kunt komen. ‘Dood is dood,’ zeggen de Nederlanders doodnuchter. In zekere zin: daarmee bedoel ik dan vooral het lichaam.Want de Thais geloven heilig in reïncarnatie, wedergeboorte van de ziel in een ander lichaam.

aa-03-ANM-De DoodFiguur 03: Vroeger imiteerde de opgeschoten jeugd in Thailand—nog niet bang voor de dood—baldadig de huilende sirenes van passerende ziekenwagens. ‘TAI LAEO, TAI LAEO, TAI LAEO’ kraaiden ze dan uit—wrange humor. Inmiddels maken de meeste sirenes, geloof ik, een heel ander geloei. 1: Een spandoek langs de weg waarschuwt voor een gevaarlijke bocht: RAWANG KHANG NA TAI THUK WAN-ระวังข้างหน้าตายทุกวัน waar iedere dag mensen om het leven komen. 2. Een op een highway in Mae Rim aangereden man wordt per ambulance afgevoerd.

Wanneer Thaise mannen tijdens de seks opeens geen stijve meer hebben, verontschuldigen ze zich ook met TAI LAEO-ตายแล้ว, maar wat gebruikelijker is in die situatie: DAP LAEO-ดับแล้ว (‘reeds uitgedoofd’).
DAP-ดับ = to extinguish; impotentie=ROK KAM TAI DAN- โรคกามตายด้าน (DAN=ด้าน=verharden)
FAI DAP-ไฟดับ=’vuur dooft’=black out; uitvallen van de electriciteit—in Chiang Mai gebeurt het nog regelmatig.
Van een DARA-ดารา (een ster, zoals een filmster of beroemd model) die niet meer beroemd is wordt ook gezegd dat hij of zij is ‘uitgedoofd’: DAP LAEO-ดับแล้ว –vergane glorie dus van het soort ‘Wo sind denn die Blumen, wo sind sie geblieben?’ (Marlene Dietrich)

Terug naar de dood. TAI klinkt vaak een beetje grof en de Thais, die de dingen graag wat mooier voordoen dan ze zijn, hebben dan ook vele wat vriendelijker uitdrukkingen voor dood of sterven.

In de krant of op de TV wordt m.b.t. verkeersslachtoffers of geweldsdelicten doorgaans SIA CHIWIT-เสียชีวิต= sterven (“het leven verliezen of bederven”) gebezigd. Een lijk is een SOP-ศพ en dat woord wordt ook gebruikt als classifier voor dode mensen.

aa-04-ANM-De DoodFiguur 04. 1-2: Bij een ernstig verkeersongeluk hebben ‘vijf mensen het leven verloren’ =SIA CHIWIT HA SOP-เสียชีวิต๕ศพ. Dat gebeurde zo rond 2005 in een gevaarlijke bocht van Highway 1143 ten noorwesten van Chat Trakan in de provincie Phitsanulok. Het autowrak heeft er sindsdien langs de weg als waarschuwing gestaan. Ernaast werd een geestenhuis geplaatst (dat na tien jaar inmiddels geheel in verval is geraakt). Maar de mensen brengen er nog regelmatig offerandes aan de dolende zielen van de vijf slachtoffers door bloemslingers aan het wrak op te hangen of er flesjes frisdrank te offeren.

Er zijn enkele uitdrukkingen van ‘ontsteltenis’ waarin TAI voorkomt en die zijn vergelijkbaar met het Nederlandse ‘Godver’, ‘Jezus’, ‘Mijn hemel’ of ‘Allemachtig’. Bijvoorbeeld: TAI CHING-ตายจริง (‘echt dood’) of UI TAI-อุ๊ยตาย. Interessant vind ik dat ze voornamelijk door vrouwen worden gebruikt. Mannen geven de voorkeur aan wat grovere woorden.

Een beetje plechtig woord voor dood is MORANA-มรณะ. Ik las ergens de volgende zin met MORANA:

Zijn dood leidde tot vele rechtszaken.
MORANA KHONG KHAO KO HAI KOET KHADI MAK MAI
มรณะของเขาก่อให้เกิดคดีมากมาย

Dat doet mij nu denken aan de dood van de beroemde en beruchte Thaise militaire dictator Sarit Thanarat, de Thaise premier van 1957-1963. Deze NAK LENG-นักเลง (“stoere kerel, waaghals / rawdy”) droeg zuipen en mooie vrouwen hoog in zijn vaandel, en stierf dan ook aan een leverkwaal. Na zijn dood stonden er zo’n honderd van zijn voormalige maîtraisses te dringen om een deel van de erfenis op te eisen. De Thais grapten toen tot elkaar: ‘Sarit heeft veel voor de Thais bevolking gedaan, in elk geval voor honderd burgers.’

Een andere zin met MORANA:

Hij stierf vorig jaar
KHAO MORANA SIA LAEO MUEA PI KLAI
เขามรณะเสียแล้วเมื่อปีกลาย

SIA is aan MORANA toegevoegd, waardoor de combinatie bijna een ‘dubbelwoord’ is geworden. Merk op dat het woord KLAI-กลาย (‘veranderen’) hier ‘verleden’ betekent. ปีกลาย-PI KLAI=ปีมาแล้ว-PI MA LAEO=ปีที่แล้ว-PI THI LAEO betekenen allemaal ‘vorig jaar’.

aa-05-ANM-De DoodFiguur 05. 1: Een Thaise knolamaniet die veel op de Europse ‘Death Cap’ lijkt, in het regenseizoen tamelijk algemeen in de bergbossen van Noord-Thailand, zoals in Khun Yuam, Mae Hong Son. 2: Billboards en spandoeken in het district Pua in Nan die waarschuwen voor dodelijk giftige paddstoelen. 3: หมวก-MUAK=(val)helm. 4: Ook honden hebben een ziel. De hond op de bovenstaande foto is waarschijnlijk op straat doodgereden. Mensen (misschien het ‘baasje’) hebben er rijstkorrels neergestrooid en verder hebben ze de hond en straat aan hun lot overgelaten, wat tot een fraai stilleven van een hondenmummie heeft geleid.

DEATH CAP
De dodelijk giftige paddestoel die in het Engels ‘Death Cap’ (Amanita phalloides) en in het Nederlands de groene knolamaniet wordt genoemd, heet in het Thai HET MUAK MORANA-เห็ดหมวกมรณะ wat een letterlijke vertaling van het Engels is. Ik vraag me af of deze soort werkelijk in Thailand voorkomt, in het beste boek over Thaise paddestoelen wordt hij namelijk niet besproken. Maar enkele verwante, dodelijk giftige knolamanieten zijn er algemeen en die zijn waarschijnlijk voor een groot deel verantwoordelijk voor de vele slachtoffers die jaarlijks vallen na het eten van zelf geplukte paddestoelen.
Nu we het toch over deze dodelijke paddestoelen hebben: Ik vraag me af waarom ze zo weinig gebruikt worden om iemand te vergiftigen, terwijl ze daarvoor zeer geschikt zijn. Er zit geen vies luchtje of vieze smaak aan, ze smaken zelfs prima. Je kunt ze dus in plaats van de HET FANG-เห็ดฟาง (‘stropaddestoel’) door allerlei gerechten verwerken. De consumptie van 1-2 gram is al genoeg om de dood te veroorzaken. Het gif blijft na koken of bakken van de zwam werkzaam. De ziekteverschijnselen (aanvankelijk vooral braken) beginnen doorgaans pas meerdere uren (soms wel zes uur) na de consumptie. Soms verstrijkt zoveel tijd , dat het slachtoffer geen verband meer legt tussen de maaltijd waarin de paddestoelen zaten en de ziekteverschijnselen. Dan is het doorgaans te laat om het slachtoffer goed te helpen, want veel gif is al in het bloed opgenomen en is begonnen de biochemische machinerie van de lever grondig te verstoren. Het is een uiterst onplezierige dood: buikkrampen, inwendige bloedingen en delirium, dus een slechte keuze voor zelfmoord.
Overigens menen talloze historici en godsdienstkundigen dat de Boeddha mogelijk is gestorven nadat hij giftige paddestoelen had gegeten, maar daarbij was geen opzet in het spel. Meer daarover in het stukje ‘De dood van de Boeddha’ dat later volgt.
Overigens heeft vergiftigen om iemand uit de weg te ruimen een lange traditie in Thailand. De Franse missionaris Barthélemy Bruguière schrijft in 1829 in zijn ‘Wegwijs in Siam’ dat tot wanhoop gedreven vrouwen vaak hun echtgenoot vergiftigen. Een tiental pagina’s verder vermeldt hij hoe de koning zich behoedt voor vergiftiging: ‘Niemand kan de paleiskeuken betreden wanneer het eten wordt bereid; een official die het vertrouwen van de monarch genietlaat de maaltijden verzegelen en gaat ermee naar de eetkamer. Alleen de koning verbreekt de verzegeling; maar voordat hij het voedsel aanraakt, laat hij alles dat hem wordt voorgezet eerst proeven door een official; slechts na deze voorzorg durft hij te gaan eten.’
(Barthélemy Bruguière, 2008. Description of Siam in 1829. Journal of the Siam Society 96: 73-173. Translated and edited by Kennon Breazeale and Michael Smithies.)

Een ander eufemisme voor dood is SIN CHAI-สิ้นใจ (‘eind hart’). Een voorbeeld:

De dokter zegt dat de patiënt bijna aan zijn eind is.
MO BOK WA PHU PUAI KLAI CHA SIN CHAI LAEO
หมอบอกว่าผู้ป่วยใกล้จะสิ้นใจแล้ว

Nogal poëtisch voor de dood is:
SIN PHRACHON-สิ้นพระชนฆ์

En niet alledaags woord voor sterven is THUENG KAE KAM-ถึงแก่กรรม of THUENG KAE KAM TAI-ถึงแก่กรรมตาย

Al is TAI een beetje grof, het wordt niettemin in veel situaties gebruikt. Zoals in:

Maar men ontloopt de dood niet…
TAE MAI PHAN KHWAM TAI-แต่ไม่พันความตาย

De dokter voorspelde dat hij binnen drie jaar dood zou zijn.
PHAET THAMNAI WA KHAO CHA TAI PHAI NAI SAM PI
แพทย์ทำนายว่าเขาจะตายภายในสามปี

Een spreekwoord met twee keer TAI is:

Een lafaard sterft vele keren voordat hij echt sterft.
KHON KHLAT YOM TAI LAI KHRANG KON TAI CHING
คนขลาดย่อมตายหลายครั้งก่อนตายจริง
Je ziet dat de Thais lafheid als een erg slechte eigenschap beschouwen.

Een spreekwoord waarin ook TAI=sterven voorkomt en dat wel wat blootgeeft van het ‘echte Thailand’ is:

De waarheid is een zaak die niet sterft, maar iemand die de waarheid spreekt zal (daarom) mogelijk sterven (Ongeveer: Kennis is goed, maar overleven het beste).
In het Thais:
KHWAM CHING PEN SING THI MAI TAI, TAE KHON PHUT KHWAM CHING AT CHA TAI-ความจริงเป็นสิ่งที่ไม่ตาย,แต่คนพูดความจริงอาจจะตาย

Van een apparaat dat niet meer werkt zegt men dat het is dood gevallen.
De Thais gebruiken dan DIANG-เดี้ยง
KHRUEANG DIANG-เครื่องเดี้ยง = Het apparaat is ‘out of order’ (buiten bedrijf)

Een onnatuurlijke dood is:
KAN TAI DOI PHIT THAMMACHAT-การตายโดยผิดธรรมชาติ
(THAMMACHAT-ธรรมชาติ = natuurlijk, PHIT THAMMACHAT-ผิดธรรมชาติ = onnatuurlijk; DOI-โดย= met/door)
Het gewone woord voor doden is KHA-ฆ่า, je komt dit woord met de tamelijk zeldzame KHO RAKHANG () veel in de krant tegen, er wordt nogal veel gedood/vermoord in het Land van de Glimlach.
Het wordt ook wel figuurlijk gebruikt: ‘de tijd doden’ is KHA WELA-ฆ่าเวลา

Het aan ‘doden’ verwante ‘vernietigen’ is THAM LAI-ทำลาย en wordt vooral gebruikt bij andere zaken dan mensen.
Bijvoorbeeld ‘de natie vernietigen’ is THAM LAI CHAT-ทำลายชาติ . Nationalisten beschuldigen hun politieke tegenstanders er vaak van dat ze de natie willen vernietigen of aan het vernietigen zijn.

We hadden al gezien dat lijk SOP-ศพ is in het Thais.
Wat je doorgaans doet met lijken:
1. cremeren – PHAO SOP-เผาศพ
2. begraven — FANG SOP-ฝังศพ; graf = LUM FANG SOP-หลุมฝังศพ ; begraafplaats=THI FANG SOP- ที่ฝังศพ (maar een recreative rustplaats voor de levenden = THI SABAI-ที่สบาย)

Nog enkele woorden die ‘doden’ impliceren:
executeren = PRAHAN CHIWIT-ประหารชีวิต
beul (executeur) = PHU PRAHAN-ผู้ประหาร of PHETCHAKHAT-เพชฌฆาต. In het laatste woord komt de zeldzame CHO CHOE () voor: In het standaard Thais-Thais woordenboek van het Royal Institute zijn er slechts drie entries die met deze letter beginnen.

Mijn God! / Oh my goodness = TAI LAEO-ตายแล้ว of TAI LA-ตายล่ะ

In sommige idiomatische uitdrukkingen wordt in het Thai net als in het Nederlans ‘dood’ of ‘sterven’ (TAI) gebruikt. Zoals:

(ik) sterf van de honger = HIU CHA TAI (YU LAEO) – หิวจะตาย (อยู่แล้ว)
doodmoe / ‘dead beat’ = NUEAI CHA TAI-เหนื่อยจะตาย
doodmoe (‘so sleepy’) = NGUANG CHA TAI-ง่วงจะตาย

Maar voor vele andere uitdrukkingen met ‘dood’ gaat dit niet op (doodkalm, doodgewoon, doodenkele keer)

See you in the next life = CHOE KAN CHAT NA-เจอกันชาติหน้า
He was killed at the spot / hij stierf (kwam) ter plekke (om) = KHAO TAI KHA THI-เขาตายคาที่
I survived/ik overleefde = ROT TAI-รถตาย
overtuigd, zeker van zijn zaak / confident = TAI CHAI-ตายใจ

De Dood gepersonificeerd = MATCHURAT-มัจจุราช

Death has taken him (away)/ De Dood heeft hem meegenomen = PHRAYA MATCHURAT DAI KHRA KHAO SIA LAEO-พระยามัจจุราชได้คร่าเขาเสียแล้ว
(KHRA-คร่า betekent ‘slepen’, ‘met geweld nemen’)
of vergelijkbaar:
MATCHURAT DAI DET AO CHIWIT KHONG KHAO PAI SIA LAEO-
มัจจุราชได้เด็ดเอาชีวิตของเขาไปเสียแล้ว
(DET- เด็ด betekent ‘resoluut’)

DE DOOD VAN BOEDDHA

aa-06-ANM-De DoodFiguur 06. De Boeddha zou op de leeftijd van tachtig jaar zijn gestorven. Schilderingen en beelden van een Liggende Boeddha stellen de dood van de Boeddha voor. Als de doodsoorzaak wordt vaak voedselvergiftiging genoemd (met name vergiftiging door paddestoelen). Tijdens zijn sterven is de Boeddha omringd door zijn trouwe volgelingen. 1: Een uit de rotsen gehouwen beeld van de Liggende Boeddha in de Tham Tong, in het district Hot, Chiang Mai. 2: Een beeldenpartij in het bos op de top van Doi Tung bij Wat Phra That Doi Tung in het district Mae Sai, Chiang Rai.

De stervende Boeddha wordt in de boeddhistische iconografie vertegenwoordigd door de liggende Boeddha (Engels: ‘reclining Buddha’) of PHRA PHUTTHASAIYAT (พระพุทธไสยาสน์), die ook wel PHRA NON-พระนอน (NON-นอน is ‘liggen’) wordt genoemd. Beelden van de dood van de Boeddha behoren tot de meest algemene boeddhabeelden die je in Thailand tegenkomt—meestal op het terrein van een tempel, maar soms ook op afgelegen plaatsen, op een berg of bij een rotswand. Sommige behoren tot de grootste boeddhabeelden die er zijn, zoals de prachtige, 46 m lange Liggende Boeddha op het terrein van Wat Pho in het hart van Bangkok. Nog groter is een Liggende Boeddha in de provincie Singburi, ruim 100 km ten noorden van Bangkok. Deze bevindt zich op het terrein van Wat Khun Intha Pramun in het district Pho Thong. Deze gigant is 50 m lang en 11 m hoog en is rond 1410 vervaardigd (Sukhothai-stijl). Het beeld is genoemd naar een lokale belastingophaler uit de vroege Ayutthaya-periode. Restanten van bakstenen pilaren met pleisterwerk wijzen erop dat het beeld ooit door een wihan is beschut (zie figuur 07).
Een van de fraaiste Liggende Boeddha-beelden in Noord-Thailand bevindt zich op het terrein van de prestigieuze Wat Phra That Suthon Mongkhon Khiri in het district Den Chai, Phrae.
Bij de Liggende Boeddha zijn de voetzolen van de heilige goed te zien en ze tonen doorgaans de 108 voorspoedige tekenen die de Boeddha kenmerken—in de Liggende Boeddha van Wat Pho zijn die ingelegd met parelmoer.

De dood van de Boeddha vormt het begin van de Thaise boeddhistische jaartelling (BE= Buddhist Era). In Thailand gaat men ervan uit dat Boeddha in het jaar 543 voor Christus (CE = Christian Era) stierf. Om een jaartal in de BE om te zetten naar de christelijke jaartelling moet je er dus 543 van aftrekken. Bijvoorbeeld: 2558 BE = 2015 CE / na Christus.

DE DOOD VAN BOEDDHA
Het volgende stuk over de laatste dagen en de dood van de Boeddha is grotendeels een samenvatting van hoofdstuk D12 (p. 70-82) uit Hermann Beckh’s Boeddha en zijn leer. Uitg. Christofoor, Rotterdam, 1979 (eerste Duitse editie als ‘Buddhismus’ dateert van 1916).

De dood van de Boeddha is een van de allerbelangrijkste gebeurtenissen in het leven van de heilige omdat deze daarmee het nirvana betreedt. Het wordt ook wel Boedda’s Nirvana of het grote Paranirvana genoemd en wordt uitvoerig beschreven in zelfstandige werken die naast de levensbeschrijving van de Boeddha bestaan. Daarvan is de Mahaparinibbanasoetta van de Dhiganikaya het oudste en beroemdste. Daarop is de beschrijving in het boek van Beckh ook grotendeels gebaseerd.

Als tachtigjarige maakt de Boeddha op zijn oude dag tesamen met een groep discipelen nog allerlei omzwervingen. Hij verkondigt zijn wijsheden en voert talloze ‘geestelijke gesprekken’ die in de Mahaparinibbanasoetta aangehaald worden.
Nadat hij zijn leerlingen de opdracht heeft gegeven naar de stad Vaisala terug te keren, wordt hij in Beloeva voor de eerste keer door de hevige pijnen veroorzaakt door een ziekte overvallen. Hij verdraagt deze pijnen steevast maar acht het tijdstip nog niet gekomen het parinirvana binnen te treden. Eerst wil hij nog (diverse keren) het woord tot zijn leerlingen richten. ‘Daarom bedwingt hij het lichamelijk lijden door de wil, waarbij hij steunt op de kracht, die het leven in hem vasthoudt.” (In Beckh’s Boeddha en zijn leer wordt dat in een voetnoot toegelicht: ‘Boeddha (evenals de heilige in de yoga) beheerst deze (anders onbewuste) krachten door zijn bewuste wil.’
Teruggekeerd van een bedeltocht naar Vaisala, verzoekt Boeddha Ananda (zijn meest naaste discipel) hem naar de heilige plaats Tsjapal te vergezellen. Daarna leidt de tocht over Hatthigama, Ambagama, Jamboegama en Bhoganagara naar Pava.
De heilige verblijft in de mangotuin van de goudsmid Tsjoenda. Gesterkt door de geestelijke woorden van Boeddha, verzoekt Tsjoenda hem en de leerlingen de maaltijd bij hem te gebruiken. Door te zwijgen stemt Boeddha toe. Bij de maaltijd wordt onder ook een gerecht van wilde-zwijnenvlees (soekaramaddava) opgediend. Boeddha geeft opdracht dat dit gerecht hem alleen, de andere spijzen aan de leerlingen worden voorgezet. Als de maaltijd beëindigd is, laat hij wat over is in een kuil begraven, want ‘geen wezen in alle werelden der goden en mensen is in staat, deze spijs op de goede manier te verteren, dan alleen de Tathagata.’ (Boeddha verwijst met Tathagata naar zichzelf.)

Soekara betekent ‘zwijn, wild zwijn’, maddava ‘zachtheid, mildheid’. De in de literatuur verder nergens zo voorkomende samenstelling van beide woorden, wordt gewoonlijk als ‘wilde zwijnenvlees’ uitgelegd. Een andere opvatting, die in soekaramaddava (‘evermildheid, everlust’) een provinciale, lokale naam van een eetbare paddestoel ziet, werd door Andersen in zijn ‘Pali-Reader-glossar’) ter discussie gesteld. Een klare oplossing biedt deze hypothese niet.
Het begraven van de etensresten zou merkwaardig zijn, wanneer hier alleen van gewoon wilde-zwijnenvlees sprake zou zijn. Maar ook de veronderstelling, dat het paddestoelen betrof, waaronder giftige, en dat Boeddha dit zou hebben geweten en daarom de leerlingen zou hebben verboden, ervan te eten, ook deze opvatting zou dit voorval slechts op een zeer oppervlakkige wijze verklaren. Volgens Beckh heeft er alle schijn van, dat voor deze passage naar een diepere, meer spirituele verklaring moet worden gezocht. In deze geest laat zich ook Senart uit (‘Légende du Buddha’)

aa-07-ANM-De DoodFiguur 07. 1-2: De 50 m lange Liggende Boeddha van Wat Khun Intha Pramun in de provincie Singburi. 3: Een liggende Boeddha op het terrein van Wat Chai Mongkhon in Ayutthaya.

Nadat hij de goudsmid Tsjoenda nog door een geestelijk gesprek heeft verkwikt, krijgt Boeddha spoedig na de maaltijd een zware dysenterie, hevige pijnen treden op, de voorboden van de dood. Boeddha verdraagt deze met kalmte, in bezonnen bewustheid en geeft aan Ananda de opdracht met hem verder te trekken naar Koesjinagara.
Onderweg overvallen hem vermoeidheid en dorst. Terwijl hij onder een boom uitrust, vraagt hij Ananda om water. Ananda zegt, dat het water in de nabijheid troebel is, omdat zojuist vijfhonderd wagens, die langs zijn getrokken, de grond hebben omgewoeld. Maar Boeddha gebied hem toch dit water te brengen. Wat blijkt? Het water dat zoëven nog troebel was, stroomt helder en zuiver. Verbaasd en ontroerd prijst Ananda de bovenaardse macht van de Tathagata. Daarop drinkt de heilige het water.

Hierop volgt de ontmoeting met Poekkoesa, een edelman uit het geslacht van de Malla’s, op weg van Koesjinara naar Pava; eertijds was hij leerling van Arada Kalapa. Wat Poekkoesa over Boeddha’s kracht in geestelijke concenratie verneemt, maakt zo’n indruk op hem, dat hij de heilige verzoekt om hem als leerling aan te nemen; hij wil zich tot Boeddha, en tot diens leer en monnikenorde bekeren. Uit dank laat hij de meester nog een paar prachtige goudkleurige gewaden als geschenk overhandigen. Boeddha gebiedt hem een van de gewaden aan te trekken, terwijl het nadere voor Ananda is.
Nadat Poekkoesa afscheid heeft genomen, legt Ananda ook nog het tweede gewaad om Boeddha’s gestalte en weldra straalt het lichaam van de heilige wit als sneeuw (woordelijk: ‘als een witte uitslag’). Verbaasd en verwonderd ziet Ananda de lichte glans, die zelfs de goudkleur van de beide gewaden overstraalt. Boeddha openbaart aan zijn leerling, dat tweemaal in het leven het lichaam van de Voleindige straalt met zo’n glans: eerst in de nacht, waarin hij tot de Boeddha-verlichting ontwaakt en vervolgens in de nacht, waarin hij, de substraten van de lichamelijkheid afleggend, in het grote nirvana aan gene zijde binnengaat. Vandaag echter, in de laatste nachtwake, zal de Tathagata in Koesjinara in de tuin van de Malla’s, tussen twee sal-bomen [zeer hoge, forse bomen, Shorea robusta, die veel olie en hars bevatten] in het grote nirvana binnengaan.

aa-08-ANM-De DoodFiguur 08. 1: Een Liggende (stervende) Boeddha in een wihan op het terrein van Wat Maha Phruettharam (วัดมหาพฤฒาราม) in Bangkok. 2: Een Liggende Boeddha in de grot Tham Tap Tao, Chai Prakan district, Chiang Mai. 3: Een muurschildering van de dood van Boeddha in Wat Mae Ngon, Fang district, Chiang Mai.

Na een bad in de rivier Kakoettha legt Boeddha zich vermoeid ter ruste in de mangotuin, die in de nabijheid is. Ananda geeft hij nog de opdracht om de goudsmid Tsjoenda gerust te stellen als deze gebukt mocht gaan onder de gedachte, dat tengevolge van de bij hem genoten maaltijd de heilige gestorven zou zijn. Twee maaltijden in het leven van Boeddha mogen, zo zegt hij, boven alle andere gezegend zijn en vruchten afwerpen: de spijs, die hij tot zich neemt, voordat hij tot de Boeddha-verlichting ontwaakt en ook de maaltijd, die hij tot zich neemt voordat hij in het grote nirvana aan gene zijde binnengaat…

Aan de rivier Hiranyavati bij Koesjinara bereikt Boeddha het doel van zijn tocht. In het sala-woud van de Malla’s, tussen twee tweelingbomen, laat hij door Ananda zijn laatste legerstede gereedmaken. Naar het noorden legt hij zijn hoofd neer. Dan gaat hij afgemat liggen, rustend gelijk een leeuw.

Hoewel het niet het jaargetijde van hun bloei is, staan de beide sal-bomen in volle bloei en een regen van bloesems daalt neer op het lichaam van de stervende heilige. Daarop spreekt de heilige tot Ananda: ‘Geheel en al met bloesems bedekt, o Ananda, hoewel het niet hun bloeitijd is, zijn de beide sal-bomen en een regen van bloesems doen zij op het lichaam van de Tathagata neerdalen. Hemelse bloemen van de boom in Indra’s paradijs vallen omlaag ter ere van de Tathagata, hemelse sandelgeuren vervullen de luchten en dalen neer op het lichaam van de Tathagata en hemels snarenspel en hemelse gezangen weerklinken in de hoogten tot eer en lof van de Tathagata. Maar de Tathagata komt nog een andere lofprijzing, nog grotere verering toe. De volgelingen, man en vrouw, lekebroeder en lekezuster, die vasthoudend aan de norm, volharden in de juiste levenswandel, deze bewijzen de Tathagata de ware en juiste verering.

De Boeddha laat de volgeling, die voor hem staat en die hem koelte toewaaiert, terzijde gaan. Ananda spreekt tegenover de meester zijn verwondering erover uit, dat hij de leerling, die hem zo’n lange tijd trouw heeft gediend, thans in het uur van het afscheid uit zijn nabijheid verwijdert. Maar Boeddha openbaart hem, dat juist in dit ogenblik scharen van godheden uit alle sferen der wereld zijn toegestroomd om de Tathagata voor de laatste keer van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Ieder plekje van het sal-woud en mijlenver in de omtrek is nu van verheven wezens geheel vervuld. En de godheden denken: ‘Van ver zijn wij gekomen om de Tathagata te aanschouwen, want slechts zelden, in het verloop van lange tijden, staat een Tathagata in de wereld op, verrijst een heilige, voleindige Boeddha. Nu, in deze nacht, gaat de Tathagata in het grote nirvana binnen, maar nu staat deze zeer aanzienlijke bhiksjoevoor de heilige en daardoor kunnen wij niet naderbij komen om de Tathagata voor het laatst van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen.’

aa-09-ANM-De DoodFiguur 09. Een muurschildering van Wat Phra That Chom Chaeng in Pai district, Mae Hong Son, waarop de dood van de Boeddha wordt afgebeeld. De Boeddha ondersteunt zijn hoofd met de rechterarm. Treurende leerlingen hebben zich rond de heilige verzameld, sommigen huilen. Op de achtergrond is een verzameling van goden (de donkergroene is Indra) en halfgoden van verre bijeengekomen om van de Boeddha afscheid te nemen. Een regen van bloesems van de sal-bomen (Shorea robusta) daalt op de Boeddha neer.

Verder spreekt Boeddha erover, hoe godheden van de lucht en van de aarde nu mede aangegrepen zijn door de smart van de scheiding en hoe de treurige gedachte hen ontroert: ‘Al te vroeg zal de heilige in het grote nirvana binnengaan, al te vroeg zal de zalige heengaan, al te vroeg zal het licht der wereld ondergaan.’
Vervolgens spreekt Boeddha over de helige plaatsen, die na zijn sterven het doel van vrome pelgrimstochten zullen zijn. ‘Vier, o Ananda, zijn de plaatsen, die een gelovige zoon uit een edel geslacht moet aanschouwen en waar zijn hart moet worden ontroerd: de plaats, waar de Tathagata is geboren; de plaats, waar hij tot de hoogste Boeddha-verlichting is ontwaakt; de plaats, waar hij het rad van de norm in beweging heeft gebracht, en de plaats, waar hij, afleggend alle substraten van de lichamelijkheid, in het hoogste nirvana is binnengegaan….
Tijdens een perlgrimstocht naar die plaatsen zou men de rust in het hart vinden. De Boeddha laat Ananda weten dat zijn lijk met vol eerbetoon dient te worden gecremeerd. Ananda is overweldigd door verdriet en moet huilen. De Boeddha laat hem later weten: ‘Wees niet bedroefd: alles dat geboren wordt is aan vergaan onderhevig. Jij, Ananda, blijf volharden in je streven, dan zul je spoedig bevrijd zijn van alle hartstochten!’ Tegenover de andere leerlingen prijst de Boeddha de fijngevoeligheid van Ananda. Vervolgens geeft hij Ananda de opdracht om de Malla’s, de edellieden van Koesjinara, op de hoogte te stellen dat hij die nacht zal sterven. De Malla’s haasten zich daarop naar het sal-woud.
Op zijn sterfbed legt de Boeddha een bezoeker (Soebhadda) nog eens de kern van het achtvoudige pad uit en besluit: ‘Al het andere is slechts zinloos gekrakeel.’ Tot Ananda zegt hij dat die zich niet als een wees moet voelen als hij is heengegaan en dat de Leer voortaan zijn leraar moet zijn. Dan vraagt hij zijn volgelingen of ze nog vragen hebben. Er zijn geen vragen meer, en het zwijgen wordt door Ananda uitgelegd dat niemand meer enige twijfel heeft.
Dan verheft Boeddha zich tot meditatie en treedt het nirvana binnen en sterft. Dat gaat gepaard met donderslagen terwijl uit de hemelse hoogte de Goden Indra en Brahma spreken. Talloze discipelen moeten huilen, ook Malla’s jammeren.
Na een zesdaagse plechtigheid met dansen en andere feestelijkheid wordt op de zevende dag de brandstapel met het lijk van de heilige door de goden aangestoken. Later worden de beenderen in achten verdeeld en deze relikwieën belanden zo in acht verschillende stoepa’s.

aa-10a-ANM-De DoodFiguur 10. De grote en elegante Liggende Boeddha van de prestigieuze Wat Phra That Suthon Mongkhon Khiri in het district Den Chai, Phrae. De Boeddha ziet er voor een tachtigjarige opmerkelijk mooi en jong uit—zoals dat ook in de oude teksten wordt benadrukt. Een fraai, perfect uiterlijk moet gezien worden als de weerspiegeling van een ‘verheven geest’.

©SJON HAUSER: tekst en foto’s